Slapeloosheid

Het meisje

And I took the dust
of a long sleepless night
and I put it in your little shoe
(Leonard Cohen)

Wat bezielt een mens om de verkeerde woorden op het verkeerde moment te zeggen? Ik was nieuw in de hoofdstad, maar op het goede moment tegen de goede jongen aangelopen en hij had me meegenomen naar een club waar het op dat moment gebeurde.

We dronken, we dansten, misschien is er wat gesnoven in een heren-wc, maar daar zijn dan in elk geval geen beelden van bewaard gebleven.
‘Thee?’ Ik katapulteerde het woord naar het meisje met de krullen.
Ze had prachtige ogen en een motoriek waar ik voor viel.
‘Thee, daar krijg je luizen van in je maag.’
Ze had rode laarzen aan en een zwarte panty en een rood-wit geblokt rokje, een bloesje dat in zijn kuisheid bijna Vlaams aandeed maar dat haar alleen maar wilder deed lijken. De krullen waren rood en de ogen zouden groen kunnen zijn of anders amber.
Ik wilde doorpraten dat een kop koffie ’s morgens bespreekbaar was. Van koffie kreeg je geen luizen in je maag. Maar groen haar. Maar dat gaf niks, want voor een leven met groen haar en aan haar zijde zou ik tekenen. Ik zou zelfs tekenen voor een leven met vreemde bulten en één oog recht boven mijn neus, zo lang het maar aan haar zijde zou zijn.
Maar ze nam haar verlies en zei: ‘Oké.’
Ik zag haar weglopen. Ze praatte in het oor van een vriendin, misschien over mij. Misschien zei ze: ‘Ik vroeg hem of hij langs wilde komen voor een kop thee, maar nee hoor. Zeker bezet.’
Ik was zo bezet als een wc in een strandtent in november.
Ik kon mijn vriend niet meer vinden. In mijn vorige stad kon ik altijd naar huis lopen, van stoeprand naar stoeprand, dat wel, maar altijd droegen die dappere stappers me naar mijn huis. Maar nu wist ik het allemaal even niet meer. Die ogen! Die krullen!
Mijn vriend?
Ik stamelde mijn adres tegen een snorder, want mijn adres wist ik nog.
Ik stuiterde in bed. Stond weer op, omdat ik mijn lenzen nog in had, en mijn tanden nog ongepoetst waren.
Stuiterde weer in bed. Dit was het leven toch? Uitgaan, tandenpoetsen, in bed liggen, en dan ging het verder vanzelf.
Sindsdien staren mijn ogen ’s nachts naar het slecht verlichte en slecht gestucte plafond.
Meisje, hoe heette je?
Je hield van thee. De luizen vierden feest in je maag.
Het is nu dertig jaar geleden, en ik heb je nooit meer gezien.

Door: Tijl Rood
Tekstschrijver, schrijver en journalist


Standaard
Slapeloosheid

Uit

Techno buikt haar oren binnen. Felle kleuren, rood, blauw, paars, flitsen door het donker. Lichamen bewegen heen en weer op de beat van de muziek.

Soms lijken het mensen, de figuren die om haar heen staan te dansen, maar vaker lijken het dieren. Haar lichaam is bezweet, haren hangen in losse slierten langs haar gezicht. Het jurkje, vanmiddag zorgvuldig gestreken en nu alweer gekreukt, is omhoog gekropen en laat meer zien dan de bedoeling geweest kan zijn, maar ze laat het. Laat ze maar kijken.

Al voordat hij er was bestelde ze koffie voor hem, want ze wist dat hij net uit bed kwam, dat hij gisteren tot laat gewerkt had. Toen de drankjes gebracht werden schudde ze eerst zijn suikerzakje en daarna het hare leeg in zijn kopje en roerde. Tegen de tijd dat hij binnenkwam was de koffie op de perfecte temperatuur om te drinken.
‘Ik had echt liever bij jou afgesproken.’
‘Sorry,’ zei hij. Hij droeg het shirt dat hij op zijn vorige verjaardag van zijn zus had gekregen, zijn blonde haar zat naar achteren op de manier die zij hem had geleerd. ‘Dit leek me beter.’

Flikkerend felwit licht. Ze kijkt de menigte rond. Neergeslagen ogen, knikkergrote pupillen. Haar blik blijft plakken, haakt vast aan een driedagenbaardje, overhemd, donkere krullen. Ze lacht haar tanden bloot, kom maar, en hij gehoorzaamt. Van dichtbij is het driedagenbaardje rommelig, het overhemd nat van bier of zweet. Maar hij koopt tequila die ze samen achteroverslaan en als hij naar haar lacht, vonken zijn ogen vol interesse. Ze laat zijn plakkerige handen toe om haar middel, zijn lichaam steeds dichter tegen haar aan.

