Buurtcoach

Oppervlaktewater

Een flikkerende gloed geprojecteerd op een vertekend gezicht. Dichtgedrukte ogen. Spastisch glijdende eiwitwitte bollen onder dunne vliesjes, een trilling op het vel als een onderzeese beving op het anders vlakke water.
Een doffe, harde bons trilde in zijn gehoor. Friemelend aan zijn gehoorapparaat rees hij. Rees Herman.
Met zijn ene arm nog niet in zijn lange beige jas uit ’88, liep hij over de mat waar de wijkkrant sinds vanochtend half 7 lag. Op de grote foto een man achter een microfoon, de linker wenkbrauw groter dan de rechter. Hij sloeg het over, loenste naar het weerbericht. Een zonnetje, twee sterretjes, één druppel.
Ik bibber, merkte Herman, vlug, jas dicht en hij trok aan de deurknop. Het grijzige rechthoek klapte met een versneld, gejaagd gekraak op slot. Alsof de hele symfonie in seconden gespeeld werd.
Langs het grijs gebladderde hekje dat hij om zijn tuin getimmerd had, liep hij door de schaduwvlekken van bomen en auto’s de hoek om. Een windvlaag schoot door zijn nek, gevolgd door een bons.
‘Shit!’, gevolgd door het geluid van snelle voetstappen.
Herman had zijn ogen weer gesloten. Het geluid stierf weg, hij had gehoord waarheen.
‘HOOGE SPANNING – LEVENSGEVAARLIJK’ prevelde het gele bordje op het elektriciteitshuisje. De tweeling vorige zomer had het gebod niet begrepen. Onder hoge verwachting hadden ze naar het koperen goud gegrepen, hoogspanning beet gegrepen. Koperdiefstal werd duur betaald; dat bordje had trouwens in twintig jaar niet eerder schever gehangen dan vandaag.
Op het buurtgelegen veldje was in het felle gele licht dat neersloeg vanuit de grote lampen die kortgeleden geplaatst waren, geen leven te zien. Verderop schoot een stalen frame uit het duister, om er even verderop door verzwolgen te worden. Halverwege langs het geruite hek een rode Nissan met veelvoudig ingedeukte neus en beslagen ruiten. Drugs, gefriemel of beiden.
Zijn schoenzolen raakten de schaduw. De lamp in deze hoek had ’t al begeven. Hij kon enkel gissen naar een oorzaak.
Lichtgrijze, doorzichtige pluimpjes dreven omhoog vanuit het roetzwarte duister. Gefluister – over ‘De Wenkbrauw’.
‘Nog een goal gemaakt?’ vroeg hij.
Stilte.
‘Ja-‘ piepte een stemmetje.
Laag gebrom: ‘We doen toch niets?’
‘De films zijn anders wel net afgelopen,’ zei hij. ‘Jullie hebben een hele goeie gemist. Rocky II.’
‘Ouwe, pak dan die twee in die neukbak daar!’ schoot het uit de schichtige adamsappel van een ander.
Herman zweeg, sloot zijn ogen. “Ze hebben een ruit ingetrapt, het winkelterrein behandelen ze als vuilnisbak en ze hangen altijd laat rond!”, had de bakker tegen de journalist gezegd. Het zou nooit wat worden, met die rotjong. Hij had het niet gelezen, maar horen zeggen.
Herman ontspande. De oogluifels gleden als vanzelf omhoog. Voor zich zag hij ze staan, vijf in getal, de jongste 12, de oudste 17. Kort geknipte stekeltjes, een lange vlecht, de anderen mutsjes op. De vingers om iets geklemd, blikjes suikerdrank, half opgegeten chocoladerepen, een glimmende telefoon, een voetbal, een… knijptang?
‘Maar volgende week draaien ze ‘m weer, op SBS,’ zijn blik gleed over de jonge koppies. Sproeten, geen kuiltjes of streepjes te zien. ‘Geloof me, het is een klassieker. Krijgen jullie dat niet op school, bij muziek of film soms?’
‘Nee,’ zei de jongste.
‘Wilden jullie nog lang blijven?’ vroeg hij aan de middelste, een blik van verstandhouding afgesloten met een knipoog.
Die schudde van nee.
‘Is goed, welterusten hè.’ Zijn ogen twinkelden.
Zijn tweede kin tegen de borst gedrukt, raapte Herman de krant op. “De wenkbrauw”, gniffelde hij. In de verlichte woonkamer stak hij het papier voor zich op. ‘Minister wil buurtcoach initiatief-Zonneveld landelijk uitrollen: “Nu is het genoeg!”
LEES VERDER P 10-11: HONDEN OF KWAJONGENS IN UW TUIN?’
Hónden zijn het, fluisterde hij en sloot zijn ogen, het vel vlak als oppervlaktewater.

