Zwarte Piet

Ons vaderland

Waarom voetbal je niet gewoon? Voetbal is makkelijk,” zegt Khaled.
“Ik houd van gevaarlijke dingen en gevaarlijke sporten. Daarom doe ik aan klimmen,” antwoord ik.
“Als je zo van gevaarlijke dingen houdt, moet je eens naar Syrië gaan,” kaatst Khaled grijnzend terug.

Hij laat me zijn arm zien. Ik staar naar een ontsierend litteken over de hele lengte van zijn onderarm. Zijn vel ziet eruit alsof het gehecht is met een breinaald.
“Wat is er met jou gebeurd?,” vraag ik.
Hij haalt zijn schouders op.
“Bom,” zegt hij droog, voordat hij een ontploffend geluid nabootst.
Ik verwijder een denkbeeldig pluisje van mijn broek en schuif wat heen en weer op de plastic stoel. Rechts van me hangt Khaled onderuitgezakt op een leren bank. Links naast me leunt Achmed met zijn schouders tegen de betonnen muur.
“Wil je onze sportruimte anders zien?,” vraagt Achmed.
“Daar zijn ook touwen waarin je kunt klimmen,” grapt Khaled.
“Oké, is goed,” antwoord ik hen.
Ik denk aan wat de hoofdvrijwilliger me een uur geleden nog op het hart drukte: “nooit alleen met ze naar boven. Ik doe het weleens hoor, maar ik ben een oude vrouw. Jij bent een jonge meid, dat risico moet je maar niet nemen.”
“Waar is die sporthal eigenlijk?,” vraag ik Achmed, terwijl we met zijn drieën door de tl-verlichte Oostvleugel lopen.
“Op de tweede verdieping,” antwoordt hij. Hij gebaart naar een trap en ik loop voor hen uit omhoog.
“Boven rechts de hoek om,” hoor ik vlak achter me.
We wandelen langs een lange rij met cellen. Soms wel een deur, soms niet. Er zit een man van middelbare leeftijd op het toilet in zijn kamer. Hij kijkt me aan. Het lukt me niet om de andere kant op te kijken.
“Hier nog een trap omhoog,” zegt Achmed, als we aan het eind van de gang aankomen.
Boven kom ik tot stilstand voor een zware, metalen deur.
“Hier?,” vraag ik.
Achmed schiet me voorbij, opent de deur en laat mij en Khaled voorgaan.
We stuiten op vijf mannen en twee vrijwilligers die om en om lachend achter een volleybal aanrennen.
“Doe anders mee,” oppert een donkere man met zwarte krullen al hij ons opmerkt.
Ik schud van nee en observeer het schouwspel vanaf de zijlijn.
“Wil je ook ons theater zien anders?,” vraagt Achmed me na een tijdje.
Nog voordat ik kan antwoorden houdt hij de deur al voor me open. We lopen opnieuw langs een lange rij kamers. Enkele vertrekken zijn leeg. Er staan legergroene klapbedjes rechtop tegen de wand.
“Volgende week komt er nog eens tachtig man,” legt Khaled uit als ik naar binnenkijk.
“Dan moeten we een kamer gaan delen,” vult Achmed aan.
“Hier omhoog,” zegt Khaled. Hij knikt in de richting van weer een andere trap.
Ik staar naar de verdieping beneden door de vierkante gaatjes tussen mijn voeten: “je kunt maar beter niet alleen met ze naar boven gaan. Als vrijwilliger blijf je op de begane grond,” echoot het in mijn hoofd.
Halverwege de trap haalt Achmed me in en gaat me voor door een nog grotere, metalen deur. Even later staan we in een rechthoekige ruimte. Boven ons ondersteunen ebbenhouten balken het plafond. Langs de zijkant hoge, met tralies bedekte ramen. Het heeft wel wat weg van een kerk.
“Daar hielden we afgelopen maandag nog een jamsessie,” vertelt Achmed. Hij wijst naar het podium aan het eind van ruimte. Zijn woorden weerkaatsen tussen de muren.
“Dat doen we iedere maandag om drie uur,” galmt Khaled hem na. “Kom je anders eens meedoen?”
“Perfecte akoestiek,” antwoord ik.
“Daar rechts, achterin dat kleine kamertje, staan alle instrumenten. Wil je kijken? De deur is open,” zegt Achmed. Hij staart naar een deur naast het podium.
Ik wiebel wat heen en weer, maar wil niet onbeleefd zijn, dus knik toestemmend. Achmed gaat voor. Khaled loopt op een halve meter afstand achter ons aan.
“Kom,” wuift Achmed, vlak voordat hij in de kamer verdwijnt.
Ik leun met mijn schouder tegen de deurpost. Khaled wurmt zich langs me heen, opent een metalen kast en pakt er een rond uitziend instrument uit.
“Ken je dit? Dit is een snare drum,” zegt hij terwijl hij een roffelend geluid maakt met zijn vingertoppen.
“En kijk we hebben ook versterkers, die zijn voor deze,” voegt Achmed toe. Hij houdt een elektrische gitaar in de lucht.
“In deze tas zit een percussie, maar er is nog niemand die het kan bespelen. “Speel jij misschien percussie?,” vraagt Khaled. Hij duwt de tas in mijn armen.
“En weet je wat dit is? Een tamboerijn.” De belletjes rinkelen als Achmed het instrument ritmisch tegen zijn been tikt.
“Kijk, hier is een klarinet.” Khaled strijkt voorzichtig met zijn vingers over het hout van de beker en zet het instrument aan zijn mond. Bij het klinken van de eerste noot springen mijn armharen al overeind. Khaled vult de kamer met een troostende en ook deerniswekkende melodie.
“Dit lied is voor jou en gaat over ons vaderland,” vertrouwt Achmed me toe voordat hij in het Arabisch begint te zingen.

