Geboortekaartjes

Geboortekaartje

Het ‘huis van muis’ heb ik geannuleerd hoor, zei Fraulein tegen Herr Ausfahrt die net van het toilet terugkwam. Dochters Poes en Egel van 4 mocht zelf een pannenkoek uitkiezen. Sinds Fraulein het boek ‘De Voedselzandloper’ heeft gelezen gaat het gezin gebukt onder een straf voedsel regime.

Door Pieter Boogaard

Herr durfde geen warme choco met slagroom te bestellen. Een kannetje verse gemberthee met agavesiroop moest gedeeld worden. Je moet een oude boom niet verplanten mompelde Herr Ausfahrt. Al dacht Fraulein er anders over toen ze de jaarringen rond zijn middel telde. Gelukkig waren er de afgelopen dagen nog een paar nazomer zonnestralen wat het allemaal draaglijker maakte. Het was waarschijnlijk een van de laatste keren dat de Ausfahrtjes met z’n vieren op stap waren. Fraulein stond op het punt te bevallen.

Een huisvriend studeerde aan de kunstacademie en had aangeboden een geboortekaartje te ontwerpen. Herr had moeite om hier nee tegen te zeggen en nam de moeite om de plannen aan te horen. Op de kamer, wat ook als atelierruimte werd gebruikt, stond een lavalamp en de soundtrack van Trainspotting op repeat. Hij opteerde het allesomvattende geluid van de zee te vangen en er een audiokaart van te maken. Het zou de nieuwsgierigheid moeten wekken om contact op te nemen met de nieuwbakken ouders. ‘I will hipster it up’ had hij Herr nog toevertrouwd.

Herr Ausfahrt had bij de laatste controle in het ziekenhuis diverse geboortekaarten zien hangen op het daarvoor bestemde prikbord. Er waren diverse categorieën te onderscheiden. Met broertjes en zusjes er zoetsappig op, als een veredelde kerstkaart; een foto van de pasgeborene; en die van het familielid of huisvriend die creatief denkt te zijn. De laatste valt ook wel onder de noemer ‘rotondekunst’. Fraulein lag inmiddels in de steigers voor de controle. Herr werd er fijntjes op gewezen door de gynaecoloog niet recht voor het bed te staan, maar iets meer aan de zijkant plaatst te nemen. Gezien de manoeuvres was Herr de arts erkentelijk. Zelfs na de geboortesvan dochters Poes en Egel blijft een dergelijke situatie onwennig. Vlak voor de geboorte van Poes was Herr dermate gespannen dat hij bij de bouwmarkt de eendenbek en de zwanenhals door elkaar haalde.

Enkele dagen later stond een stel elkaar innig te zoenen bij de parkeerautomaat van het ziekenhuis. Dat wil zeggen, hij wilde aandacht en zij gaf het hem. Dat het regende deerde ze niet. Dat Herr Ausfahrt und Fraulein met gebroken vliezen achter ze stond te wachten evenmin. Fraulein und Herr zijn niet zo klef. Het is niet dat ze bij binnenkomst elkaar een boks geven ter begroeting, maar een hartstochtelijke zoen evenmin. De bevalling zelf was zonder enige complicaties verlopen, al waren een paar hechtingen in Fraulein’s ‘oei’ onvermijdelijk. Corneel heette de jongste Ausfahrt, vernoemd naar de dichter Cornelis Vaandrager. De huisvriend had inmiddels een prachtige kaart ontworpen. De kracht zat ‘m in al zijn eenvoud en op de voorkant stond een citaat van C.B. Vaandrager.

‘De uitgang heeft vertrouwde afmetingen’.

Meer verhalen over o.a. de familie Ausfahrt zijn te lezen op www.ausfahrtnieuwegein.wordpress.com

Standaard
Geboortekaartjes

Onderdruk

Op kraamvisite, bij het bewonderen van weer een nieuw neefje, vertelde mijn moeder dat er destijds veel mis was gegaan met de geboortekaartjes waarop mijn entree in de wereld werd aangekondigd. Niet alleen waren ze te laat besteld, ook was de beoogde leverancier ondertussen failliet gegaan.

