Proper

Hospiteren

Wanneer ik de keuken inloop om een vaatdoek te halen, zie ik aan de rode LED-cijfers van de combimagnetron dat het half acht is geweest.

19.30

Vijf maanden terug zou ik om deze tijd hebben staan zweten, maar de spanning is minder geworden. In mijn hoofd analyseer ik waarom dat is. Dat analyseren gaat onbewust, mijn ex vond dat verschrikkelijk, ze vond het onnatuurlijk. Ik kan het simpelweg niet uitzetten. Ik heb dat wel eens geprobeerd, maar wanneer ik stop met kleine dingen analyseren gaan mijn gedachten knagen aan grote brokken gekte.

De eerste keer ging gewoon heel erg goed. De gasten waren mooi, huiselijk bijna, en ze wilden de kamer stuk voor stuk dolgraag hebben. Er was er een, Peter of Piet of zoiets, een korte donkere jongen, die het niet had kunnen vinden en dus wat later binnenkwam. Hij brak de sfeer open op een aantrekkelijk nonchalante manier. Die eerste keer is sindsdien niet overtroffen, behalve misschien die avond van Jonathan.

Als zometeen de koffie begint te pruttelen zou de eerste moeten aanbellen. De stroopkoeken staan achter de rijstwafels in het bovenste kastje. Twee volle pakken, en een aangebroken pak waar nog drie koeken in zitten. Klopt. Het krakende geluid van het plastic dat ik opendoe om de koeken op het blauwe bordje te leggen doet me watertanden. Pavlov, ik wou dat ik dat ook uit kon zetten.

Ik sta stil. Ik denk terug aan de avond van Jonathan. ‘Ik vind je huis toch te schoon’, zei hij minachtend toen ik hem de volgende dag belde om hem teleur te stellen. ‘en je kraakt die dunne vingers van je op een smerige manier, weirdo’, voegde hij er snerend aan toe. Ik heb nog niet helemaal besloten of ik de hoorbare teleurstelling prettig vind of niet; Jonathan was 100% teleurgesteld. De volgende week zou hij beginnen met zijn nieuwe kantoorbaan hier bij mij om de hoek, en mijn huis vond hij prachtig, hoewel hij dat niet hardop zei. Natuurlijk vinden mensen het in eerste instantie vreemd om binnen te lopen in mijn kamer met zoveel metalen meubels, maar bij de meeste mensen trekt dit snel weg. Ik mag dan een lange dunne ‘weirdo’ zijn, ik heb wel smaak. En hij ook, de voorbeeldige jurist-yup in skinny pantalon.

Vanavond komen er drie langs, als het goed is. Drie wanhopige kamerzoekers die mijn ketting van dof-grijze avonden eventjes kunnen breken. Die andere avonden verdwijnen dan, en alleen het hier en nu blijft over. Deze kamer, deze kandidaten, deze hospiteeravond.

Het eerste kwartier is altijd lastig, als ze zenuwachtig op de strak-grauwe bank aan de situatie zitten te wennen. Ook voor mij is dat niet prettig. De stroopkoeken maken doorgaans een hoop goed, behalve wanneer er een opgefokt type zoals Jonathan tussen zit. ‘Een gigantisch cliché’, had hij de koeken op het bordje genoemd. Er kwam voornamelijk venijn uit zijn mooie mond. Hij maakte me zenuwachtig. Soms voel ik een domme hoop gloeien dat hij opnieuw langs zou komen.

De bel gaat. De rode klok van de combimagnetron grijnst me stompzinnig toe. Denk niet aan hem. Dit is opnieuw jouw avond.

