Lampenkap

De lampenkap

Waar wil je eerst naar toe?’ vraagt Michel aan Clara, terwijl de misselijkmakend weeïge geur van nieuwe meubelen zijn neusgaten vult. Onder hen klinkt schel gegil vanuit de ballenbak. Hij masseert zijn slapen, terwijl Clara zich bedenkt hoe schattig ze die kinderen vindt. Even legt ze haar hand op haar platte buik.

Door Nora de Ruyter

Als ze maar niet weer over baby’s begint, denkt hij. Als hij maar niet mijn gesprekken over kinderen gaat ontwijken, denkt zij. Clara vist een lijstje uit haar broekzak en overhandigt het aan haar vriend. Het papiertje kraakt als Michel het opent.
‘Lampenkap, kussens, bijzettafel.’ Hij kijkt haar aan. ‘Mijn vader had nog wel een lampenkap over. Had ik dat niet gezegd?’
Clara drukt haar kaken op elkaar. ‘Jawel,’ zegt ze, terwijl ze een donkere lok achter haar oren veegt. ‘Maar we moeten toch de hele winkel door. We kunnen net zo goed even rondkijken, toch?’ Ze heeft moeite niet met haar ogen te rollen. Waarom wil hij altijd tweedehandsspullen? En zag hij zelf niet hoe lelijk dat ding was? Michel draait even met zijn schouders en denkt aan de onbetaalde rekeningen. Waarom wil ze steeds alles nieuw hebben? Die lampenkap was prima! Nee, geen ruzie maken, zegt hij snel tegen zichzelf. Dat hebben ze de laatste tijd al genoeg gedaan.
‘Tuurlijk, lieverd,’ zegt hij, maar het komt er gemaakt uit, nep, en hij hoopt dat Clara het niet hoort. Hij heeft geluk.
‘Die zou mooi boven onze eettafel staan, denk je ook niet?’ zegt Clara, wijzend naar een paarse lampenkap. Michel fronst en werpt een blik op het wanstaltige ding. En dan vond ze die van haar vader lelijk? Subtiel zijn, zegt hij tegen zichzelf. Hij schraapt zijn keel.
‘Misschien moeten we nog even doorzoeken.’
Clara voelt de woede in haar borrelen. Waarom moet hij nou altijd haar smaak bekritiseren? Nee, niet kwaad worden, houdt ze zichzelf voor. Wees de volwassene. Of doe gewoon alsof het zijn idee was.
‘Zei je niet dat ons appartement iets meer kleur kon gebruiken?’
Michel kijkt haar aan. Ze manipuleert hem. Hij denkt aan de woorden van zijn vader: “het is de ruzie niet waard.” Kom op, Michel, zegt hij tegen zichzelf. Iemand moet iets doen om de relatie in goed vaarwater te leiden. Misschien redt deze lampenkap je relatie wel. En waarschijnlijk geeft ze je dan op een ander vlak wel je zin. Hij bestudeert het ding wat beter.
‘Misschien heb je wel gelijk,’ zegt hij. ‘Hij is eigenlijk best leuk.’
Tevreden steekt Clara de lampenkap onder haar arm. Bingo, denkt ze. Voor vandaag heeft zij de relatie gered. Misschien kan ze vanavond zelfs wel over kinderen beginnen. Ze stelt voor Chinees te halen, Michels favoriete eten, om hem tegemoet te komen. Bingo, denkt hij, terwijl hij haar hand pakt. Heeft hij dat niet goed gedaan? Misschien vergeet ze nu die kinderen even, denkt hij bij zichzelf. Tevreden kijkt hij naar de lampenkap onder Clara’s arm, die hij bijna een zoen zou kunnen geven.

Nora de Ruyter is de auteur van het boek ‘Verborgen gezichten’, momenteel werkt ze aan haar tweede boek. Daarnaast blogt ze over psychologie en creativiteit op www.noraderuyter.nl

Standaard
Lampenkap

Laten we wel wezen

Een laatste mixtape had ik gemaakt. Geen cassettebandje, maar een zipfile met vijftien mp3’tjes, de ene nog specialer dan de andere. Na het uitpakken en luisteren, appte je: “Ze zijn mooi, maar ik word er wel een beetje verdrietig van.”

