Gescheurd condoom

De zijlijn

Ik ben kamermeisje. En receptioniste. Ook kok, als je het bereiden van een kilo scrambled eggs het bakken van een hele big aan bacon en het eindeloze sinaasappels persen daartoe rekent.

Door Selin Kuscu

Ik solliciteerde nadat een neef me vertelde over de zelfmoordbrief die hij moest kopiëren, terwijl politieagenten de kamer van de betreffende gast inspecteerden.
Dit is niet het hotel waar mijn neef werkt, maar wel een met bordeauxrood tapijt tot in de kamers aan toe, wat zoiets als ‘hier mag alles gebeuren!’ schreeuwt. Bij iedere gast die incheckt maak ik een voorcalculatie, want, zoals het tapijt schreeuwt, er zal iets gaan gebeuren. Het is onvermijdelijk:
De gasten hebben geld en aanzien.
De gasten komen naar een onbekende plek en wanen zich er thuis.
De gasten hebben iets in stand te houden, wat ze komen etaleren of verbergen.
De gasten geven je de sleutel en halen er hun schouders bij op.
Het is als midden op het veld en aan de zijlijn tegelijk staan. Niet de ellenboog tegen je neus, wel de spetters van het bloed op je shirt. De gulden middenweg.

Een in elkaar verstrengelde man en vrouw, ik gok in de veertig, naderen mijn balie. Zij is ouder dan hij, maar hij is minder elegant dan zij. Zij glijdt met haar gepedicuurde oudevrouwenvingers teugelloos over hem heen als was het de tong van een labrador. Hand, mouw, colbert, kraag, hals, stoppels, zwarte krullen, wang. Hij drukt zich tegen de balie die tussen ons in staat aan en eist een kamer aan de achterzijde, met uitzicht op het meer. Zij zegt dat ze niet gestoord willen worden. Ik zoek in de kastjes achter me en in de lades voor me, en vindt onderin wat ik zoek: een gekreukte deurhanger. Ze grist ’m uit mijn handen.

Voor elk klusje en elk verzoek dat niet achter mijn balie vervuld kan worden, neem ik de route langs de achterste gang. Maar zo onzichtbaar blijkt de mantel van een dienstmeisje niet: een deurklink waar het label NIET STOREN aan hangt, is ook door mij niet te betreden. Daar had ik nog niet aan gedacht.
Twee dagen zie ik niets gebeuren. Tijdens het daaropvolgende ontbijt spreek ik ze aan bij hun tafel: ‘Haast u zich vooral niet, het kamermeisje is uw kamer aan het schoonmaken.’ In ons protocol staat dat kamermeisjes de NIET STOREN-kamers over moeten slaan, maar hij haalt zijn schouders op en loopt nog maar een keer richting buffet.
De kamer lijkt gevuld met koolstofdioxide: alle frisse lucht is al een keer ingeademd. De geur is die van natte handdoeken, lang beslapen beddengoed en te weinig verwisseld ondergoed. Ik sta aan het voeteneinde, denk aan koffiedik lezen en volg de patronen van twee lichamen. Rondom het bed zijn de lakens glad gestreken: ze liggen vooral in het midden, dicht tegen elkaar aan. Het kussen aan de rechterzijde ruikt meer naar haar dan de linker. De zware, brede kuil rechts zegt dat hij het liefst boven op haar klimt. Ik zie de twee kringen waar hij met zijn handen steunt en de nog diepere groeven van zijn bonkige knieën. Ik stel me voor hoe hij beweegt en alhoewel het er niet heel indrukwekkend uitziet doordat ik zijn bolle pens niet weg kan denken, vind ik het sensationeel.
Ik trek de dekens van het bed af en daar, aan het voeteneinde, ligt een verfrommelt condoom met vulling. Het ontroert me dat ze zijn lichaamssap met hun voeten warm houden, alsof ze het net iets langer bij zich willen houden, of omdat ze allebei niet degene willen zijn die het afscheid op zich neemt. Doe jij het maar, nee jij, toe nou jij, alsjeblieft jij, nee ik doe het niet, ik kan het niet. Er liggen meer condooms verspreid door de kamer, sommige dichtgeknoopt en andere weer niet, maar niet één ligt in de prullenbak. Ze markeren de plekken waar ze het al eens gedaan hebben en nu niet meer hoeven te doen. Ik kijk in de lades van de nachtkastjes aan weerszijden, aan zijn kant ligt het pakje. Er zitten er nog vier in. Ik haal ze er allemaal uit. Het zuurstofgehalte maakt mijn hoofd licht, maar ik houd de ramen dicht: deze verhouding blijft in leven door de complete aanwezigheid van de ander.
Ik pin mijn naambadge terug op mijn blouse en stop de condooms zorgvuldig terug in het doosje. Die leg ik weer ondersteboven in de lade, omdat ik het ook zo aantrof.

