Handstand

Jurgen. De klootzak.

Bos. Bomen. Takken en bladeren. Hoe lang lig ik hier nu al? En waarom proef ik bloed in mijn mond? Heb ik mijn helm nog op? Zo even zag ik nog gezichten. Ze vroegen wat. Ze schreeuwden. Gelukkig zijn ze nu weer verdwenen. Het komt wel goed, denk ik. Nog even liggen. In de verte hoor ik de ambulance al.

Het is niet ongevaarlijk om bakkenist te zijn. Dit is ook niet de eerste keer dat ik naast mijn bakkie lig. Hoort er allemaal bij natuurlijk. Maar soms denk ik; waar doe ik het voor? Voor de eer en glorie van die motorcoureur naast mij? Voor de bond die ons ‘passagier’ noemt in de reglementen? Voor het schamele prijzengeld? En ik hoor ze wel lachen hoor, in de paddock, die arrogante motorcoureurs. Smalend. Apen noemen ze ons. Domme krachten. Dansend in een kooi. Vooral Jurgen hoor je dan. De klootzak.

Ja, de mensen in het dorp. Die vonden het fantastisch wat ik deed. We gingen op de schouders toen Jurgen en ik Nederlands kampioen werden. Daarna een rondje door de straten en een feest bij Zalencentrum Gieling. Man, wat mooi. Maar dat is inmiddels al weer jaren geleden. En alleen Jurgens gezicht stond op de t-shirts die de sponsor had laten drukken. Ik rij nu met Stef, een aardige jongen uit Boekel. Achteraan meestal, want echt goed rijden kan hij niet. Hier op het Hengelse Zand zijn de dorpsgenoten in ieder geval niet voor mij gekomen. Die komen alleen nog maar voor Jurgen. De klootzak.

Hij zal inmiddels wel weer gewonnen hebben. Jurgen bedoel ik. Die klootzak. Met die Oostblokker in zijn bak. Plotseling zat ene Andris Ešenvalds bij hem in de keuken. Op mijn stoel. Een jonge gast uit Litland. Of Letouwen. Weet ik veel. Beresterk, dat moet gezegd. En eigenlijk ook wel verschrikkelijk goed. Maar vooral goedkoop denk ik. Er zat bij mij wat sleet op, zei Jurgen. Hij wilde wereldkampioen worden, zei Jurgen. We kennen elkaar verdomme al vanaf de kleuterschool. De klootzak. Ik heb hem daarna niet meer gesproken.

We hadden het toch goed, Jurgen? De sponsors stonden in de rij; Slagerij van Geemen, Hoenderboom Bouw en Schotman Pluimveebedrijf. Alleen jouw handtekening kwam op het contract. We deden alles samen. Min of meer. Maar zonder jou ben ik niks. Ik weet het. Een aapje in een bak. En nu lig ik hier, gebroken, tussen de bomen. Ik heb je nodig. Ik zal harder werken. Goedkoper ook. Ik wil ook wereldkampioen worden. Nee. Ik wil dat jij wereldkampioen wordt. Met mij in de bak.

Daar zijn die gezichten weer. Zijn het toeschouwers? Of hulpverleners? Ik denk dat ik een dokter nodig heb. Die sirene klinkt nu akelig dichtbij en ik zie nog steeds paniek in de ogen van de gezichten boven mij. Ik voel nu ook wel wat pijn. In mijn arm vooral. Iemand zegt wat. Wacht even. Even luisteren.

‘(…) handstand!’

Ik geloof dat ze handstand zei. Zei die vrouw nu vol afschuw handstand? Ze heeft een t-shirt aan van ons kampioenschap. Jurgen kijkt mij aan en ze houdt haar hand voor haar mond.

‘Kijk nou! De stand van zijn hand!’

Ik zie het nu ook. Mijn hand. Hij staat haaks op mijn pols. Dat ziet er gek uit. Maar het komt wel goed, denk ik. Kwestie van doorbijten. Daarna revalideren. En dan bel ik Jurgen weer eens. De klootzak.

