Ezels

Ezels

Ik kon het niet geloven. Zo moeilijk was mijn opdracht toch niet geweest? En ik had genoeg geld en middelen achtergelaten.

Door Johan Klein Haneveld

Alleen de rente had moeten volstaan om een eeuw lang het onderzoek te financieren. Het team had er zelfs riante arbeidsvoorwaarden bij gekregen. Vijf weken vakantie, een dertiende maand en vervroegd pensioen. En geen publicatieplicht. Dat was voor een wetenschapper toch de hemel op aarde? En ze hadden het mij verzekerd toen ik afscheid nam. Dat ze mijn kapitaal zinvol zouden investeren, dat een doorbraak in de nanotech in het verschiet lag en dat mijn vraag binnen afzienbare tijd hoopten te beantwoorden.

Ik hoefde me geen zorgen te maken.

Hun ogen, blauw, bruin, groen, hadden allemaal die vaste zekerheid uitgestraald en met een gerust hart had ik de deur achter me dichtgetrokken. Het was nu aan hen, ik hoefde niets meer te doen. Voor mij restte niets anders dan in de sarcofaag te gaan liggen, de arts het deksel te laten sluiten en me vervolgens in het koude gas te laten onderdompelen. Dat mijn hart zo luid bonkte dat mijn ribben leken te breken, had ik aan de spanning toegeschreven, en niet aan twijfel of mijn plan wel zou slagen.

Hetzelfde gold voor de nachtmerries die door mijn herinnering spookten, toen ik zojuist weer bij bewustzijn kwam. Ze gingen al in rook op terwijl ik mijn benen over de rand van het metalen bed slingerde. Mijn ziekenhuisgewaad had aan mijn lichaam gekleefd en het was opvallend donker in de zaal. Er hing condens aan de muren en op de vloer stonden donkere plekken. De apparatuur was stil, de schermen bleven zwart. Ik had met mijn handen langs mijn buik gevoeld. De bult ter hoogte van mijn middenrif was er nog steeds. Dat was de eerste aanwijzing dat er toch iets was misgegaan. Ik weigerde echter te geloven wat mijn zintuigen leken te communiceren en voetje voor voetje schuifelde ik naar de uitgang.

De sensor naast de deurpost werkte niet langer. Ik wrikte de twee luiken uit elkaar. Ze protesteerden piepend. Ik voelde zand onder mijn blote voeten. De nachtmerries waren plots niet meer zo onwerkelijk. Met mijn hand tegen de muur steunend liep ik door de gang. Aan het eind zag ik licht. Ik klom de trap op. Er klonken geen geluiden, er waren geen experimenten aan de gang. Voor mijn voeten schoot iets kleins en donkers bij me weg. Een rat? Misschien. De beweging had iets mechanisch gehad. De laatste deur.

Ik stond buiten. De gebouwen om me heen waren half ingestort. Uit de lege ramen groeiden struiken en iele boompjes. Klimplanten woekerden op het asfalt, en gras sproot op uit de hoopjes zand op beschutte plekken. Ik zag gladde zwarte pilaren naar de hemel reiken.

Tegen de muur aan lag een vergeelde krant. Er vielen stukken van af toen ik hem probeerde op te tillen. De kop op de voorpagina was nog net leesbaar: ‘… jarden doden door mislukt experiment’. Een datum vond ik niet. De ezels!

Standaard
Ezels

Tellen tot de donder klinkt

Ik had alleen mijn bikini aan toen ik dacht dat ik zou sterven. De regen sloeg tegen het plastic van de partytent en het klonk alsof de dood zelf aanklopte met duizend ongeduldige vingers. Het water liep in stroompjes tussen onze tenen door. Met zijn twintigen stonden we stijf op elkaar gepakt op dat enige beschutte stukje op het strand, terwijl de temperatuur nog steeds tropisch was. Toen sloeg de bliksem in.

Ik had ooit in de krant gelezen over een vliegramp boven de jungle, waarbij de slachtoffers zich twee weken in de wildernis in leven hadden moeten houden met regenwater en het vlees van hun medemensen. Ik zou degene zijn die rustig bleef, stelde ik me zo voor, degene die rationele beslissingen kon nemen terwijl iedereen in paniek was. Toen had ik mijn krant weggelegd en schoof ik mijn lasagne in de oven.

