Coole gastjes

Zwemdag

Het leek bijna alsof het regende. De kleine druppeltjes, ze blonken als kleine pareltjes in het zonlicht, lieten grote ringen achter in het felblauwe chloorwater.
Pravo voelde ze neerkomen op zijn door de zon gebruinde rug, hij vond het een heerlijk gevoel. Het moedigde hem evenveel aan als duizenden toejuichende mensen aan de kant. Zijn vingertoppen gleden het water in, iets minder soepel dan als hij had gehoopt. Met een luide klap raakte zijn handpalm het water, zijn voeten spartelden op een snel ritme achter de rest van zijn lichaam aan.
Kleine lichtgevende sterretjes zag hij voor zijn gesloten ogen, zijn borstkast krampte samen, zijn zuurstof raakte op. Nog 10 meter herhaalde hij tegen zichzelf, al zeker een paar minuten-durende seconde. Met veel moeite tilde hij zijn arm weer op uit het water, waarna hij het met een mooie boog stram op het water liet klappen. Pravo had zich voorgenomen om deze zomer de borstcrawl te leren, zonder les, helemaal zelf. Elke vrijdag was hij in het grote zwembad te vinden, het was zelfs de reden dat hij dit baantje had aangenomen.

Zijn vingertoppen raakten iets hards, was het de kant? Hij had geen tijd om er over na te denken. De klap was hoorbaar in het hele hotel, zo kon hij zich voorstellen. Van schrik kreeg hij een grote slok chloorwater binnen, zijn longen schreeuwden het uit. Toch wilde hij niet boven water komen. Hij liet zijn zoute tranen lopen, zodat ze gelijk konden oplossen in het zwembadwater. Hij vouwde zijn handen over zijn hoofd en voelde door zijn natte haar al een kleine bult. Het werd licht in zijn hoofd, snel zette hij zijn voeten op de betegelde bodem neer en duwde zich omhoog. Hoestend en proestend kwam hij boven, hij had het gevoel alsof hij het halve zwembad had ingeslikt. Met zijn hand reikte hij naar de kant.
Het geluid van kinder-gelach, geplons en geschreeuw vulde zijn oren, na wat teugen adem keek hij om zich heen. Oranje zwembandjes, kleurige badpakken en veel gespat, hij was even gerustgesteld: niemand had hem gezien, tot hij gelach hoorde vanaf de overkant van het zwembad.
Het was een groepje van 5 jongens, zijn leeftijd. Hij zag dat ze naar hem keken, lachend, terwijl ze rustig aan de rand van het zwembad hingen. Pravo zag ze wel vaker, ze werkten ’s avonds in de zwembadbar, terwijl hij de hele dag het door toeristen aangevreten voedsel van borden afschraapte in het buffetrestaurant. Heel af en toe mocht hij bedienen, kreeg hij zelfs een klein notitieboekje mee, maar dat was zo zelden dat hij er niet meer op durfde te hopen. De barmannen waren ook ooit begonnen zoals hij, maar Pravo had geen ambitie om het zover te schoppen. Hij schraapte zijn keel, hoestten nog wat water uit en haalde diep adem, als een gewonde dolfijn stortte hij te water. Zijn voeten begonnen weer te trappelen, zijn armen weer te plonsen. Hij trok zich niets aan van het gelach of de hoofdpijn. Het was maar één keer per week werknemer zwemdag.

Standaard
Coole gastjes

Regenwormen

Ze gooien hun fietsen in het gras, duwen het veehek open en rennen over de drassige velden van de uiterwaarden. Twee schoolvrienden op vrijdagmiddag op weg naar hun geheime plek om wormen te vangen, het laatste uur hebben ze overgeslagen.

Sinds Koen vorig jaar bij Lieuwe in de straat is komen wonen, zijn ze een duo. Er zitten ook maar twee huizen tussen die van hen. Lieuwe woont op Witmonnikswei 8, Koen is van nummer 14.

De slootjes die ze om de veertig meter over moeten, omzeilen ze behendig. Ze weten precies hoe hard ze moeten springen, wanneer ze moeten afzetten. Het gaat in vloeiende bewegingen, ritmisch, tot aan de laatste sloot. Daar staan ze stil. Het is elke week hetzelfde bij de grote sloot, geen van beiden wil als eerste springen. Hij is net te breed om er makkelijk overheen te springen. Ze doen papier, steen, schaar om te bepalen wie als eerste moet. Lieuwe verliest, maar hij maalt daar niet om. Sterker nog, hij is blij dat hij kan laten zien dat hij dit moeiteloos kan. Na een flinke aanloop bereikt hij met gemak de overkant.

