Slechte mensen

Natasja

Natasja zit niet graag thuis. Met haar 37 jaar voelt ze zich nog even jong als toen ze 17 was en van hot naar her ging op haar metallic-paarse Aprillia.

Door Carmen Felix

Nu heeft ze dat paarse beest jaren geleden al ingeruild voor Jeroen, Sterre en Sem, maar dat wilde zit er nog steeds in. Je zou het echter niet zeggen. Van buitenaf lijkt Natasja een doodgewone, Nederlandse moeder. Met een leuke, doodgewone vent. En een prima, doodgewone part-time baan als receptioniste bij een Opel-dealer.

De baan zelf, daar wordt Natasja niet warm of koud van. Maar haar collega’s, daar kan ze wel wat mee. Tenminste, ze weet dat als ze zou willen, dan zou ze iets met ze kunnen. Allemaal. Tegelijkertijd. Zonder blikken of blozen. Natasja was op haar 17e al een meisje met een grote, hongerige mond en een onverzadigbare drang naar het vullen van die mond. En dat vullen gebeurde met behulp van een Feigling en een Apfelkorn hier of daar maar Natasja had toch echt een flinke voorkeur voor iets meer eiwit.

Dat snollerige aspect is ze nooit ontgroeid. En dat is ook precies de reden dat ze het al 8 jaar volhoudt bij Opel-dealer Van Sluis in Nijkerkerveen. De mannen die daar werken grommen stuk voor stuk als uitgedroogde honden naar Natasja zodra ze de zaak binnenloopt. Hoge hakken, te korte rokjes en een vlezig decolleté. Deze moeder weet exact wat haar Pappenheimers nodig hebben om het uit te houden bij Van Sluis. Al jarenlang speelt Natasja een soort geile ijskoningin waar iedereen naar mag loeren en op mag rukken. Ze wist dat het gebeurde en niets heeft haar ooit zo goed doen voelen. En het was ook de enige reden dat haar contract steeds verlengd werd. Na 8 jaar wist ze namelijk nog steeds niet hoe Excel werkt en vergeet ze soms de naam van de autodealer te noemen tijdens het opnemen van de telefoon.

Maar de laatste maanden is er iets veranderd. Natasja is zich gaan vervelen. Haar man, haar baan, haar kinderen… ‘Het zal allemaal wel’ denkt ze vaak. Toen ze onlangs geen oppas kon regelen voor kleine Sem heeft ze de peuter meegenomen naar de zaak. De hele dag hield ze het grut op haar heupen. Daar liep ze dan, te tippelen op die hoge hakken, met het kleine blonde koppie van Sem tegen haar dikke linkertiet aangeduwd. Mario, een van de monteurs, sloeg haar de hele dag gade. Rond half 5, toen de showroom en garage praktisch verlaten was, liep hij met grote stappen naar haar toe. Sem lag op haar schoot, in haar armen te slapen. Natasja was aan het CandyCrushen op haar telefoon. Het werd geilzwart voor Mario’s ogen. Hij stopte voor haar, ging door z’n knieen en stak z’n met olie besmeurde zwarte, grote handen onder haar rokje en in haar kutje. “Waarom duurde dit zo kankerlang, Mario?” siste Natasja hem toe. Ze legde Sem op de grond onder haar bureau en trok Mario aan z’n goedkope broekriem naar d’r toe. “Neuk me nu. Maar hou wel je mond. Sem slaapt.” hijgde ze. Ze was tenslotte geen slechte moeder.

Standaard
Slechte mensen

Geen zuivere koffie

Sjonge jonge jonge, het duurt hier wel lang, zeg. Hoe moeilijk kan het zijn, twee kopjes koffie maken en dan naar ons toe brengen? Je zou zeggen dat ze er wel ervaring mee zouden hebben in een café.’

‘Alsjeblieft Tony, praat niet zo hard. Je trekt al zo veel aandacht.’

‘Ik heb gewoon zin in koffie, man. Loop de hele dag al van hot naar her. Het zijn drukke tijden, weet je. Heb eigenlijk ook geen tijd voor familiegezeik.’

‘Laten we gewoon ter zake komen, die koffie komt heus nog wel.’

‘Dat mag ik hopen, ja.’

‘Ik heb hier met je afgesproken omdat ik iets met je wil bespreken. Iets belangrijks.’

‘Zo’n idee had ik al. Ik zeg je nu meteen dat ik niet zoveel tijd voor je heb. Over een klein half uurtje word ik al weer opgepikt door de wagen.’

‘Snap ik, je tijd is kostbaar.’