Door: Jasper de Kinkelder

Standaard
Handstand

Zijn ongeluk

In de auto zocht hij naar het juiste liedje, maar geen van de voorgeprogrammeerde zenders draaide zijn gevoel van het moment. Het bracht hem even in een spagaat, op stilte zat hij ook weer niet te wachten. Radio 1 werd het alternatief, en hij viel in een reeds vaak gevoerde discussie over de huidige staat van het Nederlandse voetbal in Europees perspectief. Niet dat de woorden van de presentator en zijn gesprekspartners hem raakten zoals dat nieuwe liedje van The Boxer Rebellion zou hebben gedaan, maar er was afleiding en na waterleiding was dat momenteel de beste leiding in zijn leven.

Hij had het dus gewoon gezegd: goed leven is de beste wraak. In het Engels was-ie nog mooier, maar om je punt te willen maken in een buitenlandse taal vereist een soort van zelfverzekerdheid waar hij nooit aanspraak op had durven maken. Hij had overigens ook meteen weer spijt gehad van zijn antwoord, want er was helemaal geen sprake van wraak. Dat kan immers alleen als je in eerste instantie verloren hebt en het was nooit een wedstrijd geweest. Het was gewoon kut dat het allemaal zo was gelopen. Dus ja, hij had iets anders moeten zeggen toen ze opmerkte dat hij er goed uit zag. Iets in de trant van “jij ook” was de simpelste oplossing geweest en wel de waarheid; zij was altijd de mooiste geweest.
Het was zijn ongeluk om haar weer te zien op juist dit moment in zijn leven.

Met 170 kilometer per uur bleef hij hangen op de linker rijhelft. Er waren dagen dat hij minder graag naar huis wou. ‘Maar vergeet PSV niet,’ zei de presentator, ‘de ploeg uit Eindhoven doet tegenwoordig weer heel leuk mee met de grote jongens.’

Het was trouwens wel grappig dat hij hun hele geschiedenis voor z’n ogen had langs zien komen toen hij haar had opgemerkt op het feestje waar hij geen zin in had gehad. Die film was voorbij voordat hij goed en wel besefte dat er überhaupt iets werd afgespeeld, maar de immer lijdende schrijver die in hem huisde vond dat dan ook wel weer een aardige metafoor voor de relatie die je misschien niet eens een relatie had kunnen noemen maar hij deed het toch want alle ingrediënten waren wel aanwezig geweest. En hij had zulke grote plannen gehad, voor hen beiden.
Nog zo’n mooie metafoor: ook vanavond had ze hem in eerste instantie niet opgemerkt, bleef ze vrolijk staan lachen met nog een groepje mensen die hem niet bekend voorkwamen. Hij had naar haar toe kunnen stappen, de olijke jongen kunnen acteren, een grapje kunnen tappen, een lachje kunnen kweken, maar een gevoel van ongelooflijke moedeloosheid had zich meester van hem gemaakt. Daarbij kwam ook de vreselijk zwaarte van een dooddoener eerste klas: je kunt je inderdaad enorm eenzaam voelen in een groep met mensen. Zelfs op een feestje van de altijd knettergestoorde Andries, die klaarblijkelijk een gezamenlijke vriend van hen beiden was.

Hij had zijn smartphone er maar bij gepakt. Een gebogen houding is ook een houding en hij ging er vanuit dat het hem deed overkomen als iemand die het geen probleem vindt om alleen te staan op een informele bijeenkomst ter bevordering van sociale contacten met ondersteuning van alcoholhoudende dranken. Hij had een tweet met een vergezochte woordgrap verstuurd en toen stond ze ineens naast hem. Wat deed hij hier nou?