De tweede helft van hun verblijf maakt niemand de kamer schoon. Bij het uitchecken overhandigt ze me de deurhanger, slaat haar stola om en loopt naar buiten. Hij pakt een stapeltje briefjes: ‘Dit is meer dan genoeg, maar zo niet, bel dan mijn privénummer om het te regelen.’ Ik kijk naar de hand die hij op mijn hand legt, met een te dik stapeltje bedrukt papier, waarvan op de bovenste een rijtje cijfers geschreven staat.
Bij het voeteneinde vind ik deze keer niets, maar achter de prullenbak ligt een half leeggelopen rubbertje boven op een plakkerig poeltje. Naast het toilet ook, en eveneens achter de wieltjes van de passpiegel. Ook bij deze twee heeft zijn vocht een uitweg gevonden via de gaatjes. Zoals ik had gehoopt focusten ze zich alleen op elkaar en op de volgende daad. Geen blikken achterom, want thuis zullen ze alles moeten ontkennen en dat gaat makkelijker als je er niet goed naar gekeken hebt. Ik denk dat ze niets hebben gemerkt. Vanuit hun kuil aanschouw ik tevreden het resultaat en daarna verduister ik het bewijs, mochten ze zich over een paar maanden toch gaan afvragen hoe ze in dit avontuur beland zijn.

Standaard
Gescheurd condoom

Ouder worden

Er zijn ouders die geen ouders zijn. Dat komt in de beste families voor, zoals in die van Frank. Jarenlang was hij mijn beste vriend. Samen naar de basisschool, samen groep 7 overdoen en samen lekker kloten op de Mavo. Maar in al die jaren had ik geen flauw benul dat Frank een weeskind was.

Een keer vertelde Frank over zijn thuissituatie. We zaten in de kantine, in een vrij uur, tussen geschiedenis en Engels. Een man te weinig om te Klaverjassen, dus begonnen we maar wat te praten. Daar waren we niet zo goed in en het gesprek viel al gauw dood bij Franks mededeling, tussen twee happen van z’n broodje pindakaas door, dat zijn ouders eigenlijk nooit een kind hadden gewild. Een ongelukje dat inmiddels al vijftien jaar duurde.
“Oké,” zei ik daarop. En: “Daar zit Govert, hij is een waardeloze Klaverjasser, maar dan zijn we in ieder geval met z’n vieren.”

Ouder worden is ’s nachts in bed terugdenken aan dingen die jarenlang geleden gebeurt zijn en stukjes van een puzzel ontdekken. Een puzzel waarvan je niet eens het bestaan wist. Mag je jezelf dan iets verwijten?

Mijn ouders wilden heel graag kinderen en stopten pas bij zeven. Iedereen was gewenst, als ik mijn ouders mag geloven en dat doe ik want ze wisten het heel overtuigend te brengen.
Elke dag was het bij ons een gezellige chaos. Ieder kind wilde niet onderdoen voor de andere en Klaverjassen gebeurde in toerbeurten waarbij mijn vader altijd de enige stabiele factor was.
Na schooltijd wilde Frank steevast bij mij spelen.