‘Het maakt me echt niks uit. Ja, natuurlijk maakt het me uit. Maar ik begrijp waarom je het gedaan hebt en juist daarom kan ik je vergeven. Snap je?’
Hij dronk zijn koffie en liet haar uitpraten, zijn ogen op de muur achter haar. Ze bekeek de spreuk op het labeltje aan haar theezakje zonder te lezen wat er stond. Er kwam geen antwoord, dus ze ging verder.
‘Weet je, het is echt niet alleen jouw schuld. Ja, oké, jij bent degene die een fout heeft gemaakt. Maar ik heb ook dingen fout gedaan anders was het nooit gebeurd. Ik denk wel dat we daaraan kunnen werken. Toch?’
Hij bleef zwijgen. Langs haar ruggengraat naar beneden werd het langzaam koud.

Handen in haar nek, op haar heupen. Twee tequila later zegt hij dat ze zo fucking sexy is. Ze lacht alleen maar, woelt door zijn krullen, haar blik van zijn ogen naar zijn lippen. Het is niet moeilijk om hem duidelijk te maken wat ze van hem wil. Hij trekt haar naar zich toe en even zijn er alleen de sterren achter haar gesloten oogleden, zijn warmte, de belofte van iets meer dan een nacht in een viezige studentenkamer. Hij zegt in haar oor dat dit een klotetent is, of ze meegaat, iets leukers doen.

Hij schudde zijn hoofd. ‘Hou alsjeblieft op.’
Haar thee was bitter geworden, ze had het zakje te lang laten trekken. Ze zag dat hij tranen in zijn ogen kreeg en vroeg zich af hoe lang het zou duren voordat de hare zouden komen. Of het wakker liggen zou stoppen als het haar nu zou lukken om te huilen.
‘Sorry. Ik wil er niet aan werken. Het is klaar. Sorry.’

Buiten is het zo koud dat ze haar eigen adem kan zien. Twee mensen, één fiets. Geklooi met sleutels en lampjes. Ze gaat op de bagagedrager zitten, haar handen in zijn zakken. De lucht boven hen wordt langzaam lichter. Over twee uur is er weer een nacht voorbij.

Standaard
Slapeloosheid

Hulp nodig

Een prater is Hendrik nooit geweest, dat weten ze allemaal op de afdeling. Maar het zwijgen waar hij zich de laatste dagen schuldig aan maakt, begint Marjon nu toch wel heel erg verdacht te vinden.

