Amsterdams gebouw

De andere kijk

Op de derde etage van het Amsterdamse herenhuis hangt een spiegeltje.
Deze spiegel is op een dusdanige manier gemonteerd dat je via hem op de straat kan kijken, zonder dat de voorbijgangers je zien.

Door Gabriël van Eekelen

De spiegel gaf veel geheimen bloot. Zo zag een bewoonster jaren geleden hoe haar partner wild zoenend afscheid nam van een veel te jonge, veel te blonde collega. Niet veel later braken harten, net als het servies.
Of die ene keer dat een toerist het nodig vond om stomdronken in de brievenbus te pissen. Want dat is lachen. Helaas voor hem had de Duitse Herder van de benedenbuurman zin in worst.
De spiegel kijkt ernaar. Observeert.

De spiegel kijkt ook naar binnen.
Binnen ziet hij uitgebluste stellen op de bank naar RTL Boulevard kijken. Hij is getuige van wilde vrijpartijen, extreme ruzies, dronken familiedinertjes, kindermishandeling. Achter de dikke eikenhouten voordeur, op de derde etage, wordt het leven vormgegeven zoals het is. Zonder masker geeft de mens zich bloot. Met haar dierlijk instinct. Evolutie is ver te zoeken in de veilige haven die thuis heet.
De mens is in staat zichzelf telkens weer te verbeteren. Zeker op technologisch vlak. Jammer alleen dat het niet in staat is om van haar fouten te leren.

Zo was de spiegel getuige van de geboorte van een prachtig meisje. Een onschuldig hoopje mens, volledig afhankelijk van haar ouders. In de tien jaar dat het meisje op de derde etage woonde zag hij haar groeien. Van een klein mensje ontpopte ze zich tot de miniversie van een prachtige vrouw.
De spiegel was op een vroege morgen ook getuige van het moment dat het meisje zwijgend haar koffer pakte, een briefje op tafel legde en de deur zachtjes sloot. Uren later las de moeder het papier. De spiegel kon de woorden maar net lezen, zo klein was het geschreven: “Nooit meer zal papa aan mij komen,” stond er.

Een ander gezin woonde er, muisstil. Als ze al liepen was dat in de nacht, op sokken. Dat hield het gezin zeker een jaar vol. Tot het moment dat de spiegel groene mannen met ronde helmen en geweren de zware eikenhouten deur zag ontwrichten. Met veel kabaal werd het gezin de etage afgeschopt. Behalve het jongste kind dat zich door zijn moeder had laten opsluiten in de dekenkist.
De sleutel hing aan zijn moeders nek.Pas twee dagen later werd hij bevrijd door een jonge vrouw, Gisela Söhnlein.
Nog geen uur later werd de etage leeggeroofd. Pas na jaren richtte een nieuwe bewoner er zijn droomhuis in. De koelkast vol drank, zijn vrouw elke week een blauw oog verhullend met make-up.
Mensen leren niet van hun verleden.

Het raam wordt geopend. Een schroefmachine verlost de spiegel van zijn stevige positie, drie hoog bij het raam, ergens in een Amsterdams herenhuis.
De spiegel wordt naar binnen getild en verwondert zich door de grootte van de ruimte. Al die jaren zag hij een klein gedeelte van de kamer. Nu ziet hij een enorme grote ruimte, vol met kleine nissen, ornamenten aan het plafond en op de vloer keukentrapjes, blikken verf een grote zwarte emmer.

Achteloos wordt de spiegel in de emmer gegooid. Een barst is het gevolg. Via een touw wordt hij door het raam naar het trottoir gedelegeerd en iemand stort de spiegel uit in een grote container. Vanuit zijn nieuwe positie ziet hij het raam, het raam waar hij al die jaren mee verbonden was. Zijn nieuwe eigenaar installeert een camera op zijn plekje.

Technologie. It’s a bitch.