Ik zei even niks, maar dacht wel meteen aan een quote uit een komische film die mij lang geleden aan het hart was gegaan, en die ik je ooit nog eens had willen laten zien zodat je iets beter zou weten hoe raar ik in elkaar zit en ik het je een keer niet zelf zou proberen uit te leggen met veel voortijdig afgebroken zinnen en diepe zuchten, als we weer eens op mijn bed zaten en de wereld iets minder snel leek te draaien.
Het was een quote uit High Fidelity en hij bestaat uit twee vragen: “Luisterde ik naar popmuziek omdat ik me ellendig voelde? Of voelde ik me ellendig omdat ik naar popmuziek luisterde?”

“Ik hou van somber klinkende liedjes,” stuurde ik je uiteindelijk terug. “Het gaat me niet zo zeer om het verdriet of grote verlies dat soms letterlijk wordt bezongen, maar meer om het gevoel dat iemand je iets heel persoonlijks vertelt en bij mij elke keer een luisterend oor vindt.”

Nadat ik de film had gezien, had ik het boek erbij gezocht, want soms doe ik dingen in de verkeerde volgorde, maar wie zal het ook wat schelen, want laten we wel wezen, het maakt helemaal niks uit.
Ik las: “Sentimentele muziek kan je op een geweldige manier terugbrengen naar een plek in het verleden terwijl het je op hetzelfde moment ook verder brengt, zodat je zowel gevoelens van nostalgie als van hoop ervaart.”

Dat had ik je natuurlijk moeten vertellen bij het WeTransferen van de zipfile. Een soort van Emotionele Bijsluiter, wat trouwens klinkt als een songtitel die Morrissey, de grandioos ellendige zanger van de aller ellendigste band The Smiths, had kunnen gebruiken (als hij genoegen zou nemen met middelmatige titels).

Vaker spraken wij over dingen die toen al heerlijk nergens over gingen, zoals mijn eeuwige gestuntel op de fiets door de binnenstad van Amsterdam, jouw rare verre familieleden die ik vast nog weleens zou ontmoeten, en die foei lelijke lampenkap naast m’n bed waar ik vreemd genoeg best gehecht aan was geraakt. Heel soms, als het veilig voelde en we er niet omheen wilden, werden we serieus en hadden we van die gesprekken met lange stiltes. Maar we durfden niet goed en we durfden niet veel.

En deze avond, bijna twee jaar verder, kijk ik terug en schrijf ik voor me uit.
En popmuziek klinkt.

* High Fidelity is een boek van Nick Hornby. Misschien vond ik de gelijknamige film leuker.

Standaard
Lampenkap

Post-itje plakken

Zo, nou. Daar zijn we dan.’ Tante Bella snuit haar neus en dept haar ogen. Ze kijkt alsof Barack Obama met één hand de Taj Mahal optilt. Toegegeven, zo kijkt ze altijd door haar getekende wenkbrauwen die meters boven haar natuurlijke wenkbrauwen lijken te staan.

Ik kijk om me heen. Zo heb ik oma’s boerderijtje eigenlijk nooit bekeken. Elke zaterdagmiddag hadden we vooral aandacht voor elkaar. ‘Wat is oom Piet mager geworden he? En Johan van Kaatje ziet er elke keer een beetje onverzorgder uit. Geen wonder dat hij geen vriendin heeft.’ Ik zou ook niet met een man met een half gebit en haar op zijn rug onder de lakens duiken. Ik zou trouwens niet eens koffie drinken met Johan van Kaatje, maar dat heeft niets met zijn slechte gebit te maken.

Vroeger sloop ik altijd pas de woonkamer binnen als ik zeker wist dat iedereen er was. Ze schreeuwden dan al om het hardst dat Jan van Marie van Klaas vorige week dronken was en dat Has van Jette alwéér in het ziekenhuis lag. Alles op volume honderd. De woorden buitelden over elkaar heen en als er dan eindelijk een stilte viel, keek degene die als laatst gesproken had triomfantelijk om zich heen.
Ik dronk mijn koffie, at er een speculaasje bij, luisterde wat, dronk een tweede kopje en zei dan dat ik maar weer eens opstapte, omdat ik boodschappen moest doen voor het avondeten.

