Zeker en vast

Hella en Roderik

De liefde voor old timers had ze bij elkaar had gebracht, nu vijftien jaar geleden. Dat had hun leven compleet gemaakt. Zij, Hella, had haar blauwe Lelijke Eendje uit 1965 ingeleverd, dat kon het toch niet meer bijbenen. Vanaf dat moment reden zij elke lente in zijn, Roderiks, rode Alfa Romeo Giulia 1600 Spider uit 1967: dat wil zeggen hij reed, zij deed de navigatie. Met de old-timers club trokken zij heel Europa door. Ieder jaar in mei werden de kostbare bolides op een truc geladen en reden zij een parcours: Monte Carlo, Nice, Pyreneeën of Jutland.
Roderik en Hella vormden een volmaakt gelukkige dinkiepaar, double income, no kids. Zij deed de buitenkant, hij verzorgde de binnenkant van hun glanzende twoseater; zij zorgde voor proviand in een passend lunchmandje, hij hield de benzinemeter in de gaten. Dat de rolverdeling nogal traditioneel was, viel in de old-timers club totaal niet op.

Toen kwam de wettelijke verplichting om veiligheidsgordels te dragen. Ze werden ingebouwd, maar Roderik weigerde vervloekte gordels om te doen. Dat hoorde niet bij een old timer. De boetes nam hij voor lief. Hella droeg ze wel. Zij dacht aan de levensverzekering. Het bleef een dispuut.

Dat de TomTom uitgevonden werd, verstoorde de verhoudingen meer. Hella verzette zich hevig, maar Roderik bleek geturfd te hebben hoe vaak ze waren omgereden, hoe vaak de weg kwijtgeraakt. Hella had er geen antwoord op. Sindsdien gaf een dame in sappig Vlaams richting aan hun tochten. Hella verstilde en snoerde de veiligheidsgordel nog iets vaster.

Sinds de Vlaamse dame was het er niet gezelliger op geworden. Toch zou geen van het willen missen, dit jaarlijkse uitstapje. Ze genoten van de gesprekken aan tafel met de andere stellen, Harriët en Amberto uit Vlaanderen (Daimler Benz), George en Ariënne uit Engeland (Porsche), Rudolf en Trude uit Luxemburg (Bentley). De auto’s en de reacties daarop vormden een oneindige bron van gesprek. Dit was hun club, hier hoorden ze bij. Dat ze onderweg zoveel bewonderende blikken trokken, compenseerde de verkilde verhouding. Voor Hella was het de enige reden om zich nog op te maken: de camera’s flitsten voortdurend. Voor Roderik was het een stimulans zijn talen bij te houden.

Dit jaar was Toscane het reisdoel. Vandaag waren ze van Pisa naar Siena gereden. Hun zeldzame Alfa Romeo was hier het paradepaardje van de club. Italianen smolten als ze het rijdende monumentje in het vizier kregen, zeker als de linnen zomerkap omlaag was.

Dat het programma vandaag vertraging opgelopen had, was jammer. Op Il Campo, het centrale plein van Siena, was er vendelzwaaien. Het verkeer rondom het beroemde stadje zat muurvast. Zo kwam het dat de old-timers club in het donker – dan reden ze normaal nooit – bij de agriturismo arriveerde. In het duister viste Roderik zijn koffer uit de kofferbak. Dat Hella juist toen hij het kofferdeksel dichtgooide, haar hoofd naar voren stak om nog een paar schoenen te pakken moet wel een ongeluk geweest zijn. Dat Roderik volgend jaar weer met de old-timer club zal meerijden, nu met Anja naast zich, valt op voorhand echter niet uit te sluiten.

Door: Bart Top

Standaard
Zeker en vast

Een droom in het park

Dit is een verhaal over een droom die ik had terwijl ik in een park lag weg te doezelen. Ik vertel het vast vooraf, zodat je aan het eind niet denkt: ja, maar ho even, dat is lekker makkelijk zo.

In mijn dromen ga ik nooit dood. Soms droom ik nog over neuken, maar meestal gaan mijn dromen over angsten. Angsten in gemodelleerde werelden waarin ik op zoek moet naar mezelf, in willekeurige vormen. Soms moet ik een bal zoeken in een bos met agressieve honden, een vallende vrouw vangen op een steil pad met boosaardige reuzen of een bepaald geluid reproduceren in een doolhof vol geluiden. En soms droom ik dat ik alleen nog maar verwijzingen naar literaire grootmachten kan gebruiken. Allemaal dromen waarin ik op randjes balanceer.

In elke droom ben ik iemand anders, draag ik een ander masker en tijdens de zoektochten ervaar ik vooral de angst om erachter te komen dat er niets achter die maskers zit. Geruststellend zijn de woorden van Ilja Leonard Pfeijffer in het fantastische Brieven uit Genua, over Gerrit Komrij: ‘Ik begreep dat zich achter al zijn maskers niemand schuilhield omdat hij al zijn maskers waarlijk was.’

