APK

Meerkeuze

Op haar vraag waren volgens mij drie antwoorden mogelijk die enigszins in de lijn der verwachting lagen en daarom de sfeer van de middag zeker niet zo zouden verpesten:

  1. Mijn geld verdienen met wat ik leuk vind;
  2. Veel van de wereld zien;
  3. Een mooi huis met een grote tuin en een Netflix account voor het leven.

Toch antwoordde ik, na een slok van mijn ice tea, een verlegen kuchje en al starend in de verte, op haar vraag wat mijn grootste droom is, “gewoon gelukkig zijn”.

Het was een dooddoener, dat wist ik ook wel. Een antwoord van het niveau “wereldvrede” wanneer iemand je vraagt wat je zou willen hebben als je álles zou kunnen hebben. Iedereen wil vrede. Iedereen wil een fijn leven. Iedereen wil gelukkig zijn.

Eigenlijk was er maar één serieus antwoord mogelijk op mijn toch wel verrassende ontboezeming (vermoed ik) en die kwam dan ook van haar kant, want zij is het type meisje dat volgens mij een goed gesprek nooit uit de weg gaat en het ook wel fijn vond dat ik na uren van flauwe opmerkingen eindelijk iets zei waar ze écht iets mee kon. Dus vroeg ze inderdaad: “Ben je dat nu dan niet?”

Ook daar waren meerdere antwoorden op mogelijk. Ik bedacht er drie tussen het nemen van twee slokken ice tea en het ontwijken van oogcontact, want ik wou helder kunnen nadenken:

  1. Er zijn momenten dat ik gelukkig ben, zoals vanmiddag;
  2. Nee;
  3. Jawel, het was maar een grapje, haha, je moest je gezicht zien, wil je nog wat drinken, kijk je ook die serie op Netflix over dat reclamebureau in de 60’s?

Na het serieus overwegen van nummer drie, zei ik de eerste hardop. Een veilig antwoord, eentje waarmee ik aangaf niet depressief te zijn en eentje waarmee ik haar ook een soort van compliment gaf. En misschien was het ook wel waar. Misschien is gelukkig zijn het aaneenrijgen van mooie momenten en mis ik er gewoon nog een paar op structurele basis. Daar kan ik aan werken, dat kan ik oplossen, daar kan ik naar op zoek gaan.

Aan dat gesprek met haar, gevoerd op een druk terras in een nog drukkere stad op een drukkend warme zomermiddag, denk ik op deze koude, regenachtige dagen veel. Dat komt omdat er 3 soorten mensen zijn:

  1. Mensen die niet veel nadenken over het leven, maar gewoon leven;
  2. Mensen die zo veel nadenken over het leven dat gewoon leven er soms bij inschiet;
  3. Mensen die APK keuring zeggen, terwijl die K in APK al voor keuring staat en je dus eigenlijk Algemene Perodieke Keuring keuring zegt.

Ik ben nummer twee. Het denken, overpeinzen en analyseren stopt nooit. Ik zou wel iemand als Bob Dylan in mijn hoofd willen hebben die “don’t think twice, it’s all right” zingt wanneer ik het nodig heb. Maar of je daar echt gelukkig van wordt, weet ik ook zo 1-2-3 niet.

Standaard
APK

Verstoppertje

Ik speel verstoppertje met het leven. Ik zit verstopt en het leven zoals dat ooit was, kan mij niet meer vinden. Net als mijn kinderen en kleinkinderen. Of ze doen gewoon geen moeite. Dat lijkt me waarschijnlijker.

Sporadisch komt er iemand op bezoek. De ene keer Richard, de andere keer Margot. Soms nemen ze hun partners of kinderen mee, maar meestal komen ze alleen en knijpen ze er binnen drie kwartier weer tussenuit. Dan heb ik ze al tientallen keren met een schuin oog naar de klok zien kijken. ‘Zo pap, doe het rustig aan hoor!’ grappen ze dan.

