Kerst

Hoe Marloes toch nog vakantie kreeg

Nelson Mandela wilde niet de beroerdste zijn. Hij begreep wel dat het ook een beetje zijn eigen schuld was.

Goed, Nederlands leek toch minder op het Afrikaans dan hij altijd had gedacht maar hij had wat al te makkelijk aangenomen dat het papier dat hij die middag ondertekende een pagina was in een gastenboek. En de dame van de sociale dienst in Middelburg had met veel geduld uitgelegd hoe lastig het zou zijn om de boel terug te draaien: het zou een boel papieren rompslomp vergen, hij zou de ten onrechte uitgekeerde bedragen moeten terugbetalen en het was sowieso maar de vraag of de 95 jarige oud President van Zuid Afrika de afwikkeling nog mee zou maken.

Marloes had te doen met de oude man die tegenover haar zat. Ze had vele cliënten in uitzichtloze situaties gesproken maar dit was toch een schrijnend geval: één handtekening, gezet in een onbewaakt ogenblik onder een verdwaald formulier betekende voor de man die zevenentwintig jaar van zijn leven had doorgebracht in de gevangenis van een onwrikbaar systeem, opnieuw eenzame opsluiting. Maar nu in de bureaucratische molen van de Middelburgse sociale dienst.

Vanuit de lokale politiek was de druk hoog geweest om een stevige uitstroom te realiseren en Marloes had haar targets nog niet gehaald. Er waren nog maar een paar werkweken te gaan voor het einde van het jaar en ze wilde eigenlijk de dagen tussen Kerst en Oud en Nieuw lekker vrij nemen. Als ze er in zou slagen nog één van de oudere dossiers af te ronden, zou haar chef tevreden kunnen zijn en zou de wethouder het succesje hebben dat hij zo dringend nodig had om 2013 niet helemaal in het teken van de onverklaarde uitgaven tijdens een even onverklaarde zakenreis naar Bangkok te eindigen.

Dus daar zat voormalige vrijheidsstrijder aan het kleine bureautje in hokje nummer zes op het stadhuis van Middelburg. De bijstandsconsulente draaide de monitor naar hem toe en wees op een paar invoervakjes: ‘U staat al sinds 2002 ingeschreven, en u bent inmiddels een fase 3 client.’, sprak Marloes die haar beroepsmatige strengheid voor deze ongemakkelijke gelegenheid probeerde te onderdrukken. ‘Ah. En wat betekent dat, mevrouw?’, informeerde het boegbeeld van de anti-apartheidsstrijd. ‘Dat betekent dat u elk werk zult moeten accepteren dat u wordt aangeboden.’ De consulente klikte op een paar knoppen, stelde een filter in en selecteerde snel vier vacatures die ze voor hem uitdraaide: ‘Ik print voor u deze vier vacatures uit. Ik wil met u afspreken dat u vandaag nog belt met de contactpersonen – u ziet de telefoonnummers hier staan. Ik denk dat u wel een kans maakt om voor een gesprek te worden uitgenodigd en het lijkt me sterk dat u met uw charisma de baan niet zou krijgen.’

Ze had al een paar dagen niets van Madiba gehoord toen ze op een goede ochtend aankwam bij het stadhuis. Binnengekomen in haar goed verwarmde kantoor trok ze de handschoenen uit die ze die avond ervoor van Sinterklaas had gekregen. Ze wilde net de bijpassende sjaal op de kapstok hangen toen haar chef binnenliep: ‘Gefeliciteerd Marloes, je hebt een uitstromer!’, riep hij opgetogen, ‘dat scheelt ons beiden weer een boel gedoe!’ Marloes keek hem verbaasd aan: ‘Wat bedoel je?’. ‘Client 1807-001M, hij is gisteravond overleden. Nou, je vrije dagen tussen Kerst en Oud en Nieuw zijn in ieder geval in orde, ik zal je aanvraag even akkoorderen in het systeem’, riep hij nog snel terwijl hij de kamer uitliep.

Door: Fedor van Eldijk
Auteur van ‘De Alfabetweter’, ‘Een Ander Boek’, ‘Een Normaal Boek’ en ‘Binnenland 1’ – zie normalemensen.nl

Standaard
Kerst

Alleen tussen ons

Ik ben onderweg naar mijn ouders. Dit jaar vieren we het op tweede kerstdag.