Op dat strand stootte de bliksem door mijn lichaam van mijn tenen tot aan mijn hoofd. Mijn tanden klapten op elkaar; bij het meisje naast me spatten de vonken van haar lichaam. Een oude man zakte op de grond. Zonder dat ik besefte waarom, was ik opeens weer een twaalfjarig meisje dat eigenhandig haar bedlampje wilde repareren. Bam. Met een schreeuw had ik de schroevendraaier laten vallen op het moment dat het hele huis donker werd.

Ik had net nog in de zee gelegen met een pina colada in mijn hand. Na twee weken had Cuba nauwelijks nog geheimen voor mij, dacht ik. Poseren bij een ouderwetse auto: check. Drinken uit een kokosnoot: check. Leren afdingen in het Spaans: check. Totdat ik plotseling onder een strandtent moest schuilen en ik dacht dat ik dood zou gaan.

“Doe je slippers aan!” riep iemand naar me. Zwijgend pakte ik ze aan. Lieve God, laat me niet doodgaan, ging het door mijn hoofd. Ik had nog nooit gebeden. Iemand anders riep dat we moesten tellen. Wanneer de tijd tussen donder en bliksem langer werd, trok het onweer voorbij. Vaag herinnerde ik me zoiets dus ik telde: flits, één tel, bam! Ik wil niet dood. Flits, één tel, bam! Flits, één tel, twee tellen, bam! Ik leefde nog.

De periodes tussen donder en bliksem werden langer en langzaam druppelden de feitjes die ik ooit over onweer had gehoord terug mijn hoofd in. Ga gehurkt zitten. Raak geen metaal aan. De oude man was op een stoel gehesen en praatte zacht; het getik van de regen verstomde. Over de weg achter de strandtent liep een fluitende jongen met een ezel, en trillend gaf ik aan mezelf toe hoe oppervlakkig het leven was. Het was niet veel meer dan een schuimlaag op de oceaan, die ieder moment door een golf uiteen kon worden geslagen. Ik liet me zakken in het natte zand.

Standaard
Ezels

Iets met een appel en een boom

Dit was echt niet mijn bedoeling. Welnee, natuurlijk niet. Ik noemde hem alleen maar ezel omdat ik vond dat hij moest weten dat het niet zo handig was wat hij had gedaan en omdat ik stomkop te heftig vond voor een jongen van twaalf. Zeker voor zo’n jongen van twaalf.

Weggelopen’, constateerde de agent die mijn melding opnam. ‘Over een paar uurtjes weer thuis’, vulde haar collega aan. Pas vierentwintig uur later was er een Amber Alert uitgegaan. ‘U hebt hem beledigd, mevrouw Meijer. Waarschijnlijk is hij zo boos geworden dat hij u bang wilde maken. Hij heeft zich vast ergens verborgen waar hij de nacht droog en warm kon doorbrengen.’ Ze maken zich geen zorgen. Nogal wiedes; de vrouwelijke agent belde naar huis om te vragen hoe het met de kleine was en luisterde glimlachend naar het antwoord.
Morgen zal haar kleine haar uit haar slaap huilen. Mijn kleine, hoewel niet zo klein meer, is ergens buiten. Al achtenveertig uur nu. Het regent zachtjes, maar wolken die boven de stad in de verte hangen voorspellen een hoosbui. Mijn blik is al uren gericht op de straat en telkens als iemand de hoek om komt, veer ik op. Maar het was Ian telkens niet en ik ben bang dat het Ian de komende uren ook niet gaat zijn die de straat in loopt. Ik klem mijn handen om de theemok en mijn hete tranen verwarmen de afgekoelde drank.