Hij nam de rotonde bij Almere driekwart, haalde een Fiat Panda in en schakelde vervolgens nog maar een tandje bij. Mocht hij nu over de kop slaan, dan was het zeker over en zou hij de volgende dag op Teletekst staan.
‘Een vroege goal is funest,’ zei een van de deskundigen want het ging nu ineens over de aankomende ontmoeting van PSV met Atletico Madrid. ‘Daar gaan ze op jagen, want een ogenschijnlijke niks-aan-de-hand stand van 0-0 gaat naarmate de tijd verstrijkt voelen als een molensteen om je nek. Timing is alles, zeker op dit niveau.’

Standaard
Handstand

Ik zie mezelf

Mijn ijsje smelt. Blauwe druppeltjes kruipen over mijn hand en laten een plakkerig spoor achter. Een bolletje smurfenijs en een bolletje bananenijs. Hoewel ik tegenwoordig meer van chocolade houd, koos ik toch voor de smaken uit mijn jeugd. Snel lik ik aan het hoorntje om de druppels op te vangen en een rilling trekt door mijn lijf als ik de ruwe structuur op mijn tong voel.

‘Je dissocieert’, had de psycholoog aan het eind van de vierde sessie tegen me gezegd. Ik vroeg wat dat betekende en ze vertelde dat gedachten of herinneringen tijdelijk buiten het bewustzijn worden geplaatst. Als een soort afweermechanisme. De onbewuste variant op mijn drang om confrontaties te vermijden.
‘Ik zie dat je het moeilijk vindt jeugdherinneringen terug te halen. Daar praten we binnenkort over verder. In de tussentijd wil ik dat je jezelf in situaties plaatst waar je je als kind veilig voelde.’

Ik staar in de etalage waar ik vroeger voor zat als mijn moeder de V&D aan de overkant binnen ging. Het voelde als uren, maar waarschijnlijk was het hooguit tien minuten. Geen enkele moeder vertrouwt haar kind uren aan een etalage toe.
Het warenhuis is nu dicht, achter het raam hangen briefjes waarop staat dat de winkel ‘wegens omstandigheden’ is gesloten. Maar ‘mijn’ etalage is er nog, en de draaiende vitrinekast met beeldjes van Swarovski kristal doet nog altijd haar werk. De verlichting van de ledlampjes weerkaatst in de kristallen en ze projecteren een dans van schitteringen.
Ik sluit mijn ogen en zie mezelf als kind op de stoep zitten. Hier was ik gelukkig. Deze winkel was mijn oplaadpunt. Die twinkeling van de kristallen op zaterdagmiddag, overstemden de zwarte hel van doordeweeks.

Omdat ik het raar vind om als 31-jarige vrouw op de grond voor de etalage naar ronddraaiende beeldjes te kijken, loop ik door naar het pleintje waar een bronzen Harlekijn vroeger zijn eeuwige handstand deed. Kinderen klommen er in, hingen aan zijn benen die de lucht in staken, probeerden te staan op het hoogste punt en werden dan teruggefloten door ouders die het gevaar zagen.
Ik stond er bij en keek er naar met zweet in mijn handen.
Nu is het beeld weg en ligt er een enorme fontein op het plein.

Ik onderdruk de neiging mijn schoenen uit te doen, mijn broekspijpen op te rollen en met de spelende kinderen mee te spetteren. Peinzend kijk ik naar het water en ik probeer me te herinneren of ik vroeger wel impulsief mee kon spelen met andere kinderen. Ik sluit mijn ogen en zie mezelf achter het raam thuis staan, kijkend naar mijn zus en nichtjes die spelen in de sneeuw. Mijn oudste nicht trekt haar wantje uit en wenkt me, maar ik schud nee en steek mijn duim in mijn mond.

‘Waar komt dat dissociëren vandaan?’, vroeg ik aan het begin van de vijfde sessie aan de psycholoog. ‘Dat kan van alles zijn’, zei ze. ‘Als het de hoofdmoot van een psychische stoornis is, dan noemen we dat een dissociatieve stoornis.’ Ze legde me uit dat het vaak voortkomt uit angst, waarop een vecht- of vluchtreactie volgt. Ze vertelt nog eens dat het een onbewuste vorm van vermijding is. ‘Vermijden doe je zelf, dissociëren doet je brein. Als vluchten of vechten geen optie is, onttrekken je hersenen zich aan de situatie.’
‘Maar het kan ook door vermoeidheid komen’, sloot ze haar verhaal af.