Nu Koen nog. Hij trekt zijn laarzen steviger aan en haalt een paar keer diep adem. Steeds maakt hij aanstalten om te springen, maar op het eind houdt hij in. Lieuwe zit aan de overkant te zuchten, terwijl Koen zichzelf probeert aan te moedigen.

‘Je aanloop moet twee keer zo groot zijn als de breedte van de sloot. Zoals je broer je heeft verteld,’ zegt hij voor zich uit.

Koen schat de afstand in en zet gedecideerd een paar passen achteruit.

‘Het lijkt wel alsof hij elke week breder wordt,’ zegt hij.

‘Net als ik,’ zegt Lieuwe terwijl hij een pose aanneemt die typerend is voor bodybuilders.

Koen bijt op zijn nagels, hij voelt zich nog ieliger dan onder de douche na de gymnastiekles. Hij merkt dat Lieuwe ongeduldig wordt, die roept dat hij op moet schieten. Hij doet nog een stap achteruit, voor de zekerheid, en zet het op een lopen. De modder glibbert onder zijn laarzen door en hij glijdt bijna uit, maar met zijn hakken nog net op het droge haalt hij de overkant. Juichend rent hij zijn vriend voorbij en gaat alsnog onderuit. Lachend duwt Lieuwe hem opnieuw naar de grond als hij overeind krabbelt. Ze doen altijd wie het eerst bij de plek was.

Aan deze kant van de grote sloot bestaat er geen haast. Ze leunen tegen de boom die ze als hun eigendom beschouwen en die dienst doet als hun clubhuis.
Ze proberen te fluiten op de eikeldopjes die over de grond verspreid liggen. De zon verdwijnt langzaam achter een wolk, maar het hindert Lieuwe niet. Hij is met zijn hoofd ergens anders.

‘Heb je ze gezien, bij gym?’ vraagt hij.

Koen schudt van niet en gooit een dopje richting een kuiltje in de grond, als was hij aan het knikkeren. Het dopje eindigt een paar meter naast de pot.
Natuurlijk heeft hij ze wel gezien, niet te missen in dat witte T-shirt tijdens basketbal. Hij kijkt weg, omhoog en ziet dat de donkere wolken zich boven hen samenpakken. Hij voelt de eerste spatjes al op zijn handen.

‘Kom, laten we gaan.’
‘Nee, mafkees. Nu komen de wormen juist naar boven!’

Lieuwe knielt neer in de modder, om de wormen die de ondergelopen tunnels ontvluchten te kunnen grijpen. Hij woelt als een volleerd goudzoeker met zijn handen door de aarde. Koen staat ernaast met zijn handen in zijn mouwen en zegt dat hij nu echt naar huis wil. Dan heeft Lieuwe beet. Hij klieft de worm die hij zojuist uit de modder heeft gevist met zijn tanden doormidden.

‘Gaat-ie nu dood?’
‘Ben je mal. Dat beest leeft gewoon door.’

Lieuwe gooit de twee wormdelen naar Koen, die wordt geholpen door een flits en het harde gebulder van de donder.

De jongens proberen nog te schuilen bij de boom, maar ze zijn al volledig doorweekt. Ze zetten het op een rennen en komen aan bij de grote sloot. Zonder om te kijken springt Lieuwe eroverheen en wacht niet op Koen, die is blijven staan.

Hij neemt een aanloop, trekt zijn volgelopen laarzen nog eens stevig aan. Steeds als hij bij de rand is om te springen, houdt hij in.

De sloot is weer breder geworden, denkt hij.

Dit herhaalt zich tot hij beseft dat er geen andere manier is. Hij moet springen. Hij gaat springen. Hij springt en hij haalt de overkant niet.
Bedekt met slierten kroos en modder kruipt hij aan wal. Huilend rent hij door de graslanden, over de eenvoudig te nemen slootjes naar het hek. Daar ligt alleen nog zijn fiets. Zachtjes vervloekt hij zijn beste vriend.

Als hij door zijn moeder onder de douche is gezet en hij zijn pyjama heeft aangetrokken, pakt hij een wormenboekje uit de kast. Hoewel er wormsoorten zijn die gewoon verder leven als ze in tweeën worden gehakt, de regenworm gaat dood, basta.

