Kop-staartbotsing

Sneeuwkettingen

Wil jij het ook eens proberen?” vroeg hij, en haalde zijn rechterhand van het stuur.
“Weet je dat heel zeker?” aarzelde ze, terwijl ze naar het kabbelende beekje ver onder hen in het donkere dal keek. “Je weet dat ik het eng vind om met zulk weer te rijden, laat staan in de bergen,” en keek weer terug naar de kaart. “Hier links trouwens.”

Door Yan Siegers

“Het is niets anders dan je op de Nederlandse wegen gewend bent, we zitten alleen wat hoger dan gewoonlijk,” zei hij zonder zijn ogen van de besneeuwde weg af te halen, en legde zijn hand op haar been. De natte sneeuw die op de voorruit terecht kwam, werd weggezwiept door de ruitenwissers. “En de sneeuwkettingen die ik om de banden heb gelegd zijn hier in de winter niet voor niets verplicht,” beargumenteerde hij om zijn punt nog wat kracht bij te zetten.

Het was even stil in de auto. Ze gaf aan hem toe. “Nou oké dan. Maar zodra de auto gaat glijden, stap jij weer achter het stuur!” zei ze terwijl ze haar wijsvinger in de lucht zwaaide.

“Beloofd.” Hij grinnikte, maar zei verder niets. “Nu nog even een parkeerplek vinden. Wil je even op de kaart kijken of je iets kunt vinden?” Ondertussen draaide in zijn achteruitkijkspiegel een auto de weg op, en kwam achter hen te rijden.

Ze keek aandachtig op de kaart en wees de weg waarop ze reden aan. Intussen kwamen ze aan bij een haarspeldbocht. Beheerst draaide hij aan het stuur en de auto begon mee te draaien, verder de berg op, waarna hij langzaam het stuur terugdraaide. Toch voelden ze dat de auto niet mee terug bewoog. De achterkant van de auto gleed richting de berm met vangrail, met daarachter een zwarte diepte. Beiden voelden ze de adrenaline die opeens in hun bloedbaan in hun lichaam werd rondgepompt. Langzaam maar zeker kwam de auto tot stilstand. Hij gaf weer gas. De achterbanden begonnen weer te slippen, maar ze kwamen toch weer vooruit.

“Dat bedoel ik dus!” riep ze iets te luidruchtig in de kleine cabine en liet de kaart op haar schoot vallen.

“Ja, dat heb je soms met die scherpe bochten hè? Maar net zoals in die slipcursus had ik het helemaal onder controle. Er was niets aan de hand,” kalmeerde hij haar. “Kijk nou maar of je een parkeerplaats kan vinden.”

Ze maakte een afkeurend geluid en legde haar armen over elkaar heen. “Ik kon er geen vinden.”

“Er zal toch wel een parkeerplaats of uitkijkpunt te vinden zijn?” Hij fronste. “Geef die kaart eens hier,” beval hij haar.

“Let jij nou maar op de weg!” En gelijk had ze. Er naderde nog een haarspeldbocht, maar deze keer zonder vangrail. Pas toen het bij hem doordrong wat ze precies zei, zette hij zich af in de stoel en trapte op de rem. Maar het was al te laat. De auto raakte in een slip en gleed richting de afgrond. De voorwielen gleden over de rand en met een bonk verloren de wielen contact met de berg. De auto gleed verder door totdat ze vlak voor het midden tot stilstand kwamen. Nu balanceerde de auto op de rand terwijl de twee recht een duister dal keken.

“Wat doen we nu!?” schreeuwde ze, waardoor de auto voorzichtig heen en weer begon te wiegen. Haar hart bonkte in haar borstkas.

“Stil. Blijven. Zitten.” Hij probeerde na te denken. Vanuit het niets griste hij haar handtas bij haar voeten weg en gooide die op de achterbank. Daarna graaide hij naar de beugel onder zijn stoel. Er volgde een klik en de stoel schoof achteruit. “Kom op, jij ook!” riep hij, waarna er nog een klik volgde.

