Spelletjescafé

Verliezen is voor losers

Omdat het trillen niet ophield, nam hij toch maar op en zo ontdekte Wouter tijdens De Wereld Draait Door dat bij het onbekende nummer een heel bekende stem hoorde.
Die zei: “Kom nu naar de Zilveren Vingerhoed. Kleine Adelaar in nood. Ik herhaal: Kleine Adelaar in nood.’
‘Nieuw nummer, Gert-Jan?’ vroeg Wouter en hij zette Matthijs van Nieuwkerk op stil.
‘Ja, pre-paid ingeruild voor een abo’tje. Kreeg er een iPhone bij. Niet de nieuwste, maar de 5s is ook dikke prima.’
‘Goed bezig.’
‘Dacht ik. Afijn, Kleine Adelaar is dus in nood. Daag.’
En hij hing op.

Wouter legde de telefoon op tafel en gaf Van Nieuwkerk weer geluid. Het item over een of andere nieuwe roman naderde zijn einde. Niet dat hij dat erg vond, ze nodigden toch altijd de verkeerde schrijvers uit. Van die gevoelige gasten, met hun verhaaltjes over het verlangen naar een doel in het leven of over het janken in de tram om een verloren liefde. Fictie z’n reet, het was allemaal emotioneel geleuter op de vierkante meter. Ze zouden eens een fantasyschrijver moeten uitnodigen, die gebruiken tenminste hun verbeeldingskracht voor de volle tweehonderd procent.
‘Tot zover, tot morgen!’ riep het bekende hoofd en dat was voor Wouter het teken om de televisie uit te zetten.
Daarbij was het ook tijd.
Tijd voor belangrijke zaken.

‘Grote Adelaar!’ riep Kleine Adelaar en hij sloeg Grote Adelaar op z’n schouder. ‘Ga zitten, man. Biertje? Stomme vraag. Margot, biertje voor Grote Adelaar hiero! Now we’re gonna kick some ass! Adelaars are go!’

Een blik op de tafel en Grote Adelaar had meteen spijt van zijn komst. Drakendoders Ter Paard & Ridderhelden Met Schild was niet alleen het kutste bordspel sinds de Idols-uitbreiding van Trivant, maar ook nog eens het meest infantiele. Dungeons and Dragons voor kleuters, dat werk. Of zoals de Eerste Ridder Posse van Grote Adelaar het altijd noemde: Draakje Erger Je Niet.
Maar hoe vervelend dit alles ook was, een broer in nood is een broer is nood. Dus trok Grote Adelaar z’n cape strak en schoof hij aan naast Kleine Adelaar.

‘Goed,’ zei Grote Adelaar, ‘praat me bij, Kleine Adelaar. Hoe staan we er voor? Ik zie dat je twee vuur-des-verderf-kaarten hebt, maar geen aanvullend fosforspuug. Daarbij zit je ook bijzonder laag in je schubben, als ik me niet vergis. Kun je dat bevestigen, Kleine Adelaar?’
‘Dat kan ik zeker bevestigen, Grote Adelaar. Wel heb ik de Vaas Der Ontluikende Wijsheid in bezit en is het slechts een kwestie van tijd dat ik ook De Heuptas Van Schijnvrede aan mijn oorlogsinventaris kan toevoegen.’
‘En ja hoor, daar is je fatale fout!’ riep Grote Adelaar. ‘Wat zeg ik nou altijd? Je moet nooit zomaar van dingen uitgaan! Heb ik je dan niks geleerd?! Klakkeloos aannemen is genadeloos doodgaan! Regel één! Moet ik het soms voor je spellen?! Fucking regel nummer fucking één!’

Kleine Adelaar slikte. Natuurlijk had Grote Adelaar weer eens gelijk. Een grotere fout kon je niet maken dan het negeren van regel één uit Het Grote Handboek Der Glorieuze Adelaren Op Het Speelveld Des Levens. Maar hij moest door, niet huilen, vooral ook niet regel twee overtreden.

