Erfenis

De grote Three Dot Oh

De geur van goedkope koffie vulde het kleine kantoor. Peter veegde zijn klamme handen af aan zijn bruine corduroy broek en staarde in zijn kop koffieprut. Het was nog vroeg in ochtend en nog niet iedereen was op kantoor.

Door Erik van Asselt

Natuurlijk had hij de verhalen al gehoord. Blijkbaar was er een hoge pief van het hoofdkantoor aanwezig. Een echte Amerikaan. En toevallig wilde de beste man deze ochtend met Peter spreken. Wat zenuwachtig nam hij een slok van zijn koffie. Op dat moment zwaaide de deur open van het kleine kantoortje en een grote man in pak kwam binnen gelopen.

“Peter,” brulde de man met een dik Amerikaans accent. “Wat ben ik blij dat je er bent.”
Peter knikte en schudde de man de hand. Het was een ferme handdruk. Eentje die je na een half uur nog voelt. Peter ging weer zitten en de Amerikaan nam plaats tegenover hem. Er was iets aan deze man. Alles was net iets te perfect. Zijn haar zat perfect. Zijn pak zat perfect. Zijn nagels waren ook te perfect. Om één of andere reden wekte het irritaties op bij Peter, maar hij liet niets merken.

“Ok, Peter. To the point. Ik zal eerlijk zijn. Dit is niet een happy conversation die we gaan hebben.” Peter voelde een baksteen in zijn maag vallen, maar knikte mak mee.
“You see, we zijn aan het kijken hoe we het anders kunnen doen. Je weet wel. Meer Three Dot Oh.” De Amerikaan legde extra nadruk op het einde van zijn zin. Peter nam nog een slok van zijn koffie, alsof hij daarmee de bittere nasmaak van de marketingtermen probeerde weg te spoelen.

“En ik heb gekeken. De tekenaars zijn goed bezig. Veel interactie. De schrijvers heel bewust van de customer lifecycle. Maar nu kom ik bij jouw bureau. Kun je mij vertellen wat je hier doet, Peter?”
Peter schraapte zijn keel en knipperde even verwildert met zijn ogen. “Het is vrij simpel. We krijgen brieven en e-mails van onze lezers en ik beantwoord ze.” De Amerikaan legde zijn rechter wijsvinger op zijn lippen en knikte met gesloten ogen.
“Kijk, Peter. Dat is dus waar ik mee zit. Dat is totaal niet van deze tijd. E-mails en brieven? Hello, de 90s hebben gebeld. Ze willen hun job terug. Snap je? Kids van tegenwoordig zitten op social media, Snapchat en Tumblr. En kijk naar jezelf. Je bent een erfenis uit het verleden. Hoe lang heb je al deze job? Dertig jaar? Nee, en dit is waar ik dus de message moet brengen.” Peter keek de Amerikaan aan en zag de glinstering in zijn ogen. De man genoot van dit moment. Peter wist het zeker.

“No hard feelings, maar ik ben bang dat er geen ruimte meer is voor de Donald Duck brievenbus bij ons vrolijke weekblad.”

Enkele weken later zat Peter in zijn woonkamer. Hij had de televisie aangezet en genoot van een bordje havermout. Het ochtendjournaal schalde door de kamer en Peter keek verrast op. “Onvrede in Nederland. Kinderen in heel Nederland zijn in opstand gekomen. Zowel op social media als op het schoolplein heerst er woede en verdriet. De reden daarvoor is de plotse verandering bij het Donald Duck weekblad. Sinds deze week is het niet meer mogelijk om een antwoord te krijgen op brieven en e-mails naar de doldwaze gekke eend hemzelf. Management van het vrolijke weekblad heeft nog geen reactie gegeven.”

Peter lachte. Zijn mobiele telefoon ging al voor de twintigste keer af deze ochtend. Hij pakte het op en keek op het scherm. Hij herkende het nummer. Hij had er immers dertig jaar gewerkt. Snel drukte hij het gesprek weg en gooide het toestel aan de kant. “Deze erfenis uit het verleden heeft even geen tijd voor de onzin van het heden.”

Standaard
Erfenis

In de vergane gloria

We passen met z’n allen maar net in de ruimte. Stoelen vanuit de hele afdeling zijn er bijgesleept. Saaie, witte stoelen. Klinisch, koud en verre van feestelijk. Er is slagroomtaart, van de naburige HEMA.

