Roken

Het laatste avondmaal

Tussen twee vingers schoot ik de nog brandende peuk weg en liep nietsvermoedend haar huis binnen. Ik was er al een keer geweest, dus ik wist waar elke kamer voor diende.

Door Maurice Swiersema

Bij binnenkomst leek het alsof ze al op me stond te wachten. Ik hoefde niet eens aan te bellen en het eten had ze al zo goed als klaar. Ze raakte me niet aan bij de begroeting, laat staan een kus. Op zich niet zo vreemd, misschien zat ze met haar hoofd bij het koken.

Ik hoefde alleen nog even de spaghetti af te gieten en we konden aan tafel. De vriend via wie ik haar had ontmoet en die in hetzelfde huis woonde als zij, kwam ook even langs met zijn vriendin. Ze wilden na ons koken en hij hintte nog even op een feestje de volgende dag waar we allebei zouden zijn. Achteraf gezien vraag ik me nog steeds af of ze haar plannen al aan hem had verteld voor mijn komst. Ongetwijfeld.

Tijdens het eten vertelde ik over mijn vakantieplannen en andere bijzaken. Misschien had ik toen al een beetje moeten aanvoelen dat er iets aan de hand was. Behalve over hoe lekker ze het eten vond, voegde ze barweinig toe aan het gesprek. Er bestond een soort afstand die onbewust vergroot werd toen ze me zei dat ze iets moest vertellen. Of ik even wilde gaan zitten. Ik plantte me op de driezitsbank waar nog genoeg plek was voor ons beiden, maar zij besloot om bij de eettafel te blijven hangen.

Toen kwam het hoge woord eruit.

Ik kon me geen houding geven, wat niks te maken had met de slecht gevormde bank. Ik snapte niet goed waarom en vroeg of ze het echt zeker wist. Ze zei van wel. Ze vroeg of ik nog iets wilde weten, maar ik wist niks meer zeker. In mijn hoofd was het stil en stormachtig tegelijk.

Of ik nog wat water wilde, ze had ook bier. Met een brok accepteerde ik het water van haar en staarde voor nog eens vijf minuten in het glas. Het leek uren te duren voordat onze gemeenschappelijke stilte uiteindelijk onderbroken werd door de gemeenschappelijke vriend die binnenkwam.

Hij wilde nu echt beginnen met koken en het leek me beter iedereen achter te laten om zo verdere ongemakkelijkere situaties te voorkomen. In de slechtst denkbare situatie zou ik op haar slaapkamer zitten met een doos tissues op mijn schoot, tevergeefs vragend om nog wat meer tijd en een laatste sprankje hoop.

Met een verdwaasd hoofd droop ik af, terug naar mijn fiets. De sigaret lag er nog steeds, maar het vuur was inmiddels voorgoed gedoofd.

Standaard
Roken

Rooksignalen

Ze waren in Haarlem en het was voor Nederlandse begrippen warm. Op het terras las hij het Parool, gekocht in de AKO op het station dat er na de jarenlange verbouwing inderdaad beter uit was gekomen. Een bericht over een aangestoken huisbrand in de Spaarnwouderbuurt las hij uit walging hardop voor aan Eefje, die druk in de weer was met een Whatsapp-gesprek. ‘Het ruikt hier naar zweet,’ zei ze.

Na het afreken liepen ze het centrum in. Eefje moest een nieuwe bikini want haar vakantie naar Turkije klopte al hard op de deur.
Halverwege de Kleine Houtstraat haalde hij een sigaret uit een nieuw pakje Marlboro Gold en rook er even aan. Hij liet ‘m door zijn vingers gaan, snoof er nog eens aan en stopte ‘m daarna in een mondhoek. Bekeek zichzelf even in de etalageruit, en haalde toen met een zwierige beweging een lucifer langs het doosje en bracht de gloeiende hitte tot onder de sigaret.
Inhaleren.
Even niks doen.
Ogen dicht.
En uitblazen.
‘Ik ga hier even naar binnen,’ zei Eefje en hij knikte.
Het was goed, alles was nu goed.

