Factor 50

Invalide

Mijn vader is een karikatuur van zichzelf. Zijn karakter is goed te omschrijven – gevoel voor humor en sterk in het enthousiast herhalen van telkens dezelfde sterke verhalen, maar ook gehecht aan regelmaat. Een brede algemene ontwikkeling, maar ook een talent voor het aantrekken van pech. Hij is niet de handigste en werkt zich, tot zijn ergernis, vaak in onvoorziene situaties. Hij laat zich verzekeringen en abonnementen aansmeren door handige straatverkopers in het winkelcentrum.

Door Jos van den Broek

Dat aantrekken van pech en het belanden in onvoorziene situaties, was vroeger niet veel anders. Met zijn vieren kwamen we in de auto aan op het strand van Bakkum. Een autorit gekenmerkt door file, hitte en stress. Maar op het overvolle parkeerterrein was de beste parkeerplek, vlakbij het strand, nog leeg. We stapten uit, mijn vader liep voorop. Alles mee: lunchpakketten, droge kleding, emmertjes, schepjes en factor 50 zonnebrand. Ik had een vrij lichte huid en mijn ouders wilden mij behoeden voor verbranding. Ik zal een jaar of negen zijn geweest en herinner me dat mijn vader veelvuldig bij mijn moeder informeerde of ik voldoende was ingesmeerd. Even de golven in, en opnieuw insmeren. Meestal verbrandde ik niet.

Mijn vader is wars van seizoenkleding. Met zijn overhemd en pantalon zal het een geestige verschijning zijn geweest tussen de badgasten. Vanwege het zand, permitteerde hij het zich zijn schoenen en sokken uit te trekken. Hij verloor ze geen seconde uit het oog. Zo vloog de dag voorbij, tot half zes. Tijd voor patat. De spulletjes werden netjes ingepakt, de kinderen schoongemaakt en aangekleed en het gezelschap toog naar boven, richting een patatkraam. Mijn vader liep achterop.

Tot de patatkraam zijn we niet gekomen. Mijn vader stortte zich halverwege op een willekeurige handdoek en begon zijn schoenen weer uit te trekken. Zijn voeten waren volledig verbrand en opgezwollen. Jarenlang hadden ze geen zon gezien. Het was pas uren later toen we bij de auto aankwamen, mijn vader op de slippers van mijn moeder. Hij strompelde, maar wel voorop – de ongemakkelijke blikken van andere badgasten achter zich latend. Hij leek wel invalide. Met blote voeten, zo stelde hij, kon hij nog wel autorijden. De aanblik van de dikke, vuurrode voeten van mijn vader, deden mijn eigen voeten pijn. Dat gun je je vader nou ook weer niet, als kind zijnde.

Het parkeerterrein was bijna leeg, onze auto stond keurig vooraan – een bekeuring van honderden guldens achter de ruitenwisser. In de chaos en stress had mijn vader op een invalidenparkeerplaats geparkeerd, hij had een vooruitziende blik.

Standaard
Factor 50

Noemenswaardig trammelant

Het begon als een doodnormale zaterdagavond. Samen met mijn goede vriend Anton Knollema zat ik in onze Glimmense stamkroeg De Kotsbeker. Rond een uurtje of acht hadden we ons gesitueerd op onze vaste plek aan de bar en dronken daar onze biertjes in de gebruikelijke stilte. Anton Knollema houdt niet van nodeloos gezever en ik, Gerard Gortworst, ben er ook niet zo happig op. Het is de stabiele basis waarop onze vriendschap al jaren drijft.

Het moet rond half elf geweest zijn dat ik een andere sfeer in de Kotsbeker begon waar te nemen. Ik herinner mij dat nog goed, want ik zei het volgende tegen Anton Knollema: ‘Zeg Anton Knollema, goede vriend van me, niet om het een of ander, en ik wil u zeker niet storen in uw wekelijks drinkgebeuren, maar het is nu half elf en volgens mij begint de sfeer in onze stamkroeg De Kostsbeker dusdanig te veranderen dat ik het waarneem en u wil mededelen.”
Anton Knollema had een slok van zijn vijfde biertje genomen en geknikt. Zoals mannen van weinig woorden dat altijd doen: drinken en knikken.