Door: Just van der Wolf

Standaard
Proper

Omdenken is een valstrik

Het is dinsdagavond en ik fiets van mijn werk naar huis. Het regent zachtjes. Ik heb een late dienst gehad en fiets zo snel mogelijk om nog een deel van de verlenging van de wedstrijd tussen Atletico Madrid en PSV mee te maken. Ik ben geen fan van PSV, integendeel, maar voor spannende momenten kun je mij altijd optrommelen. Ik snel door de Haarlemmerstraat en passeer meerdere cafés die de wedstrijd niet uitzenden. Ik zet aan, voor Centraal langs en ontwijk de toeristen net zo makkelijk als de regendruppels die uit de lucht komen vallen. Even denk ik na over welke constante stroom me het meest ergert en concludeer dat ze me eigenlijk allebei precies even weinig doen. De toerist heeft het erg zwaar te verduren in een stad als Amsterdam en ik wil niet meer te scharen zijn onder hen die zich zo overdreven opwinden over zijn aanwezigheid. Natuurlijk: toeristen zijn dom, stoned, goor en lopen doorgaans overal in de weg. Maar je kunt er voor kiezen om er om te lachen of om om te fietsen. Hoewel escapisme natuurlijk nooit een permanente oplossing is.

De regen heeft het ook zwaar te verduren in dit land en ligt voortdurend onder vuur. Ik heb nooit begrepen dat een volk na eeuwen van gematigd zeeklimaat nog steeds kan zeuren over de regen en wind die het met zich meebrengt. Waarom kunnen wij Nederlanders ons klimaat niet omarmen, laat staan accepteren? Escapisme is ook hier een tijdelijke oplossing. Na vakantie kom je toch altijd wel weer terug.
Ik stel mezelf nog een vraag: ergeren mensen zich echt aan toeristen en regen, of is het kankeren om het kankeren? Dan besluit ik dat ik hier geen zin in heb op de dinsdagavond op de fiets en dat iedereen lekker mag kankeren wat hij wil. Omdenken is een valstrik en ik trap door.

Ik kom langs een hotel aan de Prins Hendrikkade en zie dat in de lobby een televisiescherm hangt. Er beweegt van alles op een groene achtergrond. Voetbal, dus. Ik zet mijn fiets op slot, loop naar binnen en zie dat de penaltyserie al begonnen is. Binnen ruikt het naar afhaal.

Ik vraag aan de kale beveiliger achter de balie of ik even mee mag kijken. Hij knikt. We zijn met zijn tweeën in de lobby en kijken samen, hij vanachter de incheckbalie en ik vanaf de rand van de leren bank die recht tegenover het televisiescherm staat, hoe PSV-speler Davy Pröpper een aanloopt neemt.

‘Man van wedstrijd, Proper,’ zegt hij met een accent en als ik hem aankijk, knikt hij naar het scherm. Hij spreekt het uit alsof proper het nieuwe woord voor cool is.

‘Wil je drinken?’ vraagt hij. Zonder te antwoorden haalt hij een pakje jus d’orange van een Duits merk achter de balie vandaan en gooit het naar me toe. Ik stel geen vragen. Met een rietje in mijn mond zie ik hoe Narsingh de bal op de lat trapt en hoe een verliezende groep jongens afdruipt in de stromende Madrileense regen. Ik hoor een analist in de studio zeggen dat de knop om moet bij PSV. De Eredivisie wacht, ze moeten weer terug naar Nederland.
Samen met de beveiliger rook ik nog een sigaret op de stoep van het hotel. Buiten is het inmiddels droog, tot opluchting van de beveiliger.
‘Ik ben hier blijven hangen. Ik was toerist, nu hotellobbyist. Ik kan niet aan die regen wennen,’ zegt hij terwijl hij met twee vingers zijn peuk een plas in schiet.
Ik pak mijn fiets en ga op huis aan. Ik bel iedereen uit de weg, maar gelukkig is het droog.

Standaard
Proper

Maar goed

Proper was misschien niet het juiste woord, maar toch had Berend het op de vakantiekaart naar zijn jonge vrouw geschreven. Het klonk als iets wat een schrijver zou zeggen: “Het huisje is proper en in al haar eenvoud niet te versmaden.” Daarbij was het hem meegevallen dat er dit keer niet was ingebroken; dit soort afgezonderde huisjes waren een makkelijk doelwit voor opgeschoten jeugd. Maar omdat allemaal op z’n kleine kaart te krijgen was ook weer iets waar hij niet op zat te wachten, dus soit.