De geur van zonnebrand, barbecue en jonge honden raast over de grasvelden van het wijd uitgestrekte park. Allerlei soorten beest drentelen om elkaar heen en ik zit er op een kleed middenin. Reuen, wolven, mensen en teven, allemaal kiezen ze op hun eigen manier hun plek in het veld. Jagers en vissers, prooien en vissen.
Dierlijke instincten worden in het algemeen geassocieerd met de actieven, die direct op hun prooi afgaan. Met hen die niet denken, maar doen. Maar de beesten die rustig wachten, hun tijd berekenen, passief zijn zonder enkele negatieve connotatie, zij met het lange kijken, zij maken evengoed gebruik van hun instinct. Ze volgen hun driften van de natuur echter op zeer bedeesde wijze op.

Boven ons een aantal nietszeggende vogels en ik kijk wie er allemaal zijn. De vrouw met de verlopen tatoeage en het oranje broekje. De verkoper met de ijsfiets en de dreadlocks. Ouderen met de hoest op het bankje. Het zelfportretterende meisje met de doppen in haar oren. De gemeentewerkers met hoeden op hun hoofden. De twee honden, nat van de vijver, die om en om de haas spelen. De man met de grote pet en de djembé.
De knuffelende vader met de baby met een vissershoedje op. De man met het bijzondere boek dat ik nog moet lezen. De fietsers met hun figurantenrollen. De baby met de luier die moet worden verschoond. Ik lijk ze allemaal te kennen.

Terwijl ik wacht op mijn opdracht vraag ik mij kort af: tot welke leeftijd mag je andermans billen afvegen in het park? Stel ik had een incontinente vader – let wel, dit is een droom, deze voorstelling is volledig visueel voor mij – zou het worden geaccepteerd als ik hem van zijn vuil zou ontdoen? Als ik hem op zijn rug zou leggen, zijn benen omhoog zou houden en een nat doekje door zijn billen zou halen? Of zouden de passieve mensen over ons fluisteren en de actieve mensen mijn vader en mij van allerlei kanten filmen? En wat als ik gewoon iemands billen wil afvegen zonder dat daar enige vorm van incontinentie of noodzaak bij komt kijken?

Naarmate de zon zijn sterkte verliest, wordt de geur van zonnebrand en barbecue verruild voor die van wiet en drank. Ik kijk wie er nog over zijn. De vrouw met de verlopen tatoeage en het oranje broekje loopt net weg, de man met de grote pet pakt zijn djembé in en de fietsers met hun figurantenrollen hebben een veel minder sterke functie dan voorheen. Ik ben alleen aan het raken. De ruimte om mij heen wordt almaar donkerder. Er komt maar geen opdracht, ik hoef hier niks te doen. En net als ik op het punt sta te beseffen dat het mijn grootste angst is om helemaal geen droom te hebben, word ik volledig tevreden wakker.

Standaard
Zeker en vast

Heen en weer weg

Nard trekt zijn muts van zijn hoofd en dept met een blauwwit geruite zakdoek het zweet.
‘Tabee, hè!’, roept hij en hij kijkt toe hoe de auto’s de rijplaat af rijden.
Wacht hij even? Twee over twaalf, wijst zijn horloge. Die afschuwelijke 1 mei staat tussen het midden van de wijzerplaat en de drie. Hij wacht altijd. Als hij nog koplampen zag naderen vanuit de polder, wachtte hij zeker. En als ze dan afsloegen in de laatste bocht voor de veerweg, had hij voor niets gewacht, maar dat gaf niet. Naar de overkant moest –ie toch, of dat nou om twaalf uur was of vijf minuutjes later. Hetty ging steevast om half tien naar bed, dus voor haar hoefde hij zich niet te haasten.

De wijzer passeert de vijf en hij jaagt de motor aan.

De maan staat hoog. De sterren begeleiden hem.
Natuurlijk had de krant gebeld, en de lokale televisiezender. Ze wilden er bij zijn. Maar hij had nee gezegd. Tegen allemaal. Zijn laatste vaart wil hij net zo min in de schijnwerpers staan als zijn hele 47 jaar lange werkzame leven. Praatjes met zijn klanten maakte hij wel; hij was graag onder de mensen. Maar hij wilde niet met zijn kop in de krant. Toch was er een artikeltje verschenen, dat hij afscheid nam. De redacteur had uitgerekend dat hij dit vaartje al ruim 800.000 keer gemaakt moest hebben.

Hij had het nog wel een miljoen keer willen doen.

De Maas kabbelt zover hij kijken kan. De pont maakt grovere slagen in de golven en even later klotsen ze tegen de oever. Het geluid van de nacht klinkt voor iedereen anders. Tramgerinkel voor stadse Amsterdammers, loeiende koeien voor melkveehouders, stampende muziek voor clubeigenaren, de zware adem van een slapende vrouw voor zorgelijke mannen.
Zíjn nachten klinken zoals nu, water tegen de maasoevers, het gakken van een aalscholver, een plons van een snoek die de weg kwijt is.