Behalve op vijf oktober. Mijn verjaardag. Dan neemt de hele familie vrij en zitten ze hier taart te eten, koffie te drinken en me te overladen met cadeaus. De jaarlijkse controle, noem ik dat. Ze komen kijken of ze me het komende jaar nog minder vaak kunnen bezoeken. Ze denken dat ik dement ben, maar hebben geen idee dat ik gewoon dichtklap als ze binnenlopen.
‘Denken jullie nou echt dat ik het toch niet in de gaten heb als er niemand komt?’, mompel ik tegen de kalender die aan de deur hangt. Ik pers, een zacht hhhng ontsnapt me en mijn geur verspreidt zich. ‘Toegegeven. Spraakzaam ben ik niet, maar wat heb ik nou nog te vertellen?’ Toen Marie nog leefde was het gemakkelijker. Marie kletste wel. Ze praatte veel, té veel, maar ik vond dat prettig. Als zij sprak, hoefde ik het niet te doen. En daarom hebben mijn kinderen en ik elkaar nooit iets te vertellen. Ik weet niet wat er in hun hoofden om gaat en zij hebben al helemaal geen idee wat er in mij om gaat. Bovendien interesseert het ze niet.

Behalve op vijf oktober. Dan vragen ze hoe het gaat en vertellen ze honderduit over hun werk, de prestaties van mijn kleinkinderen en de hond die dood is. Ze knuffelen me, aaien over mijn haar en leggen hun handen op mijn schouders terwijl ze achter me staan en vragen of ik misschien nog een Advocaatje met slagroom lust. Alles zodat de ooms en tantes zien hoeveel ze wel niet van hun lieve, oude vader houden. Schijnheilig volk.
Vroeger had ik een hoge dunk van mezelf, en ik dacht echt dat ik sociale kinderen zou krijgen. Dat ze elke zondag met hun koters langs zouden komen, om een potje te kaarten en te kletsen en thee te drinken. Maar nee, mijn nageslacht denkt alleen aan zichzelf en het roest hen aan hun reet dat hun oude vader zit weg te rotten in een verpleeghuis.

Ik pers nog eens. Misschien komt er nog een beetje uit, maar waarschijnlijk niet. Ik ben allang klaar. De rode cirkel om de datum van vandaag zie ik nog als ik mijn ogen sluit. Vijf oktober.
Het kloppen van zuster Albertine negeer ik. ‘Meneer Maas?’, vraagt ze poeslief. ‘Komt u er nu eindelijk eens uit? De taart is al aangesneden en uw Advocaatje staat klaar.’

Ze verrekken maar.

Standaard
APK

Het melken van Bella 261

Boer Broere zag niet vaak mannen in door olie bevlekte overalls onder een van zijn koeien liggen. Leunend op het hek voor zijn veld bedacht hij dat dit wellicht de eerste keer was. De vreemde man lag op zijn rug onder een koe, die rustig stond te kauwen in het laag afgegraasde gras. Er glom iets rond de uiers van het beest.

Aangezien boer Broere benieuwd was wat de man daar uitvoerde, liep hij het veld in. Het leek haast of de man met een moersleutel in de weer was.

‘Zeg, wat moet dat?’ bastte boer Broere, waarop de man onder de koe vandaan schoof. Door de rolplank met rupsbanden ging het moeiteloos.

‘Kan ik u helpen?’ vroeg de man.

‘Wat doe je…’ begon boer Broere, iets van zijn stuk gebracht door de zelfverzekerde houding van de knutselaar aan zijn voeten. Z’n ogen schoven naar de uiers en zagen nu pas dat er een soort huls van aluminium omheen was gemonteerd.

‘Wat doe je met mijn koe?’ vroeg hij uiteindelijk, en krabde zich achter zijn oor.

‘De zaak lekte, dus ik heb er maar even een tankje omheen gezet. Je moet dat soort dingen eigenlijk regelmatig laten controleren hè.’

Boer Broere’s mond opende zich om deze idioot van repliek te dienen, maar de woorden kwamen niet.

‘Maar goed, zo is het zaakje ook gedaan. Zal ik de rest ook maar even controleren? Als er één lekt, lekken er meerdere, zeg ik altijd maar.’

‘En… en hoe moet ik Bella 261 nu melken?’

‘Gewoon, zo. Kijk, als u hier draait stroomt de melk als water uit de kraan.’

Bella 261 loeide angstig, waarop de man een paar keer op haar zij klopte en de kraan weer dichtdraaide.

‘Ik ben wel bang dat er wat extra dingetjes waren die ik moest fixen, dus de rekening zal iets hoger uitvallen.’