Ondertussen verscheen er achter hen een paar felle koplampen. De bestuurder zag de rode achterlichten van de wiebelende auto en duwde het rempedaal bliksemsnel in, maar dat leek ook nu weer niets te helpen. Toen de twee auto’s contact met elkaar maakten, leek de tijd langzamer te gaan. Een achterbumper verboog. Een koplamp sneuvelde. En nog een. Een motorkap knikte en bewoog schurend omhoog, waarna het geluid van knisperend hardglas volgde. Langzaam werd het stel vooruit geduwd, waardoor de auto begon te kantelen. Dat gebeurde tot op een zeker punt, totdat de auto het dal in kieperde. Het geluid van de klap was door het weerkaatsen van het geluid tegen de bergwanden nog in de wijde omtrek te horen.

Standaard
Kop-staartbotsing

Ascendant of niet

Ook dit jaar speelden we op geen enkel bevrijdingsfestival. Dat was in 2011 jaar wel anders, mochten we optreden in Vlissingen. Om half elf en net naast de populairste viskraam van het dorp. Dat zegt wel wat, volgens mij. Daar zetten ze heus niet zomaar iedereen neer.”

“Ik zong ook lekker die dag, ga ik niet lullig over doen. En, ook niet onbelangrijk, ik had een gloednieuwe broek aan. Echt, geloof me, dat soort details zijn essentieel, kunnen net het verschil de goede kant op laten slaan. Mensen onthouden dat namelijk als ze weer naar hun huisjes gaan. “Gave broek van die te gekke zanger” – dat werk.
Na afloop zei een van die gasten ook dat onze band de beste was die hij ooit in Vlissingen had gezien. Dat vind ik dus schitterend, dat zo’n oude baas dat nodig vindt om mij te vertellen. Want dat hoeft hij niet te doen, hè! Maar zo mooi, man. Hij had The Beatles nog meegemaakt, weet je wel. Krijg er weer kippenvel van, kijk dan.”

“Maar goed, dit jaar zaten we weer thuis. Nou ja thuis, Teun ging met zijn vriendin naar het bevrijdingsfestival in Zwolle ofzo en Berry, onze drummer, zijn we al acht maanden kwijt. Bijna ben ik solo naar Vlissingen gegaan om een paar nummertjes akoestisch te zingen naast de viskraam. Als een soort bedankje naar onze fans daar. Maar ja, onze bus staat nog steeds bij Teun in de garage staat en het openbaar vervoer gaat me dan net weer iets te ver. Een Mick Jagger zie je ook nooit in lijn 35, of wel dan?”

“Ja, ik dacht echt dat ons optreden in Vlissingen onze verdiende doorbraak zou inluiden, mag je best weten, schaam ik me helemaal niet voor. Na twintig jaar kloten in de marge zou dit hét omslagpunt worden in de carrière van The Love Me Bartenders. En het had gekund, ben ik echt nog steeds van overtuigd. Ga maar na: we hadden nieuwe liedjes, Berry was van de heroine af en we hadden een week eerder op Marktplaats een prima tourbusje gevonden. En vergeet die nieuwe broek van me niet. Die was ook gemaakt voor het grote publiek. Daar hebben ze het nu nog over.”

“Maar even zonder alle gekheid: de sterren stonden zelfs gunstig. Mijn ex had dat uitgevonden, ze zat tot haar oren in dat astronomische gedoe. Als iemand je vertelt dat je ascendant dat jaar perfect in Mercurius staat, iets wat dus praktisch nooit voorkomt, dan doet dat wel wat met je, kan ik je vertellen. Ben ook maar een mens van vlees en bloed, weet je niet.
Dus ja, we voelden dus aan alles dat het nu eindelijk allemaal voor ons zou gaan beginnen. Dat we in Vlissingen uit die vicieuze cirkel van neergang gingen stappen, om het maar eens poëtisch te zeggen. Bevrijdingsdag, ook voor ons. Ik zei dat ook tegen de jongens in het busje. Pleur het op een tegeltje, riep Berry, geloof ik.”

“Aangekomen in Vlissingen was het nog wel even billenknijpen, mag je best weten. Berry kan niet zo goed omgaan met spanning en had tijdens de heenreis al twee flessen whisky achterover geslagen. En niet van dat goedkope spul, maar Van Johnnie Walker, weetjewel. Die heeft dus drie uur lang naast het podium lopen kotsen. Die vislucht werkt dan ook niet mee, als je begrijpt wat ik bedoel.”