Standaard
Amsterdams gebouw

Als dat dan dit

Voor de architectuur is Auke niet naar Amsterdam verhuisd. Hij is niet het type dat verliefd kan worden op een grachtenpandje. Nee, Auke woont nu al 4 jaar in Amsterdam omdat hij tijdens een vrijgezellenfeest de vrouw van zijn dromen in de buurt van het Leidseplein niet alleen had zien lopen maar ook meteen had laten lopen. Want tja, kom maar eens snel van een bierfiets.

Daarna was-ie haar natuurlijk niet meer tegengekomen. Amsterdam is groot en met al dat gebouw en verbouw lijkt het alleen maar drukker te worden.

Als hij schrijver was geweest, had hij er prachtig over kunnen verhalen. Een verliefde jongen, hopeloos voor zich uitstarend in tram 1, 2 of 5 en maar wachten op het moment dat zij zijn leven incheckt.
Maar als telt niet in het leven en sentimentele schrijvers zijn er al genoeg.

Waarom blijven wonen in Amsterdam? Zijn Friese ouders stellen die vraag bij elk sporadisch bezoek van hun Auke. Kom toch terug, jongen. Stop met dit dwaze gedoe, neem het heft weer in eigen hand. En dat famke van Kamminga, iets verderop aan de Burgermeester Emmenslaan, heeft nog geen vriend, moeten wij anders eens polsen of ze…
Maar voordat ze hun zin kunnen afmaken, zit Auke al weer in de trein terug naar zijn beoogde hoofdstad van de liefde.

‘Auke, luister eens,’ zei de even welbespraakte als aantrekkelijke collega Harm laatst over een klein biertje in de buurt van het Leidseplein. ‘Misschien zoek je helemaal niet naar deze specifieke vrouw, maar staat ze in al haar volmaaktheid symbool voor het leven dat je even dacht te zien en waar je nu al vier lang tegen beter weten in aan vast probeert te houden.’
Auke had zijn voeten even op de trappers laten rusten en alleen geknikt.
‘En deze bierfiets,’ ging Harm verder, ‘die staat gewoon voor alles wat fout is in de wereld. Als ik heel eerlijk ben, heb je al deze onheil over jezelf afgeroepen.’
Auke had gelachen en Harm er van verdacht stiekem zo’n schrijver te zijn.

Maar Auke overweegt het soms wel. Probeert hij voor te stellen hoe het zou zijn om terug te keren naar het dorp waar niet eens trams rijden om weekhartig uit het raam te kunnen kijken. En zij van Kamminga is misschien best oké.

Maar net zoals Auke al vier jaar wacht op het weerzien met die Amsterdamse droomvrouw, wacht hij al bijna net zolang met opgeven. Krijg daarbij maar eens een bierfiets de trein in.

Standaard
Amsterdams gebouw

Als een gebouw

Ik duik diep in mijn jas en kijk naar de spiegelruit van het gebouw tegenover me. De ruit waar ik dag na dag tegenaan zit. Gek dat het me nooit is opgevallen dat de rest van het straatbeeld erin weerkaatst, inclusief mijn rug, maar die onttrok ik aan het zicht van anderen.

Ik kijk naar mezelf. In de spiegeling van de ruit is het winter, grijs en kil. Het herenhuis waar ik tegenaan zit, ziet er nu heel anders uit. Het is donkerder en de balkons onder de trapgevel lijken te golven.

Ik ben oud, ik weet niet eens precies hoe oud, maar dat ik de zeventig voorbij ben is zeker.
Mijn dagen breng ik door met zitten, kijken en wachten terwijl ik niet weet waarop ik wacht. Het gekke is dat ik gelukkig ben. Ik heb geen cent, geen dak boven mijn hoofd en ik ken weinig liefde, maar gelukkig ben ik. Ongegeneerd gelukkig omdat dit het is.