‘Ach mevrouw, pubers van twaalf’, had de oude agent gezegd. Zijn snor wipte bij elk woord op zijn bovenlip en ik had de neiging er gemeen aan te trekken weten te onderdrukken. Ze begrepen het niet. Ian was niet zomaar een puber van twaalf. Ian was anders, een jongen van uitersten. Het ene moment uitbundig van vrolijkheid, het volgende moment een tyfoon van razernij. De schoolarts heeft me aangeraden verder onderzoek te laten doen en de afspraak bij de jeudpsychiater staat gepland voor morgen.

Voor de honderdste keer bel ik Ians nummer en even zovaak hoor ik zijn mobieltje overgaan in de slaapkamer. Waarom probeer ik het nog? Hij heeft het ding niet meegenomen, wanneer dringt dat nou eindelijk eens tot me door? Ik druk op de rode knop maar het rinkelen gaat door. Het duurt even voor ik begrijp dat het de deurbel is. Ian. Ik haast me naar de hal en trek de deur open, klaar om mijn kleinzoon in mijn armen te klemmen en hem te zeggen dat ik niet boos ben, maar dat hij me wel net zo angstig heeft gemaakt als zijn moeder twee jaar geleden, toen ze vermist was en uren later werd gevonden. Of tenminste, wat er nog van haar over was.

Het is Ian niet. De oude man met de wipsnor staat voor me, samen met zijn collega die morgen door haar kleine uit haar slaap wordt gehuild. Op hun gezichten lees ik wat ik eigenlijk al weet. Ian lijkt écht verschrikkelijk veel op zijn moeder.

Standaard
Ezels

Bruggetje

Het was een mooie dag, de eerste deze vakantie. Margot stond naast onze tent en wees naar de heldere lucht.
Kijk dan,’ zei ze, ‘dit wordt onze dag, lief.’
Ik knikte en trok daarna de veters van mijn nieuwe bergschoenen strak.

Na de oploskoffie liepen we richting het oosten, richting de bergen. Margot had haar oude, rode sweater aan, die ze gekregen had bij het lid worden van de studentenvereniging lang, lang, zo belachelijk lang geleden. Niet veel later zagen we elkaar voor het eerst in café De Gebroeders Zatklep aan de Grote Markt, daar waar elke student uiteindelijk na een avond stappen binnenrolde. Onze eerste kus was bij de kapotte sigarettenautomaat. Wat ik vervelend vond, want ik rookte toen nog als een ketter, minstens een pakje per dag.

‘Ezels,’ zei ik halverwege het eerste heuveltje. ‘Ezels zijn dus helemaal geen domme dieren.’
‘Wat zeg je, lief?’ antwoordde ze, doof als altijd.
‘Dat ezels geen domme dieren zijn.’
‘Wie zegt dat?’
‘Ik zeg dat. Je hoort me toch?’
‘Ezels zijn wel dom. Waarom zeggen we anders dat je niet als een ezel drie keer tegen dezelfde steen moet stoten? Nou?’
‘Dat is spreekwoordelijk.’
‘Het komt ergens vandaan, lief. Dat is alles wat ik zeg. Het komt ergens vandaan.’

We stopten bij een riviertje. Wat te doen? Er doorheen, terug of omlopen, op zoek naar een bruggetje dat niet op het kaartje stond. Ik zei niks, zij mocht beslissen. Het was immers allemaal haar idee geweest. Zij moest zo nodig hierheen.
Margot kneep met haar ogen, zoals ze altijd doet wanneer belangrijke beslissingen genomen moeten worden. Een oud huis laten opknappen of een nieuwe laten bouwen? Een extra auto of sparen voor later? Eindelijk een kind of een maand door Tibet trekken om het huwelijk nieuw leven in te blazen?
‘We gaan er omheen,’ zei ze. ‘Kom. Hop hop, en door.’
Ik stond op uit het gras en klopte het zand van mijn kont en uit de haren van mijn blote benen. Zwijgzaam volgde ik de Grote Leider die al een meter of drie voor me doorstapte.

