Jheronimus Bosch

Zwijntjesjager

Soms en nu ik erover nadenk steeds vaker, maak ik haar kwaad. Totdat ze uit haar plaat gaat, schreeuwt, te onredelijk wordt. Ik vind madam haar woede bruisend. En mag haar telkens neuken na een paar laffe troostende woorden en streken door haar pluizige haar. Tegen haar zin. Allang tegen de zin. Het toelaten van mijn lid is haar manier om sorry te zeggen.

Wanneer ik net te ver ga, gaat ze huilen. Dat wil ik niet. Het gaat niet om haar. Ik vind dat zo afstotelijk. Goor vind ik het. De rooddoorlopen ogen maken het irisgroen nog groener. Niet echt. Dat lijkt, door het contrast. Het groen lijkt groener, haar gezicht krijgt rode vlekken en haar ogen puilen uit en worden wat propperiger. Net als de neus. En de mond, die als een verdrietige clown onverstaanbare beschuldigingen uitkraamt, met lange halen en slijmdraden tussen de lippen. Bakvisbek.

Ik weet dat ze gelijk heeft, want ik doe het expres. Soms denk ik weleens aan waarom ik dat doe. Uit verveling? Pesten. Narcisme. En vergeet de liefdeloosheid niet. Ik doe het om te voelen. Voelen. Iets intens. De lust. Haar onderdanigheid, haar duizenden onterechte excuses. Levensadem. Via haar vier ik het aardse leven. En nee, ik weet het, ik zal niet aan Petrus zijn poort kloppen. Dat ik geen vleugeltjes ga krijgen is me duidelijk. Zo klaar als een klont.

Eerst was het soms en nu gebeurt het steeds vaker. Heel vaak en te vaak. Hij sart me net zolang…aaaaaah ik, ik, ik trek het niet meer. Hij duwt de knoppen in en heeft me waar en hoe hij het hebben wil. Ja, alweer, ja. Ik word dan op een gegeven moment krankzinnig en hysterisch. Oeh, en helemaal als hij me zwijntje noemt. Dat is de dolkstoot in mijn rug én mijn hart. In mijn maag vormt zich een soort van bowlingbal die ik als een uilenbal moet uitbraken. Met de kracht van Vesuvius kots ik mijn kokende zwarte as uit. De vervloekte stroom van onrecht. Ik wil het niet, ik wil het niet. Ik. Wil. Het. Niet.
Met alles wat ik in me heb vecht ik tegen de opkomende kolk. Na de uilenbal komt de huilebalk. En ik pas op de tranen, zorg dat ze niet, ik herhaal niet, komen. Hij hekelt ze. Zijn walgende ogen maken me angstig en ik ben bang voor zijn walgende ogen, hoor je me? In mijn hoofd herhaal ik zinnetjes. Hou je in en geef hem zijn zin. Hou je in en geef hem zijn zin. Ik herhaal tot het stotende ritme voorbij is.

Hij weet dat ik gelijk heb. Na afloop komt hij bij me en zegt dat hij het trigger-woord niet had mogen gebruiken. Beterschap tegen beter weten in. Hij geeft me een wit met roze spekje, omdat ik die zo lekker vind. Smakeloos. Ik kan niet alleen zijn en blijf, omdat Ik nooit zal leren vliegen.

Ronella Moser
www.ronellamoser.nl

Standaard
Jheronimus Bosch

Magisch realisme

Vier schilderijen loopt hij inmiddels achter. Bij de eerste paar werken had hij nog geprobeerd haar tempo bij te houden, maar het was niet te doen. Er is zoveel te zien, zoveel te ontdekken, zoveel om over na te denken.

Hij had haar laten gaan en nu kijkt hij al een minuut of tien in z’n eentje naar een replica van het Heremieten-drieluik. Op het kaartje ernaast had hij gelezen: ‘Jheronimus Bosch laat hier drie belangrijke vroegchristelijke heiligen zien: Antonius (links), Hiëronymus (midden) en Egidius. Deze heiligen hebben met elkaar gemeen dat ze enige tijd in complete afzondering hebben geleefd.’

Zijn idee om naar dit museum te gaan. Was voorbij gekomen in een redelijk kneuterig filmpje vlak voor De Wereld Draait Door. Een speciale tentoonstelling, viering van een geweldige kunstenaar, nu of nooit, niet te missen, komt allen. Zijn museumjaarkaart moest nog ergens liggen, de afschrijving van jaarbedrag was onlangs nog gezien in de Rabobank-app.

En nu, deze afstand tussen hun.

Hij pakt zijn telefoon, niet te opzichtig want in een museum, en opent hun nooit eindigende Whatsapp-gesprek.
Hij typt: “SOS. Volgens het bordje moet ik op het rechterpaneel een eenhoorn zien, maar ik kan ‘m niet vinden HELP. Over.”