“Dus Teun en ik moesten het met zijn tweetjes lopen rooien in Vlissingen. Even hebben we er over nagedacht om de hele zooi dan maar af te blazen. Ik bedoel, eigenlijk was het gekkenwerk: onze liedjes zijn geschreven met de bongo’s van Berry als uitgangspunt. Daar begint en eindigt alles mee. Samen zijn wij het muzikale geweten, de as waar alles om draait. Mijn stem is McCartney, zijn bongo’s Lennon. Zonder zijn inbreng slaat een liedje als ‘Mijn Hart Bonkt Als Twee Vuisten Op Een Bongo’ eigenlijk nergens meer op. Dood- en doodzonde. Misschien was dat al een teken, denk ik nu soms.”

“Maar goed, the show must go on, en uiteindelijk hebben we vier nummers gespeeld. Nou ja, drie eigenlijk, want ‘Thee Is Geen Koffie, Schat (Schenk Maar In, Schenk Maar In), hebben we twee keer gedaan. Die visboeren hadden dat natuurlijk niet door, joh.”

“Echt, ik stond daar de ballen uit mijn gloednieuw broek te zingen, met alleen de akoestische gitaar van Teun als begeleiding. Het publiek vrat uit onze spreekwoordelijke hand, maar die hadden natuurlijk geen flauw benul hoe onze liedjes oorspronkelijk waren bedoeld; met de bongo’s van Berry gevouwen om mijn stem als ware. Dan komen ze een stuk harder aan, hoor. Dát is muziek in haar puurste vorm, dat hoef ik jou niet te vertellen. Maar goed, gelukkig vond Vlissingen dit al schitterend. Simpele mensen zijn sneller gelukkig, zullen we maar zeggen. Niks mis mee, kan er ook jaloers op zijn, mag je best weten.”

“Op de terugweg, ter hoogte van Roosendaal, waren we betrokken bij een kop-staartbotsing. Stuurfout van onze Berry. Toen wist ik eigenlijk al dat het over was, ascendant of niet.”

Standaard
Kop-staartbotsing

Rita

Elke zaterdagavond liep Rita door het steegje en elke zaterdagavond stonden ze op haar te wachten. Twee jongens met petjes en peuken, weggedoken in hun kraag tegen het baksteen geleund. De ene spuugde altijd op de grond als hij haar zag. Ze negeerde het gesis en gejoel, de beledigingen, en concentreerde zich op het geluid van haar hakken op de straat. De stenen glommen. Het had geregend.

Ze noemde zichzelf Rooie Rita maar als ze door de steeg liep was ze IJzeren Rita. Ze droeg een pantser waar woorden niet doorheen braken, ze verstond niet eens wat ze zeiden. Ze liet zich niet dwingen een andere route te nemen. Ze was verdomme Rooie Rita.