Na een kleine versnelling liep ik in Tibet met aan de ene kant een rustig kabbelend stroompje en aan de andere kant mijn vrouw. Zweetdruppels gleden over mijn gezicht, deze inspanning was ik niet meer gewend.
‘Jezus reed Jeruzalem binnen op een ezel,’ zei ik. ‘En hij was niet bepaald op z’n achterhoofd gevallen, als je begrijpt wat ik bedoel.’
Margot keek me aan, kneep even met haar ogen. Ze houdt er niet van als ik de bijbel erbij trek om mijn gelijk te halen. Het voelt als een geheim wapen.
‘Oké,’ zei ze.
‘Hij wist ook dat ezels juist heel betrouwbare dieren zijn,’ ging ik verder. ‘Ze zijn sterk en bescheiden.’
Margot zweeg. Of ze nog luisterde wist ik niet. Was ook niet belangrijk.
‘Ezels zijn paarden zonder kapsones. Als het er op aankomt, kun je zonder gezeur de hele wereld met ze rond.’
Margot wees en zei: ‘Kijk lief, daar gaan we er over.’

Standaard
Ezels

Niet voor het eerst

Willem zag het meisje niet voor het eerst en ook niet voor het eerst in de tram. Ze tekende patronen van kringeltjes op de voorkant van haar notitieboekje, terwijl de tram voortkabbelde.

Hij probeerde ergens haar naam te bespeuren, al schatte hij haar wel oud genoeg om niet meer overal je naam op te zetten. Hij nam alvast een paar foto’s. De tram minderde vaart en hij hield goed in de gaten of ze bleef zitten. Natuurlijk, hij kende haar halte, maar niet haar agenda. Meer dan eens had hij zich voorgesteld hoe het zou zijn als haar halte ook zijn halte was. Soms stapte hij dan ook uit en volgde hij haar op gepaste afstand. Een enkele keer eerst naar de supermarkt, maar meestal gingen ze direct naar huis. Dan nam hij plaats op het bankje ertegenover, en sloot hij zijn ogen.

Willem was niet voor het eerst blond en droeg tegenwoordig vaak een pet. Hij wist dat hij niet voor het eerst goed moest oppassen, sinds hij niet meer mocht oppassen op het kindje van zijn zus. De tram verminderde niet voor het eerst zijn snelheid en hij hield haar nog strakker in de gaten. Hij stond op om een stuk dichterbij haar te gaan zitten. Toen voelde hij een hand op zijn schouder. Hij draaide zich op zo’n manier om dat mensen lacherig maar geschrokken zouden kunnen vragen of hij soms een slecht geweten had. Er was niks aan de hand, iemand attendeerde hem er alleen maar op dat zijn ov-chipkaart uit zijn zak was gevallen. Even was hij bang haar kwijt te zijn, maar ze zat nog steeds nietsvermoedend op haar boekje te krabbelen. Nog maar een paar haltes.

De tram zou zo eerst nog bij de dierentuin komen, een moment waarop Willem nogal eens afgeleid werd. Gillende kindermenigtes, jongetjes die hun ouders kwijt waren – er waren zoveel factoren die zijn aandacht konden trekken. Maar hij ging die fout niet weer maken en bleef geconcentreerd kijken naar het kladderende meisje. Maar toen stapte ze ineens uit. Hij was niet voor het eerst eventjes de weg kwijt, herpakte zich, zette zijn pet strak en snelde de tram uit.

Bij de ingang van het dierenpark twijfelde hij even. Was zij 17,50 waard? Toch kocht hij een kaartje. Hij volgde haar. Discreet, zonder dat iemand het door zou hebben. Terwijl ze naar de pinguïns keek, keek hij naar haar. En als ze naar de leeuwen ging, ging hij mee. Hij zocht het juiste moment, het kon niet meer fout gaan. Hij nam de tijd.
Maar in het restaurant verloor hij haar uit het oog. De blinde paniek sloeg niet voor het eerst toe bij Willem, die als een kip zonder kop door de hal ijsbeerde. Hij keek op de toiletten, terwijl hij deed alsof hij zijn dochter zocht. Ze was er niet. Hij rende naar buiten, zoekend om zich heen. Hij negeerde de mensen die hem vroegen of ze konden helpen. Hij liep het park rond met versnelde pas en hoewel hij baalde, was dit eigenlijk het spannendste moment.
Even dacht Willem eraan om haar om te laten roepen, maar hij wist haar naam niet eens. Hij vroeg toen maar aan voorbijgangers of ze een meisje met een geel jasje en een notitieboekje hadden gezien. Een man had haar gezien bij de ingang van het aquarium, zijn vrouw bevestigde dat ze naar de haaien was gegaan. Maar toen hij daar aankwam, was ze nergens te bekennen. Toen hij niet voor het eerst langs de ezels kwam, gaf hij het op. Morgen was er weer een dag.