Er was paniek en haastig was mijn vader op zoek gegaan naar een oplossing. Natuurlijk kwam alles goed, maar voor veel verre familieleden en kennissen was mijn bestaan pas een feit na een maand of drie. Psychologie van de koude grond: Misschien dat ik daarom altijd het gevoel heb dat ik met alles achter op schema loop en daarom het alleen maar drukker krijg om datzelfde alles rond te kunnen blijven breien.

Ga gewoon op vakantie, zeggen vrienden. Boek drie weken en vlieg even lekker weg van alles. Laat de boel de boel.
Gasten, dat is te simpel. Dat verreist een gekmakende planning waar ik nu al van in de stress schiet. Dat kan mijn hart niet aan.
U zegt: Geen paniek, niemand is onmisbaar. Weliswaar rijmt dat niet, het is wel een waarheid als een tiet. Ik ben zeker te vervangen. Het is al zo vaak gebeurd. “Voor jou tien anderen.” En juist daarom moet je er bij blijven.

Ik las laatst, in mijn spaarzame vrije tijd: “Wat is erger: een leven leiden dat zo vervelend is dat je al heel gauw opgetogen over iets bent, of een leven zo vol prikkels dat je je heel gauw verveelt?” Hoewel ik ooit bewust voor optie 2 heb gekozen, klinkt 1 inmiddels ook wel aanlokkelijk. Maar is dat een leven lang vol te houden? Je komt er niet uit. Maar het blijft een goede vraag, eentje van alle tijden. It’s better to burn out than to fade away, zong Neil Young in de 70s. Jaren later dook die zin op in de afscheidsbrief van Kurt Cobain.

Afijn. Ik zie maar één oplossing. Een kans op bevrijding. Een kans op rust.
En het is heel simpel: ontvoer mij. Iemand, overval me, neem me mee (bij voorkeur naar een land met een middellands zeeklimaat), zeg me dat vrijwel alles waar ik me zorgen over maak helemaal niet belangrijk is en druk me op het hart dat alles goed komt.

Voor meer informatie kunt u mij op werkdagen van 08.00 tot 23.00 uur bereiken op het bekende nummer.

Standaard
Geboortekaartjes

Ouder worden

Mark en Willem zitten in de bedrijfskantine, en laat het nou net lunchtijd zijn. De twee mannen hebben hun in boterhamzakjes verpakte lunch uit de koelkast die in de bedrijfskeuken staat meegenomen. Dat is geen keuken waar je kan koken, maar er is wel een aanrecht, een gootsteen met een kraan en een koffiemachine. En een koelkast dus, waarin de twee mannen elke ochtend hun meegebrachte boterhammen leggen zodat ze lekker vers blijven. Dan begint Mark met praten, wat meestal het geval is als de twee gaan lunchen.

‘Ik moest gisteravond ineens heel erg nadenken over het leven en de dood. Over mijn leven, mijn dood, Willem. Nieuw leven, oud leven, ouder worden. Over eventueel oud worden, want dat is niet voor iedereen weggelegd. In ieder geval word ik nooit jonger, dat staat vast. Toch? We kunnen alleen vooruit.’

Mark kijkt op naar zijn collega, die hem niet gehoord lijkt te hebben.

‘Deze jongen heeft toch maar mooi de hele ochtend mijn zakje gesloten gehouden,’ zegt Willem, terwijl hij met de sluitclip van zijn boterhamzakje prutst.

Mark gaat verder.

‘Soms doe ik van schrik niks. Dan zit ik tijd te besparen. Ik denk dan na over wat ik het best kan doen met mijn tijd. Ik vouw dan bijvoorbeeld de was niet op, omdat ik bang ben om tijd te verliezen, om iets te missen. Maar uiteindelijk doe ik dan niks. Gek, hè?’

Willem neemt een hap van zijn bruine boterham met oude kaas. Hij lijkt te knikken, maar het kan ook zijn dat hij gewoon wat nadrukkelijk kauwt. Mark vertelt onverstoorbaar verder.