Er was iets mis. Peter voelde het aan zijn huid toen hij de hal binnenstapte. Er hing een spanning die bijna prikte. Daniël stond in de open keuken met zijn rug naar hem toe, te rommelen met de Senseo of iets dergelijks. Eliza zat aan de keukentafel en speelde met haar trouwring.
Peter ging naast haar zitten, zijn jas nog aan, zijn tas vergat hij tegen de verwarming. Slecht voor het leer. Eliza keek met angst in haar ogen. Daniël draaide zich om met dezelfde bange blik. Dat joch had z’n moeders ogen.
“Koffie?”
“Koffie?”
Eliza legde een hand op zijn schouder. “Trek je jas toch uit.”
“Ja.” Hij stond op en liep naar de hal. Toen hij terugkwam stond er een kopje koffie voor hem klaar, de koektrommel open op tafel. Spritsen, jodenkoeken en van die hele kleine stroopwafeltjes.
Daniël haalde een papiertje uit zijn zak. Na wat keelgeschraap begon hij voor te lezen. De randen van het papier trilden.
“Papa, ik wil je wat vertellen en ik hoop…” Hij schraapte zijn keel weer. “Ik hoop dat je me niet met andere ogen zult zien dan hiervoor. Ook al is het misschien moeilijk voor je.”
Langs Peters ruggengraat prikte het.
“Daniël…”
Hij las verder, korte zinnen en iets te snel. Zijn gezicht was wit geworden, met rode wangen.
“Dit is wie ik ben en ik kan er niets aan doen. Ik ben nog steeds dezelfde. Alleen anders dan je verwachtte dat ik zou zijn.”
Hij keek op van zijn papiertje, recht in Peters ogen. Precies die van Eliza, precies die vertwijfeling en angst voor zijn reactie als zij had gehad toen ze op het verkeerde moment was thuisgekomen, die ene dag, en had gezien wat hij zo graag voor haar verborgen had willen houden. Iets in hem wankelde.
“Zeg het, Daniël.”
De blik ging weer strak naar het papiertje.
“Ik val op mannen.”
En toen kwam het opeens allemaal binnen. Net nu hij niet op zijn hoede was, zijn ijzeren pantser niet aanhad. Gelach. Geroep.
Flikker
Viespeuk
Freak
Peter stond op en Daniël deinsde achteruit. Eliza greep hem bij zijn mouw.
“Mijn zoon zal geen flikker genoemd worden.”
Tranen sprongen in Daniëls ogen. Peter prikte zijn vinger als een zwaard richting zijn zoon.
“Weg! Ik hoef die kop van je niet in mijn buurt.”
Daniël sprong op en denderde langs hem heen. De porseleinen beeldjes in het kozijn trilden toen de deur achter hem dichtsloeg.
Eliza huilde.
“Waarom?” Haar stem was gebroken. “Ik hoopte dat juist jij…”
“Juist ik?”
Ze haalde haar schouders op. “Met je… hobby. Dat je het zou begrijpen.”
Hij schudde zijn hoofd. Toen hij het huis verliet schudde het porselein in de vensterbank voor de tweede keer.
Een zaterdag als alle anderen. Rita moest weer door het steegje. Ze droeg haar hoogste hakken, de rode met pailletten, en het geklikklak galmde door de straat. Het fluiten begon.
“Daar komt ‘ie hoor.”
“Lelijke travo! Freak!”
“Gatverdamme!”
Rita liep door, concentreerde zich op haar schoenen. Zonder op te kijken liet ze het geroep en de kokhalzende geluiden achter zich.
Het lukte haar bijna weer om ze te negeren. Bijna.
“Hé, gore flikker!”
Ze draaide zich om en de jongens begonnen te joelen.
“Wát?”
De jongen stapte naar voren, uit de beschutting van de schaduw en zijn capuchon, zijn kin uitdagend in de lucht.
“Ik zeg dat je een gore flikker bent. Is toch zeker zo.”
Vanaf toen ging alles om haar heen als vanzelf. Ze zag de tranen in Daniëls ogen springen. Ze hoorde het getik van haar schoenen op de stoep versnellen en toen abrupt stoppen. Iets dat kraakte onder haar vuist, iets dan in elkaar kreukelde als een auto in een kop-staartbotsing, iets warm en vochtigs dat over haar vingers stroomde.
“Gestoord wijf!”
Daarmee kwam ze weer bij haar positieven. Trillend klikte ze haar handtas open en haalde er een zakdoekje uit om het bloed van haar vingers te vegen. Na het controleren van haar pruik en het gladstrijken van haar jurk balde ze haar vuisten. Niets trilde meer. Alles was rustig.
En dat was maar goed ook. Ze was verdomme Rooie Rita.

Standaard
Kop-staartbotsing

In de bonus

Ik zit met mijn neukertje aan een bord groentesoep en blader door de bonuskrant van Albert Heijn. Ik word inmiddels meer opgewonden als ik zie dat de Robijn wasverzachters deze week twee plus één gratis zijn, dan van het feit dat hij en ik dadelijk onder de lakens duiken om vakken te vullen.
Dat is niet waar, maar ik doe grondig mijn best het te geloven.

Ik zet een kruisje bij de wereldgerechten van Knorr en kijk toe hoe Dirk zijn laatste lepels soep naar binnen slurpt. Iets met de liefde van een man en een maag, zeggen ze. Bij hem vraag ik me af of hij zo snel eet omdat hij het lekker vindt, of omdat hij door wil naar het hoofdgerecht. ‘Dat was lekker, lekker ding’, zegt hij glimlachend en hij zet zijn kom op mijn aanrecht. Hij pakt me bij mijn schouders en laat zijn handen naar mijn borsten glijden. Ik leg mijn pen neer en prent me in dat ik niet moet vergeten straks ook de mosselen aan te kruisen. En dat ik vooral aan mosselen moet blijven denken.