Standaard
Coole gastjes

Zomaar een lunchpauze

Willem heeft kaas op zijn brood. Dertig plus kaas, want Emmy vindt het belangrijk dat hij niet dikker wordt dan hij al is. Het zal hem worst wezen. Ze weet niet dat Trudy van de kantine bijna elke lunchpauze twee kroketten voor hem in het vet gooit en dat hoeft ze ook niet te weten. Hij verdient het, verdomme. De hele dag rent hij rond tussen koelcellen in zijn dikke zweetkleding, dan heeft hij niet genoeg aan twee bammetjes met kaas en een appel. ‘Willem! Je kroketten zijn klaar!’, roept Trudy.

Willem hijgt en het speeksel loopt zijn mond in. Zijn maag rommelt.
Hij slaat Sander op zijn schouder en knikt naar de balie. ‘Waar wacht je op?’
Sander staat op, zet de broodjes kroket voor Willems neus en gaat weer zitten.
‘Mayonaise, pik.’
Sander staat op, haalt vier zakjes mayonaise voor Willem en gaat weer zitten.
Hij neemt een hap van zijn eigen broodje.
Sanders vrouw heeft vanmorgen boterhamworst tussen zijn witte bolletjes gedaan. En boter. Ze weet dat hij boter niet lekker vindt, maar ze smeert stug door en er tegenin gaan durft hij niet. Hij weet hoe hysterisch ze wordt als ze kritiek krijgt. De laatste maanden is het erger geworden, dus hij houdt zich gedeisd.
Stiekem kijkt hij naar De Vries, die aan de andere kant van de kantine zit. Hij neemt een hap van zijn broodje en vraagt zich af of mevrouw De Vries zijn kleren strijkt.

Dat beeld moet hij niet in zijn gedachten toelaten, dat is slecht voor zijn libido.

‘Hoe is het met Natascha?’ Sander verslikt zich in een stukje boterhamworst als Willem de vraag stelt. ‘Nog steeds alles kits tussen de lakens?’ Er zit een kloddertje mayonaise op Willems kin en een belletje speeksel in zijn mondhoek.
‘Prima’, liegt Sander. ‘Volgende week gaat ze naar Atlanta voor haar werk. Ik verheug me nu al op haar thuiskomst.’ Hij knipoogt en hoopt dat Willem niet doorvraagt. De laatste keer dat hij seks had met Natascha was toen FC Twente landskampioen werd. Zij lijkt het geen probleem te vinden. Hij helpt zichzelf zo’n drie keer per week. Toevalligerwijs altijd op de dagen dat de vrouw van De Vries de receptie beheert en hem vriendelijk een fijne werkdag wenst.
Meestal houdt hij het dan zo’n twee uur vol in de vriescel, voor hij naar de wc gaat om zijn ding te doen.

De Vries kijkt de kantine rond. Zijn ondergeschikten eten hun buik rond (alsof er bij die dikke van Verbeek nog iets bij kan, denkt hij, als Trudy roept dat Willems kroketten klaar zijn) en laden zich op voor weer een middag in de kou. Zelf eet hij niet. Hij maakt een lijstje met dingen die hij moet doen voor hij volgende week naar Atlanta vertrekt. Voor Willem moet hij nieuwe kleding bestellen. Weer een maat groter. Met Sander moet hij een functioneringsgesprek inplannen. En hij zal hem de hemel in prijzen. Niet dat hij zijn werk nou zo goed doet, maar met wat salarisverhoging koopt hij zijn schuldgevoel af.
Zodat hij daarna de hele week met Natascha in een hotel kan doorbrengen.

