Raynor Arkenbout - Onrust in huize Johanszoon
Fantasie

Onrust in huize Johanszoon

Het is vandaag zover. Het is eindelijk voorbij na dertien jaar van mijn leven te besteden aan wachten, wachten, wachten. Maar ik ben blij dat je nog steeds hier met mij wacht, al die tijd daarna. Dat ellenlange wachten lijkt zelfs in het hiernamaals nog langer te duren dan toen ik leefde, vind je niet? Maar ik heb het verdiend.

Door Raynor Arkenbout

Heb ik je gewekt? Sorry, sorry, sorry. Hij komt deze doos halen. Heb ik je ooit al verteld wat hier in zit? Ja? Goed, goed, goed. Als Faas straks door die deur komt is het gedaan, hè? Dan los ik op en mag ik met je mee toch? Dan moet ik gedag zeggen tegen ons huisje, niet? Ik doe het nu alvast. Doei, huisje aan de Zeestraat in Zaandijk. Je bent goed voor ons geweest. Jij had niets te maken met de pijn en het verdriet, dat beloof ik je. ’t Is toch vreemd hoe je huis je gevangenis wordt en wanneer je het moet verlaten, je het weer als huis ziet.

Ik heb last van mijn schouders van de last die ik mezelf zo lang heb laten dragen, lieverd. Daarom kreun ik soms. Je hoeft niet oud te sterven om toch zwak en fragiel te eindigen. Nu hij zo dichtbij is, lijken de vlagen van herinneringen elkaar sneller op te volgen. Herken je dat? Had jij dat ook?

Ik zie mijn naam op mijn paspoort staan als jonge knaap. Barend Johanszoon, geboren in 1930 in de kop van Noord-Holland in een klein dorpje genaamd Sint-Maartensbrug. Ik zie onze eerste ontmoeting, zwaantje. Ja, weet je nog? Ik vond het een belachelijke naam, Swaen. Dat je ouders je zo hadden genoemd begreep ik niet, maar ik begreep Amsterdammers sowieso niet. Nooit gedaan.

Je zag er prachtig uit, die eerste keer dat ik je zag, daar op het plein midden in Zaandijk. Toen de fontein er nog stond. Herinner je nog de eerste vliegtuigen die overvlogen die geen gevechtsvliegtuigen meer waren? Dat was een prachtig gezicht, ook al was dat in het stinkend lelijke Zaandijk. Dat vond ik toen van die stad, maar ieder kind dat verhuist, haat zijn nieuwe woonplaats, al is het maar voor even. Gelukkig gold dat ook voor jou.

Faas Johanszoon, die zweverige voornaam die jij hem zo nodig wilde geven. 1954, acht jaar nadat wij elkaar op dat plein zagen, toch? Volgens mij wel.
Hij leek ook zo erg op jou, in dat opzicht was de naam goed gekozen. Weet je nog? Altijd The Beatles luisteren en meezingen. Klonk nog best goed, zei je altijd. Daar moest-ie wat mee doen, volgens jou.

Ik weet dat ik dit al heel vaak tegen je heb gezegd tijdens het wachten, maar je heb gelijk. Ik bewaar het voor hem. Hij is er bijna, hij rijdt al over de Landskade. Hij rijdt nog steeds in die oude Mercedes, hoor je?
Weet je nog, toen ik bij Schiphol begon te werken? Bagagemedewerker, net voor de grote groei in de jaren ’50. Hard ploegen, ja, dat klopt, ja, ja. Het was het meer dan waard om voor jou en die kleine die in je buik zat te werken. Je had niet hoeven werken, maar die schilderlessen geven deed je graag, hè? Dat heb je nog gedaan tot de week van je bevalling en van je…

Faas en ik hebben ook mooie tijden gekend. Ik kan ze nu beter voor de geest halen dan toen ik nog leefde. Samen een ijsje eten aan de dijk op warme zomerdagen, vliegtuigen kijken bij mij op het werk. Zijn ogen twinkelden bij het zicht van de gigantische machines die uit de lucht kwamen dalen. Ze twinkelden net als die van jou als je enthousiast was. Vooral vanaf zijn achtste levensjaar begon hij steeds meer op jou te lijken. Ik wilde hem wel alle liefde geven die ik aan jou gaf, als een soort inwisseling. Ik deed echt mijn best.