Boer Broere zag de euro’s voor zich en kon zich daardoor herpakken: ‘Meneer, ik stel voor dat u en uw rolplank mijn weiland terstond verlaten, al dan niet gezwind. Uw diensten zijn hier niet gewenst, noch kan ik mij herinneren daarom gevraagd te hebben. Sta op en loop heen.’

‘Ik ben erkend door de BOVAG, hoor!’

‘De BOVAG heeft weinig kaas gegeten van mijn melkkoeien, net als jij. Donder op!’ werd Boer Broere al wat minder vriendelijk.

Terwijl de man zijn rolplank oppakte en na vriendelijk geknikt te hebben het weiland uitwandelde, inspecteerde de getergde boer zijn Bella 261. Op z’n knieën voelde hij aan de aluminium huls, draaide de kraan open en proefde de melk, die zoet als altijd was. Toen zag hij een tweede kraan, aan de andere kant van de uierhuls. Hij stond op, liep om Bella heen en opende de andere kraan. Er begon een motor te lopen, Bella’s rugspieren trokken samen en een roze, luchtig goedje stroomde kalm uit de kraan.

‘Aardbeienmilkshake,’ mompelde de ervaren boer.

Standaard
APK

Hoera, Richard vijftig jaar

Richard liep over het betegelde paadje in de voortuin om de statafels op te halen bij de buren. Het weer was onverwacht goed voor deze tijd van het jaar, meestal regende het op zijn verjaardag. Hij had daarom besloten om het feestje in de tuin te houden en als het weer dan toch zou omslaan, kon de partytent opgezet worden.

‘Wat een weer,’ zei Richard tegen zijn dochter toen hij de achtertuin via de schuifpui betrad.

Eva, 17, keek heel even op van haar telefoon en trakteerde haar vader op een cynische glimlach. Ze liet met haar vingertoppen de bandjes van haar bh langzaam langs haar schouder naar beneden glijden, om twee redenen. Ten eerste om haar huid egaal bruin te laten worden, ten tweede om haar alleenstaande vader ervan bewust te maken dat zijn dochter zich tot een seksueel, volwassen wezen aan het ontplooien was.

De buurman, die vanuit zijn zolderraam even keek of het allemaal wel lukte met zijn statafels, gromde goedkeurend. De tafels waren precies op de goede manier uitgeklapt. Toen wendde hij zijn blik naar Eva, die naast een bh ook nog een zogeheten spijkershort aan had. Hij pakte zijn polaroidcamera, maakte een foto en hing hem met een knijpertje aan de waslijn bij de anderen.

‘Ben je zenuwachtig, papa?’

Richard pauzeerde van het boenen van de gehuurde buitentap en legde het gele viscose doekje naast zich neer.

‘Waarvoor zou ik zenuwachtig moeten zijn, Eva?’
‘Dat weet je best.’

Hij pakte het doekje weer op en poetste de brandschone tap nog wat op.

Naarmate de middag vorderde en het feestje naderde, begon Richard steeds erger te zweten. Hij keek op de thermometer die op de wand van het schuurtje geplakt zat: zeventwintig graden. Maar hij had dat meetinstrument nooit vertrouwd, dus het kon zomaar boven de dertig graden zijn.

Het duurde nog anderhalf uur voor de eerste gasten kwamen, maar alles stond al gereed. De statafels hadden wit papier erover met daarop bakjes met borrelnootjes, de eettafel stond klaar voor het lopend buffet en er hingen slingers. Richard ging zitten in de tuinstoel die hij zelf had versierd met ballonnen, confettislierten en een sjerp met de tekst Hoera, 50 jaar.

Iets na vijf uur opende Richard de deur voor de eerste gasten. Twee stelletjes: Jan en Corrie en Patrick en Rachel, wat je uitsprak op zijn Nederlands. Er werd gefeliciteerd, op schouders geslagen en op wangen gekust.

‘Zijn we de eersten?’ vroeg een van de vrouwen retorisch.

Richard informeerde naar hoe ze de reis had ervaren en kreeg een verhaal over een nieuwe leaseauto te horen. Daarop verliet men de voorhal en leidde Richard hen door het huis naar de tuin. Richard tapte twee biertjes, schonk wijn in en vertelde onderwijl dat zijn Opel Astra uit 1992 morgen op moest voor een grote beurt.

Patrick stootte Jan aan en wenkte met zijn hoofd naar Eva, die nog altijd in haar bh en hotpants zat te zonnen.