Door: Danja Raven
Voor alle vluchttelingen van de Havenstraat

Standaard
Zwarte Piet

Gelukkige dagen

Maarten nam een slok bier, keek de cirkel even rond of iedereen bij de les was en zei toen: “Kijk, dat hele kerstverhaal heeft geen Zwarte Piet. Nooit gehad ook. Volgens mij beseffen we niet hoeveel gezeik dat op jaarbasis scheelt.”

Middels een kort knikje gaf ik de baas gelijk. Zo deed ik het al jaren omdat je dronken mensen op een kerstborrel zo weinig mogelijk moet tegenspreken. Dat brengt volgens de Chinezen ongeluk voor het komende jaar.

Lamzaam liep ik weg van de zuiplap en zocht mijn eigen bureaustoel op, een van de weinige objecten die de meisjes van de afdeling ook dit jaar niet hadden durven versieren. Ik plofte neer en nam nog eens een slok wijn. Mijn god, was het al weer Kerst?

Met mijn poten op het bureau keek ik naar het kluitje collega’s dat lallend en lachend bij de kopieermachine het jaar aan het afsluiten waren. Niet geholpen door de wijn, had ik moeite met al hun namen te herinneren. Tuurlijk, dat waren Frank en Henny van de boekhouding, die rooie deed iets met inkoop en daarnaast, met die rare pet, stond Berry en die was wat mij betreft niks anders dan een tovenaar met computers. Maar de rest? Stagiaires? Geen idee. Of mocht aanhang ook komen?

Marianne was nu al elf jaar weg en wennen deed het nooit. Bijzonder hoe één persoon je hele leven kleur kan geven. Een keer had ik verteld hoe ik haar miste, aan Eefje, die een paar maanden de afdeling op uitzendbasis had versterkt. Slimme meid, die gelukkig mijn advies had opgevolgd en de lat wel hoger had gelegd. Na haar laatste werkdag vond ik een briefje in mijn la: “Niets staat geluk meer in de weg dan de herinnering aan geluk.”

“Fritsema!” bulderde de baas bij mijn bureau. “Wat kijk je ongelukkig, man. Het is verdorie Kerst! The season to be jolly! Ho ho ho, hahaha!”
Ik perste er een lachje uit en keek naar Maarten, de oudste zoon van de man die jaren geleden iets in mij zag. Met die rendieroren was het nog moeilijker het ventje serieus te nemen.
“Jij ook gelukkige dagen,” zei ik tenslotte en stond op. Het was mooi geweest.

Standaard
Zwarte Piet

Drie stuiterballen

Het zijn zware tijden voor Zwarte Piet. Er is in feite dus eigenlijk niks veranderd.’
Zo begon de cabaretier zijn Sinterklaasconference en de meeste mensen in de zaal lachten. Wilma niet. Wilma voelde de bui al hangen, die linkse rakker ging hier gewoon een eeuwenoude traditie kapot maken. Belachelijk, want de kinderen. Denk toch in godsnaam aan de kinderen, dacht ze.

Ook Willem lachte niet, maar dat kwam omdat in de openingszin van de cabaretier ‘in feite’ en ‘eigenlijk’ volgens hem hetzelfde betekenden en er dus sprake was van een tautologie. Wilma en Willem zaten zuchtend naast elkaar en meenden verbintenis te voelen toen ze elkaars frustratie bemerkten. Na de volgende grap van de cabaretier deed Willem zijn hand in zijn zak, haalde drie stuiterballen eruit en rolde ze naar voren.