Hij is aangekomen in de straat, voel je dat ook?

Zestien jaar. Zo oud was hij toen hij vertrok. Naar Amsterdam zelfs, van alle plekken waar hij naartoe kon gaan, moest hij daarheen. Hij werkt daar nu nog steeds ergens op een kantoor, toch? Verdient volgens mij goed. Maar zingen doet-ie niet meer, geloof ik. Nee, nee, nee. Je hebt gelijk, dat zit hier ook in de doos.

Het is een geweldige jongeman en als ik de tijd kon terug draaien, had ik het gedaan. Dan had ik hem niet onwelkom doen voelen in zijn eigen huis. Dan had hij misschien niet in alle haast deze doos achtergelaten. Dan had hij zijn jeugdigheid, zijn optimisme, zijn nieuwsgierigheid en zijn ambitie – die hij allemaal van jou heeft geërfd – meegenomen en was hij misschien gelukkiger geweest. Ik heb hem dat ontnomen.

Ik hoor de deur, jij ook? Hij is hier. De krakende traptreden zijn hoorbaar, hij komt direct naar zijn slaapkamer toe. Daar staat hij: mijn zoon. Hij lijkt niet blij me te zien en daarnaast ook verrast. Hij ziet jou ook, zie je dat? Het moment is nu. Ik heb hier jaren op gewacht en ik had dit graag eerder gedaan, lieverd, weet dat alsjeblieft. Ik hou van jou en ik ga straks graag met je mee, maar het enige dat nu overblijft is om het eindelijk tegen Faas te kunnen zeggen. Ik kijk hem diep in zijn ogen aan en zeg: ‘Het spijt me, voor alles.’

Standaard
Fantasie

De fantasie van meneer Schmidt

Brutus, heb jij mijn zoon vermoord?’
‘Ja, Scorpio, ik heb je zoon vermoord.’
‘Bedankt daarvoor, Brutus. Je bent een echte held.’

Vanuit de zaal klinkt cynisch applaus van één man, waarop de twee acteurs halt houden ter illustratie van hun verbazing. De repetities zijn immers altijd besloten.

‘Ongelofelijk, wat overdreven. Als hier morgenavond in het hele theater ook maar iemand zijn lach kan inhouden, eet ik mijn hoed op,’ mompelt de toehoorder.

De gelaatsuitdrukkingen van de twee acteurs verraden hun mening over de brutaliteit van deze man. Hun uit een verzameling van tweedehands trouwringen bestaande maliënkolders rinkelen terwijl ze met stevige tred o p de man aflopen. Die neemt zijn hoed af, heft zijn armen de lucht in en danst drie rondjes om zijn as en verdwijnt pardoes. Zo, in de dunne lucht.

De mannen kijken elkaar aan. Wie is deze behoede man, omgeven door mysterie en wars van subtiliteit? En poef, ook zij zijn weg.

Ergens in een Noord-Afrikaanse woestijn rijdt een Jeep. Op de achterbank zegt een ontvoerd meisje, van wie de voorouders waren uitgenodigd om in dat land te komen werken omdat men geen andere uitweg zag, tegen een ander ontvoerd meisje, waarvan de ouders naar dit land waren gevlucht omdat ze geen andere uitweg zagen, dat ze zo geschrokken is.

Ze zegt: ‘Hij liet me echt schrikken. Mijn hoofd werd groenpaarsgeeloranje toen hij zo ‘pssssst’ deed.’
‘Overdreven,’ zegt de man, terwijl hij met twee vingers de rand van zijn hoed bevoelt.

De twee meisjes deinzen achteruit, de een tegen de linkerzijdeur van de Jeep en de ander tegen de ander. Gillend, met hun benen spartelend richting de man die ineens tussen hen in is komen zitten.

‘Ontzettend overdreven. Hou eens op met dat geschop,’ zegt de man met de zwarte hoed.