Standaard
Coole gastjes

De grootste grap aller tijden

We zitten in die pizzeria aan de Kinkerstraat waar de bediening zo lachwekkend slecht is dat we er eigenlijk nooit meer terug zouden moeten komen, maar toch kun je ons er er minimaal een keer per week vinden omdat mijn ziekelijke hang naar ongemakkelijkheid werkt als een boomerang. Ook terugkerend is de opmerking van mijn goede vriend Wessel: ‘Gast, dit is echt de laatste keer.’
Ik neem een slok van mijn nu al doodgeslagen biertje en weet zeker dat mijn gezicht op standje glunderen staat.
‘Echt ruk,’ gaat Wessel verder, ‘alles, maar dan ook echt álles, is hier middelmatig. De bediening, het eten en zelfs de muziek. Ik weet niet of jij het weet, maar ze draaien hier dus echt maar één CD. Ik kan ‘m dromen.’
‘Weet je Wes, zeg ik, ‘de Italiaanse periode van Marco Borsato, dus het werk vóór zijn nationale doorbraak met Dromen Zijn Bedrog, dat overigens van origine een Italiaanse smartlap is, vind ik juist bijzonder fascinerend en ik hoor er elke keer weer iets nieuws in. Denk ook dat het niet zo zeer de pizza’s zijn die mij hier keer op keer doen terugkeren, maar dat het de eindeloze gelaagdheid in de muziek van Marco Borsato is.’
‘Man, lul toch niet zo.’ Wessel smeert een taai stokbroodje met smakeloze kruidenboter en houdt het me voor.
‘Grazie,’ zeg ik, want pizza’s komen van origine uit Italië.
‘Zal wel, Markie, maar volgende week gaan we mooi naar die nieuwe tent.’
‘Waar?’
‘Heel erg waar.’
‘Nee eikel, waar is die nieuwe tent? Ook in West?’
‘Yup, paar honderd meter hier vandaan. Waar eerst die Mexicaan zat, El Chapo of zoiets.’
‘Lijkt me sterk dat een Mexicaans restaurant zich vernoemd naar een beruchte drugsbaron.’
‘Die man was daar een held, Markie. Twee keer ontsnapt uit een zwaar beveiligde gevangenis. Dan kun je wel wat, dunk ik en ik hou niet eens van basketbal.’
‘Volgens mij was het gewoon een Taco Mundo.’
‘Hoe dan ook, gast, wij gaan volgende week naar Lecker en waag het eens om een CD van Borsato mee te nemen.’
‘Heet het Lekker?’
‘Yup, met ‘ck’.
‘Oud-Hollandsche spelling, lekker hip. Dat wordt dus eten van een net zo’n oud-Hollandsche houten plank in plaats van een normaal bord, let maar op.’
‘Prima, houten planken zijn oké in mijn boek,’ antwoordt Wessel (Engelse uitdrukkingen letterlijk vertalen is zijn ding) en hij trekt met zijn tanden een stokbroodje uit elkaar zoals een leeuw een jong hertje zou verorberen (maar dan zonder Marco Borsato op de achtergrond, al weet je dat nooit zeker).

‘We moeten het toch even hebben over die documentaire,’ zegt Wessel. Het lukt hem maar niet om een punt af te snijden van z’n pizza Pronto. De messen van deze pizzeria zijn zo legendarisch stomp, dat ze een running gag in onze voorstelling waren geworden, als excuus voor talloze botte grappen.
Ik knik, want over die documentaire moeten we het zeker hebben. De hele week speelt de aanvraag al door mijn hoofd. Wat als we het doen, wat zal dat betekenen, voor ons als duo en de nieuwe show die we nog helemaal moeten schrijven? En wat betekent het voor ons persoonlijk? Kunnen we daarna nog normaal over straat en dit soort avondjes doen?
‘Twijfel heel erg,’ zegt Wessel, nog altijd zonder pizzapunt. ‘Is het niet veel te vroeg? We hebben één best succesvolle theatershow gehad, maar daar zijn nog altijd meer mensen niet heengegaan dan wel. Ik bedoel, wie zijn wij nou eigenlijk?’
‘Gaastra & Van Kleef! Uw enig komisch duo, sedert 2014!’ roep ik op de automatische piloot want ook dat is een running gag; als een van ons gekscherend nederig doet, antwoordt de ander in volle overtuiging en in een zo’n raar mogelijk stem met onze namen, professie en oprichtingsjaar. Geen idee waar dat vandaan is gekomen, maar je komt er dus niet van af.
‘Nou ja, dat dus,’ zegt Wessel.
‘Waar ben je bang voor?’ vraag ik zodat het lijkt alsof het verzoek mij niet van mijn stuk heeft gebracht en ik helemaal geen denkbeeldige voor-en-tegen lijstjes heb lopen maken onder de douche, tijdens het hardlopen en in Tuincentrum Osdorp bij het zoeken naar de juiste tuinmeubelen want de lente komt er weer aan en als je een tuin in Amsterdam hebt moet je daar bij elke mogelijkheid op zon optimaal gebruik van durven maken.
‘Gewoon, dat het ruk wordt,’ antwoordt Wessel.
‘Aha.’
‘Ja, dat blijkt dat we eigenlijk helemaal niks voorstellen.’
‘Interessant. Dus dat men denkt: “Waarom zijn die coole gastjes in hemelsnaam zo’n even beroemd als hilarisch duo geworden?”‘
‘Ja. Is dat zo’n rare gedachte?’
‘Dan zou dit alles onze grootste grap aller tijden zijn.’
Wessel lacht, hard.
‘Zo had ik het nog niet bekeken, Markie.’
‘Doen?’
‘Laten we hem in ieder geval terugbellen.’

