Nonchalant

Koud

Werner heeft een hobby nodig’, zei zijn vrouw tegen de buren.
Op zijn verjaardag gaven de buren hem een doos.
Buiten was het heet.
De augustuszon beukte al wekenlang op het gazon.

Door Leontien Wegman

Binnen, in de koele woonkamer scheurde Werner het pakpapier weg.
Een bruinkartonnen doos kwam tevoorschijn.
‘Wat is het!’ zei Werners vrouw op schelle toon.
Ze klapte twee keer hard in haar handen.
Werner opende de kartonnen doos.
Er lag een boekje onderin. Zijn handen zweetten.
‘Wat is het! Wat is het, Werner!’ riep zijn vrouw opgewonden.
Hij gaf haar het kleine boekje en zag dat het een handboek was.
‘Hoe Leer Ik Vissen’ stond op de kaft.
‘Oh Werner!’ riep zijn vrouw terwijl ze naar de buren lachte. ‘Dat is lief! Nu kun je gaan vissen met Samuel!’
Werner knikte en keek naar zijn buurman.
Samuel glimlachte.
Werner glimlachte terug.
De kamer voelde plotseling heet aan. Hij stond op.
Nooit in zijn leven had Werner een vis gevangen. En hij was het ook niet van plan.
Hij ging naar de keuken om een biertje voor Samuel te pakken.
Voor de open koelkastdeur stond hij doodstil en ademde de koude lucht in.
Hij dacht aan de mannen die hij in zijn leven had zien vissen.
Koppige, stille mannen.
Werner sloot zijn vingers rond een longneck.
Plotseling schoot een regel uit Psalm 23 door zijn hoofd.
‘Al moet ik door dalen van duisternis en dood, ik ben voor geen onheil bang’.
‘Ja’ mompelde hij tegen het binnenste van de koelkast, tegen de zalmschotel die zijn vrouw gemaakt had.
‘Ja. Al moet ik door dalen van duisternis en dood, ik ben voor geen onheil bang’, dacht hij opnieuw.
Vanuit de woonkamer kon hij zijn vrouw tegen de buren horen praten.
Ze had het over Werners pensionering.
En dat Werner om een hobby verlegen zat.
En dat vissen echt iets voor Werner was.
Hij sloot de koelkastdeur. Hield Samuels bierfles tegen zijn voorhoofd.
Hij verlangde naar iets en dat verlangen herinnerde hem aan de Werner van veertig jaar geleden.
Hij was nooit van plan geweest te gaan vissen. Hij haatte vissen. Hij haatte vis.
In een impuls opende hij de deur naar de tuin.
Hij nam Samuels biertje mee en stapte op het bruine, dorre gazon.
De hitte omvatte zijn lichaam met een stalen greep.
Hij begon te lopen richting de straat met de schrale bomen.
De genadeloze zon pulseerde op het asfalt.
Elke boom in hun godvergeten straat maakte een zwarte slagschaduw op de stoep.
Water van het koude flesje begon langs zijn pols te druppelen.
Hij had zin om te lopen, voorgoed te lopen met dat flesje onaangeroerd in zijn hand. Hij was geen visser, was dat nooit geweest en zou het ook nooit worden.
Hij passeerde de eerste van vele schaduwen in de straat waar hij sinds het begin van zijn huwelijk had gewoond.
‘Ja’ dacht hij opnieuw, ‘Al moet ik door dalen van duisternis en dood, ik ben voor geen onheil bang’.
Al snel sloeg hij de hoek om.

Standaard
Nonchalant

Nieuw hoofdstuk

Misschien moet je hem bellen,’ zegt Anja. ‘Gewoon even bellen en praten. Even praten kan toch geen kwaad?’

We zitten in haar kantoortje, een kleine kamer op de derde verdieping in het statige pand van Uitgeverij Ambiosia aan de Keizersgracht. Een bord met de tekst Nullus est liber tam malus ut non aliqua parte prosit hangt in de gang en na mijn eerste bezoek, een jaartje of zeven geleden, had ik er meteen een foto van gemaakt en bij thuiskomt in Google overgetikt. Het eerste zoekresultaat was al raak: Er is geen boek zo slecht dat het in geen enkel deel profijtelijk is.