Het is lang reizen met de tram, trein en bus, maar gelukkig valt het met de drukte mee. De reis gaat voorspoedig, er is nog niemand gesprongen.
Een oude vrouw zit tegenover me in het vierzitje, ingestapt in Zwolle. Een grote tas op de stoel naast haar.
We passeren station Meppel. Het gaat snel, maar ik kan het naambord nog lezen.
‘Was dat Meppel?’ vraagt ze.
‘Ja, dat was Meppel,’ antwoord ik.
‘Vroeger stopte de trein altijd op station Meppel,’ zegt ze.
Ik glimlach. ‘Dat doet-ie nog steeds, hoor. Maar dit is de Intercity. Wij stoppen alleen nog in Assen. De sprinter stopt in Meppel.’
‘O ja natuurlijk, de Intercity.’
‘Yep, de Intercity.’
Ik sla het boek weer open dat ik heb gekocht op Amsterdam Centraal. Het kost me beduidend veel moeite om verslingerd te raken aan het verhaal. Een jongen die zijn vader heeft verloren aan kanker en daardoor in zijn verdere leven het moeilijk vindt om zich over te geven aan de liefde aangezien uiteindelijk toch iedereen alleen over blijft. Zware kost, ik moest weer eens met iets literairs aan de kassa van de AKO komen.
‘We hebben vier jaar gewoond in Meppel,’ zegt de vrouw. ‘Maar toen kreeg Arie een nieuwe baan in Zwolle aangeboden voor net iets meer geld. En in die tijd ging je dan.’
Ik knik alsof ik precies weet wat ze bedoelt. Alsof ik ook uit die tijd kom en zeker niet bij de generatie hoor die het liefst als freelancer elke dag vanuit huis in pyjama zijn werk wil afraffelen zodat er nog genoeg tijd overblijft om via de social media kanalen te verkondigen hoe geweldig het wel niet is om als freelancer elke dag vanuit huis in pyjama je werk te kunnen doen en kijk vooral nog even naar dit grappige kattenfilmpje.
‘Je dacht toen helemaal niet aan het hele leven dat je al in Meppel had opgebouwd,’ gaat ze verder. ‘Ik zat bij de vrouwenclub, ging met Ria elke donderdag naar de markt in het centrum en zat ook nog in het bestuur van de Nijverige Handwerk Dames. Och, dat was zo leuk, we maakten van alles. Van pannenlappen tot spreien. En heb ik daar zo veel gelachen, zo veel gelachen.’
Ze zucht. Dan gaat ze verder: ‘Maar ja, je ging gewoon. En als vrouw stelde je zeker geen vragen. Je volgde je man. Zo simpel was het. Kun je je nu haast niet meer voorstellen.’
Ik knik.
‘Sorry,’ zegt ze. ‘Je bent aan het lezen. Ik praat teveel.’
‘Maakt niet uit,’ antwoord ik.
‘Jawel,’ zegt ze stellig. ‘Dat hoor ik namelijk wel vaker, van mijn kinderen. “Ma, nu even stil zijn. Je kwekt teveel.” Dat zal ik straks ook wel weer horen. Sandra woont in Groningen, ze is daar blijven hangen na haar studie. Ik vind haar nieuwe vriend maar een rare, als ik eerlijk ben. ‘
Ze lacht. ‘Dit blijf tussen ons, hè? Hij doet iets met computers, geloof ik. Sandra heeft niks met computers, net als ik. Maar goed, zo gaan die dingen nu eenmaal. En alleen is natuurlijk ook maar alleen. Maar maak je geen zorgen, hoor. Ik ben uitgepraat en ik zie dat jij verder wilt in je boek. Dat is ook vast veel interessanter dan dit gezemel van een oude vrouw. Ik ben allang blij dat jij niet verstopt zit achter zo’n schermpje.’
‘Oké, dank u wel,’ antwoord ik beleefd. ‘Een fijne reis gewenst.’
Ze knikt langzaam en pakt een Margriet uit haar tas. De kerst-editie.

We vliegen in onze Intercity langs Hoogeveen. Het lezen gaat gestaag, ik ben slechts drie bladzijdes verder gekomen. Het verhaal maakt me zwaarmoedig. Ik wil niet mee in de donkere wereld van de hoofdrolspeler. Niet nu tijdens de Kerstdagen en misschien wel nooit. Ik wil graag blijven geloven dat er voor iedereen altijd genoeg liefde in de wereld is. Je moet er alleen soms een beetje werk van durven maken.
Ik klap mijn boek dicht, kijk omhoog en zeg dan: ‘Wat voor baan had uw man eigenlijk? En vindt u Zwolle wel een leuke stad? Of was Meppel leuker?’

