Verhaal #535 • Afgesproken thema: Fantasie

Onrust in huize Johanszoon

Het is vandaag zover. Het is eindelijk voorbij na dertien jaar van mijn leven te besteden aan wachten, wachten, wachten. Maar ik ben blij dat je nog steeds hier met mij wacht, al die tijd daarna. Dat ellenlange wachten lijkt zelfs in het hiernamaals nog langer te duren dan toen ik leefde, vind je niet? Maar ik heb het verdiend.

Door Raynor Arkenbout

Heb ik je gewekt? Sorry, sorry, sorry. Hij komt deze doos halen. Heb ik je ooit al verteld wat hier in zit? Ja? Goed, goed, goed. Als Faas straks door die deur komt is het gedaan, hè? Dan los ik op en mag ik met je mee toch? Dan moet ik gedag zeggen tegen ons huisje, niet? Ik doe het nu alvast. Doei, huisje aan de Zeestraat in Zaandijk. Je bent goed voor ons geweest. Jij had niets te maken met de pijn en het verdriet, dat beloof ik je. ’t Is toch vreemd hoe je huis je gevangenis wordt en wanneer je het moet verlaten, je het weer als huis ziet.

Ik heb last van mijn schouders van de last die ik mezelf zo lang heb laten dragen, lieverd. Daarom kreun ik soms. Je hoeft niet oud te sterven om toch zwak en fragiel te eindigen. Nu hij zo dichtbij is, lijken de vlagen van herinneringen elkaar sneller op te volgen. Herken je dat? Had jij dat ook?

Ik zie mijn naam op mijn paspoort staan als jonge knaap. Barend Johanszoon, geboren in 1930 in de kop van Noord-Holland in een klein dorpje genaamd Sint-Maartensbrug. Ik zie onze eerste ontmoeting, zwaantje. Ja, weet je nog? Ik vond het een belachelijke naam, Swaen. Dat je ouders je zo hadden genoemd begreep ik niet, maar ik begreep Amsterdammers sowieso niet. Nooit gedaan.

Je zag er prachtig uit, die eerste keer dat ik je zag, daar op het plein midden in Zaandijk. Toen de fontein er nog stond. Herinner je nog de eerste vliegtuigen die overvlogen die geen gevechtsvliegtuigen meer waren? Dat was een prachtig gezicht, ook al was dat in het stinkend lelijke Zaandijk. Dat vond ik toen van die stad, maar ieder kind dat verhuist, haat zijn nieuwe woonplaats, al is het maar voor even. Gelukkig gold dat ook voor jou.

Faas Johanszoon, die zweverige voornaam die jij hem zo nodig wilde geven. 1954, acht jaar nadat wij elkaar op dat plein zagen, toch? Volgens mij wel.
Hij leek ook zo erg op jou, in dat opzicht was de naam goed gekozen. Weet je nog? Altijd The Beatles luisteren en meezingen. Klonk nog best goed, zei je altijd. Daar moest-ie wat mee doen, volgens jou.

Ik weet dat ik dit al heel vaak tegen je heb gezegd tijdens het wachten, maar je heb gelijk. Ik bewaar het voor hem. Hij is er bijna, hij rijdt al over de Landskade. Hij rijdt nog steeds in die oude Mercedes, hoor je?
Weet je nog, toen ik bij Schiphol begon te werken? Bagagemedewerker, net voor de grote groei in de jaren ’50. Hard ploegen, ja, dat klopt, ja, ja. Het was het meer dan waard om voor jou en die kleine die in je buik zat te werken. Je had niet hoeven werken, maar die schilderlessen geven deed je graag, hè? Dat heb je nog gedaan tot de week van je bevalling en van je…

Faas en ik hebben ook mooie tijden gekend. Ik kan ze nu beter voor de geest halen dan toen ik nog leefde. Samen een ijsje eten aan de dijk op warme zomerdagen, vliegtuigen kijken bij mij op het werk. Zijn ogen twinkelden bij het zicht van de gigantische machines die uit de lucht kwamen dalen. Ze twinkelden net als die van jou als je enthousiast was. Vooral vanaf zijn achtste levensjaar begon hij steeds meer op jou te lijken. Ik wilde hem wel alle liefde geven die ik aan jou gaf, als een soort inwisseling. Ik deed echt mijn best.

Hij is aangekomen in de straat, voel je dat ook?

Zestien jaar. Zo oud was hij toen hij vertrok. Naar Amsterdam zelfs, van alle plekken waar hij naartoe kon gaan, moest hij daarheen. Hij werkt daar nu nog steeds ergens op een kantoor, toch? Verdient volgens mij goed. Maar zingen doet-ie niet meer, geloof ik. Nee, nee, nee. Je hebt gelijk, dat zit hier ook in de doos.

Het is een geweldige jongeman en als ik de tijd kon terug draaien, had ik het gedaan. Dan had ik hem niet onwelkom doen voelen in zijn eigen huis. Dan had hij misschien niet in alle haast deze doos achtergelaten. Dan had hij zijn jeugdigheid, zijn optimisme, zijn nieuwsgierigheid en zijn ambitie – die hij allemaal van jou heeft geërfd – meegenomen en was hij misschien gelukkiger geweest. Ik heb hem dat ontnomen.

Ik hoor de deur, jij ook? Hij is hier. De krakende traptreden zijn hoorbaar, hij komt direct naar zijn slaapkamer toe. Daar staat hij: mijn zoon. Hij lijkt niet blij me te zien en daarnaast ook verrast. Hij ziet jou ook, zie je dat? Het moment is nu. Ik heb hier jaren op gewacht en ik had dit graag eerder gedaan, lieverd, weet dat alsjeblieft. Ik hou van jou en ik ga straks graag met je mee, maar het enige dat nu overblijft is om het eindelijk tegen Faas te kunnen zeggen. Ik kijk hem diep in zijn ogen aan en zeg: ‘Het spijt me, voor alles.’



Wie is gastschrijver?

Dat ben jij! Nou ja, als je een beetje handig met woorden bent. Jouw verhaal ook op de website van Schrijversgenootschap De (Voorheen) Lege Bladzijde? Stuur je beste werk naar info@schrijversgenootschap.nl en laat je lezen!
Standard