Anja roert door haar cappuccino die we onderweg naar haar verdieping uit een automaat hebben gehaald. Bijna elke successchrijver zit bij deze uitgeverij, maar nog altijd wordt de koffie er gezet door een gevoelloze machine.
‘Heb jij hem gesproken?’ vraag ik.
Ze schudt haar hoofd. ‘Bram. Bram had ‘m aan de lijn.’
‘Waar is Bram eigenlijk?’ antwoord ik en alsof hij zich in het kantoortje verstopt heeft, kijk ik om me heen. ‘Ik wil die superstagiaire van je weleens ontmoeten.’
‘Weekje vrij, eergisteren vertrokken naar Kenia.’
Snel neem ik een slok van mijn machinekoffie om niet bezwarend te kunnen vragen wat er tegenwoordig mis is met een weekje naar Frankrijk of desnoods Italië. Iedereen vertrekt maar naar verre landen om zichzelf en de betekenis van het leven te vinden terwijl het volgens mij geen donder met afstand te maken heeft. Maar dat is meer een discussie voor in het café, niet bij de uitgeverij die al drie jaar lang wacht op een nieuwe bestseller van me.
‘Kenia, toe maar,’ zeg ik daarom zo nonchalant mogelijk. ‘Studentje neemt het er goed van.’
‘Afijn, zullen we maar ter zake komen?’ vraagt Anja en ze schuift het stapeltje papieren dichter naar haar toe. ‘Zeg me niet dat je dit eventjes in een avond hebt geschreven. Zeg me dat niet, Martijn.’
Ze bladert even en aangekomen bij blijkbaar de juiste pagina, draait ze het stapeltje om en schuift het in mijn richting.
‘Dit stuk is zo hart-ver-scheur-end mooi, Martijn. Over hoe je moeder vertelde dat ze het ook allemaal niet meer wist. Pijnlijk, maar zo mooi.’
‘Je zag geldtekens.’
‘Nee, dat niet. Nou ja, niet meteen. Maar Martijn, geloof me, ik ben hier heel blij mee. Dit is een prachtig verhaal. En het kan ook een schit-te-rend einde krijgen…’
‘Als ik ‘m bel.’
‘Als je hem belt. Maar dat moet je wel zelf willen natuurlijk. Je moet het zelf willen. Ik kan je niet dwingen, Martijn. Maar echt…’
Ik blijf stil.
Zucht diep.
Roer door de koffie die eigenlijk tussen aanhalingstekens zou moeten staan en denk aan de man die ineens weg was en nu eventjes z’n zoon, de jonge talentvolle schrijver, komt opeisen als een in de trein verloren portemonnee.
‘Anders nog een koffie?’ vraagt Anja, want koffie is altijd een oplossing.
Zonder het antwoord af te wachten pakt ze mijn lege bekertje. ‘Ben zo terug.’

Standaard
Nonchalant

Het slingeren van de sloopkogel

Elias was vijfendertig toen hij erachter kwam dat hij nooit meer terug kon naar zijn middelbare school. Er was een hek rond het gebouw gezet, overal hingen driehoekige borden en op het basketbalveld stonden machines die hij niet kon thuisbrengen.

Achter dat hek had Elias zes jaar gezeten. Hij was er begonnen met roken en ook weer gestopt, hij had er gevochten (meerdere malen), en hij had er beginnende borsten gevoeld (één keer). Na zijn diploma-uitreiking was hij er nooit meer binnen geweest.

Een groepje tieners slenterde voorbij het hek. Ze hadden een houding die Elias nog wel herkende: een mix van onzekerheid, geilheid en rebellie. Een van de jongens was achtergebleven en zat nonchalant op de stoep gehurkt met zijn telefoon in zijn uitgestrekte handen.
‘Kom, Casper!’, riep een meisje achterom. ‘Waarom ben je aan het filmen?’
‘Ik wil vastleggen hoe die kutschool plat gaat’, zei de jongen. ‘De dag dat de sloopkogel er doorheen ramt wordt de beste dag van mijn leven.’

Elias liep door want zijn moeder wachtte op hem. De gedachte aan de sloop van zijn school dreunde echter in zijn hoofd met de kracht van een heipaal die in de grond wordt geslagen.
‘Hoe is het?’, vroeg zijn moeder toen ze de deur had opengedaan. ‘Gaat alles goed op je werk?’
‘Evert heeft die promotie gekregen.’
‘Och, jouw tijd komt ook nog wel.’ Ze liep naar de keuken en Elias verbaasde zich over haar luchtigheid; het belang dat ze hechtte aan zijn carrière had hem vroeger vaak tot waanzin gedreven. Ze kwam terug met een dienblaadje waarop twee kopjes koffie en een suikerpot stonden, en vroeg: ‘Gaat alles goed op je werk?’