Maar het zat mij niet lekker. Een paar minuten geleden waren exact vijftig luidruchtige studenten de Kotsbeker binnengestommeld en volgens mij waren zij in al hun jeugdige onbezonnenheid debet aan de plotselinge sfeerverandering. Eddy McMuffin, de Ierse barman die al negentien jaar in Glimmen woont maar nog steeds de grootste moeite heeft met de Nederlandse taal ondanks de vier maanden durende cursus die hij trouw had gevolgd bij de eenbenige weduwe Fransien Pennenlikker, wonend aan de Burgermeester Emmenslaan 34 in ons prachtig Groningse dorp, had het ook al in de smiezen. Voorovergebogen over de bar had hij zijn groeiend wantrouwen jegens de nieuwe klanten tegen mij geuit: ‘You know Kerard Kortworst, ik keloof dat die kroep students die net is binnenkekomen, de sfeer in jullie stemkroek The Kotsbieker dusdanik aan het veranderen zijn.’

Ik moest daar toch weer om lachen. Eddy McMuffins gewoonte om g’s uit te spreken als k’s bleef, zelfs na al die jaren, vermakelijk. Ook mijn goede vriend Anton Knollema kon een lachje niet onderdrukken, echter was het volgens hem niet humoristisch genoeg om er de gebruikelijke lachgeluiden en buikschuddingen bij te produceren.

Eddy McMuffin, de Ierse barman die negentien jaar geleden in Glimmen was komen wonen omdat hij dacht dat de vrouwelijke inwoners en masse als een blok zouden vallen voor z’n onweerstaanbaar geachte Ierse accent, maar naar verluidt uiteindelijk alleen het bed had gedeeld met de eenbenige weduwe Fransien Pennelikker, destijds aan de Burgermeester Emmenslaan 34 in ons prachtig Groningse dorp, werd steeds zenuwachtiger. ‘Miskien moet ik de police bellen, Kerard Kortworst,’ zei hij op z’n karakteristieke kolderieke manier.

Die voorgestelde actie ging mij dan weer net iets te ver. De exact 50 studenten hadden immers nog niet voor enig noemenswaardig trammelant gezorgd. En wanneer u de politiemacht van Glimmen op zaterdagavond uit hun stamkroeg De Braakpot wilt optrommelen, moet er wel degelijk sprake zijn van noemenswaardige trammelant. Zoveel hadden Anton Knollema en ik wel opgestoken van het traumatische Sjoelincident van achttien jaar geleden tijdens het zwangerschapsfeest van de eenbenige weduwe Fransien Pennelikker, nog immer wonend aan de Burgermeester Emmenslaan 34 in ons prachtig Groningse dorp. Dit zei ik ook tegen Eddy McMuffin, de Ierse barman, echter met iets minder woorden want we moesten het drinken niet vergeten: ‘Wacht, Eddy de Ierse Barman.’

Onderwijl had mijn goede vriend Anton Knollema het toilet wederom met een bezoekje vereerd. Sinds het vier jaar geleden plaatsgevonden ongeluk op de Van Asseltstraat, ter hoogte van de semi-illegale slagerij Het Beunhaasje, heeft hij de grootste moeite met urineren. Anton Knollema heeft mij dat nooit in die exacte woorden verteld, maar dokter Van Kleumingen had hem destijds voor zover mogelijk geholpen met de penibele situatie rondom de plasbuis en in zijn medisch woordenboek ontbreekt de term Beroepsgeheim sinds mensenheugenis, dus een dag later stond het al te glimmen in de Glimmen Gazet. De veelzeggende kop “Anton K. Plast Nu Jankend Van De Pijn” had direct mijn aandacht getrokken bij het routineus onverschillig doorbladeren van Glimmens enige dorpsorgaan sedert 1867. Over de nieuwswaarde van het bericht kon men twisten, maar dat het enkel en alleen over mijn goede vriend Anton Knollema kon gaan, leek mij zo helder als helder water in een schoon glas. Zeker wanneer men in acht nam dat die andere Anton K. uit ons prachtig Groningse dorp, de exhibitionistische hoefsmid Anton Kampzaad, het traumatische Sjoelincident destijds niet had overleefd, menig goedbedoelde hartmassage ten spijt.

Met enige vastberadenheid bleven Anton Knollema en ik, Gerard Gortworst, onze zaterdagavondbiertjes nuttigen op onze vaste plek aan de bar. De dreiging van van noemenswaardig trammelant bleef echter in de lucht hangen en ontspon in een gespannen sfeer in onze stamkroeg De Kotsbeker.

Toch kwam het uiteindelijk niet tot een Glimmen Gazet waardig incident. Rond de klok van half twaalf had de knapste van de exact 50 studenten het sublieme plan opgevat om hun wekelijkse drinkgelag voort te zetten bij hem thuis, aan de Burgermeester Emmenslaan 34 in ons prachtig Groningse dorp. Dit tot groot genoegen van de Ierse barman Eddy McMuffin en ik, Gerard Gortworst. Waarschijnlijk kon mijn goede vriend Anton Knollema het ook wel waarderen, maar omdat die al weer stond te schelden in de toiletten, kon ik dat niet zo gauw bevestigd krijgen.