Standaard
Kerst

Man

Familie zit aan tafel. Rode onderleggers op een wit tafelkleed met groene, geborduurde kerstklokjes.

Het gesprek is tot op heden ongemakkelijk te noemen. Vader heeft het ten onrechte verliezen van zijn baan verkondigd, Zuster heeft verteld over Vriend en de mistroostige reden van zijn afwezigheid en Moeder zeurt.
Ze gourmetten, maar de deurbel gaat. Vader doet alsof hij het niet hoort en vraagt of iemand nog wijn wil. Moeder zegt rustig aan, Vader en vraagt of we iemand verwachten. Zuster schudt nee en Vader haalt zijn schouders op. Broer is al naar de deur gelopen. Hij doet open en zwijgt. Hij kijkt iemand aan. Het is Man, met gaten in zijn coltrui. De muts op zijn hoofd lijkt van een kind. Hij houdt zijn handen op. Achter hem sneeuwt het. Heb je honger, vraagt Broer. Man knikt.

Broer roept de rest, die komt. Vader, laten we hem binnen? Vader zucht alvorens het is Kerstmis te antwoorden. Ze begeleiden de man naar binnen. Gaat u maar zitten, zegt Vader. Hij biedt hem zijn plek aan het hoofd van de tafel aan. Man neemt plaats, laat zijn armen langs de stoel hangen en kijkt schichtig rond. Hij heeft nog geen woord gezegd. Vader gaat op het krukje van de piano zitten. Je mag eten hoor, zegt hij, you may eat. Man legt zijn hand op het gourmetstel. Men schrikt, maar Man geeft geen krimp. Vader grijpt in, Nee, nee, zegt hij. Niet zo. Hij doet het voor. Eerst wat boter op de plaat, daarna vlees. Terwijl de varkenslapjes hete boter doen opspatten, legt hij uit hoe Man tegelijkertijd iets in het pannetje kan klaarmaken. Hier doe je wat omeletmengsel of pannenkoekenbeslag in en dan stop je het onderin, zegt Vader. Man kijkt vragend. We maken wel wat voor hem klaar, zegt Moeder.

Zus houdt Man de schaal met stokbroodjes voor. Man pakt er een. Pak maar meer, zegt Zus. Hij pakt er zes. Onhandig probeert hij er een in zijn mond te stoppen. Er vallen er vier. Man schrikt en staat op. Dat geeft toch helemaal niets, zegt Broer. Broer pakt Man bij zijn schouders en duwt hem terug op de stoel. Hij wijst naar de kom zelfgemaakte knoflooksaus. Dat is lekker, zegt hij. Man schept met zijn hand saus uit de kom en brengt die naar zijn mond. Nee, niet zo, zegt Broer. Man staat woest op, waarbij hij een glas wijn omstoot. Hij pakt de bak aardappelballetjes en strooit ze over het gourmetstel. Sommige vallen ernaast. Het omeletmengsel giet hij over zijn eigen hoofd.

Iedereen is geschrokken, Vader grijpt in. Moeder is de hele dag voor ons in de weer geweest met marinades, salades en beslagen. Wij laten u binnen op een donkere nacht, staan ons eten aan u af en dit is hoe u ons bedankt? Moeder huilt zacht.
Man reageert niet, hij staart met strak langs zijn lichaam gestrekte armen naar Vader. Zijn bruine ogen wazig en elders, als van een doodvermoeide hond.
Vader omhelst Man. Moeder kijkt, haar ogen waterig en daar. Vader zegt het is niet erg, gaat u zo meteen weer zitten, en neemt u nog wat wijn. Doet uw jas anders uit. Zonder tweede kansen zouden we allemaal zielsalleen zijn, niet? Familie knikt.
Maar Man smijt het glas in Vaders gezicht leeg. Hij maakt sprongen door de kamer en zwaait met zijn armen. Hij maakt vogelgeluiden en stoot een lamp om. Man loopt naar de tafel, gooit het gourmetstel met twee handen ondersteboven en vertrekt. Moeder zeurt.

Standaard
Kerst

Driving Home For Christmas

“Heeft u misschien een kleinigheidje voor een slaapplaats voor mij? Een eurootje?”