Vandaag ben ik aan de overkant gaan zitten. Bob, de kat die ik steevast van mijn plek jaag, heeft vannacht zijn kans geroken toen ik voor het eerst deze winter genoodzaakt was binnen te slapen. Dat katten stinken wist ik, dat het erger zou zijn dan mijn eigen stank had ik niet kunnen bedenken.
Bob is niet zoals ik, dat weet ik omdat hij een halsbandje draagt met daarop een telefoonnummer. 020nogwat. Vroeger onthield ik zulke dingen. Het telefoonnummer van mijn moeder zat nog lang na haar dood in mijn geheugen gegrift. Van elke auto die hier dagelijks voorbij kwam kende ik het nummerbord uit mijn hoofd.

Erik loopt aan de overkant van de straat. Ik weet niet of hij Erik heet, dat is de naam die ik hem gegeven heb. In mijn fantasie werkt hij bij de bank verderop. Hij begint om negen uur ’s morgens en geeft leiding aan de zakelijke afdeling. Om half zes gaat hij naar huis, waar zijn vrouw voor hem kookt en ’s avonds speelt hij een spelletje schaak met Jan, zijn zoon. Zijn leven hangt aan elkaar van zekerheden en loopt ‘op rolletjes’, zoals ze dat zo mooi zeggen. Maar nu even niet, zie ik. Nu aarzelt hij als hij langs mijn plekje loopt. Hij kijkt vertwijfeld om zich heen en loopt dan door naar de bank. Ik glimlach.

Er valt een euromunt voor mijn voeten, ik raap het ding op en kijk wie het naar me toe gegooid heeft. De man in de lange jas is al verderop, ik herken hem niet. Ik wil een bedankje roepen. Het is lang geleden dat iemand geld aan me gaf. De mensen die ik zo goed heb leren kennen zien mij niet. Ze haasten zich voorbij, op weg naar hun werk of naar huis via hun precies uitgestippelde route. De sporadische toeristen die in dit deel van de stad komen, kijken vooral op hun kaart en naar de straatnaamborden. Ik zou ze kunnen helpen; ik ken de stad op mijn duimpje, maar het komt in niemand op om mij om hulp te vragen.

Marianne komt de hoek om, met haar teckel Lola. Dit is haar vaste rondje, dat ze altijd loopt als haar man naar zijn werk bij de Nederlandse Spoorwegen is en haar kinderen in de tram naar school zitten. Lola snuffelt aan mijn plekje. Het ruikt nieuw voor haar. Ze heeft er nooit eerder ononderbroken kunnen snuffelen. Ze plast en verdrijft daarmee Bobs geur, of ze maakt het alleen maar erger. Haar bazin bekijkt de natte vlek en dan om zich heen. Ze haalt haar schouders op en trekt de teckel achter zich aan. Ze loopt wat sneller dan daarnet. Er valt weer een munt voor mijn voeten, vijftig cent deze keer. Ik kijk op, de vrouw lacht schuin en gaat er dan vandoor. Een euro en vijftig cent op één dag. ‘Ik moet vaker ergens anders gaan zitten’, grinnik ik tegen de gootput en ik hoest een droge lach.

Een klein meisje aan de overkant van de straat trekt aan haar vaders broekspijp en hij houdt zijn pas in. ‘Papa?’, haar stemmetje klinkt als een trambel, waarschuwend maar ook melodieus. ‘Waar is die meneer die hier altijd zit? Hier zit toch altijd die meneer, papa? Waar is hij?’ Haar vader aait over haar haar en zegt dat ik waarschijnlijk even boodschappen ben doen en ik vraag me af wat ik voor één euro vijftig zou kunnen kopen. De vader tilt zijn dochter op om verder te lopen. Over zijn schouder kijkt ze naar het raam waar ik altijd voor zat. Ik zie haar zoekende gezichtje weerspiegeld in de spiegelruit.

Ik ben als een gebouw. Pas op het moment dat het weg is, realiseer je je dat het er was.