Grote Adelaar haalde z’n rechterarm van onder de cape en legde hem op Kleine Adelaars schouder. ‘Kom op, Kleine Adelaar,’ zei hij zacht, ‘je moet wel bij de les blijven. Zo leer je nooit zelf vliegen. Dat weet je toch?’ Het was deze combinatie van aan de ene kant het irrationeel schreeuwen en de aan de andere kant het liefdevol onder z’n vleugels nemen van jonge bordspeltalenten die hem de bijnaam De Louis van Gaal van de Fantasy Strategy Board Gaming wereld had opgeleverd.
‘Ik weet het,’ zei Kleine Adelaar. ‘Het zal niet weer gebeuren.’
‘Daar is het nu wel te laat voor,’ antwoordde Grote Adelaar en hij nam een laatste, grote slok van z’n biertje om daarna het lege glas met een harde klap op de tafel te neer te zetten. De dreun deed de Drakenstal Der Giganten wankelen, maar omvallen deed het niet.
Vervolgens stond Grote Adelaar op, trok z’n cape recht en stak beide handen in de lucht.

Iedereen in de Zilveren Vingerhoed keek inmiddels naar de Drakendoders Ter Paard & Ridderhelden Met Schild spelers. Zelfs het groepje dat een zelfbedachte mash-up van Rummikub, Risk en Monopoly speelde (Rummiriskopoly™) loerde met enige angst naar die Grote Adelaar met rood aangelopen hoofd.
‘Wat doe je,’ fluisterde Kleine Adelaar. ‘Iedereen kijkt naar ons.’
Maar Grote Adelaar lachte. Hij lachte zoals elke Grote Adelaar zou doen in deze situatie: luid en ongecontroleerd.
Daarna riep hij ‘AARDBEVING DER AARBEVINGEN VAN ONDERWERELD TOT BOVENWERELD EN TOT IN DEN EEUWIGHEID’ en schopte hij met een vloeiende beweging het bordspel een meter de lucht in. Precies conform regel 5 uit Het Grote Handboek Der Glorieuze Adelaren Op Het Speelveld Des Levens: Verliezen is voor losers en moet te allen tijde worden voorkomen.

Standaard
Spelletjescafé

Vlooienmarkt

De vroege lentezon schijnt in de druppels van een kroonluchter en werpt vlekjes licht op de uitgestalde waren. Het is vroeg en daarom rustig op de vlooienmarkt. Geluiden van anderen, een zacht gesprek, een lach, iemand die kratten uit een achterbak laadt, drijven op de wind langs Lisette heen. Iets verder ruist een autoweg. Het bedrijventerrein heeft maar weinig bomen en in een enkele berk zit een merel dringend te fluiten. Hij krijgt geen antwoord.

Lisette gaat met haar handen over een bontjas, echt, mottig roodbruin bont dat stug is van de ouderdom. Achter haar hoort ze Martin haar naam noemen met een aarzeling in de eerste lettergreep. Ze wil wegkruipen in de jas, zich als een pluisje laten meevoeren in de wind, een grassprietje worden tussen de stoeptegels. Maar ze gaat naar hem toe.

“Wat heb je gevonden?”

“De moeder aller bordspelen.”

Hij houdt een monopolyspel omhoog, de doos nog helemaal intact en als hij de deksel optilt ziet ze nette, ongekreukte briefjes in de felle kleuren die je alleen bij ongebruikte spellen ziet. De onnavolgbare figuurtjes, het hondje, de hoed, het strijkijzer, zijn nog van lood en niet geverfd plastic zoals bij modernere versies.

Ze knikt, al is Risk de moeder aller bordspelen, maar ze knikt. Ze maakt enthousiaste geluidjes waarvan ze allebei weten dat ze geveinsd zijn. Het is een mooi spel en het zou goed in hun collectie passen.

De eerste keer dat ze het erover hadden was in de trein vanuit het noorden naar huis. Ze hadden met zijn tweeën een aantal dagen in een Fries vakantiehuisje doorgebracht, dagen waarin ze het nergens eens over leken te worden, ze zelfs ruzieden over wie de groenten zou snijden bij het koken. Met als hoogtepunt Martin die de dobbelsteen tegen de muur smeet tijdens een potje Catan. Er kwamen krassen in het schaap. Ze keken zwijgen naar de voorbijflitsende velden en in de wanhoop om het besef weg te maken dat ze het niet eens een midweek op elkaars lip uithielden –hoe zouden ze het dan een heel leven moeten doen –liet Lisette zich haar droom ontglippen. Haar heimelijke droom die ze nooit uitsprak want dan zou hij echt worden.