De middag voor de cabaretvoorstelling had Willem een sekslijn gebeld. Hij kreeg te maken met Savannah en hij had gevraagd of dat haar echte naam was, hoe naïef dat ook mocht zijn. Vanzelfsprekend zei ze van wel. Hij vroeg haar of ze zwart was en had daar direct spijt van. Het kon hem niets schelen, hij vroeg het vanwege haar naam, wilde haar geschiedenis kennen. Toen vroeg hij naar haar mening over Zwarte Piet en zei voordat ze kon antwoorden dat hij voor verandering was en citeerde Obama. Ze zei dat ze er niks over kon zeggen en dat begreep hij. Daarna vertelde hij haar dat hij zich de laatste tijd wat eenzaam voelde. Dat hij een gescheiden man met inhammen was. Dat hij van de psycholoog een manier moest vinden om zichzelf te kalmeren. Dat hij een spijkerbroek van een bekend merk had gekocht en naar Tame Impala had geluisterd. Maakte hem dat dan niet hip? Was hij nu geen frisse, volwassen man die bij de tijd was? Hij had zonder het zelf door te hebben Savannah steeds Erika genoemd, wat niet erg bleek te zijn. Toen hij had opgehangen, hijgde hij nog flink na.

Wilma was die ochtend in alle vroegte naar de supermarkt gegaan. Het was nog donker geweest toen ze op haar fiets stapte en toen ze vijf minuten later bij de Lidl aankwam nog. Aangezien ze op maandag al voor de hele week boodschappen in huis had gehaald, hoefde ze vandaag alleen maar de Sinterklaasinkopen te doen en dus trapte ze maar in enkele voordeelaanbiedingen op weg naar het snoepgoed. Daar aangekomen wond ze zich inwendig op over de kleur van de Pieten die ter decoratie in de winkel hingen, ze was een vrouw die moeilijk met verandering om kon gaan. Chocola is toch ook altijd donker, dacht ze, daar windt niemand zich over op. Ze legde twee kilozakken chocoladepepernoten en vijf chocoladeletters in haar kar, voor elk kind een.

Bij de kassa hoefde ze niet in de rij, een van de voordelen van het ochtendshoppen. Het met een hoofddoek getooide kassameisje scande de producten een voor een en Wilma keek ernaar met een gezicht alsof de boodschappen eerst door de varkensstront werden gehaald voordat ze die mee naar huis kreeg. Ze keek weg, om het tafereel niet aan te hoeven zien. Achter haar in de rij stond een man met enkel een netje stuiterballen in zijn mandje. Een gele, een groene en een met alle kleuren van de regenboog. Ze glimlachte naar hem. Uit ongemak, maar ook uit interesse. Wie ging er nou ’s ochtends vroeg naar de supermarkt voor een paar stuiterballen? Vast een Sinterklaascadeau. Een blanke man van haar leeftijd met kinderen. Prettige aandacht van deze man leek haar verre van uitgesloten.

De man glimlachte terug en kwam zelfs op haar af. Hij zei dat hij ze hem zijn brutaliteit moest vergeven, maar dat ze er fantastisch uitzag. Hij vroeg of ze zin had die avond om mee te gaan naar een Sinterklaasconference in de schouwburg, hij had een kaartje over. Dat hij haar bij het afscheid Erika had genoemd, had ze voor lief genomen.

Standaard
Zwarte Piet

Weg staf

Mijn wangen begonnen te gloeien, mijn ogen te tranen en mijn rug te jeuken na het telefoontje. Ik werd vervangen. 33 jaar lang was ík de Sinterklaas die elke derde zondag van november het dorp binnenvoer met de pakjesboot, omringd door tientallen pietjes. De een haalde nog ingewikkelder capriolen uit dan de ander, ze dansten op de veerstoep, strooiden pepernoten en schuimpjes en zorgden dat mijn paard stil bleef staan als ik onwennig mijn voet in de stijgbeugels zette.