Standaard
Amsterdams gebouw

Stilstaan (op de pont)

Elke dag ga ik met de pont naar mijn werk. Ik zie die pont als een gebouw en ik snap het als jij dat niet doet. Gebouwen staan doorgaans stil, en de pont beweegt zich voort: het is een van de duidelijkste verschillen. Maar soms beweegt de pont zo langzaam dat je nauwelijks het idee hebt dat hij beweegt. Vaak staat hij overigens wel stil, aan de waterkant. Net als ik.

De pont verschaft mij de tijd om stil te staan. Hij verplicht me stil te staan tot we in beweging komen, maar hij geeft me ook de tijd om stil te staan bij de tijdelijke bezetters van het gebouw. Naar sommige kort, naar andere langer. Als woon-werktrajecten gebouwen waren, ging ik van pand naar pand. En dan lekker naar binnen kijken.

Buiten de pont zie ik een vader en zijn zoon. Ze zitten op een ouderwetse fiets, een klassieke gazelle met dubbele stang. Ze lachen. De zoon uitbundiger dan zijn vader. Vader zit op het zadel, de jongen op het zitje op de stang. Vader laat zijn handen over het gezicht van zijn zoontje gaan: het ontroert me. Ik vul van alles in. De pont is een museum waar ik rond kan kijken en zelf bepaal wat ik van de stukken vind, en wat zij betekenen. Ik kijk naar de kunstwerken die mijn vluchtige medebewoners zijn. Twee vrouwen maken hun gezicht op. Voor me staat een vrouw in haar fiets. Ze heeft een zwarte spijkerbroek aan. De billen in de broek lijken precies op haar leren rugzak, met twee van die vakjes aan de zijkant. Ik heb geen idee van de inhoud van de tas, maar het vormt zich op precies dezelfde manier als het vlees van de billen in haar broek. Ik sta kort stil bij mijn constatering en besef dat die geenszins erotisch van aard is: ik kijk puur naar de overeenkomst tussen de vorm van haar lichaam en die van haar tas. Hierna ruik ik een natte hond, die ik niet zie. Twijfel even of ik het zelf ben.

Maar nee, mijn oog valt op een man met warrig haar en afwijkende kledij ten opzichte van de rest van de pontbezetters en denk: de pont is een gesticht. De man oreert, hij dicht, in een heerlijk Brits accent. Maar dan herken ik de tekst. Het ging zo:

Lying in my bed
I hear the clock – Tick – And,
I think of – you
Caught up
in circles, confusion
is nothing new
Flashback – warm nights,
Almost left behind?
Suitcases of memories,
Time
After time.

Ondanks dat ik weet dat het Cindy Laupers tekst is en niet de zijne ,raakt het me. Dan ga ik de pont af, morgen weer een dag.

Vandaag zie ik dezelfde man als gister, die van het zoontje op de stang. Zelfde tijdstip, zelfde pont, andere dag. Hij komt dit keer van de pont af en heeft geen zoontje bij zich, wel de fiets. Ik denk: hij heeft zijn zoontje net naar school gebracht, en zijn werk is aan deze kant van de pont. Ze waren gister wat laat of juist vandaag wat vroeg.
Waarom vul ik dit in? Hoe moeilijk is het om een tabula eens lekker rasa te laten?
Ik maak een spinnetje los van mijn stuur door zijn weblijn door te halen. Het is niet helemaal gelukt, want hij bungelt nog. Als ik definitief de verbinding met mijn fiets verbreek door het onzichtbare draad te grijpen, dwarrelt hij eerst nog even door de lucht om vervolgens op de grond neer te komen. Op weg naar een nieuwe plek. Ik heb meer het gevoel iets vóór hem te hebben gedaan, dan hem iets aan gedaan te hebben. Ik heb hem de tijd verschaft iets nieuws te ontdekken, in plaats van te settelen op het stuur van mijn fiets. Ik bedenk me dat ik weer aan het invullen ben. Wie ben ik om te bepalen wat goed is voor een spinnetje en zijn web?
Ik kijk op en weer om me heen. Als ik bijna uitgekeken ben, zie ik het onvermijdelijke gebouw opdoemen: kantoor.