Standaard
Ezels

De erfenis van Van Schuyten

En het land, inclusief de zestien ezels, laat ik na aan de kleinzoon die er altijd voor me was: Roel.”

De notaris stopt en wrijft even in z’n ogen. Zijn borstelige wenkbrauwen zijn tenminste drie keer zo groot als z’n oogkassen en hangen er half overheen, waardoor hij ze uit model wrijft. Terwijl hij ze weer in het gelid brengt, draait de rest van de familie zich om naar Roel, die op de achterste rij zit. De ogen van tante Eline spuwen hellevuur naar de 21-jarige vulmedewerker van Blokker. De rimpels in haar voorhoofd verdiepen zich. “Krijgt híj ze?” slist tante Geertje vanachter de dekking van oom Petter.

“Mijn geprijsde Gorbatsjov-ezels,” gaat de notaris verder, “waar jullie als aasgieren omheen hangen, zijn nu voor Roel en Roel alleen. Het is zijn taak dit edele geslacht verder te laten groeien en er de vruchten van te plukken. Roel, jij bent die miljoenen waard. Laat die bloedzuigers van familieleden niet in de buurt komen.”

Het blijft even stil. “Dat was het”, zegt de notaris. Achter hem hangt een schilderij van Willem-Alexander die minzaam toekijkt hoe tante Cecilia naar Roel toebuigt en hem wat in z’n oor fluistert.
“Houd je bek, Cecil,” zegt Roel. Hij gaat staan. “Ik stel voor dat jullie allemaal je klep dicht houden. Jij voorop, notaris Borstel.” De notaris kijkt verwonderd. “Omdat je dikke wenkbrauwen hebt,” zegt Roel, “daarom zeg ik ‘Borstel’. Weet ik veel. Houd gewoon je bek.” Hij kijkt om zich heen en ziet de kwade, verwarde en verveelde blikken van diverse ooms en tantes die nooit op zijn verjaardag zijn geweest.

“Luister,” gaat hij verder, “ik ga die kutezels zo snel mogelijk verpatsen aan de hoogste bieder. Dus als je ze wil hebben, laat het maar weten. Verder kan het me niets schelen wat jullie vinden of denken, maar ik ga op dat veld de grootste Blokker van Nederland bouwen. Het wordt een multiformule, met een aparte speelgoedafdeling, éxtra teleshoppingproducten en een labyrint aan huishoudelijke prullaria. Het gaat Roelopolaza heten en het wordt de grootste toeristenattractie van noordwest-Noord-Holland. En als dat dan loopt en er komen bussen Japanners per dag, dan steek ik de hele boel in de fik. Weet je waarom? Nou? Omdat ik ZIEK ben van die lul die mij zijn ezels nalaat. Ik hoop dat God bestaat, want dan kan ik in de hel tegen hem zeggen dat ik z’n geld als een kinderlijk slechte ondernemer heb verkwist. Goed. Dat is gezegd. Ik ga nu over z’n graf heen pissen. Mocht iemand zin hebben om mee te gaan, voel je welkom.”

Roel staat op, en met hem drie ooms met volle blazen. Ze lopen het kantoor uit, de tantes en nog een groepje ooms achterlatend. De notaris draait zich om en kijkt naar het schilderij van de koning. Dan grijpt hij het bij de lijst, schuift het van muur en loopt ermee naar de dichtstbijzijnde tante, die hij er vervolgens mee over het hoofd slaat. “Omdat ik ziek ben van die oude wijven die altijd maar recht denken te hebben op alles,” fluistert hij in haar oor, en slaat haar met vlakke hand op de wang. Dan loopt hij naar de overige ooms en tantes en doet bij hen hetzelfde.

Standaard