Standaard
Factor 50

Het Talioprincipe

Het was de tweede dag aan het meer van Talio en de sfeer zat er weer ouderwets in bij meneer en mevrouw Zaaijer.

‘Toe, Ernst. Kom nou. Smeer me even in.’

Hij liet de krant zakken, keek naar zijn vrouw in bikini en walgde van de gedachte haar aan te moeten raken. Ze deed haar topje los en ging voor hem zitten, wat met haar MS nogal moeizaam ging.

Ernst bleef rustig zitten en las de Telegraaf van gisteren waar hij vandaag zes euro vijftig voor had betaald.

‘Het lijkt wel Jan, Jans en de Kinderen,’ mompelde hij.
‘Wat zei je?’ probeerde ze nog, maar ze wist dat het geen zin had.

En dus zat Hanneke zelf maar te hannesen met de zonnebrandolie. Haar armen gleden over haar schouders en toen ze zichzelf krampachtig omhelsde om de moeilijke plekjes te bereiken, zei hij:

‘Zullen we zo maar eens gaan, Han?’

Hij vouwde de krant op, klapte het strandstoeltje dubbel en deed zijn slippers aan.

‘Je doet het expres, he?’

Ernst ging onbezorgd door. Hij pakte de parasol en duwde met zijn voet de twee blikjes bier die hij had leeggedronken nog iets dieper het zand in. Toen pakte hij de koelbox en beende weg. Ze kon niet anders dan volgen.

Natuurlijk deed hij het expres. Zij dwarsboomde hem ook de hele dag. Ze zorgden ze er voor dat ieder boontje om zijn loontje kwam en vooral dat er steeds een nieuw erwtje werd geplant.
Ze waren ooit een steekspel begonnen en waren er niet meer mee opgehouden. Wie het eerste prikje had uitgedeeld, wisten ze allang niet meer.
Soms deed hij niks. Maar als er dan iets tegenzat, ging ze er wel vanuit dat hij het op zijn geweten had. En dan pakte ze hem weer terug. Zo ging het al jaren.

Terug in de camper ging Ernst onder de douche en zou Hanneke pannenkoeken bakken. Hij waste zijn edele delen grondig – je wist maar nooit wat er die avond bij de campingentertainment kon gebeuren. Net toen hij shampoo over zijn hoofdharen had verdeeld, werd het water koud.

‘Godgloeiende,’ riep hij. ‘Hanneke!’

Een vergelding, concludeerde hij. Hupsakee, de bal lag weer bij hem. Hij wilde de
douche uit stormen, maar gleed onderuit door de zeepresten op de antislipmat die op een vlonder in de douchebak lag. Hij had het zelf zo aangelegd, omdat Hanneke door haar ziekte veel problemen met haar evenwicht had, maar het vertikte om op het douchekrukje dat hij voor haar had gekocht te zitten.

‘Hanneke! Mijn been!’

Ze moest haast wel horen dat het serieus was. Ernst was er van overtuigd dat zijn been gebroken was en schommelde tussen bezit en verlies van zijn bewustzijn. Hij hoorde niks. Hij lag half onderuit in de krappe douchecabine met zijn been in een onnatuurlijke positie en probeerde te luisteren of Hanneke hem had gehoord. Maar hij hoorde niets. Geen schuifelende voetstappen, geen gelach. Ze kwam niet.

Hanneke had hem wel gehoord, maar ze was te ver weg. Ze was naar het campingwinkeltje gegaan om margarine te kopen, want ze wilde de pannenkoeken niet bakken in de zonnebloemolie die ze van thuis hadden meegebracht. Toen ze op de weg terug de schreeuw hoorde, was ze zo geschrokken dat ze begon te rennen. Maar op een verkeersdrempel struikelde ze, en dacht in haar val: wanneer heeft Ernst die drempel hier neergelegd? Maar die gekke gedachte maakte al gauw plaats voor het besef dat haar been gebroken was. Zo lag de bal weer bij haar.

Standaard
Factor 50

Dan gaat het mis

De dag dat ik die stinkende sloot in fietste was eigenlijk nog de minst beschamende dag van mijn leven. Ik had niet gesmeerd die ochtend, dus het was nogal wiedes dat het mis ging. De pestkoppen voor wie ik op de vlucht was, lachten zich ziek toen ze de bruine smurrie uit mijn haar in mijn bontkraag zagen druipen. Ik verdenk Natalie ervan dat ze een beetje in haar broek plaste, want zij hield ineens op met lachen en keek wat beschaamd de andere kant op.