Door gastschrijver Ron Vaessen

Standaard
Buurtcoach

Soms alles voor altijd

We zitten op een muurtje achter de kerk waar ik drieëndertig jaar geleden ben gedoopt. Evelien friemelt aan de rand van haar zwarte jurkje. Het moet de dood zijn die haar zenuwachtig maakt.
‘Het was een mooie dienst,’ zeg ik.
‘Ja, fijn dat wij ook afscheid mochten nemen.’

Op een zondagochtend, ik zal een jaar of elf geweest zijn, vertelde mijn vader dat vroeger de overledenen werden begraven in en rondom de kerk. Jarenlang, totdat er geen plek meer was en er moest worden uitgeweken naar een veld in de buurt.
Ik weet niet of Evelien ook weet waar we nu precies zitten. En of ze bij elke stap op een begraafplaats ook de namen, geboortedata en sterfdata leest en dan probeert voor te stellen wie die levens hebben geleefd en door wie ze gemist werden toen het allemaal ineens over was.

‘Hoe lang kenden we ‘m eigenlijk al?’ vraagt ze en mijn gedachten gaan terug naar het jaar met onze grootste stap tot nu toe: een eigen huis. De zomer van 2010, we kregen de sleutels op de dag van de halve finale van het Wereldkampioenschap voetbal. Zonder parket, meubels en gordijnen, maar met een fles huiswijn en toastjes (gehaald bij de supermarkt die vrij snel onze supermarkt zou worden) hoorden we op de van Eveliens opa geleende wereldontvanger Nederland de finale halen ten koste van Uruguay en was ik er die avond meer dan heilig van overtuigd dat alles in dit leven mogelijk is als je er maar in blijft geloven.
‘Vijfenhalf jaar,’ zeg ik. ‘We hadden nog niet eens een plek voor de eettafel uitgezocht of hij stond al voor de deur.’
‘O ja! Met een cervelaatworst, als welkomstgeschenk! Ik dacht nog: wat is dit voor raar figuur.’

Maar Fokko was gewoon Fokko. Elke avond deed hij trouw z’n ronde en als we ‘m zagen, staken we ons hand op. Soms zaten we op de bank te kijken naar De Wereld Draait Door, soms aten we nog, soms beide tegelijk, soms was ik nog niet thuis, soms was Evelien op stap en soms waren er andere dingen die even ontzettend belangrijk leken te zijn.
Maar Fokko was er altijd.
Zo altijd, dat hij er net zo goed niet had kunnen zijn. Nu, hier zittend op een muurtje achter de kerk, schrik ik er van, want het is waar: de afgelopen dagen heb ik het zwaai-ritueel met Fokko niet gemist. Vergeten wij zo snel de mensen die in de buurt van ons hart hebben rondgehangen maar nooit binnen kwamen?

‘Soms wou ik dat alles voor altijd hetzelfde zou kunnen blijven,’ zegt Evelien en ik zou kunnen antwoorden dat het leven dan wel heel saai zou zijn – zonder dalen geen pieken, geen overwinning zonder wedstrijd, en meer van dat – maar daar zitten we beide nu niet op te wachten dus ik zucht en zeg: ‘Ik ook.’

Standaard
Buurtcoach

Joep kan het weten

Wat knap, dat jij al zo goed kunt schrijven’, zeg ik tegen Joep. Ik wijs naar het bord dat hij fanatiek omhoog houdt.

AZC NEE!, staat er op.
Joep is vier. Dat staat ook op het bord. ‘Ik ben vier, loop ik gevaar in de speeltuin?’ Hij kijkt me aan en dan weer naar het vuurwerk. Rode lichtjes weerkaatsen in zijn donkerbruine ogen en hij glundert.