Een traan glijdt door de plooien van zijn gezicht. Wegvegen doet hij hem niet.

De oprijplaat schuurt over de veerstoep. Het gegil in de nacht, ook dát is zijn geluid.
Nard loopt zijn kantoortje in en zet de dieselmotor af. Stilte. Hij kijkt om zich heen, veegt nu toch een traan weg en sluit de boel af. ‘Tabee, hè’, mompelt hij.
Hij gooit de touwen overboord en loopt over de rijplaat. De touwen vist hij uit het water en bindt hij rond de palen die al langer dan 47 jaar op de veerstoep staan. Hoeft al lang niet meer, sinds alles gemoderniseerd is. Maar toch, zo heeft Nard het altijd gedaan en nu weet hij tenminste zeker dat de boot niet afdrijft.

Een nieuw geluid doorbreekt zijn nacht.

Eerst snapt hij niet waar het vandaan komt. Maar dan voelt hij het bijbehorende trillen in zijn borstzakje. Een smsje van Hetty, voor het eerst in 47 jaar.
‘Ik brn trits op je. Ik hou vsn je. Tot zo.’

Tot zover.

Standaard
Zeker en vast

Stotterende stamgast

De gasten in café De Nieuwe Arend aan de Bilderdijkstraat in Amsterdam keken wachtend voor zich uit. Ook Nick staarde wat naar de bordjes (‘Keep calm and have a good time’), slingers en vergeelde foto’s uit vroeger tijden. Naast hem zat Jan-Maarten, de kroegidioot. Op hem was het wachten. Elke dinsdagavond, zo rond de klok van tien, begon Jan-Maarten een betoog. Uit het niks, over niks, maar het was ondanks zijn gestotter iedere keer de moeite waard.

De klok boven de deur naar het toilet stond inmiddels op tien voor half elf. Jan-Maarten was laat en de stamgasten lieten dat inmiddels zien. Ze schoven over hun kruk heen en weer, bestelden nog een jonge jenever en gingen maar eens naar het toilet. Buiten reed een tram richting het Museumplein.

“S-s-s-s-s-soms…” begon Jan-Maarten, en de hoofden draaiden zich naar hem toe. Jan-Maarten wachtte even voor hij verder ging om de spanning een beetje op te bouwen. “S-s-s-s-s-s-s-s-s-soms is V-v-v-vlaams de mooiste taal op aarde. M-m-m-m-maar soms is die v-v-v-v-vervloekte taal nog lelijker dan station Brussel Zuid. Z-z-z-zijn jullie daar weleens geweest?”

De mannen knikten of schudden hun hoofd gehoorzaam. “M-m-m-maakt ook n-n-n-niet uit. W-w-w-aar het mij om gaat is dat een woord als ‘d-d-deklat’ duizend malen mooier is dan de lat die wij kennen. Maar als B-b-belgische voetbalcommentators praten over een mooie ‘match’ sterf ik een beetje.”

De mannen glimlachten. Ze wisten dat het Jan-Maarten, als hij eenmaal op gang was, z’n stotteren vanzelf vergat. Dan praatte hij zelfverzekerd en foutloos.

“‘Z-z-zeker en vast’”, ging Jan-Maarten verder, “geldt voor mij als een gekke tussenvorm. Mooi, omdat de Belgen een bij ons vaste uitdrukking prachtig hebben omgedraaid. Lelijk, omdat er helemaal niets mis is met ‘vast en zeker’ en je prima kunt argumenteren dat onze Nederlandse variant stukken beter van de tong rolt. Of n-n-n-niet soms?”

De vraag kwam er beschuldigend uit, en de mannen keken naar de grond of hun biertje. Ze knikten, beschaamd bijna.

“Nou, laat je me nu iets vertellen over Brussel. Toen ik er een tijdje terug een dag rondliep zag ik honderd miljoen Chinezen, het gruwelijk lelijke station en de afschuwelijke stad rondom het centrum. B-b-brussel is de lelijkste hoofdstad die ik ooit gezien heb. Tot even geleden.”

Jan-Maarten nam een slok van z’n doodgeslagen biertje. Sommige andere gasten vroegen met een opgeheven vinger om een nieuwe voor Jan-Maarten en zichzelf. De barvrouw deed haar werk zwijgend en geruisloos. Zelfs het afschuimen hoorde je niet. Er reed weer een tram langs. Iedereen wist waar Jan-Maarten naartoe ging.

“En dan krijg je zo’n aanslag. Terroristen doen boem op een vliegveld en in een metro. Het lelijkste van de mensheid maakt van zo’n ongehoord lelijke stad opeens iets anders. Lelijker dan Brussel; ik dacht niet dat het kon. Maar het k-k-k-k-k-k-k-kan. Dat is z-z-z-zeker en v-v-v-v-v-vast.”

Standaard