‘Die zou ik ook wel een grote beurt geven,’ zei hij, net iets te hard.

Jan deed een stap naar achter en hoekte Patrick neer.

‘Niet nu al,’ zei Rachel tegen Corrie. De vrouwen sloegen hun wijn achterover.

Jan snelde naar het bankje waarop Eva zat, sloeg een arm om haar heen en vroeg of het wel ging. Hij aaide zachtjes over haar blote schouder. In de heg zat de buurman foto’s te maken van het tafereel.

Standaard
APK

De keuring

Ik maak me geen zorgen,” zei mijn vader wel drie keer. “Ik zie het gewoon als een APK-keuring, maar dan voor mijn lichaam.”
Nadat zijn zus borstkanker bleek te hebben, uitgezaaid in alle richtingen, en zeven maanden later uitgemergeld stierf, liet hij zich voor een klein fortuin helemaal doorlichten. In een Duits ziekenhuis, want in Nederland is dat verboden. En ik mocht mee.

We maakten er een uitje van. Het was zomer, vlak voor de vakantie, en ik kreeg alvast vrij van school. Ik rolde broodjes met roomkaas en zalm in aluminiumfolie, mijn vader brandde cd’s voor onderweg en in één dag reden we door naar München. We brulden mee Queen en Fleetwood Mac, onder ons de Autobahn en boven ons de brandende zon. Hoe verder weg van huis we kwamen, des te warmer het werd.
Het was avond tegen de tijd dat we de hotelkamer in stommelden en ik zweette als een rund, iets wat steeds vaker gebeurde in die tijd en wat ik probeerde te verhullen met mierzoet ruikende deodorant. De geur van volwassen worden, dacht ik.
Mijn vader leek niet te reageren op het feit dat ik een vrouw werd. Één keer nam hij me apart en zei tegen me dat als ik mijn benen wilde scheren, ik dat absoluut niet met zijn scheermesje mocht doen. Zonder uitleg, maar hij keek er zo ernstig bij dat ik het niet zou durven.
We gingen uit eten in de stad, ik bestelde biefstuk met friet, mijn vader iets van vis, en ik mocht drinken van zijn wijn. Aan het einde van de avond zei hij tegen me dat hij zo ontroerd was me te zien opgroeien, dat ik het zo goed deed. Dat ik op zijn zus leek. Ik dacht zelfs tranen te zien maar misschien was mijn zicht vertroebeld door de wijn. Het was de eerste keer dat ik dronk.
Ik werd laat wakker de volgende dag. Mijn vader was al weg. Hij had geld achtergelaten en een kaart, waar het hotel op aangekruist stond. Ik dwaalde door de stad, ging liggen in een park, at een ijsje van de McDonalds. Het was heet, ik voelde hoe ik verbrandde dus kocht ik zonnebrand en was trots dat ik zo goed voor mezelf zorgde, dat ik het alleen redde in een vreemde stad.
Mijn vader kwam pas in de avond terug. Ik had hem nog nooit zo gezien. Zijn handen leken geen moment stil te vallen, hij friemelden en pulkten, terwijl hij normaal zo rustig was. Ik vroeg hem niet wat er was want ik dacht toch niet dat ik antwoord zou krijgen, maar deze keer zei hij het uit zichzelf. Hij maakte zich zorgen over de uitslag. Ik pakte zijn zenuwachtige handen en hield ze stil. Hij glimlachte naar me.
De volgende dag liepen we samen door de stad, maar eigenlijk waren we vooral aan het wachten op het telefoontje. Mijn vader zette zijn zonnebril af en zei dat het niet meteen de hele uitslag zou zijn, maar een goeie indicatie. Ik knikte en zorgde dat zijn handen stil bleven. Toen we eindelijk gebeld werden, zaten we op een terras. Ik keek naar de druppels die langs mijn glas Fanta naar beneden gleden en aaide over zijn rechterhand, waar de spanning langzaam uit verdween.
Na het ophangen trok hij hem uit de mijne en lachte, niet naar mij maar naar de zon of de lucht. Alles was goed, vertelde hij me. Geen enkele reden tot zorgen. Hij zette zijn zonnebril weer op en ik zag mezelf weerspiegeld in de glazen, mijn gezicht bol en rond uitgerekt, en daarachter de vage omtrek van mijn vaders ogen.

Standaard