De chauffeur heeft de auto inmiddels abrupt tot stilstand gebracht en tovert een vuurwapen uit de rand van zijn spijkerbroek. De mysterieuze man doet zijn hoed af, heft zijn armen de lucht in en danst drie rondjes om zijn as. Pling, en weg is hij. Verward kijken de kidnapper en de meisjes naar de plek waar zojuist de man met de hoed heeft gestaan, waarna ook de meisjes verdwijnen alsof zij door een opperwezen uit het zanderige decor worden weggeplukt.

Twee vrouwen zitten op een parkbankje. Ze klagen over het weer, overtollig vet en het feit dat de ijscowagen zo ver lopen is. Op het moment dat de ene vrouw tegen de ander zegt dat ze zou willen dat de ijscowagen over het gras naar hun toe komen rijden, komt de ijscowagen ineens met een rotgang over het gras naar hun toegereden. Ze gillen om goden en slaan tig kruisjes, maar een poging tot wegrennen doen ze niet. Vlak voor de dames komt de wagen tot stilstand.

‘Erg overdreven,’ klinkt het vanuit het voertuig dat hen zojuist bijna van de sokken rijdt. ‘Twee bolletjes? Je bent tenslotte wat je eet.’

Tijdens de turbulente tirade van de twee corpulente klaagzangeressen doet de man zijn hoed af, gooit zijn armen de lucht in en danst drie rondjes om zijn as en laat de twee vrouwen verbouwereerd achter, totdat ze zelf ook in het niets verdwijnen.

In een fabriekshal in Rusland die niet meer wordt gebruikt voor het vervaardigen van vleesproducten, maar om stockfoto’s van industriële interieurs te maken, staat de man met de hoed achter een katheder. De loods is voor de gelegenheid voorzien van camera’s om mee te filmen, inclusief bijbehorende mannen.

‘Jullie zullen je wel afvragen waarom jullie hier allemaal zijn,’ zegt de man.

Voor hem staat een glazen kooi met daarin de twee meisjes naast elkaar in het midden, links de acteurs en rechts de zwaarlijvige vrouwen, die het driftigst knikken. Allen zijn met kettingen aan elkaar verbonden.

‘Het is altijd mijn fantasie geweest om twee families te vormen uit zeer willekeurige milieus en die tegen elkaar te laten strijden in een televisieprogramma. Jullie eerste opdracht is: vorm twee teams bestaand uit een man, een vrouw en een kind. Intussen wordt de kooi gevuld met water. Veel succes!’

Op een stoel in een zorghuis in Amsterdam schrikt een man van een hand op zijn schouder. Zijn broek is nat, maar hij ruikt zichzelf niet meer.

‘Meneer Schmidt, gaat het? U was weer aan het dagdromen, zo lijkt het. Kom, dan verschoon ik u even. Zal ik uw hoed weer opzetten?’

Standaard
Fantasie

Absurd groene gekmaker

Helemaal goed, je doet maar’, appte ik naar Wilona, waarna ik mijn telefoon op de grond smeet. Ik had gezegd dat ze nep was en ze stuurde terug dat ze me wel eens zou laten zien hoe echt ze was.

Tevreden leunde ik achterover. De zon droogde mijn huid uit en kleurde hem in. De tuin glimlachte me vriendelijk toe en de bloemen die ik water had gegeven dansten in een briesje. Ze slokten het verse, koude vocht op en keken me dankbaar aan, blij met dat beetje verkoeling in de zinderende hitte van augustus. Mijn glas liet ik balanceren op mijn knie en het walsende drankje camoufleerde tegen het tapijt van gras. Een hommel vloog loom voorbij, te lui om nectar uit de dansende plantjes te zuigen. Het gele vlindertje dat hem tegemoet vloog zwenkte naar rechts, bang voor een confrontatie. Het was ook veel te warm voor confrontaties.