Als alle demonstranten weg zijn en de rommel is opgeruimd, doe ik mijn ronde door de buurt. Het grootste deel dat ik in de gaten moet houden bestaat uit kerkhof. ‘Uit die hoek krijg ik nooit klachten’, grinnik ik keer op keer op feestjes. Over klachten die ik wel krijg, vertel ik niets. Maar altijd denk ik aan Joep. Joep uit het gezin waarover ik klachten krijg.

Het kerkhof ligt er stil en verlaten bij. De doden rusten, maken niets mee van de protesten in de wereld. Maakten vanavond niets mee van het protest voor het gemeentehuis. Ik ga op een bankje zitten en kijk uit over de graven. Het heeft iets rustgevends. Hier is alles vredig. Ik zie de stok van een vuurpijl liggen en ik denk dat het een overblijfsel is van oud en nieuw, vier dagen geleden. Ik raap hem op en prop hem in de vuilnisbak. Verderop hoor ik een groepje oproerkraaiers en ik sta op, maar besluit een rondje te maken langs de graven.

Er is genoeg politie op de been, ik ben even overbodig.

Hoe anders wordt dat als verderop honderden vluchtelingen worden gestald. Ik vraag me af of de agressie die ik vanavond zag, erger wordt als ze er eenmaal zijn.
Het asielzoekerscentrum komt in ‘mijn’ buurt. Ga ik dan elke avond hier op een bankje zitten om bij te komen van de dag?
Ik kijk naar de namen op de zerken. A.R. Roelofs, geboren op 19-12-1946, gestorven op 05-04-2001. ‘Nooit meer uit ons hart’, staat er onder. Naast hem ligt de heer H.M. Papaloukas, geboren in Griekenland op 16-07-1949, gestorven in Nederland op 15-06-2003.

Autochtoon en allochtoon, vredig naast elkaar. Hier wel.

Ik veeg wat steentjes van het graf van Roelofs en schik de bloemen op het graf van Papaloukas en denk aan Joep. Joep uit het gezin waarover ik klachten krijg en ik baal van mezelf, omdat ik zijn ouders stiekem al had verwacht bij het protest.

Ik vind het naar dat ik blijkbaar hetzelfde doe als zij: generaliseren.

Langzaam wandel ik naar huis, geef mijn slapende vrouw een kus en schenk mezelf dan een grote bel wijn in. Uren later kruip ik in bed. Mijn vrouw snurkt haar lieve snurkje en ik probeer mijn ogen dicht te houden. Maar ik zie Joep. Joep die een avondje uit was met zijn ouders en genoot van het vuurwerk. Zijn armen werden moe, maar hij stak ze weer hoog de lucht in toen zijn moeder hem op zijn schouder tikte. Zijn bord zo hoog mogelijk. AZC NEE! Joep kan het weten. Joep is immers vier.

Standaard
Buurtcoach

Scherpte

Marco was zenuwachtig wakker geworden. Niet gek, vond hij, want vandaag was zijn eerste dag. Een uur voordat de wekker zou gaan stond hij al naast zijn bed. De poes wurmde haar lijf langs zijn benen, wat volgens hem twee dingen kon betekenen: een teken van affectie, of ze had behoefte aan eten.

In de badkamer keek hij via de spiegel naar zichzelf. Marco zag de oneffenheden op zijn lichaam, waarvan hij precies wist hoe ze er kwamen. Het litteken onder zijn linkeroog: hij was negen, een buurjongetje had op hem gevuurd met een Romeinse kaars. Geen baardgroei op een stukje van zijn kin: valpartij op straat, twaalf jaar. Voor de plekken op zijn schouders moest je bij zijn vader zijn.

Onder de douche vroeg Marco zich af wat de meeste mensen doen: eerst tanden poetsen, of eerst ontbijten. Zelf vond hij het prettig om eerst van de vieze smaak van de nacht af te komen. De eerste slok koffie was dan niet zo lekker, maar daarna ging het wel. En sinaasappelsap moest je mijden, wist hij.

Aan de ontbijttafel beet hij op zijn nagels. Hij had voor twee personen gedekt; Marieke zou zo ook wel willen ontbijten. Hij smeerde voor zichzelf een witte boterham met boter en pindakaas, maar liet die onberoerd. Het lukte hem niet om te eten, dus nam hij nog een kop koffie. Hij moest scherp zijn vandaag, hij mocht niks missen.