De aangesproken student liep Peter straal voorbij, druk tikkend op zijn telefoon. Uit z’n tas stak een fles rode wijn. Even overwoog Peter om z’n hand uit te strekken en te nemen wat hem toe zou moeten komen. Hij deed het niet.
Peter kneep in zijn handen. De vingers waren koud en gevoelloos. Hij blies er zijn lauwe adem tegenaan.
“Pardon mevrouw, heeft u misschien een eurootje voor mij?”
“Ik geef niet aan junkies.”

Met een euro en vijfentachtig cent in zijn zak liep Peter over de Herengracht. Overal straalden lichtjes uit hoe gezellig het wel niet was. Binnen stonden kerstbomen, qua grootte alleen beperkt door de hoogte van het plafond, iets waar de grachtenpanden weinig moeite mee leken te hebben. Peter haalde zijn neus op, zodat zijn neusvocht weer aan de juiste kant van zijn neusvleugels kwam te zitten. Een zakenman op een glimmende zwarte Gazelle haalde hem in. Het kletteren van zijn sleutelbos weerklonk eenzaam tegen de gevels.

“We zitten vol, Peter. Het spijt me. Er kan echt geen hond meer bij. Er slapen zelfs mensen in de keuken.”
“Geeft niet, ik red me wel. Ik vind wel een ander plekje.”
“Pas goed op jezelf, het wordt koud vannacht.”
“Fijne Kerst.”

Twintig minuten later vond Peter zichzelf terug op de Westermarkt. Er kwamen minuscule ijskristallen naar beneden dwarrelen. Een eenzame taxi liet zijn motor draaien om klanten te lokken, maar werd overstemd door orgelmuziek en bijbehorend gezang uit de Westerkerk. Maar zelfs dat werd weggedrukt door het geluid van Peters’ klapperende tanden. Peter liep op de taxi af en klopte op het raam. Het werd niet naar beneden gedraaid, maar Peter vroeg toch, rillend en stotterend om een bijdrage. Hij kreeg een middelvinger. Nijdig schopte Peter in het voorbijgaan tegen een van de banden van de Mercedes.

Toen Peter weer bijkwam stond er een politieagent over hem gebogen, die vroeg hoeveel vingers hij opstak en hem een paar minuten later achter in zijn auto zette om weer wat op te warmen. Peter moest een verband tegen zijn achterhoofd drukken om het kleine wondje dat daar ontstaan was te stelpen. De radio stond aan, SkyRadio kondigde Driving Home For Christmas aan. Zachtjes neuriede Peter mee.

Dat deed hij nog steeds toen hij zijn matje uitspreidde achter de Q-park, vlakbij het Leidseplein. Het was harder gaan sneeuwen, maar Peter lag in de luwte van het enorme gebouw. Zijn plekje keek uit over het water aan de Nassaukade. Meestal moest hij om dit plekje vechten, maar nu waren er geen andere zwervers te bekennen. Peter sloot zichzelf in z’n slaapzak en wachtte tot de klok van de Westerkerk twaalf uur zou slaan. Uit z’n zak haalde hij de sigaret die hij een week geleden had geruild voor een gevonden Italiaanse bol. Bij de eerste slag stak hij hem aan. Toen het na twaalf slagen weer stil werd, keek Peter omhoog naar de bewolkte nacht.
“Fijne Kerst, Peter”, fluisterde hij tegen zichzelf.
“Fijne Kerst”, herhaalde hij.

Standaard
Kerst

Human planet

Ze ziet de afdruk van de vleugels in het gesteente, de geknakte nek. Botten zo dun als satéstokjes. Snavel geopend alsof het nog steeds gilt van pijn.