Een paar weken later stootte er een kogel tegen zijn oude school. Vanuit een hijskraan slingerde een onzichtbare bestuurder het ding met logge imprecisie richting het gebouw, waar het tegen een betonnen muur denderde. Elias bleef staan. Iets wat ooit een klaslokaal was geweest verkruimelde en de brokstukken stortten omlaag. In die hoek van het gebouw had hij vroeger Latijn gehad. ‘Puella, puellarum, puellam’, of zoiets dergelijks, hij had het ooit moeten opzeggen voor de klas. Hij kon die naamvallen nooit onthouden. Uiteindelijk had hij er maar een liedje van gemaakt, iets met ‘puellalala’, waar iedereen om moest lachen behalve de docent. Elias was dat Latijn na zijn schooltijd onmiddellijk vergeten. Hij grinnikte in zichzelf en liep toen weer door, want zijn moeder wachtte.

Net als veel oude mensen had ze een zekere kalmte over zich gekregen. Ideeën over de toekomst die altijd onvermijdelijk waren geweest, hadden nu plaatsgemaakt voor berusting; iets wat Elias voor zichzelf ook helemaal niet onaangenaam leek. Tegelijkertijd was hij voor die berusting zo bang als voor de dood.
‘Lukt het?’, vroeg hij toen zijn moeder met de koffie binnenliep. De lepeltjes rinkelden in hun kopjes door het trillen van haar handen, alsof het dienblad te zwaar voor haar was. Elias nam het van haar over.
‘De aftakeling is begonnen’, zei ze terwijl ze ging zitten. ‘Maar ach. Omnia mutantur, nihil interit.’
‘Hè?’
‘Ken je klassieken, Elias.’
De bovenbuurvrouw had hem een maand geleden gezegd dat zijn moeder soms een beetje gek deed. Ze zou geprobeerd hebben om de voordeur van de buurvrouw open te maken met haar sleutel, alsof ze verdwaald was in haar eigen flat. Wat een gekkigheid kon dat mens verzinnen.

Nadat hij zijn oude klaslokaal uiteen had zien vallen, duurde een tijd voordat Elias weer bij zijn moeder op bezoek ging. Af en toe verscheen er een filmpje van zijn school op Youtube, zodat hij vanuit zijn woonkamer kon volgen hoe de hoop puin waarin hij volwassen was geworden, langzaam maar zeker slonk. En toen opeens was zijn school er niet meer. Uiteindelijk vond hij de moed om weer terug te gaan, en zag wat er nog restte: een zompige vlakte waarin hij tot aan zijn kruin zou wegzakken als hij zo gek zou zijn om het terrein te betreden. ‘Pas op, drijfzand!’, stond er op waarschuwingsborden bij de hekken. Elias keek de andere kant op en deed net alsof zijn school er nog stond.

Ook toen hij weer in het huis van zijn moeder was, raakte hij de herinneringen aan het schoolgebouw niet kwijt. In gedachten ging hij de hal binnen, keek naar het bord waarop stond welke lessen er uitvielen en liep langs de conciërge waar je je moest melden als je ziek naar huis wilde.
‘Zet jij even koffie?’, vroeg zijn moeder. Elias schrok op en liep naar de keuken, maar toen hij de filters wilde pakken merkte hij een onmiskenbare gaslucht op. Vlug draaide hij de knop van het fornuis dicht die nog openstond.
‘Mam?’ riep hij.
‘Ja?’
Hij zette het keukenraam open en zei: ‘Niets, laat maar.’
Wat een waanzin dat hij nog steeds de weg kende in een gebouw dat niet meer bestond.

Standaard
Nonchalant

Als in een dagdroom

Haar ogen waren zo mooi dat hij er van uit ging dat ze allebei ooit een eigen naam hadden gekregen. De zon sprenkelde goudkleurige stipjes in het bruin rond haar gitzwarte pupillen terwijl ze dromerig het voorbij glijdende landschap bekeek.

Waar dacht ze aan? Had ze zijn aanwezigheid überhaupt wel door? Af en toe speelde er een flauw glimlachje om haar helderrode lippen. Helderrood, hij was gek op die kleur.

Met een kuchje probeerde hij haar aandacht te trekken, maar ze bleef naar buiten kijken. Dat glimlachje weer om haar lippen, iets meer nu. Kuiltjes leukten haar wangen op.
Hij probeerde te zien waar ze naar keek, maar zag alleen wat zij na hem zou zien. Twee paarden graasden in een wei verderop, ze zoefden er voorbij en zij zag ze nu ook. Haar pupillen verwijdden zich en haar glimlach werd breder.