Een kraai slaakte een kreet en het blauwgrijze elfje Marlientje stoof uit haar huis. Ze zwaaide met haar knuistjes en tierde tegen het zwarte gedrocht dat hij zijn kop moest houden, omdat ze haar slaapje hield. Of hij soms niet wist dat elfjes op hete dagen moesten slapen. Grinnikend luisterde ik naar haar gesnauw en ik verslikte me in mijn drankje dat brandde in mijn keel. Eigenlijk wilde ik zeggen dat ze zich niet zo druk moest maken, maar ik hield mijn mond en nam nog een slok absint. Mijn papillen stierven een smaakvolle en vreedzame dood.
Die Marlientje… ik wist wel beter; één keer sprak ik haar tegen en toen vond ik een dag later een berg dode, bloederige vliegen in mijn bed. Na haar relaas stiefelde het elfje weer naar binnen en ze gooide de deur van het paddenstoelenhuis hard dicht. Een stip viel van het dak en dat zette de trend van vandaag door.
Alles ging kapot: vanmorgen was er een stuk van de hoorn van Camille afgebroken en het schermpje van mijn mobiel was gescheurd toen ik het op de stoep gooide. Bovendien had ik de scherven van de twee vorige borrelglaasjes nog niet opgeveegd. Vroeger deed Willem dat, maar die was weg. De kabouter was acht maanden geleden vertrokken na een ruzie met de bever van de buren.
Groot gelijk had –ie; het wás ook gewoon een kutbever.
Toen ik mijn buurvrouw belde dat haar bever mijn Willem had weggejaagd, zei ze dat ik me niet zo moest aanstellen, dat Willem veel te klein voor me was en dat ik eens iemand van mijn eigen postuur moest zoeken. Om haar te pesten kocht ik Camille, een roze eenhoorn met paarse manen die door een foutje van de natuur balkte als een ezel. Tegen de tijd dat Camille klaar was met de dagelijkse 666 keer tegen de schutting bonken, stond de buurvrouw steevast als een keukenmeid te gillen.

Het gescheurde schermpje van mijn telefoon lichtte op. Toen ik bukte om het op te rapen gulpte er een golf absint overheen. Aan de foto zag ik dat Wilona nog steeds boos was; in haar hand had ze een pop, sprekend mij met rode ogen en blauwe haren. Bovendien miste het de linkervoet, net als ik. Mijn hysterische schaterlach verscheurde de krijsend hete lucht. Dacht ze nou echt dat ik in Voodoo geloofde? Achterlijke heks.

Standaard
Fantasie

Een jongensboek

We staan in de kantine, samen naast de sigarettenautomaat. De lange haren van Matthias van Hasselt liggen nat in z’n nek. In mijn hand een biertje van het merk dat groot op het bord boven de hoofdingang pronkt. Vergeelde elftalfoto’s aan de muur. Aan de bar bestelt iemand een broodje kroket.

Natuurlijk moet ik Matthias nu stevig ondervragen over zijn catastrofale misser in de laatste minuut. Iedereen op de tribune had gezien dat de hoek onmogelijk was, maar toch had hij op doel geschoten. Was het opportunisme geweest? Had hij niet gezien dat zijn teamgenoot, de grillige vaak trefzekere Belgische spits Jean Immens, er veel beter voor stond?
Of zit het misschien dieper en wil hij niet op deze manier kampioen worden?
De waarheid moèt boven tafel.
Maar ik zwijg. Over mijn lippen komt geen kritische vraag. Matthias kan ik niet aanvallen, ik ben hem te veel dank verschuldigd voor het jongensboek dat ik mag schrijven.

Dat ga ik even uitleggen.

Omdat voetbalboeken de enige boeken zijn waar je vandaag de dag als schrijver nog rijk van kan worden, volgde ik Matthias, een kreupele centrumverdediger van zesdeklasser VV Wageningen Vooruit, een jaar lang op de voet. Het boek is bijna af, de titel staat al in de najaarsbrochure: Het grootse plan van de laatste man.

Het was een intens seizoen. Na een beroerde start met exact nul punten uit 10 wedstrijden, begon VV Wageningen Vooruit aan een ongekende opmars. Dat lag niet aan nieuwe trainingsvormen of aan inspirerende peptalks van trainer Tjeerd Rooks, want die waren er niet. Nee, het succes vond zijn grondslag in het pact dat Matthias en Jean Immens, de grillige doch volgzame spits uit België, op een donderdagavond na de training hadden gesloten. Ik zag ze samen wegsluipen uit de kantine waar Jorrit Trouwens, de gelegenheidslinksback met politieke ambities, net begonnen was aan zijn speech over de miserabele staat van Nederland. Matthias had mij gewenkt mee te komen, en buiten fluisterde hij me toe dat het komende goed voor mijn boek zou zijn.