Ze rolt haar stoel naast zijn bureau en na een zenuwachtig kuchje opent ze het gesprek.
‘Hoi Hendrik, hoe gaat het met je?’
Hendrik antwoordt niet, houdt zijn ogen strak op het beeldscherm waar een spreadsheet met veel getallen al de hele ochtend de dienst uitmaakt. Een kleine tegenslag, maar Marjon laat zich niet uit het veld slaan. Ze is een doorzetter en er van overtuigd dat iedereen te redden is. Hoop is er altijd. Dat had ze geleerd van dominee Graafsma en hij kan het weten. Zijn kerk zit elke zondag vol met mensen die hij heeft gered uit de duivelse tentakels van instanties als de Postcode Loterij en wie weet wat nog meer.
‘Wat is er toch?’ vraagt ze. ‘Slaap je wel goed?’
Hendrik blijft stil, wat voor Marjon een teken is om haar stoel nog iets dichterbij te rollen. Ze ruikt hem nu goed. Goedkope deodorant vermengd met een doordringende geur dat weleens pindakaas kan zijn. In strijd met de kantooretiquette –boterhammen met pindakaas eten op de werkvloer is not done– maar dat zal ze later nog weleens bij hem aankaarten. Een probleem per keer, dat werkt het efficiëntst in de hulpverlening.
‘Hendrik, als er wat is, kun je altijd met me praten. Dat weet je toch?’
Voor maximale compassie legt ze haar hand op zijn arm. Een oud, maar doeltreffend hulpverlenerstruukje dat ze opgepikt heeft uit het boek Hulp Fiction: de zin en onzin van het hulpverlenen. En het lijkt te werken, Hendrik stopt met getallen invoeren. Hij draait zijn hoofd naar Marjon, kijkt haar even strak aan en zegt dan: ‘prima’. Hij wil weer naar zijn beeldscherm draaien, maar Marjon weet dat ze nu haar kans moet grijpen. Dit is de opening waar elke hulpverlener van droomt. Nu loslaten is dood- en doodzonde.
‘Maar echt!’, zegt ze hard, haar hand nog altijd op zijn arm. ‘Je kunt echt al-tijd bij mij komen! Met al-les.’
Hendrik knikt. Hij begrijpt het. Ze kijken elkaar even aan zonder iets te zeggen. Een goede hulpverlener moet ook goed kunnen zwijgen, weet Marjon van de dominee. Soms zei hij uren niks. En zij maar praten. Over haar problemen, de katten, die aflevering van Memories, loslatende plinten in de huiskamer en of ze Fifty Shades Of Grey nu wel of niet moet gaan lezen, want ze had er al zoveel over gehoord.
Ze schrikken op. Een kop koffie valt op de grond. Sander weer, die is altijd al onhandig geweest. Een tijdje geleden was hij het primaire hulpproject van Marjon geweest, maar hoe ze ‘t ook geprobeerd had, op de rails kreeg ze ‘m niet. Kleien, een zeiltje, het afbakenen van een safe space rondom zijn bureau: het hielp allemaal niet. Steek die geweldige postieve energie van je toch in andere mensen, had dominee Graafsma gezegd toen ze huilend bij ‘m was gekomen na weer een mislukte reddingspoging. Uiteindelijk had Marjon had het advies maar opgevolgd en haar slapeloze nachten over Sander behoorden meteen tot het verleden. Ze heeft zoveel te danken aan de dominee.
Maar nu zit ze met Hendrik in haar maag. Een dolend visje in een oceaan vol haaien. Een vork in een wereld vol met soep. De afgelopen nachten heeft ze nagedacht over haar reddingsplan. Het is lastig, want hoe red je iemand die niet weet dat-ie gered moet worden? Een subtiele aanpak is noodzakelijk, dat was meteen al duidelijk. Die fluwelen handschoen moet aan. Natuurlijk, ze had dominee Graafsma ook om tips kunnen vragen, maar dit keer wil Marjon het helemaal alleen doen. Wat zal hij trots op haar zijn als het lukt.
‘Luister, ’ zegt Hendrik luid, ‘er is niks met mij aan de hand. Ik heb het gewoon druk met die klote jaarrekening. En nee, ik slaap dus niet goed. Ik zit tegen een deadline aan en werk me al een paar dagen de pleuris om het op tijd af te krijgen. Dus stop alsjeblieft met dat Libelle-gezeik van je.’
‘Ik dacht dat we vrienden waren,’ zegt Marjon zachtjes.
‘Lieve help, nee zeg. We zijn collega’s. En als je het niet erg vindt, wil ik nu graag weer aan het werk. Dáág Marjon.’
Marjon knikt en rolt langzaam terug naar haar plek. Iets verder op vloekt Sander. Naast z’n bureau ligt een computerscherm.

Standaard
Slapeloosheid

Storm

Het begint meestal rond de klok van twee. Hij is zich er prima van bewust dat ik niet diep slaap, maar daar trekt hij zich niks van aan.

Minimaal één keer per week is het zo ver. Een echte egoïst, als je het mij vraagt. Het begint altijd met zacht gesnik, net hard genoeg om mij te wekken. Als ik op dat moment geen teken van leven geef begint hij naast het snikken ook nog eens met zijn schouders te schokken. Als trotse eigenaars van een state of the art waterbed voelt het schokken van zijn schouders alsof je je op een zeilboot in een heftige storm bevindt. Ik houd niet van zeilen en ben snel zeeziek. Toen we het bed kochten hebben we er hele duidelijke afspraken over gemaakt. Prima dat hij een waterbed wilde, maar dan mocht hij niet te veel bewegen. Het was een heel project, maar na verloop van tijd lukte het hem op zijn rug in slaap te vallen en het grootste gedeelte van de nacht zo te blijven liggen.
Het schokken van zijn schouders gaat door en het snikken wisselt hij nu af met piepende geluidjes.
‘Wat hebben we hier nou over afgesproken?’
‘Ja ik weet het.’
‘Ja je weet het. Wat heb ik daar aan? Niks!’
‘Ik kan er toch ook niks aan doen.’
‘Stoppen met janken en stilliggen, echt geen hogere wiskunde hoor.’
‘Doe nou niet altijd zo.’
Het matras maakt een beweging alsof de zeilboot wordt meegenomen op een vloedgolf. Hij knipt het licht aan. Daar gaan we.
‘Jezus man, je weet toch dat mijn wekker over vier uur gaat?’
‘Ik weet het.’
‘Nou dan.’
‘Kan je niet één keer gewoon naar me luisteren?’
Slechts gehuld in een strakke boxershort en met betraande wangen kijkt hij me smekend aan. Dit licht doet hem geen goed. Ik vraag me af wanneer hij voor het laatst naar de sportschool is geweest. Hij zegt altijd wel zo stoer dat hij drie keer per week gaat, maar wie weet wat hij allemaal uitspookt als ik op mijn werk zit. Als ik zorg voor brood op de plank!
‘Weet je wat het is, als jij eierstokken had, zouden ze nu rammelen.’
‘Maar ik heb ze niet, en jij wel! Waarom doen die van jou niks? Je bent 37, mens. Ze zouden oorverdovend hard moeten rammelen.’
‘Ze moeten helemaal niks. Ik bepaal zelf.’
Hij laat zich op zijn rug op het bed vallen. Zo hard dat ik een eindje omhoog kom. Die zeilboot zou nu al lang gekapseisd zijn.