Zijn jas rustte zwaar op zijn schoot. Zijn handen voelden zweterig, maar hij liet ze in zijn schoot liggen. Hij genoot er van om naar haar prachtige gezicht, omlijst met bruine krullen, te kijken en ondertussen over zijn zwaard te strelen. Een klein zwaard weliswaar, maar toch. Hij wist er raad mee en dat was veel belangrijker dan hoe groot het ding eigenlijk was.

‘Goedemiddag! Uw vervoersbewijs alstublieft!’ De conducteur klonk vrolijk en nu ze gaf haar OV-kaart aan de man, hij gaf hem glimlachend aan haar terug nadat hij had gecontroleerd of ze ingecheckt was. Toen de conducteur zijn chipkaart controleerde lachte hij nog steeds, maar minder uitbundig.
Het pasje verdween in zijn portemonnee en hij haalde er een stukje papier uit en schreef er zijn telefoonnummer op. Het moment was perfect, ze droomde niet meer maar keek naar hem. Hij stak haar het briefje toe en zei dat hij haar prachtig vond en dat ze hem mocht bellen als ze wilde.

Zijn glimlach betoverde hem. ‘Aardig van je’, klonk haar mierzoete stem. ‘Maar mijn vriend haalt me op van Utrecht Centraal.’ Ze sprak de woorden tegelijk uit met de conducteur die omriep dat het station de volgende stop van de trein was. De kuiltjes in haar wangen leken hem te bespotten.
Het vleugje teleurstelling slikte hij weg en hij stak het briefje weer in zijn zak, voor de volgende. Ze lachte nog steeds naar hem en hij lachte terug. ‘Oké, dan niet. Jammer dan’, antwoordde hij en hij haalde zijn schouders op. Het zwaard trok hij onder zijn jas vandaan en hij liet het lemmet door het vlees van haar hals glijden terwijl de trein afremde.
Helderrood, dezelfde kleur als haar lippen kleurde nu ook haar decolleté.

Standaard
Nonchalant

Hier is niets te zien

Ik stond rustig op mijn beurt te wachten bij het stadsdeelkantoor. De vrouw voor mij had haar zoon Kees de Jongen vier avonden voorgelezen, vertelde ze de baliemedewerker. Die stelde een oprechte vraag, die ook even door mijn hoofd was gegaan: heette haar zoon nou Kees de Jongen, of bedoelde ze het boek van Theo Thijssen? Mij leek het hoe dan ook positief, maar toch ontspoorde het gesprek.

Ze had haar zoon het boek in vier avonden voorgelezen, toen had ze het boek al uit. En ze vond de vraag beledigend, alsof iemand als zij geen fouten mocht maken. De man zei dat hij het gewoon niet begreep en hij fouten meestal voor lief nam als het duidelijk was wat er werd bedoeld. Bovendien had haar afkomst zeker geen invloed gehad op zijn vraag, hoewel het hem niet waarschijnlijk leek dat haar zoon Kees de Jongen heette. Hierbij voegde hij de uit het Engels afkomstige woorden no en offence aan toe, om aan te geven dat hij haar niet wilde beledigen. En toen kwam ik in beeld.

‘Schatje, doe maar even rustig tegen die meneer,’ zei ik. Ik plaatste mijn hand tegen een steunpilaar en gooide mijn jas, die ik met een vinger door het lusje vasthield, over mijn schouder.
Terwijl zij duidelijk maakte dat ze mijn schatje niet was en zich daarna hardop afvroeg waar ik me in godsnaam mee bemoeide, had ik mijn jas al aan en liep ik richting de uitgang. Er hadden de uit het Amerikaans afkomstige woorden Thug en Life in beeld kunnen komen met op de achtergrond de klanken van een gangsterrapnummer, zou er van dit tafereel in het stadsdeelkantoor een video zijn geschoten. Ik keek nog even om om zeker te weten dat ze niet achter me aan kwam, alvorens de draaideur in te stappen.

Eenmaal buiten zocht ik wederom iets om tegenaan te leunen. Het was warm genoeg, nog lopend trok ik mijn jas uit en liet hem achter me op de grond. Een kind raapte de jas op, rende langs me heen en stak hem naar me uit. Het deed me niets, ik liep gewoon door.
‘Hou maar,’ zei ik gewoon. ‘Hou hem maar!’
Toch pakte ik mijn jas, het kind drong wel erg aan.
Ik besloot naar de verjaardag van mijn collega Petra te gaan, het kind ging mee. Ze wist niet dat ik kwam, maar dat maakte me niet zoveel uit. Ik belde haar op om te zeggen dat ik eraan kwam, dat deed me helemaal niks. Ik was ook gewoon een hele makkelijke beller.
Ze nam op, ik zei dat ik eraan kwam en vroeg of ze nog wensen had. Ze zei nee, dus dat was mooi. Alsof ik zin had om een cadeau voor haar te kopen.