‘Gister zag ik een toneelstuk. Op een gegeven moment zongen ze een lied over ouder worden. Het deed me denken aan Bram Vermeulen – God hebbe zijn ziel – die zong van een wedstrijd tegen de tijd, waarin de tijd voorstaat. Snap je, Willem? Snap je?’

Willem knikt een aantal keer achter elkaar.

‘Waarom ben ik toch zo onzeker, Willem? Waarom twijfel ik over alles? Soms denk ik: zal ik het leven bij de lurven pakken? Kan ik mijn schaduw een zet geven en een stap in het licht doen? Een stap vooruit? In het licht? In mijn licht? Maar er gebeurt niks, hoor.’

‘Het is bijna tijd, Mark.’

Hij maakt een hoofdbeweging naar de amper aangetaste boterhammen die voor zijn collega op tafel liggen. Vlug neemt Mark twee grote happen en vervolgt met volle mond.

‘Elke dag hetzelfde liedje. En maar ouder worden,’ mompelt hij.

‘Wat zou je eigenlijk willen dan?’ vraagt Willem.
‘Ik wil geestige geboortekaartjes ontwerpen. Ik heb al wat ideetjes. Wil je ze horen?’
‘Het is tijd, Mark.’

De mannen staan op, lopen weg en gaan weer richting de werkvloer. De lunch is weer voorbij.

Standaard
Geboortekaartjes

Het is een jongen

Verburg. Wat moet je?’
Erg vriendelijk was de cipier niet, maar dat was Chris gewend. ‘Ik moet een geboortekaartje hebben met hoera een jongen erop.’ De bewaarder vroeg waarom, en Chris keek hem, net als elk ander jaar, alleen maar aan. Ik hoef jou geen antwoord te geven als het over post gaat.

Chris vroeg zich af of zijn moeder nog steeds op hetzelfde adres woonde. Ze had hem geen verhuisbericht gestuurd, maar dat verbaasde hem niet. Ze was dolgelukkig met d’r nieuwe schijtkerel en die vervelende stinkbaby. Sinds de geboorte van kleine Pippi keek ze al niet meer naar hem om. Dat hij de criminaliteit in ging wist ze, maar het interesseerde haar niet. Pippi dit en Pippi dat en Chris kon doodvallen.
De haartjes op zijn armen kropen overeind en hij slikte iets onzichtbaars weg. Starend naar de muur wachtte hij.

De rechtszaak liet ze aan zich voorbij gaan; Pippi was ziek. Ze was vast ook niet gekomen als het kind kerngezond was. Wat kon haar het schelen dat haar zoon de bak in ging? Nu kon ze haar leven met die zak en Pippi verder uitbouwen zonder last te hebben van haar ontspoorde zoon. Pippi, Pippi… wat een kutnaam. Een kutnaam van een kutkind dat uit een kutmoeder geboren was. Chris lachte. ‘Uit mijn kutmoeders kutkut!’, schreeuwde hij tegen zijn celdeur.

Bezoek? Welnee. Vught was veel te ver weg. Dat zei ze écht een keer aan de telefoon. ‘Zit je nu weer in Vught? Wat heb je nu weer gedaan? Of ik langskom… weet je wel hoe ver dat is?’ Hij verbrak de verbinding en belde nooit meer. Maar zijn traditie hield hij in ere. Elk jaar op zijn verjaardag stuurde hij haar een geboortekaartje. Ze zou verdomme weten dat hij bestond en op uit haar vieze kutkut geboren was.

‘Hier knul, een geboortekaartje’, Chris had de bewaarder niet terug horen komen en schrok toen het luikje van zijn deur open ging. ‘Ik wist niet dat jij vrienden had naar wie je geboortekaartjes kunt sturen’, gniffelde de cipier.
‘Die heb ik ook niet’, antwoordde Chris. ‘Mag ik een pen?’ Er werd een potlood door het luik geschoven, maar Chris kreeg een beter idee. Hij schoof het potlood terug en ging op zijn wc zitten.

Even later schreef hij in stinkende bruine letters: ‘Gefeliciteerd met mijn geboortedag ma!’