‘Bin-go. Je bent misschien toch slimmer dan je eruit ziet. Nou, schiet op, wat is er zo belangrijk?’

‘Oké, luister. Je weet dat er vorige week een nieuwe juwelierszaak is geopend, hier om de hoek?’

‘Praat eens wat harder, man. Van dat gefluister word ik helemaal krankjorum.’

‘Ik zei: Je weet dat er vorige week een nieuwe juwelierszaak is geopend?’

‘Die hier om de hoek.’

‘Ja, die hier om de hoek.’

‘Dat wist ik al, ja. Kijk eens aan, de koffie. Ik begon al bijna het idee te krijgen dat de bonen nog gemalen moesten worden. In Brazilië. Maar goed, dank je wel, schoonheid. Kom je er bij zitten? Ik heb graag wat zoets bij de koffie, als je begrijpt wat ik bedoel. Hé, loop nou niet weg!’

‘Kom op Tony, focus even. Ik heb een geniaal plan, al zeg ik het zelf.’

‘En dat doe je. Tot zover vind ik het nog verre van geniaal. Gad-ver-dam-me. Eerst moet je tachtig uur wachten op je koffie en dan smaakt-ie ook nog eens naar het goorste slootwater dat je je kan voorstellen. Niet te filmen, zeg. Wat is dit voor ballentent?’

‘Vergeet die klotekoffie, Tony!’

‘Jij hebt makkelijk praten, je hebt nog geen slok van de jouwe genomen. Ik heb veel koffie gedronken in mijn leven, maar zo belabberd als hier heb ik het nog nooit geproefd. Dit is geen koffie verkeerd, dit is koffie gi-gan-tisch verkeerd. Deze bak is z’n aanslag op de gezondheid dat eigenlijk alle koffiezetapparaten in een straal van tien kilometer preventief geruimd zouden moeten worden. Dit is niet te hachelen, man.’

‘Kap nou even met die ongein. Tony, alsjeblieft, luister. Die juwelierszaak, dat is een gouden handeltje.’

‘Joh. Zilver doen ze ook, heb ik gehoord. Maar dat heb je niet van mij.’

‘Nee, serieus. Die kerel zit er nog maar een weekje en heeft vanwege alle aanloop al twee vacatures geplaatst in het Noordhollands Dagblad.’

‘En dit vertel je me omdat…’

‘Nou, ik dacht dat jij als lokale politicus en lieve broer misschien wel een goed woordje voor mij bij hem kan doen? Ik ben nu al zo lang werkloos…’

Standaard
Slechte mensen

Indringers

Die vlek zat er nog niet. Ik ben niet gek. Ze kunnen me alles wijsmaken, maar niet dat die vlek er zat toen ik wegging. De vlek lijkt op Italië, maar dan zonder Sardinië en Sicilië.

Recht onder de klok, een bruine flats aan de bovenkant en druipers eronder. Altijd als ik weg ga doe ik de deur op slot, ik heb achttien dagen geleden zelfs extra sloten op de deur gezet, maar toch gebeuren hier vreemde dingen als ik weg ben.

Een beveiligingscamera heb ik nodig. Of drie eigenlijk, want de vorige keer had iemand mijn vuile borden kapot gegooid in de keuken en de keer daarvoor lag mijn slaapkamer overhoop. Het is de huisbaas; wie anders kan mijn huis binnenkomen terwijl de deur op slot is? Maar hoe kan hij sleutels van mijn nieuwe sloten hebben? Hij heeft vast mijn reservesleutels gejat toen hij mijn slaapkamer overhoop gooide, ze laten kopiëren bij Schoenmakers Slotenhandel en weer in de meest rechtse keukenla gelegd na het breken van mijn borden.

Ik val van schrik bijna van de ladder en laat haast de camera uit mijn handen vallen als de hij ineens achter me staat. Zie je wel? Hij is het dus, de huisbaas met zijn stinkhond. Hij komt me controleren, kijken wat ik aan het doen ben. Nu hij weet waar de camera’s hangen, gaat hij natuurlijk in andere ruimtes de boel kort en klein slaan. Op mijn interne to do list schrijf ik dat ik ook een camera moet ophangen bij de voordeur. De achterdeur heb ik zesenveertig dagen geleden al dichtgetimmerd.