Nog maar een keer kijken dan. Het middelste paneel was makkelijk: Hiëronymus knielend bij een kruisbeeld, met links van hem een persoon die zowel de maan als sterren aanbidt. Een Christelijk beeld naast een heidens. Niks meer aan doen.
Maar een eenhoorn? Dat beest op het rechterpaneel kan het niet zijn, dat lijkt meer op een hert. Maar goed, wat weet hij er ook van.

Z’n telefoon trilt. Een bericht: “Geen paniek! Ik herhaal: GEEN PANIEK! Ik kom er NU aan! Hoe kan ik je herkennen? Over.”
Hij kijkt op, ziet haar, een paar meter verderop in de zaal, bij een kluitje Japanners dat foto’s maakt van De temptatie van de heilige Antonius (wederom een replica), onverschillig van het mooiste naast hun.
Hij typt: “Mijn dank is nu al groot! Je kunt mij herkennen aan de vertwijfelde blik Over.”

Het linkerpaneel was ook nog wel te doen. De naakte vrouw had hij al opgemerkt. Als eerste zelfs. Wat dan ook wel weer grappig was, want volgens het bordje staat zij symbool voor alle verleidingen in het leven. Dus ja, dat had onze Jheronimus wel lekker geschilderd.

‘Pardon, bent u op zoek naar een eenhoorn?’
Triomfantelijk staat ze naast hem. Een warme glimlach op haar gezicht, onmogelijk om vast te leggen, ongeacht welke lichtval dan ook.
‘Dat is correct,’ antwoordt hij. ‘Misschien dat u mij kan helpen. Ik ervaar momenteel enige radeloosheid, als ik het zo mag uitdrukken.’
‘Dat mag, in dit museum hoeft u zich daar niet voor te schamen.’
‘Dat stemt mij gelukkig. Afijn, ik ben reuze benieuwd naar die eenhoorn, dus als u…’
‘Maar natuurlijk. Kijkt u vooral even mee.’
Ze bekijkt de panelen, leest het kaartje even snel en kijkt nogmaals.
‘Dus?’ vraagt hij. ‘Enige duiding zou nu wel gewenst zijn, als ik zo vrij mag zijn.’
‘Dat mag, in dit museum is vrijheid een groot goed. Kijk meneer, die eenhoorn…’
‘Ja?’
‘Die eenhoorn is niet voor het blote oog zichtbaar. De kunstenaar wil hiermee zeggen dat al het magische in het leven zijn beginsel in de verbeelding vindt.’
‘Aha. Wat kunstig.’
‘Bijzonder kunstig, daar staat ons museum om bekend.’
‘Koffie dan maar doen?’
‘Ik dacht dat het je nooit zou vragen.’

Standaard
Jheronimus Bosch

Door de Duivel Aangeraakt in de Tuin der Lusten

Het was vrijdagochtend, elf uur en alle leerlingen van groep 5 en 6 van Christelijke basisschool De Hoeksteen zaten netjes in de banken voor de spreekbeurt van Patrick. Toen meester Falko zijn welgeoefende knikje had gegeven, kon Patrick van wal steken.

‘Hallo,’ begon hij voorzichtig. ‘Hallo, allemaal. Ik houd mijn spreekbeurt over Jeroen Bosch.’

Zijn vader, die achterin het klaslokaal stond, knikte stevig, de Sony handycam in zijn hand schudde mee. Het was bij wijze van hoge uitzondering dat ouders werden toegelaten tijdens boekbesprekingen of spreekbeurten, maar de vader van Patrick filmde nou eenmaal alle hoogtepunten van het leven van zijn jongste telg. Dat had hij bij Erika ook gedaan, en je moest eens zien hoe zij er nu voor stond. Ze had met een 8 of hoger het atheneum afgesloten, vervolgens het conservatorium geweigerd om voor een jaar naar Gambia te trekken om met kansarme kinderen te werken. Vrijwillig, welteverstaan.

‘Of nou ja, Jeroen – hij heet eigenlijk Jheronimus Bosch.’

Duim omhoog.

‘Hij was een schilder, van kunst, en is geboren in Den Bosch. Dat wordt ook wel ’s-Hertogenbosch genoemd.’

Na een aantal verhalen over de kunstschilder, zoals dat zijn bijnaam de Duivel was en dat een aantal werken die misschien niet door hem waren geschilderd, viel Patrick eventjes stil. Zijn vader zoomde in op het steeds roder wordende hoofd van zijn zoon. Het blaadje met aantekeningen trilde in Patricks hand.

‘Wij wonen zelf ook in Den Bosch. Dat is mijn papa, daar. Van hem ben ik op dit onderwerp gekomen.’

Patrick wees naar de man met de camera, die daarop zichzelf kort filmde. Papa liep niet weg voor het feit dat hij doorgaans een groot aandeel had in de hoogtepunten van zijn kroost.