Een maand of twee geleden hadden ze elkaar voor het eerst ontmoet. Het was op het verjaardagfeest van Julian, ergens rond Bevrijdingsdag en hij had haar op het balkonnetje zien staan, bij de rokers. In de keuken praatte hij met Bram over vergeten voetballers, maar zijn gedachten waren bij haar. Zodra ze binnen zou komen, zou hij haar aanspreken en de rest zou dan geschiedenis zijn. Maar ze bleef buiten. Tien minuten werd een kwartier en een kwartier zelfs een half uur.
Midden in Brams verhaal over voormalig FC Groningen vedette Milko Djurovski beende hij naar het balkon. Hij deed de deur open, bietste een peuk van een vage gast met uiteraard een knotje en ging naast haar staan. Hij kuchte even en informeerde vervolgens voorzichtig naar haar favoriete sigerettenmerk.

‘Geslaagd?’ vroeg hij toen ze naast hem op de stoep voor de winkel stond.
Ze knikte en hield als bewijsmateriaal het winkeltasje omhoog. ‘In de uitverkoop zelfs.’
‘Goed bezig,’ antwoordde hij en schoot z’n peuk richting de goot.
Ze lachte en viste een pakje Marlboro Gold uit haar modieuze handtas.

Op het naar ieders tevredenheid verbouwde station stak hij er bij een rookpaal weer eentje op. Hij inhaleerde diep en blies daarna de rook in bijna volmaakte cirkeltjes omhoog.
Eefje stond naast hem te paffen en typte met één hand op haar telefoon. Toch ging het razendsnel.
Hij blies een nieuwe cirkel richting de zon en zei: ‘Ik rook pas sinds begin mei. Zou je niet zeggen, hè?”
‘In Turkije is het al 36 graden,’ antwoordde Eefje.

Standaard
Roken

Het masker in de wolken

Kijk, die daar. Net een pony.’ Janneke wijst naar een wolk. ‘Wel een beetje een gekke pony, maar absoluut een pony’, lacht ze en ze veegt een rode lok uit haar gezicht. Zweetdruppeltjes glinsteren op haar voorhoofd en ze drukt het glas witte wijn tegen haar wang.

Ik probeer het spelletje mee te spelen, maar mijn concentratie verliest het van mijn verliefdheid. Zij ziet figuren in wolken, ik zie figuren in haar sproeten en omschrijf ze terwijl ik naar de lucht wijs.

Het geschreeuw van spelende kinderen verstomt als zij praat. Haar zachte stem komt overal bovenuit en de kuiltjes in haar wangen dansen met de zinnen. Ik snuif en ruik haar zoete parfum. Ze moest eens weten. Lieve, onzekere Janneke. Het mooiste meisje van de klas, vroeger al. Maar ook het ongelukkigste. Ze kon zichzelf niet zijn, vertelde ze me. Als de rest zou weten wat alleen ik wist, zou ze pas écht gepest worden, dacht ze. Zij vatte zelfs complimentjes op als pesten, ze ging er onder gebukt omdat ze elk woord duizend keer uitvergrootte en omkeerde in haar hoofd. Als iemand zei dat ze leuke sproetjes op haar schattige wipneusje had, vond zij dat ze een ‘lelijke rooie met een rare neus’ was.