‘Alsjeblieft oma,’ zegt een tante en ze geeft haar oude moeder een pakketje.’Dit is namens de kids.’
Zal het vreemd aanvoelen om je ouders later met opa en oma aan te spreken of gaat dat automatisch zodra je zelf kinderen krijgt? Generaties verschuiven, dat valt niet te stoppen.
Oma heeft het presentje goed vast. Ze grinnikt om het knalgele pakpapier met daarop vrolijke mannetjes. Het is nu al een goed cadeau.

‘Toe maar, pak maar uit,’ zegt de tante. ‘Of moet ik oma soms even helpen?’ Zonder het antwoord af te wachten scheurt ze het papier los.
Het zorgvuldig door de kleuters uitgekozen knuffelbeest valt in goede aarde bij oma. Gelukzalig wrijft ze de nepvacht langs haar wangen. Een nieuw maatje om tegen te praten als wij straks allemaal weer druk zijn.

Het zijn andere tijden. Voor de verjaardag van mijn oma liep vroeger de hele buurt uit. Iedereen was er altijd. Urenlang drentelde ze rond met augurken gerold in boterhamworst. Er werd luid gezongen en nog harder gelachen. De burgemeester kwam langs voor een jonge jenever. Het ging door tot diep in de nacht.

Nu is het half zes en nadert het feest zijn einde. Een uurtje geleden zijn mijn neef en nicht al vertrokken omdat ze helemaal terug naar het westen moeten en morgen is het ook weer vroeg op.

In het keukentje dat handig grenst aan het feestzaaltje is de tante al bezig met het afwassen van de gebaksbordjes die ze na een volgend bezoek misschien wel mee mag nemen naar haar eigen huis. Mijn vader helpt met afdrogen en knikt beleefd als ze vrolijk keuvelt over een televisieprogramma met boeren dat hij nooit heeft gezien. ‘Je mist echt wat,’ zegt ze.

Standaard
Erfenis

Ze dachten dat ik een hoer was

Ze dachten dat ik een hoer was.’ Mijn kleindochter schrikt op uit haar slaap. Haar hand ligt op de mijne, maar ze werd niet tegelijk met mij wakker door de schok die mij uit mijn droom rukte. Mijn vader werd voor mijn ogen doodgeschoten, voor de zoveelste keer sinds 1942. Ik was zestien.

‘Wie dachten dat, oma?’, vraagt ze. Haar ogen zijn rood en er zitten korreltjes slaap in de hoekjes.

‘Buurtbewoners. Er kwamen dagelijks mannen aan de deur omdat ik valse papieren kon leveren. De mensen in de straat telden één plus één bij elkaar op. Ik liet het zo. Dat was veiliger.’
Ze draait wat op haar stoel. Minutenlang is het stil, ik dommel weer wat in.

‘Je hebt nooit eerder over de oorlog gepraat.’

Het is een vraag, waarom ik er nu wel over praat. Ik open mijn ogen en zucht. ‘Vroeger had ik nachtmerries, over mijn vader. Toen ik zelf kinderen kreeg, verdwenen ze. Maar sinds een jaar of twee zijn ze er weer. Als ik dan wakker word, voel ik me weer zestien. Het zestienjarige meisje dat besloot nooit te buigen voor de Duitsers, voor níemand, op het moment dat die rotzakken haar vader door zijn hoofd schoten. We deden niemand kwaad, we gingen alleen maar medicijnen halen voor mijn moeder.’

‘Wat vreselijk oma. Dat wist ik niet.’

Nee, dat wist niemand. Degenen die het wisten, stierven in de oorlog of vlak er na. En ik hield het voor me. De nachtmerries waren jarenlang het enige dat ik nog van mijn vader had. Het voelde als ons geheimpje.

‘En je moeder?’

Een traan kruipt uit mijn ogen. Mijn moeder was al ziek toen mijn vader werd vermoord. Ze wist niet hoe ze het zou moeten bolwerken en nam een andere man in huis. Ze trouwden niet, ze hadden zelfs niet echt een relatie, maar ik moest hem wel mijn stiefvader noemen. ‘Hij wist wat ik deed, maar hield dankzij mijn moeder zijn mond’, mijmer ik. ‘Anders zou hij me zeker hebben aangegeven. Ik verdacht hem er van verbondjes te hebben met de Duitsers.’
Ik leg mijn hand op mijn borst en schrik. ‘Waar is mijn kettinkje?’ Mijn stem beeft een beetje.

