Kerst

Normaal

Er moet toch iemand bij de brug zijn, had Tjerk gezegd. En dat klopte, normaal gesproken.

Sowieso had Tjerk, normaal gesproken, best wel vaak gelijk. Dat vond hij zelf ook, en dus ging hij er voor het gemak maar vanuit dat hij altijd gelijk had.
Dat was wel zo logisch. En ergens was het dat ook. Maar waarom ik dan nu op kerstavond in een kil hok bij een brug zit waar toch geen hond onderdoor wil varen, is mij een raadsel.
Dan kan ik wel alleen zijn, thuis, maar dat betekent nog niet dat ik met Kerst graag in m’n uppie naar het donker zit te staren. Er zijn genoeg leuke restaurants waar je heel prima in je eentje kan dineren. Harstikke gezellig, de obers doen heel aardig tegen je en soms krijg je nog een gratis toetje ook. En als je een beetje goed gaat zitten, lopen er veel mensen langs je heen naar het toilet en dan heb je toch een beetje aanspraak. Mensen zijn verrassend fris, als ze uit een toilet komen. Valt me altijd op. En dat zeg ik dan ook wel eens. Krijg je een mooie glimlach voor terug. Ach, dat zit er dit jaar niet in.
Soms snap ik dat niet, van Tjerk. Hij heeft zo vaak gelijk, maar hij is niet erg aardig als hij gelijk heeft. Dan wordt-ie een beetje zelfgenoegzaam. Of hoe noem je dat? Hij leek er niet echt blij van te worden als je ‘m gelijk gaf. Meer trots, belangrijk.
Hij zou nog wel even bellen, had hij beloofd. Maar goed ook, want dan heb ik nog wel wat te praten vanavond. Een kerstavond zonder gesprekken, dat kan toch helemaal niet? Toen ik Kerst nog met Baukje vierde was dat ook het allerleukste van de hele avond. Leuke, mooie, fijne gesprekken. Dan hadden we het over het weer, of over armoede, of over zwarte stiften. Dat van die zwarte stiften is wel raar, maar daar had Baukje iets mee. Dat was haar ding. Ik vond het prachtig. Ik hou wel van een vrouw met passie. Eentje die echt ergens voor staat. En dat deed Baukje.
Samen met Tjerk was ze een stiftenimperium begonnen, vanuit Harlingen. Ze werkten veel samen. Dan kwamen ze soms nachtenlang niet thuis omdat ze zo hard moesten werken. We hebben er de eerste maanden heel veel geld in gestoken. Een goede investering betaalt zichzelf dubbel terug, had Tjerk gezegd. Het was heel jammer dat het uiteindelijk niks is geworden. Niet zozeer voor mijn geld hoor, maar meer voor Baukje. Die was er kapot van. Haar droom was in duigen gevallen. Dat was ook een beetje de start van onze scheiding. Ik neem ‘r niks kwalijk, want als je droom zo kapot knalt gaan er natuurlijk dingen veranderen. Dan ga je nadenken. Dat is heel normaal.
Ah, daar zal je Tjerk hebben. Even vragen of Baukje nog lekker heeft gekookt.

Standaard
Kerst

Jasmijn

We tellen de dingen die al lang tussen de vissen hadden moeten liggen, Jasmijn en ik. Een lege Jack-Danielsfles. Een vergeten handschoen.

Maar het mooiste is de fiets die op zijn kant op het ijs ligt, midden op de gracht. Als Jasmijn de fiets ziet, stoppen we met tellen. Iets beters zullen we toch niet vinden.
We gaan op de kade zitten en kijken naar onze ontdekking. De kou van de stenen dringt door mijn spijkerbroek heen.
‘Hoe zou hij daar terecht zijn gekomen?’ vraag ik.
‘Gevlogen, denk ik. Hij was te eenzaam aan deze kant van het water en ging op zoek naar gezelschap. Maar hij stortte neer voordat ‘ie overkant haalde.’
‘Arme fiets.’
Jasmijn haalt haar schouders op. ‘Zo heeft zijn leven toch nog zin. Al is het maar voor ons.’
Ze frunnikt aan de uiteinden van haar sjaal, ik haal het miniflesje rum uit mijn binnenzak. We proosten bij gebrek aan glazen met onze vuisten tegen elkaar en drinken op de fiets, Icarus, de gevallen held. Eerst zij een slok, dan ik.
‘Weet je al waar je Kerst viert?’
‘New York.’
‘New York?’
‘Ja.’
Jasmijn is anders dan ik. Soms, als ik na dagen geen bericht bij haar langsga, tref ik haar in bed, gordijnen dicht, de kat die onrustig om mijn benen draait van de honger. Soms staat ze op zondagochtend nog voor het licht is bij mijn deur te zingen over de liefde, haar haren doortrokken van de geur van drank.
‘Hoe kom je daar dan?’
‘Sander, zo’n vriendje van me, hij is een beetje verliefd op me. Hij had me uitgenodigd en eigenlijk moet ik natuurlijk nee zeggen. Maar ja. New York.’
De rum gaat zonder moeite op. Het lege flesje stuitert op het ijs en glijdt langs de fiets, aan de overkant waggelen twee eenden beledigd snaterend weg.
‘Je kan altijd bij mij komen als je wil, als dat hele New York-plan niet lukt. Vorig jaar was toch ook leuk?’
‘Dat was omdat je zo bleef aandringen, niet omdat mijn plannen niet lukten.’
‘Weet ik wel.’
Het is geen mooie fiets die daar op het ijs lig. Roestig, met kapotte remkabels en een verbogen voorwiel. Deze fiets is achteloos verlaten omdat iemand besloten had dat hij hem niet meer nodig had, dat hij beter kon krijgen dan dit. Misschien is hij zelfs wel met opzet op het ijs gesmeten, om naar de bodem te zinken als de dooi eenmaal komt.
Jasmijn kent niemand die Sander heet.
‘Zullen we die fiets op de kant tillen?’
Ze schudt haar hoofd. ‘Laat hem maar lekker liggen. Het is zijn eigen schuld dat ‘ie daar ligt. Ik heb het koud.’
‘Laten we gaan dan.’
Ik help haar omhoog. Ze heeft gelijk, mijn handschoenloze vingers zijn stijf en rood geworden. We lopen terug, en de afstand tussen ons en de fiets op het ijs wordt steeds groter.

Standaard