Hij keek naar haar, toen ze de keuken in kwam. Ze had een T-shirt van een rockband en een zwarte onderbroek aan. Zo een die haar niet onaantrekkelijk maakte, maar ook niet bepaald grote gevoelens van opwinding bij hem opriep. Ze droeg geen bh, dat wist hij, maar het viel hem eveneens op. Haar feitelijk niet tot rondingen te rekenen borsten leken als onevenredig groeiende bloemkolen door de stof van haar shirt te willen breken.
Ze strekte zich uit om een kom voor haar muesli te pakken. Hij hield zijn hoofd een beetje schuin, keek naar de contouren van haar vagina en dacht: daar moet een piemel in. Hij belegde twee boterhammen met pinda- en twee met smeerkaas, omwikkelde ze met aluminiumfolie en stopte het pakket in zijn jaszak.

Terwijl hij zijn fiets uit het schuurtje haalde, dacht Marco aan zijn vader. Dat hij ook altijd boterhammen mee naar zijn werk had genomen. Dat hij niet eens wist wat hij voor de kost had gedaan, alleen dat het niet veel had opgeleverd. Onderweg, fietsend, herinnerde Marco zich flarden van ruzies. Zijn moeder, schreeuwend dat iedereen een doel in het leven had. Dan het geluid, dan het gegil.
Marco trapte door. Hij vroeg zich af of hij trots op hem kon zijn, ergens. En andersom.

Bij de ingang van het buurthuis stond een aantal mannen. Zij droegen hetzelfde jack als Marco, dus dat moesten zijn nieuwe collega’s zijn. Marco gaf ze ieder een hand, zoals hij had geleerd. De mannen zelf tikten elkaars vuist aan.
Een man met HOOFDCOACH op zijn jas kwam aangelopen. Dat moet de hoofdcoach zijn, dacht Marco. De man liep op hem af en zei:

‘Jij moet de nieuwe zijn.’
‘Dat heeft u goed gezien. U heeft een erg scherp oog, meneer.’
‘Kom, we gaan naar binnen. We zijn haast te laat.’

Terwijl de hoofdcoach de deur voor hem openhield, keek Marco nog eens om. Een jongetje van een jaar of tien keek hem aan. Een grijs op zijn gezicht, een bal onder zijn arm. Zijn hoofd ietwat gebogen. Het jongetje pakte de bal met twee handen vast en deed alsof hij de bal naar Marco gooide. Marco struikelde over de drempel. Toen hij weer opkrabbelde, had hij niet door dat zijn in aluminiumfolie verpakte boterhammen uit zijn zak waren gevallen.

Standaard
korte verhalen
Buurtcoach

De jongen met de rode jas

Het is dinsdagavond en je zit tegenover een jongen die probeert uit te leggen wat een consultant precies doet. Een paar weken geleden hebben jullie op een feestje zo’n beetje tegen elkaar aan gehangen omdat het laat was en jullie allebei wat op hadden en je tot de beangstigende realisatie kwam dat op dat moment al je vriendinnen, zonder uitzondering, met iemand in bed lagen. Hij vroeg je nummer en nu zit je hier, in een café waar de muziek te hard staat. Je drinkt Bitter Lemon omdat je geen idee hebt wat je hier doet.

Hij is knap, denk je, en hij kan enthousiast vertellen over dingen die hij leuk vindt. Hij ruikt op een geruststellende manier naar aftershave. Maar je voelt het niet en je vraagt je af wat hij dan wel voelt. Hij doet zo zijn best. Als jullie afscheid nemen overweeg je even om hem te zoenen, omdat hij aardig en beleefd is en je dat moet aanmoedigen, of omdat je al een hele tijd niet meer met iemand gezoend hebt. Uiteindelijk fiets je toch alleen naar huis, en zijn teleurgestelde ogen verdwijnen al snel van je netvlies.

Onderweg passeer je twee jongens die het allebei overduidelijk wél voelen, voor elkaar dan, en je betrapt jezelf op de gedachte waarom zij wel en jij niet. Je vindt jezelf een triest geval. Even later denk je aan de pot Nutella die je nog hebt staan, aan de boterham die je te dik zult besmeren als je thuis bent of nee, de lepel die je in de pot zult steken en aflikken, twee, drie keer. Direct daarna besluit je om de pot in de prullenbak te flikkeren zodra je thuis bent.