In de vierde kregen we ruzie. Waarschijnlijk over een geleend tientje of anders over een meisje. We spraken elkaar enkel nog middels scheldwoorden en zelfs dat was schaars. Van de een op andere dag waren we een duo in ruste.

In de ruim zeventien jaar daarna heb ik niks meer van Frank vernomen. Z’n telefoonnummer heb ik nooit gekregen en we zijn ook geen vrienden op Facebook. Wie zal het zeggen, misschien is hij jaren geleden ook uit het leven gescheurd.

Standaard
Gescheurd condoom

Tot het gaatje

Marieke komt de winkel binnen en kijkt me onzeker aan. Even denk ik dat ze ziet wat ik aan het doen ben, maar de onzekerheid lijkt vooral in haarzelf te zitten. Ik leg de potjes oogschaduw terug in het schap en loop op haar af. Ze deinst terug.

Werken bij de Etos is geen zak aan. Het is saai en eentonig. Geen hond die meer informatie wil over de pijnstillers die ze kopen. En waarom niet? Omdat elke malloot weet dat hoofdpijn zakt na het slikken van twee ibuprofen.
Ik werk veertig uur per week. Niet omdat ik dat nou zo leuk vind, maar ik zal wel moeten: mijn man zit thuis met een uitkering en de kinderen moeten eten en dure boeken lezen voor school.

Om de tijd te doden, haal ik maffe dingetjes uit. Gewoon voor de lol. Simpel hoor; ik pluk twee flessen douchegel uit de winkel, neem ze mee naar het magazijn, verwissel de inhoud en zet ze weer terug. In de zomer doe ik dat met zonnebrandcrème. Haha! Soms komen mensen die daarvoor nog factor 50 kochten een paar dagen later terug voor after sun, met hun rooie kop.
Soms schraap ik de grove laag van nagelvijltjes, andere keren kam ik mijn haar met een borstel en hang het ding dan terug. De vertwijfeling op de gezichten van mensen die doordeweeks tijd hebben om in de stad rond te hangen, is goud waard.

Wat ook leuk is: een handvol schoolkrijtjes in je mond proppen als je ziet dat een klant komt afrekenen en dan tergend langzaam je mond leegkauwen en alles zorgvuldig doorslikken voor je vraagt of ze nog informatie wil over pijnstillers.
Of de kleur van potjes oogschaduw door elkaar mixen, hoewel dat haast niet onopvallend kan. Alleen als je in je eentje staat, lukt het af en toe. Daar was ik net mee bezig dus, maar toen kwam Marieke binnen.

Haar hoofd is rood en ze vraagt bedremmeld of ik naar haar wil luisteren en niets tegen haar ouders wil zeggen. Waarom doet ze zo moeilijk? Goed, de vorige keer dat ze condooms kocht, rekende ze af bij mijn collega omdat ik de deodorant aan het spiegelen was. Als ze er zo’n moeite mee heeft, bestelt ze die dingen toch gewoon voortaan bij Bol.com? Ze bieden ze aan in de categorie ‘mooi en gezond’, wat ik stom vind omdat ik nog nooit een mooie lul heb gezien.
Maar goed, ze hadden ze moeilijk in kunnen delen in de categorie kinderspeelgoed.

‘Ik krijg een kind.’ Marieke flapt het er zo plotseling uit dat ik het notitieblokje dat ik in mijn hand heb van schrik samenkreuk. ‘Tenminste, dat denk ik, daar ben ik bang voor, ik ben overtijd en ik weet niet wat ik moet doen. Ik ben pas zeventien en ik wil naar de uni, niet achter een kinderwagen. Lotte, ik moet een zwangerschapstest, alsjeblieft wat moet ik doen?’
Ze heeft me bij mijn arm gepakt tussen het ratelen door en ze kijkt me waanzinnig van wanhoop aan. Ik leg mijn hand op de hare en knik haar geruststellend toe terwijl ik het prikken in mijn nek negeer.