‘Het ligt hier oma’, ze wijst op het nachtkastje. ‘Heb je het liever om?’

Ik knik en til mijn hoofd een beetje op zodat ze me het gouden kettinkje om kan doen. Vlak voordat mijn moeders kist gesloten werd, nam ik het van haar hals en stopte ik het in mijn zak. Nog diezelfde dag, twee uur na de begrafenis, schopte mijn stiefvader me het huis uit. Ik moest het nu alleen doen, zei hij. ‘Ik fietste naar mijn grootouders en samen met hen vierde ik twee maanden later de bevrijding. Sindsdien draag ik haar ketting. Het is het enige dat ik nog van haar heb.’
Ik vertel haar over de straat van mijn opa en oma, waar ik elk jaar naar terug ging om de bevrijding te herdenken en dat ik daar haar opa leerde kennen. Ik glimlach en laat me in de kussens zakken, het verhaal is verteld.

‘Waarom lach je oma?’

Ik knijp in haar hand, zo hard als ik kan, het zal voor haar niet anders voelen dan een liefkozend kneepje. ‘Ik lach omdat ik blij ben dat ik snel naar je opa toe kan. Ik mis hem.’

Standaard
Erfenis

De erwten van Mendel

Mendel kwam net van de begrafenis van zijn vader die hij, ironisch genoeg, vervroegd had verlaten. Nu zat hij op een bankje in een park in Antwerpen. Hier voelde hij zich op zijn gemak, hier kwam hij vaker.

Het was vrijdagochtend, half twaalf. Hij was precies op tijd, al wist hij zelf nog van niks. Hij had niks dan zijn lege handen bewust bedachtzaam ineen gevouwen op zijn schoot.

Uit de binnenzak van zijn colbert haalde Mendel een pakje sigaretten en stak er een op. Een man in een paars met wit joggingpak kwam hijgend voorbij, iets verderop gooide een vrouw stukjes brood in het water. Een wandelende man had zijn zoontje op zijn nek. Mendel zat en rookte en wachtte tot de emotie zijn intrede deed, gepaard met herinneringen aan zijn vader. Maar dat bleef uit. Hij had nooit op de nek van zijn vader gezeten, al wist hij dat niet zeker. Ook andere momenten schoten hem niet te binnen. Geen memorabele voetbalpotjes op het veldje met de grote boom, geen voorgelezen verhalen over verzonnen kabouters of voor hem gewonnen prijzen in de schiettent op de kermis. Hij was volledig leeg.

Een man in een te groot zwart pak en met een slepend been liep het park in, Mendel zag hem al van ver. Hij stopte bij het bankje van Mendel, al wilde die zich het bankje volstrekt niet toe-eigenen: hij zat helemaal aan het uiteinde. Een klein duwtje en hij zou eraf vallen. Maar de man duwde hem niet, hij stelde hem een vraag.

‘Kunt u wat kleingeld missen?’

Mendel schudde zijn hoofd van niet en zei toen snel van wel, maar dat hij het niet bij zich had. De man vroeg daarna om een sigaret, die hij kreeg. Beide mannen opgelucht.

Een vrouw met een plastic bakje in haar handen kwam naast hem zitten.

‘Zo. Even uitrusten,’ zei ze voor zich uit, maar in de hoop dat Mendel erop zou reageren.

Hij wist niet goed wat hij ermee aan moest en vroeg maar wat er in het bakje zat.

‘Erwtenzaad. Ik heb verderop een moestuintje en ik ga zo zaaien. Loop je anders mee?’