Martin deed niet of ze gek was en lachte haar niet uit. Hij keek haar alleen maar verbaasd en haast ontroerd aan. Hij droomde ook al jaren van het beginnen van een spelletjescafé. De details verschilden wat, zij wilde in Amsterdam blijven en hij terug naar zijn geboortestad Utrecht, zij zag het modern en vernieuwend voor zich en hij voelde meer voor een bruin café. Maar daar viel over te praten. En met het praten, plannen, spellen verzamelen en naar binnen kijken bij leegstaande cafés kwam de verliefdheid terug, in onvoorspelbare, nerveuze golven.

De eerste maand hadden ze zelfs geen ruzie meer. Heel even voelde Lisette zich licht, in een relatie met iemand die haar begreep, verbonden door dezelfde droom. En toen de ruzies terugkwamen, heftiger dan voorheen, bleef het spelletjescafé bestaan als een andere werkelijkheid waarin het wél klopte tussen hen. Dus ze bleven plannen en vlooienmarkten afstruinen op zoek naar aanvullingen voor hun groeiende collectie.

Lisette kijkt toe hoe Martin afrekent met cash en hoopvoller naar het spel kijkt dan hij in de laatste weken naar haar heeft gekeken. Ze zullen naar huis gaan, het in de kast zetten en tijdens de lunch praten over in welke stad ze hun spelletjescafé zullen vestigen. En vanavond, na het kijken van een film die ze zich daarna niet meer zal herinneren, zal ze zich in bed irriteren aan Martins ademhaling en het stukje van zijn rug dat onvermijdelijk tegen de hare aanligt.

Martin is alweer doorgelopen, op zoek naar het volgende spel. Lisette staat stil, gaat met haar vingertoppen weer over de bontjas. De verkoopster kijkt haar aan.

“Geïnteresseerd in de jas? Het is echt bont.”

Lisette knikt. Met haar andere hand omklemt ze de portemonnee in haar zak. Ze twijfelt, kijkt naar Martin en weer naar de jas. Dan schudt ze haar hoofd.

“Nee hoor. Bedankt.”

Ze loopt weg. In de berk fluit de merel door zonder gehoord te worden.

Standaard
Spelletjescafé

Stef Stuntpiloot

De poppetjes onder hem worden kleiner en dan weer groter, hangen op hun kop en krioelen door elkaar. Het geluksgevoel begint in zijn buik, borrelt omhoog naar zijn keel waar het even blijft steken en ontploft dan in zijn hoofd. Zijn eerste solo stuntvlucht, op een echte show nog wel.
De zenuwen die hij voelde toen hij instapte, hebben plaats gemaakt voor iets anders, iets veel groters.

Het vliegtuigje boven haar voert de gekste capriolen uit. Hij maakt loopings, boort de neus van de Pitts Special (die naam moest ze onthouden, had hij glunderend gezegd) lijnrecht naar beneden en de vleugels zwaaien het publiek toe in zijn volgende kunstje. Ze probeert figuren te ontdekken in de rookwolken die het vliegtuig achterlaat, maar ze weet ook wel dat dat gekkenwerk is. Kurkentrekkers moet ie maken. Kurkentrekkers en een looping. Net als in de python, maar dan volledig los van vaste grond.

In zijn hoofd probeert hij te benoemen wat hij voelt, maar er is toch niemand die hem hoort. Hij heeft genoeg aan zijn concentratie en het zien van de wereld onder hem. Hij weet dat hij minder moet kijken, dat hij op moet letten, maar hij kan het niet laten. Zij staat in het publiek en ze kijkt hoe hij frivool door de wereld boven haar snijdt. Ze had speciaal voor vandaag iets knalroze aangedaan, zodat hij haar misschien zou ontdekken. Wisten zij veel dat het zó druk zou zijn en dat het vandaag zou wemelen van de roze kledingstukken. Het maakt ook niet uit. Dit. Nu. Straks ziet hij haar weer.

Haar roze jasje ligt over haar arm. Het was tussen de massa te warm om het aan te houden en ze denkt dat hij haar toch niet in het oog zal krijgen. Dat wil ze ook niet; nu moet hij goed opletten en geen ongelukken maken. Ze verheugt zich op zijn stralende gezicht straks, en hoe hij over zijn woorden zal struikelen als hij vertelt hoe het was.
Het geluksgevoel begint in haar buik, borrelt omhoog naar haar keel waar het even blijft steken en ontploft dan in haar hoofd. Ze steekt in een opwelling haar hand omhoog en zwaait met haar roze jasje naar het vliegtuigje.