Na de pizza en een koffie Altijd Verkeerd (haha) van de zaak, vallen we een paar deuren verder binnen in Cafe Constant. Ook dat is precies volgens het format van de donderdagavond. We groeten het barmeisje (Wessel met een enthousiaste ‘haai’, ik met een relaxte ‘hé’) en nemen plaats aan de lange houten tafel in het midden van het café. De beste plek, want: stopcontact voor mijn laptop. Ik sluit de handel aan en Wessel bestelt twee pilsjes, natuurlijk van de tap want met die speciaalbiertjes hier doe je zelfs Mozes, toch iemand die volgens de Bijbel ruim veertig jaar door een dorre woestijn heeft gebackpacked, geen plezier. Uit de stereoinstallatie klinkt een liedje van Sufjan Stevens en misschien moet ik mijn goedkeuring straks bij het ophalen van twee nieuwe biertjes even delen met het barmeisje en wie weet waar dat naartoe leidt want soms kan het leven best net zo zijn als een roman.
‘Oké Wessel, aan den arbeid,’ zeg ik na het proosten op een mooie avond. ‘Wat vind jij voor onze nieuwe show het belangrijkste? U roept, ik noteer.’
‘Dat er gelachen wordt.’
Ik neem een slok van mijn bier en zeg: ‘Kom op Wes, laten we niet meteen de lat zo hoog leggen.’

Standaard
Coole gastjes

De Champions League-finale van 1995

Ik was zes en iedereen op school had het al twee weken over de wedstrijd. De stoere jongens hadden de halve finale ook al gezien en de finale gingen ze dus zeker ook bekijken. En daar stond ik dan, met mijn vaste en volgens mijn moeder zeer schappelijke bedtijd van acht uur.

Tijdens het avondeten, de zaterdag voor de wedstrijd besloot ik mijn zaak uit de doeken te doen. Alle jongens mochten gaan kijken, en daarnaast was dit een ongelooflijk belangrijk moment voor het Nederlandse voetbal. Zoiets zal ik gezegd hebben. Mijn vader, een echte voetbalfan die ik hoorde schreeuwen en joelen tijdens de halve finale, luisterde glimlachend. Toen vertelde papa dat hij moest werken, de avond van de finale. En mama zei dat de het wel erg laat vond worden. Ik betoogde verder, dat ik de wedstrijd prima met mama kon bekijken en dat ik echt niet op school kon komen zonder de wedstrijd gezien te hebben. Ze zouden me zien aankomen!

En het mocht. Ik ging AC Milan – Ajax kijken!

Dinsdag ging ik extra vroeg naar bed, zodat ik genoeg energie zou hebben. De volgende dag ging het op school nergens anders over. Tijdens het voetballen op het plein waren we allemaal de spelers van Ajax, en we juichten alsof we de finale ter plekke wonnen.

Mama had de wedstrijd goed voorbereid. Ik mocht op de bank, recht voor de televisie. Zij zat op de stoel ernaast. Er was chips en cola. Papa belde nog even van tevoren en wenste ons een fijne wedstrijd. “Veel plezier, knul.”

Het was half negen en de wedstrijd begon, en ik zat op het puntje van de bank. Mama, die helemaal niet van voetbal houdt, keek mee voor de vorm. Na een kwartiertje ging ze naar de keuken en kwam terug met een verse milkshake van aardbeien, banaan en ijs. Er was ondertussen niks gebeurd op het veld, dus ik nam de heerlijkheid met grote dankbaarheid aan. Ik begreep heel goed dat ze die speciaal voor deze gelegenheid gemaakt had. Sterker nog: het was de eerste en enige keer in mijn leven dat mijn moeder een milkshake maakte.

