HVA schrijfwedstrijd: Oranje

Een verhaal over een jongen die op een dag een hoer bezocht

Jij kleren uit.’
Ik trok mijn shirt over mijn hoofd en ik stoeide met de knopen van mijn broek.
‘Mijn sokken ook?’

Door Rajko Disseldorp

Sylvia knikte.
‘Vind je dat niet vies?’ vroeg ik.
Ze pakte mijn handen. ‘Zo, jij aan mijn borsten.’

Ze zat op haar knieën, naakt op het bed. Af en toe keek ze stiekem naar zichzelf in de spiegel. Het stonk in die kleine ruimte.

Ik keek naar Sylvia. Ze was oud, boven de veertig. Sylvia was ook niet heel knap, niet lelijk, meer gemiddeld. Met haar vingertoppen streelde ze mijn lichaam. Over mijn borst en toen langs mijn benen over mijn pik. Ze legde haar hand op mijn schaamhaar.
‘Jij nerveus, hè?’

Ik moest lachen, wat kon ik anders? Helemaal ontspannen zijn, lukte me niet. Ik dacht steeds aan Renske. Het meisje van wie ik echt dacht dat een leven lang met haar mij gelukkig zou maken. Zij wilde niet meer. Ze had me gezegd dat ik alleen maar aan mezelf dacht en ze vond het vervelend dat ik soms mijn mobiel niet opnam. Het lukte me niet er volledig voor haar te zijn.

Sylvia deed een papiertje om mijn al half afgetrokken piemel. Hij was licht stijf. Dat papiertje, daar moest ik aan wennen. Door dat papiertje dacht ik aan de bezoekjes aan mijn oma. Als ik dan een koekje wilde eten, kreeg ik een servetje om onder het koekje te houden. Er mochten namelijk geen kruimels op de vloer komen. Als het koekje op was, had oma al haar kruimels verzameld in haar handen en klopte ze het zo schuddend van zich af. Al die kruimels richting het tapijt. Die piemel van mij had toch maar mooi een gaatje geboord door een servetje. Daar kon ik trots op zijn.

Sylvia pakte een oranje condoom. Hoe haalde ze het in haar hoofd om oranje condooms te gebruiken? Ik kon er gelukkig om lachen. Tijdens het pijpen maakte ze bepaalde kreungeluiden en bewoog ze met haar handen over mijn buik en mijn benen. Ik twijfelde eraan of dat kreunen van haar, nee, ik wist het zeker. Dat kreunen van haar tijdens het pijpen sloeg natuurlijk nergens op. Ik denk dat ze dat deed om mij sneller klaar te laten komen. Dat deden ze allemaal. Ze hadden veel te geile trucjes om te zorgen dat ik snel was.

‘Jij mooie jongen,’ zei ze.
‘Waar kom je vandaan?’
‘Polen.’
‘Moet je nog lang werken?’
‘Hierna huis.’ Ik vond het geil hoe ze aan mijn ballen zat en hoe ze me pijpte.
‘Wat vreemd dat er eigenlijk een spiegel hangt’, zei ik.
‘Ja, maar ik huur dit ook gewoon, weet je.’
‘Sorry. Ik huur jou ook gewoon, weet je.’ Ze lachte zachtjes, maar ik wist niet zeker of ze de grap begreep of dat ze überhaupt door had dat het een grap was.
‘Neuken?’ vroeg ze.
‘Nog even niet. Nerveus.’
‘Dat is goed.’ En toen deed ze iets wat ze daarvoor nog niet deed. Sylvia begon sneller te pijpen, dat had ze niet moeten doen.
‘Dit lekker?’ vroeg ze.

Ik was al gekomen.

Daarna rende ik naar huis. In dat veel te grote bed in die veel te kleine kamer heb ik mezelf in slaap proberen te janken. Het lukte me niet. Natuurlijk moest ik denken aan Renske. Ik pakte mijn telefoon en ik beluisterde haar laatste voicemail. Met die fijne, prachtige stem van haar galmde ze fantastisch door mijn veel te kleine kamer. Ze brabbelde wat over een verkeerslicht.

Ze zei dat mijn leven nu op oranje stond en dat ik het zelf in de hand had of het of het op rood of groen zou springen. Ik was verliefd op haar tegeltjeswijsheden, maar ergens had ze gelijk. Terwijl ze nog allerlei andere dingen zei moest ik denken aan het oranje condoom. Weer moest ik lachen. Ze sloot haar tirade af met: ‘Er zal altijd een dag komen waarop je kunt besluiten het anders te doen.’ En volgens mij ben ik toen vrij snel in slaap gevallen.