In de fontein staat een meisje alleen. Een meter verder speelt een groepje kinderen in het water. Ze kijken naar haar. Giechelen met elkaar. Een jongen loopt naar haar toe, trekt aan haar haar en duwt haar in het water. Het meisje blijft zitten en kijkt mijn kant op. Ik sluit mijn ogen en zie mezelf.
Ik denk aan alle keren dat vluchten wel degelijk een optie was, als ik mijn benen maar in beweging kreeg. Maar ondanks alles wilde ik graag bij ‘het groepje’ horen. Het groepje dat op de parkeerplaats van het postkantoor tegenover me stond en me uitschold. De klappen en trappen waren ook erg, maar die kon ik pareren door te dissociëren, realiseer ik me nu ik naar het meisje in de fontein kijk.
Dus ik bleef. En ik…

Ik besluit het op vermoeidheid te houden en de zesde sessie te cancellen.
De psycholoog vindt het onverstandig, zegt ze aan de telefoon. Ze heeft het idee eindelijk iets te bereiken, ze noemt het woord vermijdingsdrang voor de zoveelste keer en vraagt of ik niet toch wil komen morgenavond.
‘Ik zou niet weten waarom’, mompel ik tegen de fontein en ik wandel naar de pizzeria op de hoek, waar ik vroeger aan het eind van een dagje winkelen altijd vocht met onhandelbare gesmolten mozzarella op mijn pizza margherita. Dat kan ik nu wel aan.

Standaard
Handstand

Klem

We zaten in het café aan het eind van onze straat. Dat deden we zo nu en dan. Als we eraan toe waren, maar meestal als we wisten dat het thuis uit de hand zou lopen. En dat Renske dan wakker zou worden. En dat er hier buitenstaanders waren om ons een beetje in toom te houden, was waarschijnlijk ook in ons voordeel.

Een liedje dat onderdeel was van een typische horeca-playlist op een dinsdagavond stond aan. We lachten erom hoe de tekst van de doorgaans door ons als afgezaagd bestempelde muziek ineens op onze situatie sloeg. Op dat soort momenten kon ik haar hand even aanraken zonder dat er nagedacht werd over wat dat precies voor consequenties had.

We waren er tot voor kort nog nooit geweest, terwijl we hier al drie jaar woonden. We hadden nooit echt de moeite genomen om de nieuwe buurt, die we wel al jaren onze buurt noemen, te verkennen.

De serveerster kwam. Uiteraard een vlotte, jonge meid met perfect blond haar en met borsten waar die horen te zitten. Mijn zucht merkte ze op – wat probeerde ik daar ook alweer mee te bereiken? – maar ik zat pas echt klem toen zij vroeg wat we wilden drinken.

Vroeger maakte het niet uit en kon ik zeggen wat ik wil. Ik was een man die lachte om het als grap bedoelde ‘zou je dat nou wel doen?’ Langzaamaan sloop de olijkheid eruit, waarna het van een gemeende opmerking naar een volledig routineus verwijt ging.

Als ik nu een biertje bestelde, kreeg ik iets naar mijn hoofd. Een zwiep, een opmerking of een asbak. Het een sloot het ander bovendien niet uit.

Als ik nu om een cola zou vragen, zou ze cynisch lachen. Want nu ineens wel, hè. Nu wel. En al het andere zou volledig gênant zijn; met een sinas, Fristi of Rivella raakte ik al mijn geloofwaardigheid kwijt. Ik koos voor een veilige route: we hadden thuis nog geen koffie gehad. Het likeurtje kon ik eventueel laten staan.