Lullig ongelukje bij het uitvliegen; pootje blijven haken aan de takjes van het nest. Ze staart nu al tien minuten naar de afdruk van een verschrompeld vogeltje dat 180 miljoen jaar geleden uit zijn nest is gevallen. Eén fataal moment van onoplettendheid. Zo’n ander lot dan de lamsbout van gisteren. Wiens botten ze vanmorgen in een ondergrondse container gooide.
Haar man staat nu achter haar. De kinderen spelen op een groot kleed met plastic dinosaurussen. Ze pakt zijn hand. Hij ruikt naar slaap en naar de seks van vanmorgen. Drie minuten, logeerkamer. Het was al weken geleden. Ze hielden het niet meer.
De vaders in het museum hebben hun baard laten staan deze kerstvakantie. Wijde spijkerbroeken, blouse half uit hun broek. Ze lopen met o-benen alsof ze het afgelopen jaar full-time op een paard hebben gezeten. Alsof hun ballen zeer doen. Het valt haar ineens op. De moeders dragen maillots, hoge laarzen, lange rokken. Zelf voelt ze zich ook te dik. De mannen en vrouwen raken elkaar niet aan. De één bemoeit zich met het ene, en de andere bemoeit zich met het andere kind. Af en toe kruisen ze elkaar. Geen knikje, glimlach, niets.
Gisteren keek ze naar de 101 Dalmatiërs (2x), The Lion King, een stuk of vier afleveringen van die vogeldocumentaire en Human Planet. Het kerstdiner bij haar schoonouders aten ze met de dvd-speler aan. Het was de eerste keer in maanden dat ze kon eten zonder gestoord te worden door de kinderen. Ze zaten met neefjes en nichtjes zo’n dertig centimeter voor het scherm te kijken hoe Simba achterna werd gezeten door een stel hyena’s. De schaal knakworstjes was binnen drie minuten leeg.
Het waren nogal veel dieren gisteren. Naast de dieren die ze aten natuurlijk. En vandaag lopen ze door museum Naturalis waar het zo druk is dat ze zo lang mogelijk blijft staan bij elk fossiel dat uitgestald ligt. Terwijl haar man nu met de kinderen een stapel neppe dinosaurusbotten op de goede plek legt.
Ze staat voor de bek van een reuzenamfibie met enorme oogkassen en een halve onderkaak, maar net als het vogeltje ziet het eruit alsof hij nog iets wil zeggen. Ze denkt bij het zien van elk dier dat ze elk moment kunnen beginnen met het zingen van een lied. Eentje van Elton John. Teveel films! Teveel films! Dat ze opstaan uit het steen, de watten uit hun opgezette lijven trekken. Naar buiten! Ga!

Cathelijn Schilder
Auteur van Eerst een huis

Standaard
Kerst

Kleine hobbels, grote hobbels

‘Oh, je bent alleen?’
Ja, dat had ik toch doorgegeven?’

Mijn vader kijkt me afkeurend aan. Als zijn oudste dochter had ik volgens zijn planning jaren geleden een man moeten vinden en had ik nu al lang en breed wat nageslacht geproduceerd. Ik krijg geen kus van hem.
‘Laat je Magda je jas even weghangen, wil je?’ En weg is hij.
Magda, vroeger mijn nanny, nu de dienstmeid van mijn ouders, komt tevoorschijn. Ze zegt dat ik er goed uitzie en zoent me. Drie keer.
‘Ga maar snel naar binnen kind, je bent de laatste.’
In de hal passeer ik de enorme kerstboom. Traditiegetrouw laat mijn vader elk jaar een boom van eigen landgoed kappen. Mijn moeder regelt dan de decoraties. Ze heeft zich laten gaan dit jaar. In de deurpost van de bibliotheek blijf ik even staan. Er is hier al jaren niets veranderd. Het ruikt naar de sigaren van mijn vader en voor het raam staat nog altijd de grote leren stoel waar ik als klein meisje en puber maar al te graag in wegkroop. Vooral tijdens de jaarlijkse polowedstrijd georganiseerd door mijn ouders was deze ruimte een favoriete plek. Jaren hebben mijn ouders geprobeerd mij en Aki, talentvol polospeler, aan elkaar te koppelen.
Uit de tuinkamer komt de bulderlach van mijn vader en het blije gegil van mijn neefjes en nichtjes.
‘Ben je nou alweer alleen?’
Ik ben nog amper binnen of mijn moeder komt al op me af gestevend. ‘Ja moeder, ik ben alweer alleen.’
Ze draait zich om nestelt zich naast mijn zus op de bank. Zij en de baby krijgen een dikke knuffel. Mijn drie zussen hebben allemaal al kroost geworpen en mijn broer, de jongste van het stel, heeft sinds zeven maanden een serieuze relatie.
‘Kijk anders even of je iets kunt doen in de keuken.’ Mijn moeder kijkt me aan met een ijskoude blik en gaat daarna door met waar ze mee bezig was, de baby knuffelen.
In de keuken kan ik nooit iets doen en loop ik het personeel alleen maar in de weg, maar toch is dat aantrekkelijker dan hier in de deuropening te blijven staan.
Als ik terugkom met een schaal amuses is de rest al begonnen aan het uitpakken van de cadeautjes. Mijn vader heeft op elke knie een kleinkind zitten. ‘Kleine hobbels, grote hobbels, kleine hobbels, gat in de weg!’ De kleintjes laten zich achterover vallen en mijn vader kietelt ze op hun buikjes. Dan kijkt hij mijn kant op.
‘Wist je al dat Aki vader wordt?’

