Verhaal #610 • Afgesproken thema: Gescheurd condoom

De zijlijn

Ik ben kamermeisje. En receptioniste. Ook kok, als je het bereiden van een kilo scrambled eggs het bakken van een hele big aan bacon en het eindeloze sinaasappels persen daartoe rekent.

Door Selin Kuscu

Ik solliciteerde nadat een neef me vertelde over de zelfmoordbrief die hij moest kopiëren, terwijl politieagenten de kamer van de betreffende gast inspecteerden.
Dit is niet het hotel waar mijn neef werkt, maar wel een met bordeauxrood tapijt tot in de kamers aan toe, wat zoiets als ‘hier mag alles gebeuren!’ schreeuwt. Bij iedere gast die incheckt maak ik een voorcalculatie, want, zoals het tapijt schreeuwt, er zal iets gaan gebeuren. Het is onvermijdelijk:
De gasten hebben geld en aanzien.
De gasten komen naar een onbekende plek en wanen zich er thuis.
De gasten hebben iets in stand te houden, wat ze komen etaleren of verbergen.
De gasten geven je de sleutel en halen er hun schouders bij op.
Het is als midden op het veld en aan de zijlijn tegelijk staan. Niet de ellenboog tegen je neus, wel de spetters van het bloed op je shirt. De gulden middenweg.

Een in elkaar verstrengelde man en vrouw, ik gok in de veertig, naderen mijn balie. Zij is ouder dan hij, maar hij is minder elegant dan zij. Zij glijdt met haar gepedicuurde oudevrouwenvingers teugelloos over hem heen als was het de tong van een labrador. Hand, mouw, colbert, kraag, hals, stoppels, zwarte krullen, wang. Hij drukt zich tegen de balie die tussen ons in staat aan en eist een kamer aan de achterzijde, met uitzicht op het meer. Zij zegt dat ze niet gestoord willen worden. Ik zoek in de kastjes achter me en in de lades voor me, en vindt onderin wat ik zoek: een gekreukte deurhanger. Ze grist ’m uit mijn handen.

Voor elk klusje en elk verzoek dat niet achter mijn balie vervuld kan worden, neem ik de route langs de achterste gang. Maar zo onzichtbaar blijkt de mantel van een dienstmeisje niet: een deurklink waar het label NIET STOREN aan hangt, is ook door mij niet te betreden. Daar had ik nog niet aan gedacht.
Twee dagen zie ik niets gebeuren. Tijdens het daaropvolgende ontbijt spreek ik ze aan bij hun tafel: ‘Haast u zich vooral niet, het kamermeisje is uw kamer aan het schoonmaken.’ In ons protocol staat dat kamermeisjes de NIET STOREN-kamers over moeten slaan, maar hij haalt zijn schouders op en loopt nog maar een keer richting buffet.
De kamer lijkt gevuld met koolstofdioxide: alle frisse lucht is al een keer ingeademd. De geur is die van natte handdoeken, lang beslapen beddengoed en te weinig verwisseld ondergoed. Ik sta aan het voeteneinde, denk aan koffiedik lezen en volg de patronen van twee lichamen. Rondom het bed zijn de lakens glad gestreken: ze liggen vooral in het midden, dicht tegen elkaar aan. Het kussen aan de rechterzijde ruikt meer naar haar dan de linker. De zware, brede kuil rechts zegt dat hij het liefst boven op haar klimt. Ik zie de twee kringen waar hij met zijn handen steunt en de nog diepere groeven van zijn bonkige knieën. Ik stel me voor hoe hij beweegt en alhoewel het er niet heel indrukwekkend uitziet doordat ik zijn bolle pens niet weg kan denken, vind ik het sensationeel.
Ik trek de dekens van het bed af en daar, aan het voeteneinde, ligt een verfrommelt condoom met vulling. Het ontroert me dat ze zijn lichaamssap met hun voeten warm houden, alsof ze het net iets langer bij zich willen houden, of omdat ze allebei niet degene willen zijn die het afscheid op zich neemt. Doe jij het maar, nee jij, toe nou jij, alsjeblieft jij, nee ik doe het niet, ik kan het niet. Er liggen meer condooms verspreid door de kamer, sommige dichtgeknoopt en andere weer niet, maar niet één ligt in de prullenbak. Ze markeren de plekken waar ze het al eens gedaan hebben en nu niet meer hoeven te doen. Ik kijk in de lades van de nachtkastjes aan weerszijden, aan zijn kant ligt het pakje. Er zitten er nog vier in. Ik haal ze er allemaal uit. Het zuurstofgehalte maakt mijn hoofd licht, maar ik houd de ramen dicht: deze verhouding blijft in leven door de complete aanwezigheid van de ander.
Ik pin mijn naambadge terug op mijn blouse en stop de condooms zorgvuldig terug in het doosje. Die leg ik weer ondersteboven in de lade, omdat ik het ook zo aantrof.

De tweede helft van hun verblijf maakt niemand de kamer schoon. Bij het uitchecken overhandigt ze me de deurhanger, slaat haar stola om en loopt naar buiten. Hij pakt een stapeltje briefjes: ‘Dit is meer dan genoeg, maar zo niet, bel dan mijn privénummer om het te regelen.’ Ik kijk naar de hand die hij op mijn hand legt, met een te dik stapeltje bedrukt papier, waarvan op de bovenste een rijtje cijfers geschreven staat.
Bij het voeteneinde vind ik deze keer niets, maar achter de prullenbak ligt een half leeggelopen rubbertje boven op een plakkerig poeltje. Naast het toilet ook, en eveneens achter de wieltjes van de passpiegel. Ook bij deze twee heeft zijn vocht een uitweg gevonden via de gaatjes. Zoals ik had gehoopt focusten ze zich alleen op elkaar en op de volgende daad. Geen blikken achterom, want thuis zullen ze alles moeten ontkennen en dat gaat makkelijker als je er niet goed naar gekeken hebt. Ik denk dat ze niets hebben gemerkt. Vanuit hun kuil aanschouw ik tevreden het resultaat en daarna verduister ik het bewijs, mochten ze zich over een paar maanden toch gaan afvragen hoe ze in dit avontuur beland zijn.



Wie is gastschrijver?

Dat ben jij! Nou ja, als je een beetje handig met woorden bent. Jouw verhaal ook op de website van Schrijversgenootschap De (Voorheen) Lege Bladzijde? Stuur je beste werk naar info@schrijversgenootschap.nl en laat je lezen!
Standard