Nadat ik achteloos de bos bloemen en doos chocola op de cadeautafel had gelegd, ging ik lekker achteraf staan. Ha, Theo was er ook. Hij stond bij de schuifpui met iemand te praten, dus ik tilde mijn hoofd kort naar achter om aan te geven dat ik hem niet zou storen en hem straks wel zou spreken.
Petra kwam even bij me staan en zei dat ze niet brutaal wilde zijn, maar of ze me wel had uitgenodigd en ik zei: ja, natuurlijk.
‘Even mijn zonnebril op doen,’ zei ik en knikte naar iemand die langs liep, maar ik niet kende.
Toen Petra me verzocht om naar huis te gaan, besloot ik dat het tijd was om naar huis te gaan. Het kind ging mee.

Ik stond voor de tv met mijn handen in mijn zakken. Ik hoorde een man in een praatprogramma zeggen dat het hem zorgen baarde dat er steeds meer eenzame mannen van middelbare leeftijd waren in Nederland, die niet weten wat ze met zichzelf aan moeten. Het kind staarde me aan, maar mij deed het niets.

Standaard
Nonchalant

Tanden op elkaar

Hij had net gedoucht in een cabine die zo vol vrouwenverzorgingsproducten stond dat hij met moeite nog een plekje had kunnen vinden voor z’n voeten. Dat krijg je met blonde meisjes, dacht hij toen hij z’n haren had staan wassen met een naar amandeltjes geurende shampoo.

Druipend stonden hij en z’n naakte lichaam nu op een roze mat. Vanachter de badkamerdeur hoorde hij z’n telefoon gaan, voor de derde keer die ochtend. Hij droogde zich af met een handdoek die precies dezelfde tint roze had als de mat waar hij op stond. Al zou Jeanine waarschijnlijk zeggen dat deze twee kleuren echt niet samen konden. Hij lachte even naar zichzelf in de spiegel. Hij was ook zo’n holbewoner die dat niet zag, hoorde hij haar al verzuchten.
‘Als je mij toch niet had!’ zou ze zeggen.

Vera kwam de badkamer binnenlopen in haar roze pyjama, glimlachte naar de roze handdoek om zijn middel en kuste hem. Hij proefde de kip-pesto van gisteravond naast een vleugje rode wijn.
‘Lekker geslapen, meid?’
‘Als een blok. Het ligt altijd zo lekker naast jou.’
‘Daar ben ik voor.’
Hij pakte zijn tandenborstel uit het bekertje, greep de tandpasta die hij zo lekker vond en stak de borstel in z’n mond precies op het moment dat z’n telefoon weer ging. Na vijftien halen en drie keer overgaan zuchtte hij, trok nog een halve glimlach naar Vera en liep met de borstel tussen z’n tanden naar de slaapkamer.
‘Mhwawlo?’
‘Justin?’
‘Hwe Swchafjuh.’
‘Waarom nam je niet op?’
‘Waf Dwoufche’
‘Anderhalf uur?’
‘Jwah.’
‘Ben je alleen?’
‘Jwah.’
‘Goed zo. Ik heb slecht nieuws voor je.’
Ze bleef even stil, wachtend op zijn reactie. Toen er niks kwam ging ze verder.
‘Het is uit, Justin. Het gaat gewoon niet meer volgens mij. Je communiceert nauwelijks en ik krijg nooit het gevoel dat je om me geeft. Of dat het je boeit wat ik doe. Of dat we samen wat gaan doen. Alsof het je allemaal niks kan schelen. En ik trek dat niet langer.’
‘Mwokeuhj.’
‘Oke?’
‘Jwah.’
‘Oh. Oke. Dit is exact het probleem hè, dat snap je? Wat ben je toch ook een lamme zak! Een lamme, lamme zak! Gatver, dat ik het zo lang bij je heb uitgehouden is een fucking wonder!’
‘Okheuf.’
‘Wat?’
‘Mwoke.’
‘Oh, oke. Oke. Veel plezier met je leven, figuur.’
‘Fdajg swchaft.’
Hij gooide z’n telefoon op het bed en liep terug naar de badkamer. Vera stond onder de douche. Hij rook amandeltjes, vanille en iets van citrus.
‘Was dat die kut weer?’
Hij spuugde.
‘Ja. Ze maakte het uit.’
‘Oh. Kut voor je.’
‘Ach’, zei hij en trok de handdoek van z’n middel.
‘Ach’, zei zij en ze hield het douchegordijn opzij.

Standaard