In het donker zaten we met z’n drieën in de dug-out bij het hoofdveld.
‘We moeten iets doen,’ zei Matthias. ‘Zoals het nu gaat, degraderen we met net zoveel punten als voorkeurstemmen voor Jorrit Trouwens, onze gelegenheidslinksback met politieke ambities.’
De grillige doch altijd goed luisterende Belgische spits, Jean Immens, knikte. Zijn kuif veerde in de wind.
‘Laten we in het vervolg alleen maar naar elkaar overspelen,’ ging Matthias verder. ‘Je hebt ploegen die vanuit tactisch oogpunt het middenveld overslaan, laten wij gewoon negen man overslaan.’
Ik moest lachen. ‘Dat gaat nooit werken, Matthias. We leven niet in de wereld van Sjakie met z’n wondersloffen. Je fantasie slaat op hol, zeg ik je. Op hol!’
‘Jij moet niet raar gaan lopen doen, schrijvertje,’ zei Matthias. ‘Jij hebt geen verstand van voetbal, daarom ben jij schrijver geworden. Met je pen.’
Jean Immens, de grillige doch vrede liefhebbende Belgische spits, zei ‘amai, komaan’ en stond op. Zwijgend liepen we door de koude nacht terug naar de kantine. Daar aangekomen dronken we een biertje of drie en lachten om het populistische gewauwel van Jorrit Trouwens, de gelegenheidslinksback met politieke ambities.

De eerste wedstrijd na het geheime dug-out-overleg werd er gelijkgespeeld. Jean Immens, de grillige doch gehoorzame Belgische spits, scoorde drie minuten voor tijd na een splijtende pass van Matthias. De vier wedstrijden daarna werden door het superduo gewonnen met respectievelijk 2-0, 2-0, 2-0 en 2-0. Het onwaarschijnlijke was gebeurd en na uitglijders van concurrenten WP’51 en Ozo Vortum lonkte na vijf winstvolle speeldagen zelfs het kampioenschap voor het troffeeloze VV Wageningen Vooruit. Er moest alleen nog maar gewonnen worden van de wisselvallige ZZP’er Boys, die ook eigenlijk liever op een andere dag wilden spelen dan de reglementaire zaterdag.

Op de middag van de kampioenswedstrijd zat ik naast Matthias in de kleedkamer. In de hoek, naast de douches, las Jorrit Trouwens, de gelegenheidslinksback met politieke ambities, in het Rode Boekje ter inspiratie. Andere spelers deden andere dingen om zichzelf op te peppen, maar dat was, zoals het hele seizoen al, onbelangrijk voor het verloop van dit jongensboek.
‘Hoe voel je je?’ vroeg ik als kritische voetbaljournalist aan Matthias.
‘Als een fokking winnaar,’ antwoordde hij. ‘Hier heb ik mijn hele carrière naar toegeleefd: eindelijk een hoofdprijs.’
‘En hoeveel laat je hem deze wedstrijd maken?’ vroeg ik en met mijn hoofd wees ik naar Jean Immens, de grillige doch lichtelijk zenuwachtige Belgische topscorer van de zesde klasse.
Matthias stond op, trok z’n aanvoerdersband recht, bekeek z’n kapsel een laatste keer in de spiegel en zei: ‘Het is tijd. Ik ga het veld op.’

Standaard
Fantasie

Een barrel op de bumper tussen Staphorst en Meppel

Wat ik nou toch heb meegemaakt…’

Het truckerscafé was zo goed als leeg, zodat Patrick zijn woorden kon fluisteren en het drie tafeltjes verder nog hoorbaar was. Kees, die voor hem zat, zou dus sowieso geen moeite hebben gehad om hem te verstaan, maar Patrick gebruikte natuurlijk zijn standaardstem. Een type stem dat ingesteld stond op standje 11, één standje hoger dan het menselijk oor kan verdragen. Kees wachtte het verhaal rustig af, met zijn hand om een kopje gitzwarte koffie.