Stom eigenlijk, dat je niet meer let op het echte gevaar als je op de vlucht bent voor het kleine. Ik fietste recht op de sloot af en ik zag hem ook wel; mijn hersenen handelden alleen niet. Te veel in beslag genomen door het gehoon en het feit dat ik ’s morgens niet had gesmeerd. Twijfel of ik de deur wel had gecontroleerd drong zich ook op, en toen was het te laat om nog uit te wijken voor de bruine derrie onder me.
Nog stinkend fietste ik daarna naar het winkelcentrum, om een nieuwe tube factor 50 te kopen. Ik kocht er meteen zeven.

Als een soort tweede huid plamuur ik mijn gezicht dagelijks dicht met factor 50. Elke ochtend sta ik om zes uur op. Ik douche, smeer, controleer mijn deuren, douche en smeer nog een keer. Soms één laag, soms twee. Meestal zeven lagen. Het is maar net hoe ik me op dat moment voel. Als ik dan ook mijn voordeur zeven keer heb gecontroleerd, kan ik gaan. Met mijn tube in mijn tas. Als mijn dag niet precies zo begint, gaat alles mis. Nog veel misser dan in je jeugd in een gore, bruine sloot belanden.

En dat bleek wel, op die beruchte zondag 19 december. Mijn tube voelde akelig uitgeknepen en de overtuiging dat ik er nog een had werd de grond in geboord nadat ik mijn deuren had gecontroleerd en eindelijk in mijn medicijnkastje mocht kijken. De winkels waren dicht en zouden pas dertig uur later open gaan. Ik kon niet eens mijn neus insmeren. Ik wilde in bed blijven die dag, maar wist dat dat niet kon. Voor ik wegging, controleerde ik mijn voordeur achtentwintig keer ter compensatie.

Mijn oma zat stralend op me te wachten en ik besloot dat het goed was dat ik niet had afgebeld. Ik posteerde me achter haar rolstoel en duwde haar richting lift. Ze kwebbelde volop en vertelde over haar buurvrouw Bets die zo hard snurkte. En over chagrijnige Jo, die ’s morgens als eerste koffie wilde, omdat hij dat vroeger thuis ook altijd kreeg. Ik luisterde half, voelde mijn blote gezicht en keek naar alle deuren die we passeerden. Zenuwen gierden door mijn lijf en mijn masker kon het niet maskeren. De liftdeuren gingen open en ik duwde. De lege liftschacht zag ik wel, maar er werd niet gehandeld in mijn bovenkamer.

Standaard
Factor 50

Natuurgeweld

Zelfs de palmbomen zuchten zacht krakend onder de warmte. Zevenendertig graden. Ik zit op een handdoekje in de schaduw en bouw hoopjes wit zand, smeer me af en toe in met de noodzakelijke factor 50. In de niet zo heel verre verte zwemmen mijn reisgenoten in water dat zo helder is dat je meters onder je de vissen nog ziet zwemmen.

Ik verveel me. Dit zou perfectie moeten zijn, maar ik erger me dood aan de stilte, het geluid van de golven die steeds maar weer over het zand spoelen zonder dat er iets verandert. Zelfs de regenbuien die de hemel elke middag rond vieren over ons uitstort zijn voorspelbaar geworden: een afdak zoeken, een half uurtje wachten en dan weer terug naar mijn handdoekje.

In de iets verdere verte bouwt zich al een donkere wolkenmuur op. Ik heb mijn spullen al ingepakt als het begint te regenen, eerst spetters en daarna dikke druppels. De anderen komen gillend en lachend het water uit en wikkelen zich in hun handdoeken, op zoek naar beschutting. In de lucht rommelt de donder en iemand grapt nog dat er geen hoogste punt is. Dat we de pineut zijn als het begint te bliksemen.

Niet dat zoiets ooit bij ons zou gebeuren. Dat soort dingen hoor je alleen in andermans verhalen.

We vinden relatieve droogte in de tent waar hamburgers en cocktails verkocht worden; de enige beschutting op het strand dat zich lang en wit uitstrekt tot aan de horizon. Er zijn ook locals die het al even grappig vinden als wij. De wind trekt aan het klapperende tentdoek en slaat de regen naar binnen. Water stroomt tussen onze voeten door, tot we op papperig nat zand staan.

Ik heb niet eens door dat er een lichtflits is. Dat er vonken opspringen. Het wordt zwart en het volgende wat ik merk is mijn kaken die pijnlijk op elkaar klappen. Naast me zakt een man in elkaar. Iemand gilt.