Als je je fiets aan het vastzetten bent, staat hij ineens daar. Hij vraagt of alles goed gaat, noemt je mevrouw op een manier die meer klinkt als ‘mifrouw’. Voor je het weet heb je hem uitgenodigd om naar boven te komen en hangt hij zijn rode jas op terwijl je de waterkoker aanzet. Aan theezetten kom je niet toe. Hij lijkt niet verbaasd dat je zijn hand op zijn knie legt, misschien ben je niet de eerste die dit doet, misschien rekende hij er zelfs op toen hij op je af kwam. Het maakt niet uit. Hij zegt niet veel en zijn armen zijn sterk. Je valt in slaap tegen een warm lijf dat naar zweet en vreemdeling ruikt.

De volgende ochtend hangt zijn rode jas er niet meer. Je zet de waterkoker weer aan en schuifelt door het huis, op zoek naar een briefje, een teken. Je vindt niets. Je opent het raam en kijkt naar buiten, naar de nattige stoeptegels, naar de duiven die tussen het te vroeg buiten gezette grofvuil scharrelen. Je weet niet precies wat er is gebeurd, vannacht. Of je weet het wel maar doe je alsof je het niet meer weet. Je verschoont je bed en je wist het nummer van je date uit je telefoon. Hij was het niet. Maar gelukkig was er de jongen met de rode jas.

Standaard
korte verhalen
Buurtcoach

Een horloge uit de tijd

Op mijn bureau ligt het oude horloge van mijn opa. Al maanden. Als ik stukjes schrijf, Facebook check of mezelf verlies op Youtube kijk ik er zo nu en dan even naar. Inmiddels weet ik uit m’n hoofd dat de klok stil is blijven staan bij vijf uur, nul minuten en 51 seconden. Er zit ook een datumtellertje in, en die staat op negen. Ik heb ‘m eens verzet naar tien, maar een dag later heb ik dat uit schuldgevoel weer teruggedraaid.

Het is een zwaar uurwerk, dat zichzelf oplaadt door middel van beweging. Opa gaf het aan me toen hij z’n bed niet meer uit kwam. “Ik heb het nu toch niet meer nodig”, zei hij. De slang naar z’n katheterzak stak onder de dekens vandaan, het gele als contrast op de witte matras. Vereerd nam ik het horloge aan.

Het bandje bestaat uit een serie schakels. Door middel van een scharnier verwijdt het bandje zich, zodat je je pols er doorheen kan steken. Al had ik dat in eerste instantie niet nodig. Mijn schrijverspolsjes kunnen niet tippen aan de timmermanshanden van opa. Een juwelier bood uitkomst door een van de schakeltjes te verwijderen. Theoretisch kan ik het horloge nu om. Maar het ligt slechts, zo nutteloos als een buurtcoach in Wassenaar.

Net als opa.

Ik zou mezelf graag vertellen dat ik het horloge op m’n bureau heb liggen – en niet draag – zodát ik er naar kijk. Ik zou liegen. De plaats van een horloge is om een pols, hoe dun ook. Daar wordt hij bekeken, heeft hij een reden te bestaan.

Eerlijk gezegd vind ik het niet eens zo’n mooi horloge. Het grote blok, waar het mechanisme in zit, is vierkant met afgeronde hoeken. De wijzerplaat heeft dezelfde vorm, maar is een kwartslag gedraaid, zodat er een soort kruisvorm is ontstaan. Die wijzerplaat doet overigens ontzettend z’n best om een gouden gloed te hebben, maar blijft hangen op bruin-paars. En dat alles dan met die roestvrijstalen huls. Toch kijk ik er elke dag vertederd naar, blij met het symbool.

Maar ja, een horloge is uit de tijd. Met de honderdduizend klokken om je heen, in je zak, of op je scherm, is een horloge simpelweg een stuk vergane glorie. Ik heb bij de laatste ingang van wintertijd alleen m’n wekker handmatig hoeven verzetten. De meeste mensen doen zelfs dat nooit meer. En de datum, die staat ook groot op het scherm van m’n telefoon. Het horloge is een relikwie geworden.

En deze wordt vereert door een kleinzoon. Elke dag een blik erop. Niet voor het bijhouden van de tijd, maar voor het onthouden ervan. De stilstaande secondewijzer houdt het moment vast dat opa er nog was.

Daar ligt het, nuttig te wezen.

Standaard