‘Mama woont ook bij ons. Mijn zus heet Erika. Zij is naar Afrika, omdat ze niet meer bij papa wilde zijn.’

Papa lachte krampachtig en moest zijn evenwicht herstellen toen hij even wankelde. Hij keek naar de vloer alsof daar de oorzaak te vinden was en mikte zijn camera erop om die eventueel vast te leggen. Gedecideerd hield hij de handycam vast om in te zoomen op een sliertje puntenslijpsel.

‘Ze was boos op de avond voordat ze wegging. Ik vroeg waarom, maar ze wilde het niet zeggen. Toen ik haar Japie gaf, moest ze huilen. Japie is mijn knuffel. Ik vroeg weer waarom ze moest huilen en ze zei dat ik dat aan Papa moest vragen. Ik was erg verdrietig toen ze wegging.’

‘Ja, het is niet niks om op zo’n verre reis te gaan, kinderen,’ zei Papa. Het zweet stond hem op het voorhoofd en hij keek naar het raam om te kijken of het open kon. Hij zag een klas buitenspelen, meisjes rennend over het schoolplein, meisjes met elastieken tussen hun benen, meisjes in witte jurkjes die koppeltje duikelden aan het klimrek en hij probeerde zijn hand zo recht mogelijk te houden.

Papa werd afgeleid toen hij zijn zoon zijn keel hoorde schrapen. Patrick liep naar de gang om vervolgens de televisiekar het lokaal binnen te rijden.

‘Om mijn spreekbeurt af te sluiten, wil ik graag een video laten zien. Dit is voor jou, Erika.’

Papa herkende zijn eigen beelden. Erika, vrolijk dansend in haar pyjama door het beeld van zijn oude camera. Erika, water spattend in bad. Erika, naakt in de tuin. Erika die haar benen spreidt omdat haar vader erom vraagt. De kinderen keken met open ogen naar het televisiescherm en Papa legde dat vast. Een aantal kinderen begon te huilen, anderen gilden alleen. Meester Falko had de uitknop op de televisie gevonden en liep op Papa af.

‘We zijn allemaal obsceen, kinderen. Iedereen is obsceen. Toch? Als iedereen even toegeeft dat-ie obscene gedachten heeft die hij niet kan uitschakelen, kunnen we door. Ik stop niet met filmen. Ik loop niet weg voor mijn kronkels. Dit hoort erbij. Patrick, jij vuile rat. Dit is het leven, jij bent obsceen!’

De klas werd gesommeerd te blijven zitten, terwijl Falko Papa naar de gang begeleidde en hem mee naar het kamertje van directeur Posthuma nam. Daar werd een geheime deal gemaakt, waar niemand iets van mocht weten.

Standaard
Jheronimus Bosch

Papa wordt een standbeeld

Kijk, daar liggen wat brillen, zie je?’

Ik wijs tussen het puin van wat ooit de Pearle was. Rosa volgt mijn vinger en knikt, met haar duim in haar mond. Haar andere handje houd ik stevig vast en ik kijk naar het gebroken glas in lood. 850 euro kale huur was het appartement boven de Pearle en ik nam het niet. Te duur.
En te gammel, blijkt nu.

‘Wie is die meneer, mama?’

Rosa heeft zich omgedraaid en kijkt naar het standbeeld achter ons. ‘Dat is Jeroen Bosch. Heel lang geleden woonde hij hier aan de Markt en hij schilderde. Kijk, daar werkte hij.’ We lopen hand in hand naar De Kleine Winst. Rosa hinkelt over de keien van de Markt en kijkt op naar het gebouwtje met de groene gevel.

‘Wat schilderde die meneer?’

We gaan op een stoeprand zitten en ik pak mijn telefoon uit mijn tas. Op Google zoek ik naar schilderijen van Jeroen Bosch. Rosa haalt haar duim uit haar mond, kruipt op mijn schoot en pakt mijn telefoon uit mijn handen. Ik ruik de zoete geur van Woezel en Pip shampoo en adem extra in door mijn neus. Ze weet precies hoe ze een telefoon moet bedienen en swypet van afbeelding naar afbeelding.

‘Wat een gekke beestjes. Met gekke gezichtjes en gekke hoedjes.’

Ik glimlach. ‘Ja lief, meneer Bosch had een rijke fantasie.’ Ik vertel haar dat het dit jaar vijfhonderd jaar geleden is dat hij naar de hemel ging en ze kijkt omhoog. Ze vraagt hoeveel jaar vijfhonderd jaar is en ik zeg dat het ontelbaar veel jaren zijn. Ze vraagt of zij vijfhonderd jaar oud zal worden en ik zeg dat dat best kan. Dat je vijfhonderd jaar nadat je naar de hemel ging nog altijd door kunt leven, ook al schilder je gekke beestjes met gekke gezichtjes en gekke hoedjes.