In de eerste werd het erger. Ze had gehoopt dat de mensen wat meer open minded waren, maar dat was niet zo. Tenminste, niet in onze klas. Maar daar kwam ze te laat achter, toen ze al had verteld dat ze op vrouwen viel. Een schone lei, dacht ze. Weg uit ons geboortedorp en studeren in de stad. Maar daar begon het gepest pas echt. Of eigenlijk was het geen pesten, ze sloten haar gewoon buiten. Ik bleef haar trouw, want de groepsdruk verloor het van mijn verliefdheid. ‘Wat moet je met die pot?’, vroegen studiegenoten me soms. Ik zei dat ik haar aardig vond, puur platonisch. Ik keek wel uit, ik was als de dood dat ze mij ook zouden pesten.
Vier jaar hield ik dat vol en nu we ons diploma binnen hebben, hoef ik nergens meer bang voor te zijn. Alleen voor het moment dat Janneke naar Amsterdam verhuist om door te studeren en ik hier in Tilburg achterblijf omdat ik werk heb gevonden. Nog twee weken. Dan krijgt ze de sleutel van haar nieuwe kamer.

‘Kijk daar! Een masker! Zo’n Italiaanse’, Janneke wijst omhoog en ik volg haar vinger. Ik zie de wolk die ze bedoelt meteen. Arlecchino uit de Commedia Dell’arte torent hoog boven ons uit en kijkt spottend op mij neer. Beschuldigend bijna, en zo voel ik me ook. Schuldig aan mezelf, aan Janneke en aan de buitensluiting die zij wel ondervond, maar ik niet.
‘Jan?’, zeg ik en ik veeg het lokje dat is teruggezakt weer uit haar gezicht. Ze kijkt me aan en ik zie verwarring op haar ogen. Dan worden haar ogen zacht en mild. Haar glimlach is trillerig en de kuiltjes dansen de Chachacha. Met het verwaaien van de wolk zet ik ook mijn masker af en ik kus haar op haar lippen.

Standaard
Roken

Niets meer dan nu

Ik zit op ons balkon met de hond aan mijn voeten en rook maar. Ik vang flarden op van het telefoongesprek dat mijn vrouw binnen voert.

‘Het kan ook gewoon de ouderdom zijn,’ zegt ze.

Ik kijk naar onze schone kleren aan de waslijn en ik vraag me af hoe erg die straks naar sigarettenrook zullen ruiken. De balustrade zit onder de groene aanslag, die moet nodig eens schoongemaakt worden. Misschien dat-ie dan ook opnieuw gewit moet worden, maar dat zien we dan wel.

‘Ze weten heus wel wat ze doen,’ hoor ik.

De wespenvanger bungelt in de wind en hoewel ik er sinds het zomer is nog geen heb gezien, zit er één wesp in.

‘Wil je de korte of de lange versie?’ zegt ze als ze door het kralen gordijn het balkon op komt.

‘De korte,’ zeg ik.

Ik trek met mijn lippen een nieuwe sigaret uit mijn pakje en bied haar er een aan. Met de aansteker die naast mij op het bankje ligt, steekt ze ‘m op. De hond kijkt even op, verbaasd als hij is.

‘Vind je het eigenlijk niet gek om nu te gaan zitten roken?’

Ik zwijg, omdat ik weet dat ze niet perse een antwoord verwacht. Ik zie dat de planten op het punt van bederven staan. In de keuken pak ik een glas water en giet het leeg in de aarderode bakken, maar ik vrees dat het al te laat is.
Ik voel de behoefte om een kantoor met een uitzicht te hebben, waar ik laat op de avond naartoe kan gaan. Een plaat van Chet Baker opzetten, bedachtzaam drinken. Maar dit soort wensen spreek ik niet hardop uit, ik rook zuchtend een sigaret.

Nu pas zie ik de duif op het schuttinkje. Hij moet er al een tijdje zitten, anders had ik hem wel opgemerkt. Hij zit daar gewoon wat te zitten, onverstoord. Zelfs als de hond naar binnen trippelt, verroert hij zich niet.

‘Kutduif,’ zegt ze.

Maar hij doet helemaal niks, hij doet helemaal niks fout.

‘Wist je dat duiven niet poepen als ze vliegen? Dat doen ze zittend. Net als wij,’ zeg ik om haar af te leiden.

Mijn vrouw pulkt aan een korstje op haar arm.

‘Wat wil jij eigenlijk van mij?’