Ze had zich inmiddels voorgesteld als Sarah en samen wandelden ze over het kronkelende pad van het park. Ze minderden vaart bij een groepje jongens waarbij het vier tegen één was. De jongens lummelden met zijn pet, lieten hem struikelen en spuugden hem in het haar. Mendel twijfelde of hij iets moest doen, maar zij haakte haar elleboog in die van hem, versnelde haar pas en daarmee de zijne.
Bij de moestuin bleef hij op een paar meter afstand, hij liet de vrouw haar gang gaan. Hij keek naar haar pluizende, donkere krullen. Naar een van hen los op haar lichtpaarse jas, naar haar afgetrapte kistjes.
‘Niemand weet wat leven is, alleen dat het gegeven is en dat van dit geheimenis God het begin en einde is,’ zei ze bij elke erwt die ze onder de grond stopte.
Mendel deed een stap naar voren, hurkte naast haar neer. Hij stopte zijn handen in de aarde en wroette. Hij zuchtte tevreden: hier voelde hij zich op zijn gemak, hier zou hij vaker komen.

Standaard
Erfenis

Are you lonesome tonight

Hopelijk ziet ze er in het TL-licht van het bemiddelingskantoor even goed uit als op de foto in de map. En, belangrijker, hopelijk zit zijn haar goed, is zijn das niet te rommelig gestrikt. Robert zoekt zijn weerspiegeling in de ruit achter hem en smeert spuug op zijn slapen om het slappe grijze haar daar vast te zetten. Het kuipstoeltje waarin hij zit, kraakt.

Er gaat een deur open en een breed glimlachende jongeman met een roodfluwelen jasje komt binnen.
“Robert! Je ziet er fantastisch uit.” Zijn accent in onmiskenbaar Brits.
Robert voelt nog even aan zijn das. “Is ze er al?”
“Zeker. Ze kijkt er naar uit om je te ontmoeten.”
Hij glimlacht even. “Dank je, Thomas.”
“Geen dank! Ik hoop dat het klikt. Heb je je goed voorbereid? Of ga je haar betoveren met je verschijning?” Thomas knipoogt.
“Nee, nee…” Zijn stem sterft weg. Daarna, luider: “Ik heb een lijstje met onderwerpen waar we over kunnen praten. Hier.” Hij klopt op zijn jasje, waar zijn binnenzak zit.
“Goed.” Thomas legt zijn hand op de deurklink. “We kunnen wel blijven babbelen, maar wie weet zit achter deze deur de liefde van je leven. Ben je er klaar voor?”
Robert knikt. Zijn handen trillen. Hij stelt zich voor hoe ze daar zit, in het kamertje achter de blauwgeverfde deur, wachtend. Zou hij haar tegenvallen?
Het volgende moment laat Thomas hem binnen. Hij ziet de nepleren banken niet, niet het vlekkerige tapijt of het junglelandschap aan de wand. Want daar zit ze. Jong en slank. Rond gezichtje, sluike zwarte haren en een huid van karamel. Ze staat op en kijkt afwachtend naar hem.
“Ratree?”
Ze knikt.
“Ratree. That means jasmine flower, right? Such a beautiful name.”
Ze lacht haar donkere ogen klein. “Mister Robert. Nice to meet you.”
“Nice to meet you too.” Hij voelt even aan zijn slapen en gaat zitten op de bank. Ze volgt zijn voorbeeld. Thomas lacht.
“Nou, het ziet eruit dat dit helemaal goed gaat komen. Ik ben hier, achter deze deur.” En hij laat hen alleen.
Ratree zit op gepaste afstand, maar hij voelt haar warmte, ruikt haar zoete parfum. Ze ziet er zo zacht uit. Hij heeft gelezen dat het in deze cultuur niet normaal is om elkaar zomaar aan te raken, dus hij houdt zich in, hoe graag hij ook haar smalle hand zou pakken en zou verwarmen in de zijne. Ze blijft maar glimlachen.
“Je bent zo mooi.”
“Thank you, mister Robert.”
Aan het plafond zwoegt een ventilator. Elke keer dat hij een ronde maakt rinkelt het kettinkje dat eraan hangt zachtjes. Robert haalt een paar keer diep adem en Ratree blijft afwachtend glimlachen.
“Kijk, ik- Ik denk dat wij gelukkig zouden kunnen worden, Ratree. Ik ben een lieve man. Ik heb een eigen huis, voor ons tweeën. Ik heb een goed pensioen en voldoende spaargeld dankzij een erfenisje. En ik zal heel lief voor je zijn. Jij kan dan koken voor ons, je kan heel goed koken, toch? Dat stond in je aanmelding. En Nederland is een land met heel veel mogelijkheden. We zouden zelfs kinderen kunnen krijgen, later.”
“You want a lot, mister Robert.” Ze glimlacht nog steeds. Haar haren glanzen als geschuurd marmer. “Why no wife in Holland?”
Robert schudt zijn hoofd. “Nee, nee. Nederlandse vrouwen… Ik ben getrouwd geweest, maar dat werkte niet. Ze ging weg.” Hij kijkt naar de ventilator. “Divorced.”
Ze trekt een meelevend gezicht, een en al jeugd en zachtheid.
“Je bent zo beeldschoon, Ratree. Mag ik voor je zingen?”
Haar blik verandert even. Maar ze knikt, en ze glimlacht. Nog steeds. Robert gaat staat en schraapt zijn keel. Hij kijkt haar aan in die prachtige donkere ogen.
“Are you lonesome tonight…”
Met zijn voet tikt hij het ritme op het tapijt.
“Do you miss me tonight?”
Zijn stem vibreert.
“Are you sorry we drifted apart…”
En dan, ineens, haar stem, dik van accent:
“Does you memory stray to a bright summer day, when I kissed you and called you sweetheart?”
Van schrik gaat hij weer zitten. Ze giechelt.
“You have a nice voice, mister Robert.”
“Will you marry me?”
Ze glimlacht weer. “Maybe you take me to dinner?”