Standaard
Geboortekaartjes

Zeventien

Het leek net dat liedje van Doe Maar. Willem haalde de tekst uit zijn geheugen naar voren en zong een stukje voor haar. Stom natuurlijk, zo’n toeval is veel te onwaarschijnlijk om waar te zijn.
Belle Helene,” zei ze. “Niet Belle Elaine.”
Maar dat was veel later. Als je terug zou gaan naar het begin, aan Willem zou vragen waar dat zou zijn, zou hij zeggen dat het – hoe toe passelijk – op een bruiloft was. Maar in zekere zin is dat een leugen. Het begon namelijk allemaal met een geboorte.

Toen hij haar voor het eerst zag was hij net negentien, de ideale leeftijd om jezelf naar de vernieling te helpen. Bob was twintig en een idioot. Ze volgden dezelfde opleiding, het tweede jaar Nederlandse Letterkunde aan de VU, en deelden een passie voor bier drinken en obscure muziek luisteren in een van de vele schemerige barretjes die Amsterdam rijk was. Willem woonde in een piepklein, smerig kamertje in West, Bob huurde een appartement met turqoise deuren in de Blasiusstraat. Samen met Marthe. Op een zaterdagavond nodigden Bob en Marthe Willem uit voor een diner, wat nog nooit was gebeurd, en Marthe kookte drie gangen voor hem, wat ze nog nooit had gedaan. Na het toetje dat een onuitspreekbare Franse naam vertelden ze hem dat Marthe zwanger was, zij stralend, hij met een grote lach maar ogen waar Willem angst in las. Zes maanden later kwam het geboortekaartje: Elaine is geboren! op een achtergrond van een van Marthe’s pogingen tot impressionisme. Willem zag zijn beste vriend wegzakken in het moeras dat vaderschap heette, afspraken werden afgezegd, geld moest bespaard worden en er werd iets afschuwelijks ingevoerd dat alcoholvrije vrijdag heette. Er waren vijf jaren waarin het contact langzaam verwaterde, vijf jaren waarin Elaine opgroeide van dikbenig roze frommeltje tot een kleuter met grote, donkere ogen. Willem begon vol zelftwijfel aan zijn carrière en daar pasten Bob en zijn kleine meisje niet in.

De uitnodiging voor Bobs tweede bruiloft kwam als een verrassing. Er was net een verbroken relatie, een blondine met een kinderwens die bij haar vertrek zijn hele muziekcollectie had meegenomen en daarna de helft weer voor zijn deur in een kartonnen doos had achtergelaten, de cd’s in de verkeerde hoesjes. Er waren verwijten, dingen die hij fout had gedaan, dingen waar hij niet aan wilde denken. De bruiloft van Bob-van-twaalf-jaar-geleden en ene Mercita was een welkome afleiding.

En terwijl die twee elkaar het jawoord toefluisterden, viel Willems oog op de brunette die haar blik over hem heen liet glijden alsof het haar handen waren. Hitsig ding. Ze bleven oogcontact maken tot het diner, waar hij tijdens het toetje naast haar ging zitten en zich voorstelde. Toen ze zei dat ze Elaine heette verslikte hij zich bijna in de aardbeienmousse.
“Bobs dochter?”
Ze knikte en dat was het enige wat ze erover zeiden. Ze hadden het over Bob en Mercita, over hoe Bob snel aan zijn tweede leg zou beginnen, over hoe Elaine walgde van het idee van een nieuw gezin. Later op de avond vroeg ze of ze met hem mee naar huis mocht.

Met haar achterop zijn oude fiets, haar handen om zijn middel, reden ze naar zijn huis zonder een woord tegen elkaar te zeggen. Hij opende de deur voor haar, liet haar voorgaan. Binnen ging ze onwennig op zijn bed zitten en keek hoe hij zijn jas uitdeed en hem samen met de hare ophing. Op dat moment werd hij getroffen door haar ogen. Ze keek zo jong. Dezelfde ogen als de kleuter van twaalf jaar geleden. Meteen kreeg hij spijt van zijn beslissing haar mee naar huis te nemen.