Standaard
Amsterdams gebouw

Vallen

In de stad bestaat er niet zoiets als nachtelijk blauw. De lucht is zwart met een oranje gloed van straatlantaarns. Het is november en koud. Bovenop het roestgroene schip waar wetenschapsmuseum NEMO in huist, legt Laurens zijn hand op mijn been. En ik zwijg en wacht.

“Wist jij,” zegt hij, “Dat dit ontwerp helemaal niet bedoeld is als schip? Iedereen noemt het wel zo, maar dat is het dus helemaal niet. Die vorm,” hij tekent de omtrek van het NEMO met zijn andere hand in de lucht voor hem, “is bedoeld als een spiegeling van de IJ-tunnel.”
“Grappig,” zeg ik. De hand blijft waar hij is, de duim zachtjes strelend. De nacht is afwachtend stil. Er scheurt een taxi voorbij, te hard, maar het geluid blijft nauwelijks hangen. De hand brandt op mijn been.
Iets minder dan een jaar geleden zaten we hier ook, misschien een paar treden hoger. Mijn hoofd tegen zijn schouder, dichtbij zijn nek waar het naar Hugo Boss rook, zijn hand niet lafjes op mijn been maar stevig om me heen. Ik moest denken aan de cultuurreis naar Rome, in de vijfde van het VWO. Hoe ik over het Forum Romanum liep met een overijverige docent Latijn, tussen het puin en de ineengestorte gebouwen en dan ineens twee pilaren, die fier overeind naast elkaar stonden. Sterk. Samen.
“Ik moet zo gaan, geloof ik,” zegt Laurens. Hij kijkt op zijn horloge, een betekenisloze beweging maar ik voel de kou op de plek waar zijn hand net lag. Alsof ik daar nu naakt ben. Ik knik.
“Snap ik.”
Maar we blijven zitten, dicht tegen elkaar aan. Zoals toen is het al lang niet meer. Laurens’ pilaar bleef rechtop staan, maar die van mij zakte langzaam tegen hem aan, leunde op hem, wachtend tot hij zou bewegen. En toen hij dat eindelijk deed, een week geleden, begeleid door veel tranen en sorry’s, viel ik. En ik val nog steeds.
“Vertel nog eens wat,” vraag ik hem.
“Ik moet zo gaan.”
“Nog heel even.”
En Laurens vertelt. Over dat er, tegenover waar nu het Centraal Station ligt, tot 1795 een galgenveld lag. Over de Amsterdammers die er op zondag heen gingen om te kijken. Hij legt zijn hand terug op mijn been, waar hij hoort.
Na al Laurens’ sorry’s doen ineens de meest dagelijkse dingen pijn. Kleine snippertjes van een ander leven, een veilig, warm ‘ons’, dwarrelen de hele dag door mijn blikveld. Iemand die zijn merk sigaretten rookt. Fietsen langs het Picassobeeld in het Vondelpark, waar we deze zomer zo vaak zaten. ’s Nachts alle ruimte hebben in mijn tweepersoonsbed. Toen ik Laurens belde, kwam hij. Maar we zitten al een uur in de kou en nog steeds val ik.
“Goed.” Laurens schraapt zijn keel. “Nu moet ik echt naar huis.”
En ik knik weer en wacht. Wacht tot Laurens zich naar me toebuigt, me zoent, of tot in hemelsnaam die hand over mijn dijbeen glijdt en de warmte opzoekt. Tot hij vraagt of ik nog een keer met hem mee naar huis kom of tot hij roept dat hij een idioot is geweest om het te eindigen. Maar hij staat op.
Hij legt zijn hand op mijn schouder, zegt de dingen die je hoort te zeggen bij een afscheid. Ineens waait het, of misschien merk ik het nu pas. De kou wordt scherper, omsluit mijn blote enkels alsof ik mijn voeten in het IJ heb gehangen en drukt tegen mijn dunne spijkerbroek.
Laurens loopt de trap af. Ik blijf zitten bovenop het groene schip dat geen schip is, en ik denk, ik denk dat ik ben gestopt met vallen. Ik denk dat ik eindelijk iets hoor breken