Het werkte: een vrij normaal gevoerd gesprek volgde. Althans, ik kon haar woorden vrij simpel pareren als was ik Edwin van de Sar in een winderige oefenwedstrijd in Hongarije. De wind kwam van voren, het regende pijpenstelen, maar toch zag ik elke bal aankomen. Bovendien kon ik bouwen op mijn verdedigers, ik wist precies wat ik aan ze had.

Het was echt de laatste keer geweest, zei ze. Ik lachte, van binnen. Ik hoefde mij dit keer niet in bochten te wringen.

Een man kwam het café binnen en vestigde de aandacht op zich door hard te roepen dat hij prachtige bloemen in de aanbieding had, als de doordringende geur die hij met zich meebracht hem niet al had verraden. Het was niet je typische rozenverkoper met een polaroid, maar een man met bosjes tulpen onder zijn arm. Toen hij langs ons tafeltje liep na enkel onsuccesvolle pogingen, liet hij zijn gebrekkige gebit zien en zei hij:

‘Soms is het de omgekeerde wereld, dan verkoop ik alles uit. Maar dat de wereld op zijn kop staat, maakt geen enkel verschil. Ik ben een gelukkig mens.’

Luid lachend verliet hij het café, ons achterlatend met een tulp.

Zij pakte haar jas, ik rekende af bij het knappe barmeisje en samen liepen we door de stromende regen naar huis. Voorzichtig pakte ik haar hand vast. Klem.

Standaard
Handstand

Een stevige hand

M’n opa, m’n opa, m’n opa.
In heel Europa is er niemand zoals jij.

We zongen het al in de auto, op weg naar opa en oma om daar de herfstvakantie te logeren. Oma deed de deur open, Saartje, de kat, zat in een doos in de woonkamer en opa was in z’n schuurtje aan het knutselen.

“Dag jonge Jan.”
“Dag ouwe Jan!”

Zijn grote knuist sloot zich om mijn handje. Ik snoof de geur van hout en zaagsel op en keek door het achterste raampje naar de hazelaar. Alles was zoals het was.

’s Ochtends kwam ik beneden voor het ontbijt en zag opa in z’n grote witte ochtendjas al aan de tafel zitten. Z’n borsthaar genoot mee van de vrije ochtend.

Met een eiersnijder sneed opa een tomaat in plakjes, waarvan hij de helft aan mij gaf. Ze gingen op brood, ik mocht er wat suiker bij doen. Aan het einde van de maaltijd kauwde opa tevreden op z’n als toetje dienstdoende roggebrood.

Zondagmiddag deed oma een dutje en nam opa ons mee naar de kinderboerderij. Een van ons had een zak met oud brood voor de eendjes, een ander verzamelde pauwenveren, en opa sloeg het grote varken met vlakke hand op de bil. Hij lachte erbij en zei: “Zie je, voelt-ie niks van.”

Toen we ontelbare keren Dikkertje Dap hadden geluisterd en de week voorbij was gevlogen, namen we afscheid bij de voordeur. Van oma kregen we drie zoenen. Opa gaf een stevige hand.

“Dag jonge Jan.”
“Dag ouwe Jan.”

Opa stond aan m’n bed. Een blindedarmontsteking had me bijna te pakken gehad, maar zoals het er nu naar uitzag ging ik het halen.

Hij omhelsde mijn moeder en ging zitten. Ze voerden een gesprek. Ik was er ook. Hij zal me gevraagd hebben hoe het met me ging, hoe ik me voelde, zoiets. Ik weet het fijne er niet meer van, was alleen maar blij dat opa er was. Toen hij wegging gaf hij me een hand. Zijn hand als een kolenschop, en de mijne als een bosje twijgjes, een hand waar al het vet uit verdwenen was.

“Dag jonge Jan.”
“Dag ouwe Jan.”