Tien dagen heeft hij zich koest gehouden, hij is vast geschrokken van mijn camera’s, maar nu ruik ik het meteen. Hij is binnen geweest en zijn gore hond was er bij. Ik zie het ook. Een nieuwe vlek. Onder de vensterbank deze keer. Die vlek zat er nog niet. Ik ben niet gek. Maar nu ben ik voorbereid. Goddank heb ik die beveiligingscamera’s elf dagen geleden gekocht. Ik stop de geheugenkaart uit de camera in mijn laptop en ga ervoor zitten, met de telefoon in mijn hand zodat ik meteen de politie kan bellen als ik bewijs heb dat mijn huisbaas te pas en te onpas mijn huis binnenwandelt en mijn huis op stelten zet.

Het beeld is donker, maar ik zie een schim binnenlopen. Een grote man, groter dan de huisbaas. Shit. Zijn bewegingen zijn agressief, maar ik kan zijn gezicht niet zien. Het kan verdomme iedereen zijn. De indringer pakt een fles whisky uit mijn kast en neemt een paar flinke slokken. Ook dat nog. Lul. Hij zet de fles neer en opent zijn broek. Oh, mijn god. Hij pist tegen mijn muur, vlak onder de vensterbank. Er heeft verdomme een of andere malloot tegen mijn muur gepist! Mijn hoofd begint te tollen en rode vlekken dansen voor mijn ogen. De schim draait zich om en steekt zijn middelvinger op naar de camera. Ha! Nu heb ik je! Ik zet het beeld stil en zoom in op mijn gezicht.

Standaard
Slechte mensen

Horres en Van Dam in: Een Snoodaard Gezuiverd

Mwuuahhaahahahaaaaaa!’

Het kale hoofd van de man is spierwit en weerspiegelt de paar vale lichtjes die de kamer trachten te verlichten. De ogen van de twee detectives schieten heen en weer langs het hoofd en de tralies die ze opeens voor zich zien. Ze zijn zojuist onder een stalen kooi terechtgekomen, die pardoes uit het plafond kwam vallen toen ze de duistere kamer betraden.

‘Jullie zijn te laat, Horres en Van Dam! Mijn kwalijke plan om de stad te vernietigen is al in gang gezet! Ik laat jullie hier straks achter en rijd daarna met mijn witte bestelbus met kenteken 87-KJ-99 naar de Hoofdstraat, waar ik-’
‘-ho even, ho zeg. Ga je me nou serieus vertellen dat jij een slecht plan hebt, dat je ons daarvoor in een stalen kooi vangt en ons daarna precies uitlegt wat je gaat doen, zodat we je in de derde akte achterna kunnen zitten en je kunnen verslaan?’

Verbijsterd kijkt Van Dam om zich heen, hopend in Horres een medestander te vinden. Die reageert niet, en Van Dam gaat verder.

‘Ik dacht het toch hopelijk niet he? Waar zijn we trouwens, in het clichémuseum, met dat slechte licht? Installeer eens wat fijne led-verlichting! En waar is je kat?’
‘Mijn kat?’
‘Ja, je kat ja. Als je toch die kwade genius gaat uithangen kan je maar beter ook zo’n witte kat nemen die je dan constant blijft aaien terwijl je praat. Beter nog: hij moet blazen naar mij als ik praat, omdat-ie een verlengstuk is van jouw slechtheid.’
‘Oh, eh, ja, daar had ik nog niet echt aan gedacht.’
‘Echt niet? Nou, dan geloof ik niet dat jij de stad ook echt wil verwoesten. Kom, Horres, we gaan. We laten hem wel oppakken door de verkeerspolitie.’

Van Dam schuift zich zijwaarts tussen de tralies door, gevolgd door Horres die er door z’n buikje iets langer over doet.
‘Ooh, wat stom zeg! Ik had natuurlijk de ruimte tussen de tralies moeten controleren voordat ik een kooi van 100.000 euro in het plafond laat monteren’, slaat de man z’n hand voor de kop.
‘Nee, dit is niet zo handig inderdaad. Goed, tot ziens. We zien je zogenaamde verwoesting wel tegemoet.’

Als Horres en Van Dam buiten staan en Horres een sigaretje opsteekt, komt de kale man achter ze aan rennen.
‘Jongens, kunnen jullie even helpen met het terughangen van de kooi? Het is zo’n zooitje nu.’
‘Tuurlijk’, draait Van Dam zich direct om. Horres drukt z’n sigaret uit tegen de muur en sjokt achter Van Dam aan naar binnen.
‘Heel aardig. Willen jullie wel even jullie voeten vegen? Ik probeer het een beetje netjes te houden.’