Nu sta ik hier weer. Tussen mijn familieleden. Maar oma is er nu niet, net als mijn ooms. Die zitten samen in de kroeg te wachten tot hun vrouwen terugkeren met de buit.
‘Ik heb hier post-it briefjes’, tante Bella houdt een stapeltje omhoog. ‘Ik leg ze op de schouw. Schrijf je naam op een briefje en plak dat op de spulletjes die je hebben wilt.’ Haar eigen naam heeft ze al op vijf briefjes geschreven. Ze legt het stapeltje post-its op de schouw en begint meteen te plakken. De slingerklok, de salontafel, oma’s televisie, sidetable en fauteuil moeten allemaal naar Bella als het aan Bella ligt. Nicht Riëtte denkt daar anders over. Ze plakt een briefje met haar naam op de tv en fauteuil en kijkt strijdlustig rond waar ze nog meer haar territorium kan bepissen.

Ik drink mijn koffie, eet er een speculaasje bij en zie oma’s huis langzaam veranderen in een post-it poppenhuis. Mijn nichtjes zien er verhit uit, twee van hen discussieren over de antieke theepot.
Traditiegetrouw drink ik mijn tweede kopje koffie, sneller dan anders omdat ik de gekte niet kan aanzien. Oma is twee dagen geleden begraven en nu staan we hier als huisvrouwen tijdens de Drie Doldwaze Dagen haar huis leeg te roven.
Ik giet het laatste slokje koffie in mijn keel en zie dat het velletje met post-its leeg is. Op de grote staande lamp met de afzichtelijk oude lampenkap zitten zelfs zes briefjes geplakt. Ik pulk ze eraf, trek de stekker uit het stopcontact en leg de lamp over mijn schouder.

‘Ik stap maar weer eens op’, zeg ik. ‘Ik moet nog boodschappen doen voor het avondeten.’
Niemand die me hoort.

Standaard
Lampenkap

Een wandeling vol kansen

Er is een moment in je jeugd dat je beseft dat je piemeltje een piemel is geworden. Je kan je niet meer herinneren wanneer je je piemeltje voor het laatst hebt gezien, maar je hebt ‘m eigenlijk ook niet zien groeien, laat staan gezien wanneer hij zijn huidige grootte had bereikt. Het is als hoe in Inception een droom wordt beschreven: je weet niet meer hoe je er bent gekomen, maar je bent er wel gewoon en alles is mogelijk.

Een vriend van me was ooit naar het grote V6-feest met een van de mooiste meisjes van de hele school. Toen hij haar na afloop thuisbracht kon ze het niet langer houden en vroeg met rode wangen wat hij van haar jurk vond. Het ding was hem niet opgevallen, en hij schijnt te hebben gezegd: “Mwah, ’t is net een lampekap.” Ik heb de tussen-n daar maar even weggelaten om te onderstrepen wat voor boer hij was. Hoe dan ook: haar deur sloot zich. En als verlegen tiener besef je dan dat alles mogelijk is, zolang je je maar gedraagt.

Toen ik nog voetbalde, als luie linksbuiten in een C-zoveel van een provinciaal clubje, waren er wedstrijden dat we een middenvelder van de C1 of C2 hadden meevoetballen. Zonder die jongen liep ik vrijwel verloren rond op de linkerflank. Met hem waren er acties, steekpasses en doelpunten aan de lopende band. Zo bleek: alles is mogelijk, zolang je de juiste mensen om je heen verzamelt.

Ik was een laatbloeier. Alcohol leerde ik pas als achttienjarige waarderen en op de universiteit vond ik eindelijk het zelfvertrouwen om actief achter meisjes aan te gaan. Ik weet de eerste disco waar ik schuurde met een meisje nog goed. Ze was samen met haar vriendin middenin de zaal gaan staan, beiden wachtend op een gewillige knul om met hun billen tegenaan te drukken. Terwijl ik mijn taak vervulde, onwennig en a-ritmisch schuddend met mijn heupen, lachten de meisjes naar elkaar. Een paar minuten later ging ze even wat drinken halen en was ik haar kwijt. Ik stonk naar zweet en alcohol en eenzaamheid. Misschien is alles wel mogelijk, maar is het de vraag of je alles moet willen.