Standaard
Slapeloosheid

Fans

Harry Spreets was een niet onverdienstelijke coverartiest. Menig zaaltje was al plat gegaan door Harry, zijn grapjes en de Hollandse liedjes die hij herschreef.

Dan kwam hij op en riep ‘wat is het vandaag?!’. En dan riep het publiek ‘groen!!’ terug, of rood, of paars, of geel, of waar ze dan ook maar zin in hadden. Dan zong Harry. Hij had voor iedere kleur een eigen versie van Marco Borsato’s Rood. Groen was zijn favoriet, had hij TV Oranje toevertrouwd, ondanks dat oranje daar natuurlijk de gewenste kleur was. Want ook dat was Harry, politiek incorrect wanneer het hem dat uitkwam. Daar hielden z’n fans van. Groen, daar was Harry heel eerlijk over. Vanwege de druiven, want hij hield van witte wijn. Voor Harry was dat volkomen logisch, en voor z’n fans ook.

Iedere coverartiest heeft een grootste fan. Zo ook Harry. Het ging om Irma. Irma kwam uit Beetsterzwaag en was 62 jaar oud. Ze had Harry voor het eerst op een podium zien staan in café Het Hoekje, in Heerenveen. Ze wist het nog goed, het was op 12 september 2012 geweest. Ze had een foto van haar, samen met Harry, om het te bewijzen. Sindsdien hield ze een website voor hem bij, met filmpjes en foto’s van z’n optredens, z’n biografie en een aantal leuke plaatjes die heel handig zijn als je iemand een fijne donderdag wil wensen. Of een dinsdag, als je daar van houdt.

Een andere klassieker van Harry was ‘Slapeloos’, een persiflage van ‘Ademnood’, van die meiden, Linda, Roos & Jessica. Een leuke grap, vond iedereen. Iedereen, behalve Irma. Dat had een best ingewikkelde reden, vond Harry. Irma zelf vond het eigenlijk heel logisch. Als je het Harry vroeg had Irma een trauma opgelopen na de dood van haar man, die, heel tragisch, werknemer was bij een firma die snurkdempers verkocht. Als je het Irma vroeg was zij al die jaren slapeloos geweest van de ademnood van haar man en het snurken dat dat tot gevolg had. Dat hij ook werkte bij een producent van snurkdempers maar ze zelf niet gebruikte was helemaal niet relevant. En Harry wist dit, ze had het per slot van rekening op z’n site gezet, onder het kopje ‘over mijn’. Dus dat nummer was eigenlijk een grote, flauwe grap van Harry.

Hoewel Harry haar meerdere malen had geprobeerd te overtuigen dat hij ‘Slapeloos’ al in 2002 had geschreven, tien jaar voordat hij Irma had ontmoet, was zijn grootste fan verbolgen. Hoe kon het dan dat ze dat nummer niet heeft gehoord bij één van de twaalf concerten waar ze in oktober 2012 bij was geweest? Er was geen andere verklaring dan dat Harry haar probeerde te pakken.

Het was dan ook volkomen logisch dat Irma hier zelf het spreekwoordelijke heft in handen nam. Het was verre van vreemd dat ze besloot hem een koekje van eigen deeg te geven en ook niet verbazingwekkend dat ze een plannetje had bedacht om hem een weekje van zijn slaap te beroven. Minder vanzelfsprekend was haar plan van aanpak. Haar cover van Manita’s ‘Red mij’ was al gruwelijk genoeg om iemand drie weken lang nachtmerries te bezorgen. Maar dat ze een automonteur verleidde, met seks, om haar liedje op vol vermogen in de Opel Astra van Harry te laten draaien als de motor zou startten, dat was satanisch te noemen.

Er werd gezegd dat er in een straal van vijf kilometer om Harry’s auto geen ruit meer heel was. Toen reddingswerkers na drie uur eindelijk bij de plaats des onheils waren aangekomen, bleek Harry’s gehoorsysteem compleet geruïneerd. Hij zou nooit meer zingen, maar Irma zou altijd z’n grootste fan blijven.

Standaard