Standaard
Kerst

Esprit d’Escalier noemen de Fransen dat

Het regende al de hele dag en samen stonden we nog een beetje na te druppelen in de lift. Ik naar de achtste, zij de zesde. Ze had een lichaam om je vingers bij af te likken.

Later, op mijn werkkamer, sloeg ik me voor m’n kop. Ik had Het Lichaam natuurlijk moeten vragen of het regende. We hadden gelachen over m’n overbodigde opmerking, het ijs was gebroken en ik had haar nummer in m’n telefoon genoteerd. Esprit d’Escalier noemen de Fransen dat, als je pas later weet wat je echt had moeten zeggen.
Al gauw zat ik weer volop in het hoofdpijndossier dat me de hele week al bezig hield en was ik Het Lichaam weer vergeten. Pas rond lunchtijd dook ze weer op in mijn gedachten. Ik weet het nog goed want ik vertelde tegen Harold bij de kroketten over zo’n voorval dat de Fransen Esprit d’Escalier noemen. Het was voor hem het startsein geweest om los te barsten over die geweldige Franse camping waar hij en z’n te dikke vrouw al jaren naar toe gaan met hun net zo dikke kinderen.
Halverwege het verhaal van Harold liet ik de kroketten voor wat ze waren. Zijn eeuwige gezeur was helder in een ding: als je niet je kansen grijpt, zit je voordat je het weet elk jaar op een Franse camping met een te dikke vrouw die dingen zegt als “het is frips aan de bips” wanneer het buiten een beetje koud is. Als Het Lichaam werkte op de zesde, dan zou ze er vast nu nog rondlopen. Ik zei Harold au revoir en liep naar de gang. Grappig, dacht ik, de lift gaat naar beneden, maar in mijn leven is dit een stap omhoog. Hoe zouden de Fransen dat noemen?
Op de zesde was het rustig. De deur van reclamebureau C’est Tout Media was dicht. Lunchen gebeurt in dat soort kringen natuurlijk buitenshuis. Zou Het Lichaam wel lunchen? Niet veel meer dan een salade waarschijnlijk. Ik rommelde nog eens aan de deur en draaide me toen weer om.
De rest van de dag bleef Het Lichaam mij bezig houden. Het begon op m’n zenuwen te werken. Een mooie vrouw tegenkomen en vervolgens de hele dag van slag zijn. Gevalletje Cornée adolescent, een hitsig pubertje. Rond vier uur was ik er klaar mee. Concentreren lukte niet meer met dat gehuppel van zo’n femme fatale door mijn gedachten. Ik sloot de computer af en zette koers naar huis.
Op de zesde ging de liftdeur open en daar stapte ze binnen. Het Lichaam. Dit was een teken. Als ik nu geen gesprekje zou aanknopen, dan was ik de enige schuldige voor mijn mislukte leven. Ik slikte even en knikte naar Het Lichaam. Ze lachte. In haar hand een fles wijn.
Daar ging ik.
‘Hoi.’
‘Hallo.’
‘Ik ben Frank, ik werk op de achtste. Hierboven.’
‘Oke.’
‘Jij op de zesde.’
‘Chapeau.’
‘Hoe heet je, als ik zo brutaal mag zijn?’
‘Eh, Adrianne.’
‘Wauw, wat een mooie naam, Adrianne. Ik ken geen Adriannes. Ja, jou nu. En van achteren?’
‘Pardon?’
‘Je achternaam.’
‘Oh, La Boule. Adrianne La Boule.’
‘Mooi, Frans! Jeu de Boules: het spel met de ballen.’
‘Ja, mijn ouders komen uit Frankrijk.’
Het ging goed. We waren aan het praten. We hadden contact. Ze had me nog niet geslagen. Tijd voor het pièce de résistance.
‘Zeg Adrianne, misschien een brutale vraag, maar wat doe je morgenavond?’
Ze lachte, zo hard dat het belletje voor de begane grond bijna niet meer te horen was.
‘Morgen vier ik kerst!,’ riep ze en in een drafje liep ze naar de draaideur.
‘En de dag erna dan?’, schreeuwde ik nog, maar ze hoorde het al niet meer. Het Lichaam had left the building, zoals de Engelsen dat zo mooi kunnen zeggen.

Standaard