Dan komt er die laatste dag van je twintiger jaren. Je kijkt terug en ziet dat oud worden het enige is waar je goed in bent. Zo dramatisch gaat dat, ook al ben je eigenlijk nog piepjong. Maar je voelt je niet jong. Ik had geen vrouw, kind, koophuis, supercarrière of model als vriendin. Ik had wel een meisje waar ik zo nu en dan mee scharrelde, maar een stemmetje in mijn achterhoofd zei dat dit niet het meisje was. Naar die stemmetjes luisteren, die onderbewuste waarheden, dat leer je eigenlijk veel te laat. En op de eerste dag van m’n dertigste hoorde ik eindelijk wat m’n stemmetje al decennia probeerde te zeggen: alles wat ik wil, hoop of droom is onmogelijk.

Het leven van een veertiger voelde als een droom. Ik deed m’n ogen open en woonde samen in Soest. Ik knipperde en was een jaar werkloos. Even hoesten en je vriendin was zwanger. Een wijntje later waren we getrouwd. Na nog een wijntje had ik een flinke buik. Het leven schoot onder me door als de zee onder een catamaran. Zonder controle zag ik mezelf voortrazen, het roer onbereikbaar, de vijftig alweer gepasseerd. En ik wist: de dromen van de jeugd zijn een illusie. De maakbare mens die het kapitalisme mij toeduwt bestaat niet. Ik ben een radertje.

Het is in de herfst van je leven, als je aan je kleinkinderen op schoot voorleest uit een hip boek met mooie prenten, dat je ontdekt dat je stemmetjes het ook mis kunnen hebben. Toen ik de hoop opgaf, ontving ik alles.

Standaard
Lampenkap

Fucking Richard

Hee gorillakop! Biertje?”
Bas kijkt om en moet meteen wegduiken voor een glas dat naast hem tegen de muur uiteenspat. Overal splinters glas en spetters bier, op de muur een vochtplek. Fucking Richard in da house.

Het gaat al zo sinds, nou ja, sinds Bas’ geboorte waarschijnlijk. Hij herinnert zich het op straat spelen met de buurjongetjes en fucking Richard die hem in de bosjes duwt omdat het gebruiken van een tak als zwaard zijn idee was en Bas hem na-aapt. Zich inschrijven bij dezelfde studentenvereniging als zijn broer was niet het beste idee, zelfs al zit Bas in een ander dispuut. Nu noemt Richard Illuvatar een dispuut voor homofiele hobbits, terwijl hún dispuutstrofee een bokaal is en niet een lampenkap. Een lampenkap die nota bene door Richard zelf tijdens een of andere politieke avond uit de Stopera is gejat – ‘gewoon onder ome Eberhards neus losgeschroefd’ – en die hij nu bij elke non-gelegenheid op zijn hoofd zet. Fucking Richard.

Er vliegt meer bier zijn kant uit, Richard koopt verdomme fluitjes met als enige doel Bas te raken. Maar hij is goed geworden in ontwijken, de afgelopen jaren. De dichtstbijzijnde uitweg die hij ziet is omhoog, de trap op en onder luid gejoel van iedereen in de toko klimt hij uit zicht.
“En blijf weg, aap!”
Aldus fucking Richard.

Hierboven is het koel en ruikt het minder naar oud bier dan beneden, vandaar dat hier de garderobe is. Als garderobe een goed woord is voor de plek waar iedereen zijn jas op een grote hoop gooit om aan het eind van de avond ruzie te gaan maken over welk colbertje van wie is. Er zijn ook wc’s en als je moet wachten totdat je weer veilig bier kunt drinken, kun je net zo goed van je tijd gebruikmaken en gaan pissen. Bas heeft al bijna zijn lul uit zijn broek als hij ziet wat er op de stortbak ligt. Niemand zou verbaasd zijn als er een engelenkoor zou gaan zingen op dit moment.
Fucking Richard heeft de lampenkap op de wc laten liggen.

Er zijn zoveel dingen die hij nu zou kunnen doen en Bas twijfelt over alle opties. Maar als de trap kraakt zet hij de dispuutstrofee op zijn hoofd – hij zakt een beetje over zijn ogen, wie heeft hier nu een gorillakop – en begint te rennen. Langs de persoon die naar boven kwam, hij ziet niet eens wie het is, de trap af, door de menigte beneden. Hij stoot zoveel mensen aan dat zijn hemd nat wordt van het gemorste bier. En fucking Richard ziet hem. Vlak voordat de deur achter hem dichtslaat hoort Bas hem roepen, als de slechterik in een Disneyfilm.
“Pak hem!”

