Verhaal #634 • Afgesproken thema: Handstand

Jurgen. De klootzak.

Bos. Bomen. Takken en bladeren. Hoe lang lig ik hier nu al? En waarom proef ik bloed in mijn mond? Heb ik mijn helm nog op? Zo even zag ik nog gezichten. Ze vroegen wat. Ze schreeuwden. Gelukkig zijn ze nu weer verdwenen. Het komt wel goed, denk ik. Nog even liggen. In de verte hoor ik de ambulance al.

Het is niet ongevaarlijk om bakkenist te zijn. Dit is ook niet de eerste keer dat ik naast mijn bakkie lig. Hoort er allemaal bij natuurlijk. Maar soms denk ik; waar doe ik het voor? Voor de eer en glorie van die motorcoureur naast mij? Voor de bond die ons ‘passagier’ noemt in de reglementen? Voor het schamele prijzengeld? En ik hoor ze wel lachen hoor, in de paddock, die arrogante motorcoureurs. Smalend. Apen noemen ze ons. Domme krachten. Dansend in een kooi. Vooral Jurgen hoor je dan. De klootzak.

Ja, de mensen in het dorp. Die vonden het fantastisch wat ik deed. We gingen op de schouders toen Jurgen en ik Nederlands kampioen werden. Daarna een rondje door de straten en een feest bij Zalencentrum Gieling. Man, wat mooi. Maar dat is inmiddels al weer jaren geleden. En alleen Jurgens gezicht stond op de t-shirts die de sponsor had laten drukken. Ik rij nu met Stef, een aardige jongen uit Boekel. Achteraan meestal, want echt goed rijden kan hij niet. Hier op het Hengelse Zand zijn de dorpsgenoten in ieder geval niet voor mij gekomen. Die komen alleen nog maar voor Jurgen. De klootzak.

Hij zal inmiddels wel weer gewonnen hebben. Jurgen bedoel ik. Die klootzak. Met die Oostblokker in zijn bak. Plotseling zat ene Andris Ešenvalds bij hem in de keuken. Op mijn stoel. Een jonge gast uit Litland. Of Letouwen. Weet ik veel. Beresterk, dat moet gezegd. En eigenlijk ook wel verschrikkelijk goed. Maar vooral goedkoop denk ik. Er zat bij mij wat sleet op, zei Jurgen. Hij wilde wereldkampioen worden, zei Jurgen. We kennen elkaar verdomme al vanaf de kleuterschool. De klootzak. Ik heb hem daarna niet meer gesproken.

We hadden het toch goed, Jurgen? De sponsors stonden in de rij; Slagerij van Geemen, Hoenderboom Bouw en Schotman Pluimveebedrijf. Alleen jouw handtekening kwam op het contract. We deden alles samen. Min of meer. Maar zonder jou ben ik niks. Ik weet het. Een aapje in een bak. En nu lig ik hier, gebroken, tussen de bomen. Ik heb je nodig. Ik zal harder werken. Goedkoper ook. Ik wil ook wereldkampioen worden. Nee. Ik wil dat jij wereldkampioen wordt. Met mij in de bak.

Daar zijn die gezichten weer. Zijn het toeschouwers? Of hulpverleners? Ik denk dat ik een dokter nodig heb. Die sirene klinkt nu akelig dichtbij en ik zie nog steeds paniek in de ogen van de gezichten boven mij. Ik voel nu ook wel wat pijn. In mijn arm vooral. Iemand zegt wat. Wacht even. Even luisteren.

‘(…) handstand!’

Ik geloof dat ze handstand zei. Zei die vrouw nu vol afschuw handstand? Ze heeft een t-shirt aan van ons kampioenschap. Jurgen kijkt mij aan en ze houdt haar hand voor haar mond.

‘Kijk nou! De stand van zijn hand!’

Ik zie het nu ook. Mijn hand. Hij staat haaks op mijn pols. Dat ziet er gek uit. Maar het komt wel goed, denk ik. Kwestie van doorbijten. Daarna revalideren. En dan bel ik Jurgen weer eens. De klootzak.

Door: Jasper de Kinkelder



Wie is gastschrijver?

Dat ben jij! Nou ja, als je een beetje handig met woorden bent. Jouw verhaal ook op de website van Schrijversgenootschap De (Voorheen) Lege Bladzijde? Stuur je beste werk naar info@schrijversgenootschap.nl en laat je lezen!
Standard