Hij leidt me naar de slaapkamer en trekt mijn jurkje over mijn hoofd. Voordat hij zijn kleren uittrekt kijkt hij vluchtig naar de klok. Ik stel mijn orgasme zo lang mogelijk uit en hij doet steeds beter zijn best. Ik concentreer me op zijn aanwezigheid, niet per se op zijn kunsten. Zijn hijgerige ademhaling en zijn geur maken me blij. Zijn handen en lippen en andere lichaamsdelen die overal en nergens zijn, maken me bang. Het mag niet te snel gaan, maar hij is te goed.

Het nalopen van mijn boodschappenlijstje heeft geen zin meer. Zelfs de gedachte aan een prei maakt vunzige gevoelens bij me los en ik voel hoe een orgasme me overdondert. Hij is er nog niet en dat is fijn, dan is hij wat langer bij mij en ik krijg mijn tweede orgasme er gratis bij. Deze keer houd ik het niet tegen, zou me toch niet lukken. Als hij ook zijn hoogtepunt bereikt, denk ik aan hoeveel we gemeen hebben. Heel veel ja, maar niet alles.

Hij kust me en zegt net als na de soep dat het lekker was. Hij loopt weg en in de badkamer hoor ik water stromen. Met gesloten ogen wacht ik tot hij terugkomt en ik probeer zijn geur op te pikken in mijn dekens. Zittend op mijn bed kleedt hij zich aan en ik kijk naar zijn rug. Hij kijkt weer naar de klok terwijl hij me kust en ‘tot de volgende keer’ zegt en hij vertrekt.
De afspraak was te stoppen op het moment dat een van ons verliefd zou worden. Want het moest leuk blijven, vrijblijvend zijn. Toen ik merkte dat het zover was, was stoppen geen optie meer. De verwarring die dat bij me opriep, was als een kop-staartbotsing. Niet dat ik nou zo stapelverliefd was, ik was gewoon aan hem gehecht geraakt, zoals je gehecht raakte aan de hamster die je ooit had in je jeugd.

Standaard
Kop-staartbotsing

Aftellen

Het verbaast me hoe weinig ongelukken er gebeuren op Vlieland. Nu ook weer: wij peddelen slingerend op een tandem door de Dorpsstraat. Om ons heen lopen kinderen, fietsen vaders, kijken moeders, zitten vijftigers en flirten tieners. Ieder heeft zijn plaats, ieder kent de prioriteit. We zijn een efficiënt volkje. Nog 18 kilometer.

Achter m’n rug hoor ik mijn vriendinnetje neuriën. Even later zingt ze een zinnetje zes keer en kan ik haar dus als tevreden bestempelen. Hoe meer geluid ze maakt, hoe gelukkiger ze is. Daardoor ben ik gehecht geraakt aan haar geluidjes, aan haar pogingen tot kwispelen, haar stralende ogen. En het kan ook niet anders dan dat ze nu gelukkig is. Links van ons het openliggende wad, waar lepelaars scharrelen en krabben vluchten voor hun leven. Rechts van ons de duinen. Onder ons een knisperend schelpenpad en boven ons een blauwe lucht waar hier en daar een schapenwolkje in is geplakt. Nog 15 kilometer.

We laten onze fietsen achter en klimmen over de duin naar het strand. Het is laagwater en de zee golft ver bij ons vandaan. Door het mulle zand stampen we naar de vloedlijn en lopen we langs de duizenden schelpen die daar elke zes uur gedumpt worden. Om de 300 meter ligt een strekdam in zee. Meeuwen zijn daar de baas en verjagen schreeuwend en poepend alles wat menselijk lijkt. Nog 8 kilometer.

Op de dorre vlakte van de Vliehors groeit maar één plantje: zeekraal. Een prachtig groen organisme dat eruit ziet alsof er allemaal groene korrels rijst in een treintje aan elkaar zijn geplakt. Net als die korrels rijst kan je zeekraal ook eten, het smaakt naar zoute rucola en ik vind het heerlijk. M’n vriendin kijkt een beetje vies als ze het probeert. Niet haar ding. Nog 4 kilometer.