Zijn zolen klappen op de straatstenen tijdens het rennen, de lampenkap wiebelt op zijn hoofd en hij moet zijn broek ophouden, hij is vergeten zijn gulp dicht te doen. Achter hem Richard en daarachter de rest. Maar Bas heeft een voorsprong en rennen kan hij, geleerd van al die keren vluchten. Hij slaat linksaf het park in. Hier zijn bomen en bij de hoogste die hij tegenkomt springt hij, handen om een laaghangende tak. Terwijl zijn broek naar beneden zakt en zijn boxer meetrekt, zijn schaamhaar te zien voor wie het maar wil, trekt hij zich omhoog.

De rest is bij de boom aangekomen, Richard natuurlijk als eerste. Bas blijft klimmen, zet zich af tegen te takken, hoger en hoger. Er zijn mensen die zich ook in de boom werpen, hem achterna gaan. Maar Bas is in de top. Hij zet zijn voeten stevig tegen de stam en roept naar de menigte beneden.
“Hé!”
Ze kijken op. Sommigen schreeuwen iets. Hij steekt zijn handen in de lucht, neemt de lampenkap van zijn hoofd en steekt hem omhoog.
“Weten jullie wie ik ben?”
Onder hem ruisen de takken. Ze komen eraan. Hij slingert zijn arm naar achteren en gooit. De lampenkap zeilt door de lucht. Voordat het ding de grond raakt, de baleinen breken, de stof scheurt en de kraaltjes alle kanten op spatten, begint hij te schreeuwen.
“Ik ben fucking Bas!”

Standaard
Lampenkap

Flinke kappen

Laura en Tim stonden virtueel in de online lampenkappenwinkel en keken hun ogen uit. Ze wisten dat lampenkapper.nl een grote naam was in de wereld van webwinkels maar dat het aanbod zo groot was, hadden ze niet verwacht.

‘Kom, zeg eens wat. Hoeveel zullen we er nemen?’ zei Tim.

Laura antwoordde niet, ze bleef de digitale omgeving in zich opnemen.

‘Ik heb het idee dat deze website gemaakt is door developpertjes in Afrika, dat kan niet anders. Hoe kan het anders zo goedkoop zijn?’ voegde Tim toe, zodat ze eventueel kon lachen.

‘Oké ik geef toe: dat gaat heus niet stoppen als wij hier geen lampenkappen kopen. En een baan is beter dan geen baan, ook al verdienen ze daar maar 20 roepie per maand, of wat ze ook voor munt hebben in Bangladesh. Oh, kijk hier eens!’

Tim tikte met zijn vinger op het up-poppende chatvenster waardoor zij een gesprek aangingen met Karin van de Klantenservice.

‘Kan ik u ergens mee helpen? U kijkt al zo lang rond,’ opende Karin.
‘Gekke achternaam heb je,’ typte Tim en hij wachtte met het drukken op de entertoets om te kijken of Laura het ook zo grappig vond.
‘Hnnggh,’ bracht ze voort.
‘Ah, toe. Het moet voor mij toch ook een beetje leuk zijn?’
Ze hield de backspacetoets in, maar Tim had het zinnetje al naar het virtuele klembord gekopieerd, waardoor de twee in een eindeloze strijd van letters versus leegte terecht kwamen. Hij schreeuwde dat ze even flink moest nokken met deze onzin.

‘Wat bent u lang aan het typen. Gaat alles wel O.K.? ;-)’ kwam er in beeld.
Hierna besloot Tim om maar eens even flink normaal te gaan doen.
Hij vertelde dat ze op zoek waren naar een nieuwe lampenkap en dat die wel een beetje ruim moest zitten. De kap mocht niet te prijzig zijn, maar hij voegde toe dat hij al had gezien dat het wat betreft de prijzen bij De Lampenkapper wel goed zat, om weer een beetje aan de goede kant van Karin van de Klantenservice te komen.
Karin deed vier suggesties, waarvan er twee een Hnnggh opleverden en de andere twee een Hmmmpf, wat dus eigenlijk wel positief was. Het was natuurlijk fiftyfifty nu.

Standaard