Eén zondag per jaar reed ik paard, één zondag per jaar werd ik op handen gedragen, één zondag per jaar was ik de belangrijkste man van Alem. Voor de kinderen dan. Ik sprak met de burgemeester, mocht door de microfoon praten in het dorpshuis en iedereen was dan stil. Ik had overwicht. Als ik zei ‘Piet, geef die kleine Lola eens een handje lekkere pepernoten’, dan werd er niet tegengestribbeld. ‘Even wachten pap, ik doe het zometeen, ik heb geen zin.’ Nee, het werd gewoon gedáán. ‘Ja Sint. Natuurlijk Sint.’
Mijn vrouw Sjan stond er bij en keek er naar. Eén zondag per jaar hield ze haar mond. Voor de paar uur dat het duurde dan. Ze moest wel; ik was immers Sinterklaas. Als ze me zou aanspreken met ‘Johan, zeg jij nou óók eens wat’, dan zouden de kleinsten in opperste verwarring worden gebracht. En Sjan wil veel mensen heel wat aandoen, maar de kleintjes van hun geloof laten vallen ging zelfs haar te ver.

‘Ben ik te oud dan?’, vroeg ik door de telefoon aan de voorzitter van het sinterklaascomité, toen hij op 3 juni belde. Nee, niet te oud, dat was het niet, maar 33 jaar is een lange tijd en ze waren toe aan iets nieuws. Als ze zelfs in Alem toe zijn aan iets nieuws, dan weet je dat het menens is met het verkrachten van een eeuwenoude traditie van een kinderfeest.

Het is vandaag de derde zondag van november en ik sta aan de Maas te wachten op de pakjesboot. Tranen branden achter mijn ogen en mijn vrouw staat naast me en ze zeurt aan mijn kop. Kinderen staan vol verwachting op de veerstoep, te wachten tot hun grootste angst en hun grootste vriend het dorpje binnenvaren. Mij zien ze niet. Deze derde zondag van november ben ik niet meer dan een oude man die staat te kijken hoe Sinterklaas binnenkomt.

‘Ik ben benieuwd naar dat nieuwe’, mompelt Sjan en ik haal mijn schouders op. ‘Zouden ze gekleurde pieten hebben? Of clownspieten? Of witte pieten? Maar waarom moesten ze jou dan wieberen? Je hebt er zeker niets tegenin gebracht? Het maar gewoon laten gebeuren, zoals altijd?’ Ik zucht en Sjan houdt haar mond. Haar hoofd draait naar links, tegelijk met alle andere hoofden van ouders en kinderen die op de veerstoep staan te wachten. Het witte paard dat aan de rand staat, schraapt ongedurig met zijn hoef. De boot komt aan varen.
Mijn wangen beginnen te gloeien, mijn ogen te tranen en mijn rug te jeuken. Jeremy, de enige dorpsneger van Alem, zo’n 33 jaar geleden geadopteerd door Krijn en Lia van Duren, draagt mijn mijter, mijn mantel en mijn staf.

Standaard
Zwarte Piet

Mannen zijn mooi omdat ze geen vrouwen zijn

Ik vroeg wat er eigenlijk mooi is aan mannen. Ze keek me scheef aan en antwoordde dat het in ieder geval geen vrouwen zijn. Ze wachtte niet op de vragen die deze stelling opriep, maar ging vrolijk verder. Mannen zijn zo lekker groot en sterk. Mannen aanbidden je als vrouw. Mannen geven je vaak gelijk. Mannen transformeren als ze tegen vrouwen praten. En mannen hebben van die mooie mannelijke spieren. Ze glimlachte en keek naar m’n armen.

Oké, zei ik, je moet dat van het niet-vrouw zijn toch even voor mij uitleggen. Ik keek haar glimlachend in de ogen, genietend van de plotseling ontbrandende passie. Vroeger dacht ik altijd dat alleen mannen echt hoteldebotel kunnen zijn van het andere geslacht, maar andersom geldt dat duidelijk ook. En dat heeft vooral te maken met het bij mannen ontbreken van vrouwelijke kwaliteiten, zo lijkt nu.

Nou, begon ze, vrouwen zijn heel vermoeiend. En je hebt een man nodig om dingen te relativeren, want vrouwen gaan veel te veel mee in emoties. Ik denk, stelde ze na een korte stilte, dat vrouwen onzeker zijn zodat ze het fijn vinden bij mannen.

Ik keek uit over het terrasje waar we zaten. Een vrouw van een jaar of vijfenvijftig met een kortpittig kapsel kreeg de theesoorten opgesomd door de serveerster. Bij ‘Zorgeloos’ kraaide ze enthousiast: “Zorgeloos?! Ik heb zat zorgen, dus kom maar op! Dat kan ik wel gebruiken!” Haar vriendin knikte en zei: “Ja voor mij ook, lekker.”

Grinnikend keek ik weer naar mijn vriendin. Volgens mij, opperde ik, speel je de vrouw de zwartepiet toe.