‘Wordt papa ook een standbeeld?’

‘Hè? Omdat papa ook schildert, bedoel je?’
Ze knikt heftig en haar ogen schitteren, ik lach en druk mijn dochter dichter tegen me aan. ‘Maar papa schildert heel andere dingen. Die schildert huizen. Daar word je lang niet zo beroemd mee.’
Rosa valt stil en kijkt om zich heen, haar duim weer in haar mond. Ik kijk met haar mee, naar het gebouw dat er niet meer staat, wat na de verbouwing eigenlijk geschilderd zou worden.
Door mijn man.
Rosa draait een plukje haar rond haar vingers, zoals altijd als ze nadenkt. Haar lijfje groeit in mijn armen als ze diep inademt en krimpt weer in als ze haar adem met een zucht uitstoot.
‘Zo zeg, wat een diepe zucht.’

‘Ik wil naar huis’, zegt ze. ‘Een standbeeld knutselen van papa.’

Ze springt op, kijkt wijs naar me om, rent naar het standbeeld van Jheronimus Bosch en schopt er tegenaan.

‘Mijn papa schildert lekker veel beter dan jij!’

Standaard
Jheronimus Bosch

Nomen est omen

Vanaf het moment dat hij haar voor het eerst zag had Harold uitgekeken naar dit moment: aangifte doen van een geboorte. En nu staat hij daar, in het moderne gemeentehuis van Almere, met zwetende handjes en de naam van zijn zoon opdreunend. Jheronimus Bosch, Jheronimus Bosch, Jheronimus Bosch.

Laura drukte hem van tevoren nog zo op het hart: “geef alsjeblieft een normale naam op, Harold!” Ze begrijpt er natuurlijk niets van, verward door hormonen en pijn. De zoon van Harold Bosch gaat Jheronimus heten. Bij de volgende gaat hij haar wel weer serieus nemen als ze suggesties als ‘Geert’, ‘Dylan’ en ‘Pieter-Jan’ doet. En dat weet ze ook. Maar ze bleef volhouden dat hun kind toch geen Jheronimus kon heten. Geen idee heeft ze, zo simpel is het.

Harold mocht naar het loket. Een slanke vrouw met kortpittig haar feliciteerde hem van harte met de geboorte van z’n zoon. Hij kreeg een formulier van haar en begon de benodigde woorden te vormen. Beginnend met z’n eigen naam.

Als je je voorstelt met ‘Harold Bosch’, dan gaan mensen er al bijna vanuit dat je een saaie baan hebt. En dus werd Harold accountant. Nomen est omen. Nomen est motherfucking omen. Jheronimus gaat een groot kunstenaar worden.

“En, hoe gaat onze nieuwe landgenoot heten?” vroeg de ambtenaar met een geamuseerde glimlach rond haar lippen.

“Jheronimus Bosch” antwoordde Harold.

“Oh, wat een ongewone naam, zeg!”

“Goed he!”

“Spelt u dat met met ‘H-I’?”

“Pardon?”

“Nu ja, gaat u voor een rechtstreekse kopie van de artiestennaam van ‘Hieronymus Bosch’ of vernoemt u naar de eigenlijke naam van deze prachtschilder ‘Jheronimus van Aken’?”

Op Harolds verzoek schrijft de ambtenaar de twee namen op een papiertje. Op het moment dat haar pen het papier verlaat, weet Harold dat hij zijn zoon niet ‘Hieronymus’ durft te noemen. Maar ja, Jheronimus Bosch slaat nergens meer op, nu hij veel te laat beseft dat dat nooit de naam is geweest van de grote kunstenaar. In z’n ooghoek dient een traan zich aan.

“Ach meneer, het spijt me. Laat u zich toch niet door mij beïnvloeden!” probeert de ambtenaar het nog goed te maken.

Harold ziet slechts het verloren leven van zijn pasgeboren zoon voorbij flitsen. Weg: opvallende basisschoolleerling. Weg: verlichtende puberteit. Weg: mislukte eerste studie die dieper inzicht brengt. Weg: overstap naar en glorie op de kunstacademie. Weg: de nederige kunstenaar die z’n eerste expositie opent en z’n trotse vader bedankt. Weg: de drugsverslaving. Weg: de comeback. Weg: het Jheronimus Bosch-museum in Almere.

Alles is weg.

Bedrukt vervolgt Harold zijn weg over het formulier, twijfelend en hakkelend schrijvend. Ondanks de uitsteltactieken helpen nauwelijks, want al gauw komt ‘voornaam kind’ in beeld. De pen hangt boven het papier. De aangediende traan rolt over z’n neus en valt op de ‘v’ in ‘voornaam’. Dan schrijft Harold de naam van zijn zoon op: Jan.

Standaard