Wellicht hierom: mijn zesjarige lichaampje vond de milkshake vooral erg koud. M’n hoofd was zo koud dat het zeer deed en m’n slokdarm voelde aan als een ijslolly. Ik wou het niet, maar uiteindelijk gaf ik het op: half opgedronken ging de milkshake terug naar mijn moeder. Ze glimlachte, en zag dat ik al moeite had m’n ogen op te houden.

45 minuten lang gebeurde er weinig op het veld. Ik miste het enthousiasme van mijn vader. Hij schreeuwde altijd van alles, en dat werkte aanstekelijk. Zelf, moest ik bekennen, vond ik het voetbal eigenlijk weinig aan.

Het was rust.

Mijn moeder stelde voor om maar gewoon naar bed te gaan en ik vond het goed. Later die avond maakte Patrick Kluivert in de 85e minuut de goal die Ajax de laatste Nederlandse Champions League-winnaar maakte.

Op het schoolplein was daarna iedereen Patrick Kluivert. Behalve ik.

Standaard
Coole gastjes

Een goede vader

Dag 365. Willemijn legt een stapeltje voorleesboeken in haar tas terwijl Alexander haar bewegingen vanaf de keukentafel in de gaten houdt. Ze draagt de kinderen op om papa alvast welterusten te wensen en als ze vragen waarom hij niet meegaat, zegt Alexander dat hij moet werken. Van Willemijn krijgt hij een geroutineerde kus en de mededeling dat ze morgenochtend weer terug is. Dat van zijn avond en zijn vriendjes dan geen spoor meer in huis mag zijn. Ze kijkt hem nog even doordringend aan. Geen spoor.

Alexander heeft een krat bier in huis gehaald, maar de jongens nemen de rest mee. Hij mag het niet meer thuis bewaren van Willemijn. De kinderen, weet je wel, wat als Splinter en Sterre het vinden? Gelukkig heeft Erik een sigarettenblikje in zijn binnenzak met daarin alles wat Alexander kan wensen. Erik legt lijnen voor hem klaar en Brent slaat hem op zijn schouders als hij met tranende ogen zijn neus afveegt. Hij is het aan het verleren. Dan gaat het snel. Er is een feest, een dampende dansvloer en lichten die te vroeg aangaan. Maar, zoals Brent roept, er is altijd nóg een feestje. En dat is zo. Ze rijden slingerend naar West, Alexander op die kutbakfiets want tegenwoordig heeft hij zo vaak de kinderen bij zich dat hij zijn stadsfiets maar heeft weggedaan. Spijtig.

Het tweede feestje is beter. Minder coole gastjes met petjes, meer jonge grietjes met leggings, strakke middeltjes en hoge tietjes. Even schiet Sterre door zijn hoofd, hoe ze later hier ook zal staan- Nee, dit is godverdomme zíjn avond. En de grietjes zijn geïnteresseerd. Misschien zijn het zijn grijzende haren, of zijn vaderlijke uitstraling. Of hij heeft het gewoon nog, nooit verloren, alleen weggestopt wachtend op het juiste moment.

De avond dreunt voort, te hard, te snel. Er komen nieuwe grietjes waarvan hij de namen niet onthoudt, de bodem van Eriks sigarettenblikje raakt in zicht. En dan een smsje, dat binnenkomt op het moment dat hij zijn telefoon pakt. Alsof hij er op wachtte. Willemijn. Nog een uurtje, let je op? Ja, hij let op. Jezus.

Dan is de lol eraf. Er waren tijden dat hij dit elk weekend deed. De groep waar nu alleen Erik en Brent van over zijn, was groter en Willemijn zocht het maar uit. Maar nu staat hij direct na de sms naast zijn bakfiets, een half uur vroeger dan vorig jaar en anderhalf uur vroeger dan het jaar daarvoor. Brent en Erik zijn nog binnen, staan vast nog te dansen als het nog lege huis binnenstommelt en de dekens over zijn bonkende hoofd trekt.

Buiten is het al lichtgrijs in plaats van zwart. Toen er kinderen kwamen, draaide Willemijn de duimschroeven aan. Alexander moest 365 dagen per jaar een goede vader zijn, verdomme. Hij kronkelde als een kat in het nauw, probeerde te onderhandelen en Willemijn week. Ietsje. 364 dagen waren van het gezin. Die laatste was van hem.

De sleutel in het slot klinkt als een kanonskogel. Het geluid van voetstappen in de gang, Splinter die de ochtendcartoons aanzet en Sterre die er overheen schreeuwt.

Alexander legt zijn handen over zijn ogen.

Dag 1.

Standaard