Standaard
Erfenis

Ik lijk steeds meer op jou

Natúúrlijk gooi ik zeven én de zwarte piratenboot op het moment dat ik tien kaartjes heb én de zwarte piratenboot nog maar één vakje van de aanval op ons Catan-bord verwijderd is – en ik de enige ben zonder ridders, zodat we de strijd verliezen en ik als enige mijn enige overgebleven stad kwijtraak.

Razend van woede ram ik mijn vuist op tafel en spring op, waardoor mijn stoel naar achteren vliegt, tegen de houten kast die we van mijn ouders hebben gekregen.

“KUTFUCK! KLOTESPEL!”

Ik loop weg, twee van m’n drie medespelers verbaasd achterlatend. Alleen m’n vriendin niet, die is vooral verdrietig, misschien wat berustend. Ze had het al zien aankomen, zoals ze bij ieder spelletje weet dat het eraan komt.

Daarom laat ze mij ook winnen.

Als ik buiten kom, kost het me een half blok lopen om tot rust te komen, maar daarna voel ik de woede richting het spel snel omslaan in woede naar mezelf. In de weerspiegeling van een raam zie ik mezelf niet, maar m’n vader. Hoe ouder ik word, hoe meer ik op die man begin te lijken.

We zijn perfectionist. We zijn veiligheidszoekers. We zijn gevoelig en emotioneler dan we willen toegeven. We zijn gedreven. We kunnen er niet tegen als iets niet gaat zoals wij willen. We haten het als falen van anderen ons de das om doet. We raken buiten zinnen als het allemaal oneerlijk is.

We kunnen niet zo best tegen ons verlies.

Vroeger ging het wel. Vroeger kon ik prima een paar potjes Yahtzee verliezen zonder tierend als een holbewoner de straat op te rennen. Ik had misschien nog meer van de zachtheid van m’n moeder in me. Nu niet meer. Nu schaamt m’n vriendin zich voor me.

“Het spijt me, jongens. Ik zal normaal doen.”

Ik zie dat m’n vriendin het inmiddels aan ze heeft uitgelegd. Ze knikken beleefd maar bang dat het goed is en ik ga weer zitten. Ik zie ze vluchtig blikken naar me werpen tussen het concentreren op hun kaartjes door. Keurig neem ik mijn stad van het bord, plaats er een dorp voor in de plaats en gooi vijf kaartjes terug op de stapels. Ik ga niet winnen, maar ik ga wel rustig blijven.

Vaak kan ik het spelletje na zo’n uitbarsting prima uitspelen. Dan is de woede weg, besef ik hoe stom ik ben en ga ik liefhebbend verder. Maar de uitbarsting komt altijd weer terug. Soms na twee spelletjes, soms na vijf, soms al bij de eerstvolgende. Net als mijn vader, die door het lint gaat als een computer niet doet wat hij wil, blijf ik gevangen in een cirkel van boosheid.

Onvermogen.

En daar kan ik zó kwaad om worden.

Standaard