Gaatjes in condooms prikken om de tijd te doden gaat misschien een beetje ver.

Standaard
Gescheurd condoom

Vruchtbare inbraak

De sponning kraakt zacht terwijl Charlotte het raam open schuift, maar naar haar smaak is het toch nog veel te hard. Ze zucht onhoorbaar. Ze had zichzelf jaren geleden beloofd te stoppen en lang leek het erop dat ze die belofte kon houden. Helaas.

Ze klimt omhoog en kruipt naar binnen. Het licht van een lantaarnpaal werpt haar schaduw op de vloer, waardoor Charlotte beseft dat ze nog roestig is ook. Voorzichtig plaatst ze haar linker- en dan haar rechtervoet op het aanrecht. Even blijft ze zitten, kijkend naar de afwas die is achtergelaten om te drogen, het vaatdoekje over de kraan. Dan werkt ze zichzelf naar beneden en sluit het keukenraam achter zich.

Op kousenvoetjes schuifelt Charlotte door de keuken naar de woonkamer. Op het tikken van de enorme wandklok na is het er doodstil. Lelijke kutklok, denkt Charlotte, en bijna zegt ze het hardop. Die klotevriend van Charlotte vertelt iedereen die binnenkomt, al is het de pizzabezorger, dat die klok een enorm fortuin heeft gekost en hij verkneukelt zich iedere keer als hij begint te vertellen hoe hij hem voor de neus van een Chinese verzamelaar heeft weggekaapt. En daarbij wrijft hij nog in z’n handen ook. Dat haar dochter zo’n lul als vriend heeft is te bizar voor woorden. Rotzak van een Jorik. Om er maar vanaf te zijn opent Charlotte de deur naar de gang en de trap, waar de kapstok die zogenaamd nog van Harry Mulisch is geweest haar staat op te wachten. Nog een geluk bij een ongeluk dat ze een weekendje naar Parijs zijn, anders had ze die vieze P.C. Hooft-jas van ‘m ook nog moeten zien.

Eenmaal boven moet ze even heroriënteren. In het donker lijkt het toch allemaal net wat anders. Links is de pas verbouwde badkamer, dan moet rechtdoor de inloopkast annex logeerkamer zijn en rechts dus de slaapkamer.

Ze opent de deur en loopt naar het bed toe. Vrijwel direct ziet ze de enorme spiegel die boven het bed is geïnstalleerd. Charlotte zucht hoorbaar, maar laat zich verder niet van de wijs brengen. Op het rechter nachtkastje ziet ze een foto van haarzelf en Richard, dus dat zal Lisettes kant zijn. Gauw loopt ze naar de linkerkant, waar alleen een gouden horloge ligt. Typisch.

In het kastje vindt ze wat ze zoekt, grijpt het en vliegt de trap af. En nog geruisloos ook. Het oude gevoel is weer helemaal terug. Ze mijdt de kapstok en de klok en loopt direct door naar de keuken. Even kijken, waar hebben ze dat ding ook al weer, oh ja, daar. Charlotte drukt op het knopje waardoor het magnetrondeurtje open springt. Dan legt ze de condooms erin, doet de deur dicht en zet de timer op een halve minuut.

Het is allemachtig toch ook de hoogste tijd, grijnst Charlotte naar zichzelf in de weerspiegeling van de magnetron. Rijke klootzakken. Al die jaren vraag je om een kleinkind, en ondertussen is het enige wat zich vermeerdert hun bezit. Reisje hier, vakantietje daar, saunadagje zus, minisabbatical zo. Het is toch te gek voor woorden.

Terwijl Charlotte de condooms weer op hun plek legt, warm van binnen, maar uiterlijk onaangetast, giechelt ze een beetje. Eigenlijk zou ze het gezicht van Jorik wel willen zien als hij beseft dat het condoom is gescheurd. En dat ze dan denken dat het een foutje van dat ene condoom was, maar dat de volgende dan ook scheurt. Ze stikte bijna van het ingehouden lachen. Ze zou grootmoeder worden, Jorik en Lisette zouden eindelijk een modaal gezinnetje worden en samen zouden ze weer een familie zijn.