Berend pakte een glas whisky en nam plek aan de houten keukentafel. Hij klapte de MacBook open en staarde naar de woorden waarmee hij gisteren had afgesloten: “Mensen vinden me leuker als ik zing.”
Een waardeloze zin. Al zat er wel een kern van waarheid in; zijn dochters mochten hem dan wel uitlachen wanneer hij meezong met de hoogste noteringen uit de Top 2000, maar op elk karaokefeestje op de zaak vergaapte al dat gepeupel zich wel aan zijn enthousiaste vertolkingen van de ene klassieker na de andere.
Maar om daar nou een hele roman aan op te hangen.

Hij pakte zijn pijp en liep naar de bibliotheek in de andere kamer. Ruim 23 jaar had hij er over gedaan om al die klassiekers te verzamelen. Het was dan ook niet zo zeer een uit de kluiten gewassen boekenkast, maar meer een prijzenkast. Ongekend hoeveel mooie zinconstructies hier op de vierkante meter in Zuid-Frankrijk lagen.
Maar je had er alleen wat aan op papier.

Buiten bleef Berend met z’n jasje aan een bessenstruik hangen. Een grote scheur, maar de zon bleef gewoon schijnen.
Hier mocht hij graag zitten, op het bankje voor zijn buitenhuisje op een heuveltje en dan maar staren in de verte. De frisse lucht inademen, vijf secondes binnenhouden (alsof het zijn verpeste stadse longen zou reinigen) en dan uitblazen totdat er niks meer over was.
‘Waarom,’ zei hij hardop tegen zichzelf, ‘waarom moet het schrijven toch altijd gelijk staan aan het lijden?’
Een fijne overpeinzing, eentje waar hij, de man die alles had, graag naar mocht terugkomen omdat het hem geruststelde dat zijn onvermogen tot creatie geen kwestie van gebrek aan talent was, maar simpelweg een gemis van ongeluk.
Hij stond op en knikte. Zo moest het gebeuren.

Het schemerde al toen Berend de laatste lege jerrycan weggooide. Aan zijn blazer veegde hij zijn handen af, te alle tijden proper blijven was het devies. Zachtjes zong hij een klassiek liedje van The Doors terwijl hij uit z’n broekzak een pakje lucifers viste.
Soit.

Standaard
Proper

In dit huis is niets van mij

In dit huis is niets van mij. Ik heb het bloemetjesbehang niet aangeschaft en ook de bank niet, hoewel dat laatste wel gekund had. Hij is precies zacht en diep genoeg en eigenlijk ben ik de enige die erop zit. Jij zit altijd in je stoel onder de lamp, met de krant, met koffie, met de hond aan je voeten. Jouw hond, want in dit huis is niets van mij. Zelfs de foto’s waar ik op sta, heb jij uitgezocht.

Vanochtend was zoals elke ochtend. Je liet de wekker maar één keer afgaan om me niet wakker te maken, verdween haast geruisloos de badkamer in en joeg me terug naar bed toen je ontdekte dat ik koffie voor je aan het zetten was. Je noemde me je schat voor je wegging en je hebt gelijk. Ik ben als een kostbare diamant, diep weggestopt in een kluis. Een kist vol goud op de bodem van de zee.

Toen ik klein was en mijn parkiet ophield met kwetteren, kochten mijn ouders een vriendje voor hem. Maar ik zou nooit iemand anders toelaten in dit huis en de hond doet niets anders dan twijfelen tussen zijn mand en het kleed voor de haard, of naar me opkijken en diep zuchten zoals alleen honden dat kunnen. Ik moet het alleen redden, al ben ik al lang geleden opgehouden met kwetteren.

Ik ging pas naar beneden toen ik zeker wist dat je weg was. Eerder had je zeker niet getolereerd. Ik mag uitslapen, ik mag zo lang in bed blijven als ik wil. Nee, ik hoeft niet samen met je op te staan. Ik hoef geen ontbijt voor je klaar te maken. En vanavond, als je terugkomt van je werk, neem je me mee uit eten en vertel je wat voor plannen je voor dit weekend hebt gemaakt terwijl je de mooiste chablis voor me uitzoekt. We gaan naar een hotel aan het strand, uitwaaien met de hond. We gaan feesten in de hoofdstad, eerst naar het optreden van die ene band en daarna afteren in de Jimmy, daar hield ik toch zo van? We gaan winkelen, naar het theater of misschien zelfs naar het buitenland. En ik straal zoals alleen een diamant dat kan en snijd mijn asperges.