‘Ik reed over de E232 vlakbij Staphorst naar Meppel met zo’n vijfhonderd meter voor me een Nissan Micra, zo’n oud barrel. Op een gegeven moment zie ik heel in de verte een tegenligger aankomen en voor ik het weet zit ik achterop die Micra. Geen remlicht gezien, niks. Net alsof ze gewoon geen gas meer gaf.’

‘Ze?’ vroeg Kees semi-geïnteresseerd.

‘Ja komt nog, komt nog. Ik probeerde nog te remmen maar ik knalde zo op dat bumpertje. Ik had wat pallets met bakstenen bij me, dus daar zat wel wat kracht achter. Dat bakkie schoot zo de weg af, recht de sloot in. Ik vol in de ankers natuurlijk. Was me kapot geschrokken, dacht dat ik iemand vermoord had. Die tegenligger stopte ook en samen renden we die sloot in. De auto lag niet op de kop ofzo, dus we konden de deur zo opentrekken. Zat daar zo’n enorme tante van een jaar of zeventig. Echt zo’n kiloknaller, maar dan niet heel dik of zo, gewoon enorm. Snap je? Stevig in d’r lijf, je weet wel. En schreeuwen jongen! Schreeuwen! Ik deed haar gordel los en ze bleef maar gillen en doen en samen met die andere vent trok ik haar die auto uit en op het droge. Ze wees naar haar oor en pas toen hoorde ik dat ze zat te schreeuwen om haar gehoorapparaat. Die was dus uitgevlogen of zo, maar ja, die vonden we echt niet meer terug. De halve auto stond vol bruine soep. Dus zij bleef roepen en schreeuwen. Maar wij gingen terug naar dat roestbakkie, want er zat nog iemand in. En raad eens?’

‘Een beer?’

‘Nee gast, zo’n mongool van vijftig. Zo’n geestelijk gehandicapte, je weet wel. En die zat me toch te schreeuwen en te doen, jongen! Ik hoorde eerst niks anders dan ‘HGHUUH, HUUPPGPG, PIIGHLL’, dat soort gelul. Dus wij sleepten ‘m uit die auto, en eruit wordt-ie opeens duidelijk. ‘M’N PILSIES, M’N PILSIES!’ riep-ie keihard.’

Kees verslikte zich in z’n koffie en proestte het uit.

‘Echt waar, hij riep om z’n pilsjes. Ik ging natuurlijk ook kapot van het lachen, maar ik denk ik help ‘m toch maar even. Dus ik liep terug naar dat barrel, beetje zoeken aan de bijrijderskant naar wat flesjes. En opeens hoorde ik gegrom. Dreef er op de achterbank een heel dik, bruin hondje. Maar echt moddervet dus, dat je je afvraagt hoe zo’n beest kan lopen. En toen ik weer uit de auto klom had ik dus geen flesjes pils in m’n handen, maar een obees hondje. En die zette ik dus neer naast zo’n dikke tante die schreeuwde om haar gehoorapparaat en een bejaarde mongool die om z’n pilsies riep.’

Kees hield zich inmiddels met beide handen vast aan de tafel, schuddend van z’n geluidloze lach. Achter de bar hing de barman aan de tap.

‘Het wordt nog mooier jongens. Luister! We namen ze mee naar een tankstation even verderop, konden ze in de medewerkersruimte even bijkomen en opwarmen. Ze schreeuwden inmiddels niet meer, maar mevrouw gaf te kennen dat ze de televisie graag aan wilde. Maar dan wel zo hard dat ze er iets van hoorde. En het was zondag. Dus even later schalde er keihard ‘Nederland Zingt’ door dat tankstation. Maar echt keihard he! De ramen trilden ervan! En die mongool meezingen. Moet je voorstellen, dat je een ruimte van twaalf vierkante meter hebt, met een druipnatte en moddervette hond, een psalmen-meezingende mongool met een blikje Amstel in z’n hand en een bejaarde tante onder een verlopen permanentje die vraagt of de tv nog wat harder kan.’

‘Gelul,’ kon Kees hikkend en hijgend nog net uitbrengen.

‘Echt gebeurd!’ riep Patrick.

Standaard