Wat bedoel je, vroeg ze.

Nou, als je een man vraagt wat er mooi is aan een vrouw, dan noemt hij bijvoorbeeld haar ogen, haar zachte huid, haar mooie haar, haar lieve, zorgzame karakter, haar rare humor, haar billen, de kuiltjes in haar wangen, haar borsten warempel, haar kleine teentjes aan even zo kleine voetjes, haar buik, haar gevoeligheid, haar vermogen om overal over te huilen, haar minuscule blaas, haar liefde voor chocola, haar navel, haar hals, haar oorlellen, haar pasgeschoren benen, haar constante inspanningen om het jou naar de zin te maken, en nog veel meer.

Oh, zei ze.

Maar mannen zijn dus vooral mooi omdat het geen vrouwen zijn, constateerde ik.

Ze reageerde niet, keek naar de groene thee die nog steeds een paar graden te heet was.

Ik keek naar een ander tafeltje, waar drie jongemannen bier zaten te drinken. Daarnet lachten ze hard, alsof ze de rest van het terras wilden overtuigen dat ze het écht, écht heel erg gezellig hebben. Nu sprak een van hen, een vrij gezette knul met strakgekamd haar waaronder zijn inhammen tevoorschijn kwamen: “Water wordt pas écht lekker als het door een brouwerij is geweest.”

En opeens begreep ik er helemaal niks meer van.

Standaard
Zwarte Piet

Eefje

De dag begon al onbehaaglijk toen Marieke in de bosjes op het schoolplein een dode meeuw zag liggen. Zijn nekje was naar achteren gebogen, uit het hoofdje kwam roze prut.

Daarna bleek er een nieuwelinge in de klas te komen. Ze heette Eefje en ze had felrood haar dat om haar hoofd heen krulde als de vacht van een lammetje. De juf zette haar twee tafeltjes verderop neer en Marieke bestudeerde haar sproetjes, de etui vol gelpennen, het kriebelige handschrift waarmee ze haar naam op haar schriften schreef. Ze had de goeie, met paarden.
Bij het voorstellen zei de juf:
“Eefje houdt heel erg van dieren. Haar oom is dierenarts en ze mag wel eens meehelpen in de praktijk.”
En Marieke’s vriendinnetjes dromden zich om haar heen om verhalen te horen over hoe ze pluizige jonge katjes mocht voeren onder een warmtelamp. Die pauze vertelde Marieke hen dat Eefje van haar vorige school was weggestuurd omdat ze gestoord was.
“Echt niet,” zei Faye. “Ze is gewoon normaal. En ze is superaardig.”
De volgende dag gingen Faye en Rashida bij Eefje staan in de pauze. Marieke vertelde haar vriendinnetjes dat Eefjes verhalen over de dierenkliniek verzonnen waren. Er was nergens bewijs voor dat het echt was, toch?
“Maar hoe moet ze dat bewijzen, dan?” vroeg Tanja.
Marieke keek naar Faye en Rashida, die yoghurtrozijnen uit Eefjes broodtrommel aten en veel te hard lachten.
“Haal haar maar. Ik weet wel wat.”
Dus ze werd gehaald, kwam aangelopen in haar roze jasje dat al even fel kleurde als haar haren, en Faye en Roosje kwamen mee. Maar Marieke liet hen wachten bij Tanja en de rest. Dit was iets tussen haar en Eefje.
“Getver,” zei Eefje, toen Marieke haar de dode meeuw liet zien.
“Je moet ‘m beter maken.”
Eefje schudde haar hoofd. “Hij is dood.”
“Echt niet, ik zag hem net nog bewegen. Kijk, hij ademt.”
En Eefje boog zich over de meeuw. Marieke zei: “Kijk dan”, tot Eefje zich zo ver over het beest had gebogen dat Marieke haar kon duwen, en Eefje van schrik haar hand in de meeuw zette. Overal roze prut. Ze gilden allebei.
Marieke hoefde het verhaal van hoe Eefje een meeuw vermoord had niet eens zelf te verspreiden. Ze deed het roze jasje nooit meer aan naar school en Faye en Rashida aten geen yoghurtrozijnen meer. Toen ze er een paar weken later met Sinterklaas een meeuwenknuffel uit de zak kwam begreep Zwarte Piet niet waarom Eefje moest huilen. Noch de juf, noch Sinterklaas wist waar die knuffel vandaan kwam, en niemand wilde wat zeggen. Maar Marieke zat achterin de klas en sabbelde zwijgend op een pepernoot.

Standaard