Het roze jasje wappert in zijn ooghoek. Hij kijkt en de lach die al telkens op zijn gezicht geplakt zat, begint nu echt pijn te doen. Hij probeert zijn spieren te ontspannen, maar het lukt hem niet. Lachen lijkt nu een onbewust proces, net als ademhalen.
‘Afronden’, klinkt het in zijn oortje en hij begint aan zijn laatste serie loopings. Hij stelt zich voor hoe de mensen onder hem klappen en joelen als hij wegvliegt.

Hij zet zijn laatste loopings in en zij wurmt zicht door de mensen naar de rand van het publiek. Ze staat op iemands voet en hoort een mompelend ‘kijk uit waar je loopt, het is voor iedereen druk hier’. Ze kijkt de mopperende man aan met een glimlach die inmiddels pijnlijk op haar gezicht rust.
Ze kijkt het veld in en ontdekt haar piloot. Hij snelt naar haar toe, neemt haar in haar armen en kust haar alsof hij haar nooit meer los wil laten.

‘Het was fantastisch’, stamelt hij.

‘Nee Stef, jíj bent fantastisch.’

Standaard
Spelletjescafé

Geduld

We hadden elkaar die avond pas ontmoet, maar een paar uur later zaten we op de bank in mijn woonkamer naar de boekenkast te staren. Zij had de pubquiz gewonnen en ik weet de zevende plaats van mijn team aan het feit dat ik teveel afgeleid was geweest door haar verschijning. Het was afgezaagd, dat wist ik, maar de hoeveelheid alcohol die we in café De Afleiding hadden genuttigd zorgde ervoor dat wat we precies zeiden, eigenlijk niet zoveel uitmaakte.

Ik had pas laat op de avond – alle vragen gesteld en de prijzen verdeeld – het lef gehad om haar aan te spreken. Ze was een stuk ouder dan ik en way out of my league, maar toch ging ik ervoor. Wat kon ik nog meer verliezen?
Dus nodigde ik haar uit voor een spelletje toepen; we misten een vierde man. Ze vroeg of ik de film had gezien, ik zei dat ik alleen het boek had gelezen. Toen schoof ze aan. Toepen kon ze niet, Patience was het enige kaartspel dat ze kende. Maar ze was bereid te leren en haar drie teamgenoten konden de rest van de avond wel alleen af.

Terwijl ze met een glas rode wijn in haar hand grondig de boeken die ik bezat, keurde en ik tegelijkertijd haar smaak, vertelde ze tussen neus en lippen door dat ze drie keer getrouwd was geweest. En ik was daar niet echt van geschrokken. Haar laatste huwelijk was pas net gestrand en de reden daarvoor hield ze in het midden, ondanks dat ik aandrong om veel meer te vertellen. Zo vaak nodigde ik niet iemand bij mij thuis uit, en, ik wilde weten met wie ik te maken had.

Ze vroeg wat het lastigste boek was dat ik ooit had gelezen.

‘Ik kan jou moeilijk lezen,’ zei ik.
‘Je weet niet eens in welke taal ik ben geschreven, jongen.’

Ze refereerde steeds aan mij als jongen, waarmee mijn onzekerheid zich begerig voedde. Brutaal pakte ze boeken uit de op alfabet gesorteerde kast en gooide ze op de grond als ze vond dat ze voldoende besproken waren. Toen ik vroeg of ze bezig was De Grote Drie stapels te creëren, zei ze:

‘Kan je niet wat muziek opzetten? Jullie generatie heeft toch SpotWi-Fi, of zo?’

Ze stak de draak met me, en ik speelde het spelletje mee. Ik pakte mijn telefoon en ik streamde als een volledig ingeburgerd bewoner van de Digitale Stad een nummer naar mijn luidsprekers. Verstand had ik niet van dit soort technische snufjes – zo jong was ik nou ook weer niet – maar voor haar deed ik al te graag alsof.

‘Zo, zo. Hippe jongen, hoor,’ zei ze toen ik met ogenschijnlijk gemak een modern slow-nummer ten gehore bracht.