Inclusief die lul van een Jorik.

Standaard
Gescheurd condoom

Het einde van het feest

Ik ben te laat. De voorzitter, of hoe noem je dat, uitvaartbegeleider, stopt met praten en de mensen voorin de zaal draaien hun strakgetrokken hoofden naar me om. Ik probeer te glimlachen op een manier die ook respect toont voor hun verdriet, maar ik weet helemaal niet hoe dat moet. Ik krijg er kramp van in mijn wenkbrauwen.

Iemand sist mijn naam; het is Ype. Hij klopt op de lege stoel naast hem, alsof hij verwacht had dat ik zou komen en een plekje voor me heeft vrijgehouden, en ik schuifel tussen de mensen door tot ik naast hem kan neerploffen. De uitvaartbegeleider schudt zijn hoofd en kondigt een spreker aan. De vader van Bert.
“Moet dat, met die tieten?”
Ieps manier om me te begroeten na wat er is gebeurd. Ik kijk naar beneden, waar mijn decolleté bijna uit mijn jurk barst.
“Ik ben aangekomen. En ik had niks anders zwarts.”
Hij zegt niets, kijkt alleen maar naar de vader van Bert die oud en trillend op het podium staat. Hij heeft het over Berts levenslust en kracht, iets waar ik nooit iets van heb gemerkt die paar keren dat ik over de IT-afdeling langs zijn bureau liep.
“Bert had het vast leuk gevonden.”
Iep haalt zijn schouders op. “Oké. Misschien. Maar ik vind het ongepast.”
Het is een mooie uitvaart, echt. Ook al wordt ‘ie gehouden in het centrum van de begraafplaats dat zijn best doet om er op een niet-religieuze manier zo veel mogelijk als een kerk uit te zien. Overal liggen bloemen, lelies met linten, witte rozen, kleurige boeketten met uitsteeksels die in het regenwoud geplukt lijken te zijn. Berts vader kondigt iets van Marco Borsato aan. Daarna zijn er twee jongens met gitaren die een zelfgeschreven nummer spelen.
“Iep?”
“Hm?”
“Denk je nog wel eens aan Halloween?”
Naast me blijft het stil. De jongens beginnen met de muziek mee te neuriën.
“Nou?”
Ik dacht tot voor kort zelf niet vaak terug die avond, aan de vrijdagmiddagborrel in Halloweenthema, aan slingers in de vorm van vleermuizen en die rottige heksenhoeden die iedereen droeg en die voor iedereen te groot waren. Maar ik deed dan ook heel hard mijn best om die hele avond uit mijn gedachten te houden.
“Ik denk meestal niet aan Halloween,” zegt Iep.
“Maar soms dus wel?”
“Meestal niet.”
Ik kijk naar de kist, naar de bloemen, naar de achterhoofden voor me met kapsels en hoedjes waaraan je niet kunt zien of de mensen waar ze bij horen, moeten huilen of lachen. Gek eigenlijk. De jongens met de gitaren spelen hun laatste akkoord.
Er waren cocktails, die avond waar we allebei nooit aan denken. Cocktails die zo zwaar naar pompoen smaakten dat je na drie drankjes pas doorhad hoe sterk ze waren. Er was Iep, mijn lievelingscollega, in een ander licht. Er was de voorraadkast waar alle kantoorartikelen in bewaard worden en er was nog steeds zo’n heksenhoed die maar over mijn ogen zakte.
De jongens met de gitaren krijgen geen applaus. In plaats daarvan wordt er heen en weer geschuifeld op de stoelen en haalt iemand onbehoorlijk zijn neus op. De uitvaartbegeleider kondigt de beste vriend van Bert aan. Iep kijkt nog steeds strak naar voren.
“Maar misschien moeten we er weer wat meer aan gaan denken.”
“Dat was ik niet van plan.”
Ik weet nog dat er allemaal nietjes op de grond lagen toen Iep de heksenhoed wat optilde. Ik vroeg hem waarom hij stopte, hij had een paniekerige blik in zijn ogen. Maak je geen zorgen, zei ik, ik ben aan de pil. Ik was dronken en ik loog.
De beste vriend van Bert is niet zo gewend om voor publiek te spreken, hij friemelt met zijn handen, stottert en pauzeert af en toe zijn verhaal waarbij hij ons radeloos aankijkt.
“Iep?”
“Hm?”
“Iep, ik ben niet ongesteld geworden.”
De speeches zijn klaar. Er zijn mannen die naar voren komen en de kist optillen, en iedereen staat op om er achteraan te lopen. We zijn de laatste in de rij, weer kijk ik alleen tegen ruggen aan, kapsels, hoedjes en kale plekken. En terwijl we naar buiten lopen, probeer ik Ieps hand te pakken.