Ik stond aan zijn bed. Hij ademde zwaar, z’n handen klemden rubberen buisjes vast, die moesten voorkomen dat z’n nagels in z’n handpalmen zouden snijden. Ik vroeg hem hoe hij deze dagen beleefde en hij zei: “Ik heb niet zoveel te koop.” Ik lachte, herkende het gevoel.

We namen afscheid. Met moeite tilde hij zijn verkrampte hand op. De mijne paste er maar net in.

“Dag jonge Jan.”
“Dag ouwe Jan.”

In heel Europa was er niemand zoals jij.

Standaard
Handstand

Herinnering aan de zomer

Het is vooral de warmte die ik mis.

Ik had het niet gedacht. Ik had niet verwacht dat toen hij wegging, toen we afspraken dat we feestjes waar we eerst samen heen zouden gaan, zouden vermijden en ik zijn Facebook ontvolgde om niet meer met hem geconfronteerd te worden, het de warmte zou zijn die ik als eerste zou missen. De veiligheid die het samenzijn met hem, of misschien wel het samenzijn met iemand bood. Mijn nieuwe huis voelt koud en leeg en moeizaam aan, hoeveel lenteboeketten ik mezelf ook cadeau doe.

Ik heb het geprobeerd op de voor de hand liggende manieren: alle seizoenen van Friends opnieuw kijken en huilen als ze hun sleutels in het appartement achterlaten. Mezelf verbazen door een hele emmer Ben&Jerry’s in mijn eentje leeg te eten, drie dagen achter elkaar. Met mijn vriendinnen naar een drankhol in de Lange Leidsedwarsstraat en roepen dat ik toch beter af ben zonder man. Mezelf diezelfde avond nog in de armen storten van een jongen met een vochtig overhemd.

En toch blijft het koud.

Ik probeer te herinneren wanneer ik dit nog niet voelde, voordat hij er was, en ik blijf steken bij de zomer dat ik als kind in een landhuis logeerde en alles goed was. Wakker worden en de zon over de heiige velden zien strijken. Met mijn blote voeten in het natte gras, diepzwarte bramen plukken in de berm en direct in mijn mond stoppen. De handstand oefenen tegen de zijmuur van het landhuis. Al moest mijn zusje wel helpen met overeind houden. En ’s avonds bij de open haard in slaap vallen, met de wetenschap dat er altijd wel iemand was die een dekentje over me heen zou leggen.

Het zijn herinneringen die ik op een speciale plek in mijn geheugen bewaard heb, die liggen te wachten op een moment zoals dit. Een laatste toevluchtsoord. Maar in het grote lege bed waar ik elke avond in kruip verandert de troost waar ik op hoop in een gevoel van diep en pijnlijk verlangen, ergens bovenin mijn buik.

Dus nu zit ik achterin een taxi.

Toen ik de taxichauffeur vertelde waar ik heen moest, was zijn beleefdheid onberispelijk. Maar onderweg is hij weinig spraakzaam. Hij vraagt niet waarom ik naar een verlaten vakantiehuis wil in het laagseizoen, of waarom hij in de door braamstruiken overwoekerde berm moet wachten. Terwijl ik het piepende hek openduw, zet hij de radio een stukje harder.

Het is een tijdje geleden dat iemand hier geweest is, maar onder het onkruid herken ik nog de tuin. Het huis ziet er ouder, aftandser en kleiner uit dan ik me herinner. Op de veranda staan geen bankjes meer, het hout lijkt rot. Aan de dikke eik hangt nog wel de schommelband aan een beschimmeld touw.

Even schiet het door mijn hoofd of ik niet de herinnering had moeten laten voor wat hij was. Ik rits mijn jas open en hoewel het koud is, leg ik hem op de veranda. Het is goed. Sommige dingen blijven niet zoals ze waren. Er is niemand die in de avond een dekentje over me heen legt.

Ik schat de afstand in, neem een aanloopje en zet mijn handen in het natte gras. Mijn voeten stoten tegen de muur. Even wankel ik, maar ik sta. Ik doe de handstand.

En er is niemand die me overeind houdt.

Standaard