“Misschien moeten we…”
Ze schudde haar hoofd. “We moeten niks.”
Met haar smalle handen trok ze hem naar zich toe en op dat moment was er niets kinderlijks meer in haar gedrag. In een fractie van een seconde zwichtte hij. Daarna was er de volgende ochtend, licht dat door de luxaflex naar binnen scheen en de vorm van haar heup onder het laken. Ontbijt dat hij maakte, telefoonnummers die ze uitwisselden. En nog later was er Bob met zijn razernij, Bob die zijn fiets in elkaar trapte en stenen door zijn ruit gooide. Die dreigde naar de politie te gaan en hem aan te geven. En al die tijd was er dat nummer van Doe Maar, dat maar door zijn hoofd bleef spelen.

Standaard
Geboortekaartjes

Vloed, eb en vloed

Tot haar knieën staat ze in de kalme zee, haar handen strak gevouwen om een wit karton, de vingers om beurten tussen elkaar, alsof ze bid. Het karton ligt tussen haar handpalmen. Ze kijkt uit over het water dat dan weer blauw en dan weer groen lijkt te zijn, maar nooit lang genoeg dezelfde kleur houdt om te kunnen zeggen: ‘ja, dat is groen’, of: ‘het is zeker weten blauw’.

Kleine golfjes rollen tegen haar benen en slaan even verderop schuchter om. Een garnaal voelt aan haar tenen. Ze ziet of voelt het niet, maar opent voorzichtig haar handen, precies op het moment dat de garnaal zijn interesse verliest en verder scharrelt. Een kaartje ontvouwt zich, klam van haar zweet. Er staat een tekening van een dikke, ronde olifant op die de ‘O’ vormt in ‘Olaf’. Ze kijkt ernaar, knijpt haar ogen dicht en vouwt vervolgens haar handen weer samen.

De zee trekt zich terug en kabbelt nu nog slechts rond haar enkels. Rond haar voeten zijn kuiltjes ontstaan door de zuiging van heen en weer spoelend water. Een vissersboot vaart voorbij, keurig tussen een groene en rode boei door, waarvan de laatste als rustplaats gebruikt wordt door een meeuw en haar adolescente jong. Het jong bedelt, tikkend tegen de rode vlek aan de onderkant van de snavel van zijn moeder. Ze vliegt weg, en weer openen de handen van de vrouw zich. De vouw die over de ‘L’ heen zit is zo dik geworden dat alleen het horizontale streepje nog normaal zichtbaar is. Ze staart naar de olifant, die met een touwtje vastgebonden is aan de aarde, zodat zijn vleugeltjes niet het idee krijgen om ver weg te vliegen. Ze sluit haar handen en kijkt naar het punt waar het blauwgroene grijs van het water overgaat in het blauwe grijs van de lucht.

Als het water zijn keerpunt heeft bereikt staat zij op het droge. Er ligt een kokkel tegen haar hak, dik ingepakt door zeewier. In een poeltje drie meter voor haar sjouwt een heremietkreeft zijn schelp naar een nieuwe plek, vlak achterna gezeten door een jonge krab die zijn natuurlijke prooi nog moet vinden. Haar handen zijn wit van de spanning, aan elkaar vastgeklonken als twee verliefden op hun eerste vakantie samen.

Langzaam spoelen de eerste zoute golfjes weer over haar voeten heen. De zon is verdwenen achter aambeelden van wolken, die almaar hoger en hoger groeiend naderbij komen. Een leeg flesje Pepsi rolt achter de vrouw langs over het strand en stuitert tegen kleine duintjes omhoog, duintjes die bij een volgende windvlaag weer verdwenen zullen zijn. Even opent de donkere lucht zich nog en schittert de laagstaande zon in het gezicht van de vrouw, die haar ogen sluit en de eerste druppels verwelkomt door héél even haar gezicht omhoog te wenden.

De golven zijn hoger deze keer. Ze slaan druk tegen haar bovenbenen, als puppy’s bedelend om de aandacht. Een grote golf raakt haar handen, die ze optrekt en opent. Het karton ontvouwt zich slap, inmiddels bijna papier-maché door de combinatie van druk en zweet. Ze kijkt, leest en laat de hand met het kaartje zakken, het nog slechts vasthoudend met de toppen van haar vingers. Een volgende golf slaat het weg.

Standaard