Waar paniek is, is chaos. Meer mensen beginnen naar elkaar te roepen –mijn vrienden in het Nederlands, de rest in het Spaans- er wordt gezocht naar schoenen, iemand gaat op een stoel staan. En ik controleer mezelf op sporen, brandwonden, iets op mijn huid dat bewijst dat de natuur zo-even heeft laten zien wie de sterkste is. Niets.

Terwijl de rust terugkeert, een enkeling begint te huilen van de ontlading en de flessen rum worden opengetrokken als troost of om te vieren dat we nog leven, voel ik dat er iets is veranderd. Er stroomt iets nieuws door mijn aderen. Als ik dit kan, kan ik alles aan.

De lucht klaart alweer op. Ik voel me licht als ik de tent uitstap, de anderen achterlaat en met wankele benen tot aan de zee loop. Met mijn voeten in het water kijk ik naar de horizon. De Atlantische Oceaan klotst kalm tegen mijn enkels alsof er nooit iets gebeurd is.

Standaard
Factor 50

Ooms en tantes op sociale media

Gerard was 54. Nadat het houtbewerkingsbedrijf waar hij dik dertig jaar had gewerkt in zwaar weer terecht kwam, werd hij op straat gezet. Hij was te duur. De ontslagbonus was lekker, maar de maanden die volgden maakten depressief. Als alleenstaande man – z’n vrouw was er ooit met de fitnessinstructeur vandoor gegaan – vond hij thuis zijn sowieso al niks. Lachen met de jongens van kantoor, dat was z’n leven. Thuis was er niemand die om hem lachte.

Na drie maanden overwoog hij een kat te nemen, maar toen de kat van de buurvrouw weer eens in z’n achtertuin scheet, was Gerard gauw genezen. Van een neefje kreeg hij het advies om een Linkedin-pagina te maken, en daar gingen de volgende twee maanden in zitten. Tussendoor deelde hij op zijn Facebookpagina grappige filmpjes en spannende zelftests.

Linda was net 50 geworden. Ze was chronisch ziek. De hele wereld moest dat weten, dus plaatste ze op haar persoonlijke Facebookpagina, openbare Facebookgroepen en Facebookpagina’s van bekende bladen, programma’s en mensen haar mening. Uiteraard was haar mening altijd een inleiding op haar situatie, die vreselijk was. Erger dan haar situatie was de staat van de zorg in Nederland. De politici die Nederland vernietigden waren wat Linda betreft erger dan Hitler, een vergelijking die haar goed beviel. Al moest men niet denken dat Linda een zeikerd was. Daarom deelde ze bijna elk uur wel een leuk plaatje met een katje dat haar vrienden een fijne dinsdag wenste, of een filosofische beschouwing over positiviteit in Comic Sans bovenop een slechte tekening van een schaarsgeklede dame met grote borsten.

Suzanne had inmiddels de 57 aangetikt. Tien jaar geleden was ze arbeidsongeschikt geraakt om psychische redenen en kwam ze thuis te zitten. Ze vond het vreselijk, tot de lancering van Farm Ville. Sindsdien zocht ze om half tien ’s ochtends met haar laptop de bank op, stond om tien over een even op voor haar lunch van drie boterhammen met twee kroketten, liet om zeven uur een pizza bezorgen en verliet de bank uiteindelijk om half elf, om nog een half uurtje te farmvillen in bed. Om zich heen verzamelde ze een hoeveelheid Facebookvrienden die de zooi in haar huis weerspiegelde. Iedereen mocht haar vriend zijn, zolang ze maar zo nu en dan een boom, tractor of schaap deelden.

Marina was 21. Ze studeerde aardrijkskunde in Utrecht en had na lang aarzelen toch haar ooms en tantes toegevoegd op Facebook. Het familieweekend waarbij ze één voor één naar haar toekwamen met de vraag of ze wel eens op haar Facebook kwam, had de doorslag gegeven. Het was een zaterdagmiddag, en Marina probeerde uit alle macht door de brei op haar timeline heen te scrollen. Na zes minuten scrollen was ze het zat en verwijderde haar Facebookpagina. Wat haar bij Hyves vandaan had gedreven deed dat nu ook bij Facebook en ze twijfelde er niet aan dat haar Instagram-account binnenkort ook de prullenbak in kon. Opgelucht gooide ze haar iPad in de hoek van de bank. Ze was blij dat ze haar eigen fout zo snel ongedaan kon maken. En ze had een belangrijke les geleerd.

Je mocht de factor vijftigers niet onderschatten.

Standaard