En jij kan er helemaal niets aan doen. Jij bent zo perfect.

De hond keek me weer zo aan vanochtend. Hij liep ongedurig heen en weer tussen zijn mand en het kleed, piepend van keuzestress, en volgde me uiteindelijk naar de keuken waar ik me stond af te vragen wat er zou gebeuren als ik de broodrooster in de gootsteen zou zetten en de kraan zou opendraaien. Ik deed het niet, natuurlijk. Ik ben bijna net zo perfect als jij.

Maar niet helemaal.

De kussens op de bank zijn glad, mijn kant van de inloopkast ligt bij de stomerij, mijn geur is uit de lakens gewassen. Alles is proper. De foto’s waren het lastigst. Het zijn er zo veel. Het duurde even, maar nu is het enige wat nog herinnert aan mijn aanwezigheid een penetrante brandlucht en een hoopje geblakerd fotopapier in de gootsteen. De hond piept niet-begrijpend als ik de sleutels in zijn mand gooi, maar nu heeft hij in ieder geval een reden om voor het kleed voor de haard te kiezen. Het geluid van de deur die achter me dichtklikt klinkt me onbekend in de oren.

In dat huis was niets van mij.

Standaard
Proper

15 dozen

Zou mijn leven in vijftien dozen passen?
Ze liggen opgevouwen op elkaar. Mijn huis is nog gewoon mijn huis, behalve dan dat er nu vijftien dozen in liggen.
Over precies een week is het mijn huis niet meer. Dan begin ik met het uitpakken van mijn leven in een piepklein appartementje in een veel leukere stad.
Heb ik hier veel herinneringen? Ja. En nee. Echt aarden deed ik hier niet, maar het was wel míjn huis, waar ik graag thúis was.

Zeven vuilniszakken kieper ik in de ondergrondse container. Troep die ik de vorige verhuizing al niet echt nodig had en die ik nu zeker niet meer mee neem. Ik dacht altijd dat ik maar twee stortingen per week had, maar ik kan gewoon keer op keer de bak openen met mijn pasje en er weer een zak rommel in gooien. Kleren die me niet meer passen, afstandsbediening en een dvdspeler, gekopieerde cd’tjes, een beeldje waarvan ik de emotionele waarde altijd veel groter achtte dan nu blijkt, minstens tien onbeschreven schrijfblokken en notitieboekjes, omdat ik het onzin vind dertig van die dingen mee te nemen. Het is toch een gesjouw.

’s Avonds zit ik op de bank en ik kijk naar een confronterend lege boekenkast. Mijn leven past niet in vijftien dozen en dat stelt me enigszins gerust; ik blijk spullen te hebben die ik graag met me meeneem. Hoewel het jammer is dat ik nog een stapel bij moet kopen en dan weer aan de slag moet. Inpakken is geen hol aan.
‘Een halve doos liefde is meer waard dan vijftien dozen vol spullen’, appt mijn vader en ik antwoordde dat elke doos nu voor de helft gevuld is met boeken en dat er dus in ieder geval vijftien halve dozen liefde zijn.

De laatste avond in mijn oude huis zit ik op de grond tegen de muur. Ik drink een wijn uit een plastic bekertje en staar naar de plek waar de boekenkast stond. Ik probeer wat te schrijven, speel een spelletje Candy Crush en loop de lege kastjes nog eens na. Haal er voor de vierde keer een poetsdoek door, want je moet iets als je niets hebt om naar te kijken. De Swiffer stang in de meterkast moet ik eigenlijk meenemen, maar ik doe de deur weer dicht en draai hem op slot.

Leegte is wat ik zie en voel. Hoe graag ik ook naar mijn nieuwe stad wilde, nu wil ik alleen maar alles afblazen en hier blijven zitten.
Ik pak mijn telefoon en app mijn verhuurmakelaar.
Om negen uur ’s morgens zal hij er zijn voor de sleuteloverdracht, antwoordt hij. Dat wist ik al, maar ik wil doen alsof ik het allemaal oh zo strak geregeld heb.