Het idee van een stereotiep rollenspel tussen oudere vrouw en jonge god lag ons beide blijkbaar goed en het feit dat zij volledig de controle had, vond ik ook niet erg. Maar toen ik voor de derde keer haar glas had bijgevuld, was het wel genoeg geweest. Ik ging achter haar staan, onze gezichten op de boeken gericht. Ik schuifelde dichterbij, kuste haar oorlel. Ze draaide zich om, legde een vinger op mijn mond.

‘Moet jij niet nog naar een rave, of zo?’

Ik beantwoordde haar zonder woorden.

Het was nog donker toen ik in de vroege morgen ontwaakte en merkte dat ze alweer verdwenen was.

Standaard
Spelletjescafé

Een boompje klaverjassen met Harry en zijn vrienden

Ik speel”, zei Harry toen hij de klaver boer en een klaver zeven ontwaarde tussen zijn kaarten. Julia, Coby en Ernst slaakten een simultane zucht. Dit was het eerste potje klaverjas van hun dertiende jaar als spelletjeskwartet en direct begon het hele feest weer opnieuw. Harry was zo iemand die overal op speelde, vijftig procent van de tijd won en dat dus als succesvol bestempelde. Dat ze daardoor elke avond afwisselden wie er deze keer met Harry moest spelen (Julia was deze keer aan de beurt) vond Harry zelf helemaal geen probleem. Het interesseerde hem geen zier dat hij zo nu en dan een keertje nat ging. Hij vond het gewoon veel te mooi om met flutkaarten te spelen en te winnen dan constant te passen en te wachten op die ene, briljante hand met de perfecte troefkaart.

Die mentaliteit was er ook de oorzaak van dat Harry een tattoo van het gezicht van een geile Paul de Leeuw op z’n rug had, dankzij een verloren weddenschap. En dat iedereen in Elspeet die tattoo weleens had gezien, want Harry was de beroerdste niet. Nooit geweest overigens.

Harry kwam uit met de klaver zeven. Natuurlijk niet met de boer, dat zou te makkelijk zijn. Nee, eerst trekken, daarna pakken, dat was het motto. Gedwee legden zijn medespelers hun kaarten op, Julia verloor haar klaver aas aan de nel van Ernst. Harry lachte hardop en vroeg nog een pilsje aan de barvrouw. Het zou de achtste van die avond worden, want hij had al even ingedronken. “Thuis voor de buis, hoor, niks geks!” stelde hij zijn medespelers daarover gerust. Coby rolde met haar ogen, ze wist dat hij vanaf het tiende biertje pas echt van de pot gerukt zou worden. Dan ging Harry spelen zonder op z’n kaarten te kijken, geïnspireerd op bluffende pokeraars en tv-camera’s die er nooit waren.

De rest van de slagen moest Harry volgen. Met lede ogen zag hij aan hoe slag na slag naar zijn tegenstanders ging. De laatste slag van het setje kon hij met z’n inmiddels nutteloze klaver boer pakken. Het leverde hem tien extra punten op, maar ook dat kon niet voorkomen dat hij enorm nat ging.

Julia was aan de beurt om te schudden, maar ze liet de kaarten voor zich liggen en deed haar armen over elkaar. “Ik doe het niet meer.”
“Wat niet?” vroeg Harry.
“Spelen met jou. Ik ben die spelletjes spuugzat. Spuugzat!” Haar woorden werden versterkt door enkele druppeltjes speeksel die over de tafel vlogen.

Enkele minuten later stond Harry buiten een sigaretje te draaien met een grote rode vlek op z’n wang. “Vies kutwijf” mompelde hij in zichzelf terwijl hij, de sigaret inmiddels tussen z’n vingers, nog wat van Julia’s rode lokken onder z’n nagels vandaan pulkte. Het ambulancepersoneel was inmiddels gearriveerd en rende het café weer in. Ook Harry draaide hij zich om en liep terug naar binnen. De sigaret smeet hij ongerookt weg.

“Zullen we dan nog maar een boompje doen, jongens?” vroeg Harry monter aan iedereen in het café. Coby, Ernst, de barvrouw, het ambulancepersoneel en de andere gasten keken hem aan. Julia kwam omhoog van de brancard, de nekbrace die ze om had kleurde leuk bij haar nagellak.
“Dan speel ik deze keer wel met Ernst”, opperde Harry erbij.
“Leuk”, kreunde Julia.

Standaard