We zijn bij het reddinghuisje, een wit gebouwtje op hoge houten palen. Vroeger konden drenkelingen hier wachten tot het springtij wegtrok. Tegenwoordig verzamelen jutters hier de gekste dingen, van losgeslagen boeien tot verdronken tv’s. Je moet eten, op zo’n lange wandeling, maar meer dan een krentenbol krijg ik niet door m’n keel. Het meisje van m’n dromen fladdert heen en weer langs de leuke spulletjes die ze ziet. We gaan verder. Nog 2 kilometer.

Het is een mix van drijfzand en modder waar we nu doorheen stappen. Het kietelt tussen je tenen. Nog 800 meter.

Dit steigertje op de meest westelijke punt van Vlieland wordt gebruikt voor een onregelmatige veerdienst tussen Texel en Vlieland. Als je aankomt vanaf Texel is er een grote truck die je naar het bewoonde gedeelte van Vlieland brengt. Nu zijn we alleen. We beklimmen de steiger. We zijn opgelucht dat we het gehaald hebben. Ik zweet een beetje. Nog 10 meter.

0 meter. Ik buig mezelf op één knie. Dan neemt m’n instinct het van me over. Ik zeg dat ik geen dag meer zonder haar kan, misschien nog wat andere dingen. Ja, zegt ze. Ze hinnikt een beetje, geschrokken. Ik grijns gedrogeerd. We knuffelen, kussen, lachen. Ze draait zich om naar de zee en kijkt over haar schouder naar mij met de best mogelijke ogen. Ik omhels haar vanachter en begraaf mijn hoofd in haar staart. De beste kop-staartbotsing die je je kan wensen. Nog een heel leven voor ons.

Standaard
Kop-staartbotsing

Bretagne (2003)

Ken je dat, dat je iets heel lang doet en dan bang bent dat je er in blijft hangen? En dan bedoel ik niet blijven hangen in oud verdriet of een slepende relatie, maar onschuldigere, onbelangrijkere dingen. Het nadoen van een Brabants accent of je ooglid omklappen, bijvoorbeeld.

Het kan ook meer neurotisch van aard zijn. Dat je iets doet dat je steeds moet blijven doen, zoals stoeptegels tellen of alleen op de witte banen van een zebrapad staan of alle gele auto’s die je ziet bijhouden in een opschrijfboekje.

Zoiets had ik, dus. Ik had een tic opgelopen door ergens veel te lang mee door te gaan. Het begon onschuldig, maar ik kon er niet meer mee stoppen.
Ik draaide namelijk de letters van een samengesteld woord om en op een gegeven moment deed ik dat veel vaker dan ik liefhad. Het werd een aandoening.
Liepen we door het bos, riep ik ineens: ‘Pas op: stroombonk’. En hysterisch lachen dat ik deed! Mijn ouders werden gek van me. Later hebben ze me verteld dat ze de hele winter van 2002 oordoppen in hebben gehad. Dat was geen pretje, die tijd.

Het hoogtepunt van mijn aandoening kwam tijdens de vakantie in 2003, toen ik samen met mijn ouders naar Bretagne ging. Sommige sloegen nergens op, anderen waren sterk. Die vakantie heb ik in totaal honderdnegenenzeventig woordomdraaiingen gemaakt, waarvan ik uiteindelijk ‘woltegen’ een van de leukste vond – vlak voor de péage kwamen we namelijk langs een weiland vol schapen. ‘Moucheduntje’ vond ik het meest nietszeggend en ‘smuile veerpijp’ vond ik het minst plezierig. Wat waren de ouders van dat meisje onaardig geweest, zeg.

Toen we eerder teruggingen dan gepland, reden we op een Belgische snelweg. Mijn moeder was met de kaart in de weer, mijn vader reed. De radio stond aan, er kwam net een bericht voorbij over file in verband met een kop-staartbotsing ter hoogte van Luik.
Mijn moeder riep: ‘Kunnen we zo even stoppen? Ik kan de kaart zo niet goed lezen. Je moet er hier af, volgens mij.’
‘Stop-kaartbotsing,’ zei ik voor me uit.
Op dat moment gaf mijn vader een ruk aan het stuur, hoorde ik een klap aan de achterkant en werd ik door de auto geslingerd. We mankeerden niks, maar ik was wel van mijn zenuwtrekje af dankzij een aanrijding met Karma haarzelf.

Standaard