Klokslag negen uur staat hij er, en ik ook. We lopen samen door het huis, hij knikt en zegt dat ik het prima achtergelaten heb en dat ze de borg zo snel mogelijk zullen storten. Hij opent de deur van de meterkast, ziet mijn Swiffer staan, pakt hem en geeft hem aan mij. ‘Hier, niet vergeten’, zegt hij met een glimlach.
Ik sta buiten met een minder zware sleutelbos en breek de stang van de Swiffer doormidden voordat ik hem achter mijn vuilniszakken aan in de container prop.

In mijn nieuwe huis ligt vloerbedekking.

Standaard
Proper

Verzekeren jullie ook geslachtsdelen?

Nooit geweten dat jij zo groot was.”
Het was de tweede keer in 24 uur dat ik dat hoorde, al kwam het deze keer van twee jongemannen. Ik was bij een schoolreünie, en was van het ooit zo dunne knulletje getransformeerd tot breedgeschouderde macho.

“That’s what she said”, zei ik. Ze lachten. Onnodig, vond ik, dus ik legde uit hoe het echt zat: “Nee, echt! Ik heb vannacht met twee bitches liggen rotzooien en ze vonden dat mijn pik nogal groot was, dus dat zeiden ze.” M’n oud-klasgenoten werden stil, dus ik ging verder. “Ik kende ze al wat langer, en klaarblijkelijk hebben ze altijd gedacht dat ik minder bedeeld was. Nou, die kwamen van een koude kermis thuis! Hahaha!”
Nu lachten ze om het juiste. Maar niet al te enthousiast, dus ik deed er nog maar een schepje bovenop.

“Al hoor ik dat vaker, hoor. Ik ben nu eenmaal bijzonder groot geschapen. Mijn boxers zijn bijvoorbeeld XXL, anders word ik echt gek. En soms kan ik niet slapen omdat-ie in de weg ligt. Willen jullie ‘m zien?”
Het bleef stil. Ha!
“HAHAHAHA! Jullie hadden jullie gezichten moeten zien man! Hahaha! Nou, man, wat zijn jullie een watjes geworden, zeg! Vertel, hoe is-ie?”

Er volgde een gesprek over hun bezigheden. Niks aan natuurlijk. Eentje was gelovig geworden, een ander zat in de verzekeringen. Ik maakte wat goeie grappen, zoals “Ha, dus jij neukt nooit zeker!” en “Verzeker je ook geslachtsdelen? Want deze jongen is er niet bepaald voorzichtig mee!” maar de zaak bleef toch een beetje, hoe zeg je dat, ‘koud’. Ze hadden duidelijk wat moeite om los te komen. En omdat ik de beroerdste niet ben besloot ik ze een handje te helpen.

“Heb ik jullie trouwens wel eens verteld dat ik die Rosalie, met die dikke jopen, echt keihard gedaan heb? Ja, echt, toen na het V6-feest in Cafe De Kleine Humorist. Man man man, wat een nacht was dat. Helemaal rauw. Goeie tetten, maar echt tepels als salamischijven. Doe je verder niks aan, maar ach, het is vlees he. En ik ben de beroerdste niet! Haha!”
De verzekeringsjongen was inmiddels nogal pips geworden. Dat zei ik ook: “Man, wat ben je wit! Je hebt zeker nooit seks? Proper mannetje ben je. Was je toen ook al, dus ik snap ’t wel.”

Even later werd duidelijk dat diezelfde vent met Rosalie getrouwd was. Tja, dat had ik ook niet kunnen weten natuurlijk. En dat ze toen ook al een relatie hadden wist niemand. Behalve die gelovige dan, ja, maar fuck it, ik had geen idee. Dus dat zei ik ook: “Ach, man, je hebt gewoon wel een lekker wijf te pakken! Goeie jopen toch? Nou dan! Wat maakt het dan uit? Zeg, ik moet weer gaan. Heb nog een date zo meteen, en ik moet m’n pik nog wassen. Doe de groeten aan Rosalie! Als je haar zat bent stuur je haar maar naar mij! Hahaha! Nou, de groeten he! Doei!”

Blij dat ik daar vanaf was liep ik naar m’n BMW. Wat een losers.

Standaard