Standaard
Gescheurd condoom

Achteruitgang

Ik zit in een café, alleen. Ik heb net een zwaar en donker biertje gekregen van de barman, die de tijd neemt zich als Karel de kastelein voor te stellen. Het is een rustig café.

Een mooie, donkere vrouw maakt haar entree door het rode gordijn dat de kou buiten moet houden. Ze heeft prachtige, lange benen en blote schouders die je wil behoeden van ooit gewicht te hoeven dragen.

Ze is hier vaker geweest, dat kun je zien. Ze twijfelt niet, voor zover we dat kunnen zien. We, dat zijn Karel, de man aan de gokkast en ik.

De gokker staat op om haar een kus op haar wang te geven. Ze laat het toe, dus ik ga ervan uit dat ze hem kent. Ik vraag me af of je een man een gokker mag noemen als je enkel weet dat hij op een avond munten in een automaat gooit.

De vrouw blaast een handkusje naar Karel de kastelein, hij heeft haar drankje al klaar staan. Er zit een kruk tussen die van de vrouw en de mijne. Ze vertelt aan de barman dat ze net kreeft heeft gegeten met een man, voor zover ik begrijp niet haar echtgenoot. Ik denk aan mijn eigen diner en dat niemand ooit zal weten dat ik vanavond groentesoep met stokbroodjes besmeerd met goedkope aioli at. Niemand weet ook maar iets van mij, zolang ik het ze niet vertel.

Dan begint ze te praten en ik schaam me voor mijn verbazing over haar perfecte Nederlands. Ze richt zich niet direct tot mij, maar wel precies zo dat ik me kan mengen in het gesprek. Een elegante vrouw die mijn aandacht wil, kom ik niet vaak tegen. Voor even vergeet ik dat ik alleen ben, voor even vergeet ik waarom.

Ze zegt haar naam, Nicole, en steekt haar elegante hand naar me uit. Ze vertelt openhartig over haar leven in Ghana, waar ze is opgegroeid en nog een huis heeft, maar haast nooit meer komt.

Nicole vertelt dat ze een sekstoerist is. Ik luister ademloos. Ze ziet het als een manier van leven, sekstoerist zijn is wat ze doet. Ze beschrijft al haar ervaringen op haar website, en er binnenkort komt wellicht een boek. Ze vraagt of ik daar bezwaar tegen heb. Ik zeg dat ik er niks op tegen heb als ze haar ervaringen in een boek vastlegt, dat ik het juist zou toejuichen. Dat bedoelt ze niet, zegt ze. Ik heb het warm, probeer de hals van mijn trui uit te rekken. Karel de kastelein vertelt ondertussen over het verband tussen de laatste keer dat hij seks heeft gehad, de leeftijd van zijn dochter en een gescheurd condoom. Ik vraag me af of Nicole me misschien mee naar haar thuisland wil nemen en denk: asjeblieft, neem me mee. Laten we verdwijnen door de achteruitgang, nu meteen.

Standaard