Haar vraag slaat me uit het veld. Ik vraag me af wat er precies voor zorgt dat ik alleen een afgezaagd antwoord kan bedenken: liefde, vriendschap, genegenheid. Om er niet te lang bij stil te staan, stel ik ook een vraag.

‘Wat wil jij van mij dan?’
Heel even pauzeert ze.
‘Niets meer dan nu.’

Ze is me te slim af, hoewel dat te negatief klinkt. Dan gaat de telefoon. Ze loopt naar binnen en ik steek een nieuwe sigaret op.

Als ze even later terugkomt, zegt ze:

‘In deze tijd van het jaar zouden er al nieuwe knopjes aan de planten moeten zitten.’

Ik druk de sigaret uit, inhaleer diep en lang en zwijg.

Standaard
Roken

Drama gezocht

Ik ben Amy Winehouse zonder drugs. Lance Armstrong zonder epo. Stephen Hawking zonder computer.

Ik ben een schrijver zonder drama. Niks geen moeilijke jeugd, foute vrienden of mishandelende ouders. Niks geen drugsproblemen, alcoholverslaving of verlammend autisme. Dus de vraag rijst: wat kan ik schrijven?

Om te voorkomen dat er nooit wat van mij komt, als schrijver, sta ik nu te twijfelen bij de tabakszaak bij mij om de hoek. Het plan was om te beginnen met roken, maar ik houd van mijn longen en wil eigenlijk helemaal niet sterven aan kanker. Maar ja, daar staat dan tegenover dat een sigarettenverslaving heel goed staat, als schrijver. Het geeft je iets noodlottigs, melancholieks.

‘Goedemorgen.’
‘Goeiesmorgens.’
‘Eén pakje sigaretten alstublieft.’
‘En welke mag het wezen? Pall Mall, Malboro Gold, Malboro Light, Camel Filter, Gauloises Blond, Lucky Strike, Kent, West Silver, Kornet Menthol, Kornet Full Flavour?’
‘Oh.’
‘Oh?’
‘Ja, ik had verwacht dat het filmischer zou zijn dan dit. Dat ik met de zon in mijn rug binnen zou komen, een pak sigaretten zou verlangen en die dan zonder blikken of blozen naar me toe geschoven zou krijgen over de stoffige toonbank.’
‘Stoffige toonbank? Wat zullen we nou krijgen? Flikkert u maar op naar buiten, meneer.’

Iedere grote schrijver had en heeft wel wat. Het is een verplichting, maar eentje die mij pas is medegedeeld toen mijn kwetsbare jaren voorbij waren. Mark Twain, bijvoorbeeld, verloor drie broertjes en zusjes. Mulisch maakte de oorlog mee. En Hemingway, de grootheid, verdronk zichzelf in de alcohol.

‘Goedemiddag.’
‘Middag.’
‘Ik zag dat u nog een pizzabezorger zocht. Op die positie wil ik graag solliciteren.’
‘Oh. Joh. Bent u… Bent u niet een beetje te oud om pizzabezorger te worden?’
‘Charles Bukowski werkte ook in een postkantoor.’
‘Ah, u bent er zo één. Meneer, u bent de vierde deze week. Het kan me niet schelen dat u verwacht de volgende Twain, Mulisch of Hemingway te worden. Voor mij is maar één ding zeker: u bent niet bijzonder, niet briljant en al zeker niet origineel als u hier pizza’s wilt gaan bezorgen. U gaat niets bereiken, wat ik u brom. Flikkert u dus maar op naar buiten, meneer.’

Ik probeerde net voor een tram te springen. Dat onding stond dik twee meter voor me stil. Daarna probeerde ik een auto, maar ook die stopte. De taxi waar ik vervolgens onder wilde rollen was al weg voordat ik er erg in had en de fietsers waar ik tussen sprong reden lachend om me heen. Zelfs verlamd raken en de ‘zielige schrijver’ worden is onmogelijk in deze klotestad.

Standaard