Verhaal #519 • Afgesproken thema: Nonchalant

Koud

Werner heeft een hobby nodig’, zei zijn vrouw tegen de buren.
Op zijn verjaardag gaven de buren hem een doos.
Buiten was het heet.
De augustuszon beukte al wekenlang op het gazon.

Door Leontien Wegman

Binnen, in de koele woonkamer scheurde Werner het pakpapier weg.
Een bruinkartonnen doos kwam tevoorschijn.
‘Wat is het!’ zei Werners vrouw op schelle toon.
Ze klapte twee keer hard in haar handen.
Werner opende de kartonnen doos.
Er lag een boekje onderin. Zijn handen zweetten.
‘Wat is het! Wat is het, Werner!’ riep zijn vrouw opgewonden.
Hij gaf haar het kleine boekje en zag dat het een handboek was.
‘Hoe Leer Ik Vissen’ stond op de kaft.
‘Oh Werner!’ riep zijn vrouw terwijl ze naar de buren lachte. ‘Dat is lief! Nu kun je gaan vissen met Samuel!’
Werner knikte en keek naar zijn buurman.
Samuel glimlachte.
Werner glimlachte terug.
De kamer voelde plotseling heet aan. Hij stond op.
Nooit in zijn leven had Werner een vis gevangen. En hij was het ook niet van plan.
Hij ging naar de keuken om een biertje voor Samuel te pakken.
Voor de open koelkastdeur stond hij doodstil en ademde de koude lucht in.
Hij dacht aan de mannen die hij in zijn leven had zien vissen.
Koppige, stille mannen.
Werner sloot zijn vingers rond een longneck.
Plotseling schoot een regel uit Psalm 23 door zijn hoofd.
‘Al moet ik door dalen van duisternis en dood, ik ben voor geen onheil bang’.
‘Ja’ mompelde hij tegen het binnenste van de koelkast, tegen de zalmschotel die zijn vrouw gemaakt had.
‘Ja. Al moet ik door dalen van duisternis en dood, ik ben voor geen onheil bang’, dacht hij opnieuw.
Vanuit de woonkamer kon hij zijn vrouw tegen de buren horen praten.
Ze had het over Werners pensionering.
En dat Werner om een hobby verlegen zat.
En dat vissen echt iets voor Werner was.
Hij sloot de koelkastdeur. Hield Samuels bierfles tegen zijn voorhoofd.
Hij verlangde naar iets en dat verlangen herinnerde hem aan de Werner van veertig jaar geleden.
Hij was nooit van plan geweest te gaan vissen. Hij haatte vissen. Hij haatte vis.
In een impuls opende hij de deur naar de tuin.
Hij nam Samuels biertje mee en stapte op het bruine, dorre gazon.
De hitte omvatte zijn lichaam met een stalen greep.
Hij begon te lopen richting de straat met de schrale bomen.
De genadeloze zon pulseerde op het asfalt.
Elke boom in hun godvergeten straat maakte een zwarte slagschaduw op de stoep.
Water van het koude flesje begon langs zijn pols te druppelen.
Hij had zin om te lopen, voorgoed te lopen met dat flesje onaangeroerd in zijn hand. Hij was geen visser, was dat nooit geweest en zou het ook nooit worden.
Hij passeerde de eerste van vele schaduwen in de straat waar hij sinds het begin van zijn huwelijk had gewoond.
‘Ja’ dacht hij opnieuw, ‘Al moet ik door dalen van duisternis en dood, ik ben voor geen onheil bang’.
Al snel sloeg hij de hoek om.



Wie is gastschrijver?

Dat ben jij! Nou ja, als je een beetje handig met woorden bent. Jouw verhaal ook op de website van Schrijversgenootschap De (Voorheen) Lege Bladzijde? Stuur je beste werk naar info@schrijversgenootschap.nl en laat je lezen!
Standard