Standaard
Amsterdams gebouw

Een blik op Amsterdam

Ik vertel niet graag waar ik sta. Er zijn hier al teveel toeristen, met hun foto’s, selfiesticks en de goedkope winkeltjes die erbij horen. Laten we het erop houden dat ik hier al lang ben. Lang genoeg om al generaties te zien komen en verdwijnen en de wereld te zien veranderen. Pas sinds een paar jaar weten anderen dat ook. Van buiten lijk ik nog jong. Er was flink wat onderzoek voor nodig om mijn ware leeftijd op waarde te schatten, die alleen aan mijn botten te zien is.

Niet dat mij dat iets uitmaakt. Ik blijf gewoon staan. Ik blijf gewoon kijken.

Tallozen leefden, vreeën en stierven in mij, en ik kan ze me allemaal nog herinneren. Van het dienstmeisje met het diepzwarte haar dat uiteindelijk erfgenaam van mij werd en wiens achterachterkleinkinderen naar het oosten werden weggevoerd tot de bebaarde hipsters van nu. Knullen met een hippe bril, een zwarte strakke broek en een overhemd dat net als vroeger helemaal tot de hals toe is dichtgeknoopt. Jongens die biologisch eten en hun lokaal gebrouwde biertjes instagrammen. Het is per slot van rekening niet niks, als ‘anders zijn’ je grootste uitdaging is.

Zo ging het. Ooit zag ik schillenboeren, stadsomroepers en paardentrams. Nu kijk ik uit over vespa’s, fixies en bakfietsmoeders. Al zag ik die laatste vroeger natuurlijk ook.

De ziekelijke drukte in de tweede helft van de negentiende eeuw staat me nog het meest bij. Er leefden zes gezinnen in mij, met elk tenminste vier kinderen. Ik was gewild. In en om elke ruimte werd gevochten. En ik zag koning alcohol zonder kloppen binnenstormen. Gefrustreerde vaders sloegen hun radeloze vrouwen en het geschreeuw en gekrijs dat daarbij hoorde klonk ook op bij al mijn buren. We waren stille getuigen van een orkaan van geweld in de verstikkende drukte van onze stad.

Wat een contrast was dat, honderd jaar later, toen je als hoogopgeleide dertiger met geen stok de stad in te slaan was. Je ging naar Almere, want daar kon je tenminste leven. Ik ben toen veel verhandeld. Voor prikkies ging ik van hand tot hand, maar ik bleef gewoon staan waar ik stond, ook al was ik lange tijd voor niemand een thuis. Even waren er krakers, mooi volk was dat, maar zij vertrokken toen het ‘zijn’ in Amsterdam weer aantrok. Almere bleek Almere.

Het duurde niet lang, de leegte. Niet op de schaal van mijn leven. Toch ben ik blij dat het voorbij is, want eenzaamheid is niks voor mij. Ik ben gebouwd voor drukte en gekte en gedoe. Ik kan niet tegen stilte.

Ik mag graag kijken naar mijn gekke hipsters. Met hun vloeren van verantwoord hardhout en hun gekke krukjes á 250 euro ‘t stuk. Met hun bindingsangst en hun altijd volle agenda’s. Met hun tatoeages en knotjes en gerecyclede truien.

Ondanks al die rare ideeën en gewoontes verschillen ze niet zoveel van de arbeiders uit 1800. Ze leven, ze vrijen en ze sterven in mij. En ik hoop dat dát nooit verandert.

Standaard