Twee uur later stappen Van Dam en Horres bezweet maar voldaan de deur weer uit.
‘Mooi werk, Horres.’
‘Ja, ik denk dat we de kamer zo veel ruimtelijker hebben gemaakt. En de pasteltinten geven toch wat meer rust dan Bert gewend was he?’
‘Hij was er erg blij mee. En zo zie je: slechte mensen bestaan niet. Goed, aan het werk dan maar weer. Druk jij op het knopje?’
‘Is goed, Van Dam.’

De twee topdetectives van de regionale politie lopen bij het pand vandaan, dat achter hen explodeert. Deursplinters, toupetjes en stukjes tl-verlichting vliegen langs het tweetal heen, maar die kijken niet op of om. Weer een stukje stad van gespuis gezuiverd.


Lees de eerdere avonturen van Horres en Van Dam:

De Kille KatanaKiller
De Dode Wodkaliefhebber
– Vuile Spelletjes
Het Regent
Met Voorbedachten Rade
Het Witte Goud

Standaard
Slechte mensen

De verdorven verzameling

Pepijn was een goede jongen, heus. Hij deed nooit iemand kwaad, haalde hoge cijfers en zat altijd in de hoogste voetbalteams. Maar er gebeurden steeds de meest vreemde dingen. Het was vorig jaar winter begonnen, net na zijn zestiende verjaardag.

Mevrouw Kolk, de buurvrouw aan onze linkerkant, had bij ons aangebeld met de vraag of dit onze kat was. Ze had een doosje bij zich met daarin het verminkte lichaam van wat inderdaad Leeuwtje bleek te zijn. Daarna vroeg ze waar Pepijn was. Ik zei dat hij bij een vriendje was, hoezo? Ze zei dat ze twee jongens rotjes in Leeuwtjes je-weet-wel had zien stoppen en dat een van hen Pepijn was. Overmand door emoties zei ik dat ze niks in haar hoofd moest halen, hij nooit zoiets zou doen en dat we samen met de politie de daders zouden achterhalen.
Later die avond kwam Pepijn thuis en ik vertelde hem het slechte nieuws over Leeuwtje. Hij reageerde geschokt en stelde voor dat we een beloning zouden uitloven voor degene die de daders zou vinden. Hij heeft zelfs nog geholpen met het maken van een flyer, die we in de buurt hebben opgehangen.

Ik begon steeds meer aan hem te twijfelen. In het voorjaar had hij ineens een scooter bij elkaar gespaard. Hij werkte in een supermarkt als vakkenvuller, dus een vetpot kon dat niet zijn. Ik vroeg hem hoe hij zo snel aan dat geld kwam, en hij zei dat hij in tussenuren extra had gewerkt. Ik geloofde hem. Wat kon ik anders doen?
Als hij niet constant de hort op was, trok hij zich terug op zijn kamer en ik koppelde dat aan typisch pubergedrag. Dat zou wel over gaan. Maar hij werd zo springerig en prikkelbaar als ik ook maar in de buurt van zijn kamer kwam, dat het mijn argwaan aanjoeg. Elke dag zat zijn kamer op slot, maar op een gegeven moment had hij zijn deur open laten staan toen hij ging douchen.
In de hoek van zijn kamer zag ik een stapel bebloede handdoeken liggen, maar dat was niet wat me het meest schokte. Die enorme verzameling, de speciale vitrinekast. Ik heb de deur dichtgegooid, ben naar beneden weggerend en in de tuin heb ik overgegeven. Wat moest ik in vredesnaam doen?

Nachtenlang heb ik wakker gelegen. De derde nacht nadat ik achter zijn geheim kwam, hoorde ik hem thuiskomen. Ik hoorde het geronk van zijn scooter buiten, ik hoorde hem afscheid nemen en ik hoorde hem geen moeite doen om zachtjes te zijn. Ik kwam overeind, hoorde hoe hij de trap op kwam. Toen hij bij zijn kamer was, vroeg ik of hij een kop warme melk wilde.
‘Ik kan ook niet slapen,’ zei ik.
Hij begon te tieren, zei dat ik me niet met zijn zaken moest bemoeien.
Toen zag ik dat hij iets in zijn hand had.
‘Wat moet jij met een moersleutel midden in de nacht?’ durfde ik hem te vragen.
Hij schreeuwde dat zijn scooter kapot was gegaan, gooide de moersleutel vlak langs mijn hoofd tegen de muur en raakte een lijstje met een foto van zijn vader.

Ik zei dat het voor mij ook niet makkelijk was, waarop Pepijn de deur dichtsmeet.
De volgende dag belde ik de politie op en vertelde hen wat voor slechte moeder ik was.

Standaard