Het juryrapport

Het Schrijversgenootschap zegt het volgende over Een verhaal over een jongen die op een dag een hoer bezocht van Rajko Disseldorp:

Goed verhaal, want: Je vertelt de moeilijkheden van een hoerbezoek mooi en in die gedurfde setting prikkel je de fantasie met Renske. Dat sluimert op de achtergrond en dat is mooi. Lekker tempo, goede dialoog.
Verbeterpunt: De metafoor van het oranje stoplicht voelt wat geforceerd. Daarnaast is het jammer dat het liefdesverdriet om Renske zo expliciet wordt uitgelegd. Je eindigt mooier zonder de laatste vier zinnen.
Mooiste zin: “Met die fijne, prachtige stem van haar galmde ze fantastisch door mijn veel te kleine kamer.”
Standaard
HVA schrijfwedstrijd: Oranje

Hollands glorie

In de jaren voordat zij haar knusse woning in de Iepenrodelaan voor een kamer in het Brentano verzorgingstehuis moest omruilen, kwam ik elke zondag op bezoek.

Door Priscilla Teunissen

Dan zag ik haar zitten in haar gebloemde ochtendjas met haar zilvergrijze haren opgestoken in een rommelige knot, terwijl zij mij kort van top tot teen bekeek, om dan tot de conclusie te komen dat het goed was. Haar geheugen had haar in de steek gelaten en de dokter had gezegd dat zij niet meer voor zichzelf kon zorgen. Dus kreeg zij een kamer in het Brentano te Amstelveen.

Sinds zij daar woonde, begonnen mijn zondagochtenden altijd hetzelfde. Ik bakte verse croissants, perste jus d’orange en vulde een rieten mand met oude kaas, jam en appels. Dan trok ik mijn zondagse kleding aan en stapte met mand en al op de fiets. Om precies elf uur kwam ik aan bij mijn vaste bloemist op de hoek van het winkelcentrum. De vriendelijke man was elke zondag geopend en verkocht de mooiste boeketten. Maar ik, ik hield het altijd simpel.
‘Het gebruikelijke, mevrouw Maart?’, vroeg hij vriendelijk als ik de winkel binnenstapte. Het was een vrolijke man met asblond haar en van die bloemistenhanden: zwart van de aarde.
‘Ja, graag. En zou er ditmaal een blauwe strik omheen kunnen?’, vroeg ik, terwijl ik met mijn vingers over de gekleurde linten gleed.
Hij verzamelde de bloemen, sneed de onderkanten af en bond ze samen tot een vol boeket, dat hij uiteindelijk afmaakte met een blauwe strik. Uiteindelijk overhandigde hij mij altijd een prachtige bos oranje tulpen. Haar lievelingsbloemen.

Ze zat altijd in haar favoriete stoel, recht voor het raam. Daar keek ze graag naar buiten. Ze vond het prachtig als er kinderen langs fietsten en vrolijk naar haar zwaaiden. Als ik binnen kwam met haar vaste verzorger, keek ze mij altijd even wantrouwend aan. Maar dan zei ik: ‘Dag mam, hoe voel je je vandaag?’ en leek haar blik op te klaren. Ik gaf haar altijd een kus op haar rechterwang en daarna overhandigde ik het boeket. Ze rook er aan en glimlachte breeduit.
‘Ah, oranje tulpen. Dat zijn mijn favoriete bloemen’, zei ze dan altijd. Ik zette het boeket in een vaas in het midden van de eettafel. Daaromheen zette ik onze borden en pakte ik mijn mand uit. Dan praatte we over haar jeugd. Over hoe zij mijn vader had leren kennen en hoe zij elke week een boeket genaamd ‘Hollands glorie’ met oranje tulpen kocht voor in de woonkamer.

Ineens leek het slecht te gaan met haar. Haar glimlach was niet meer hetzelfde en het boeket met oranje tulpen maakte haar minder vrolijk.
‘Ze zal niet lang meer bij ons zijn’, zei haar verzorger op een dag tegen mij. En dat deed mij beseffen dat die zondag in mei anders moest zijn. Ik bakte de croissants, perste de jus d’orange en vulde de mand. Ik trok mijn zondagse kleding aan en stapte op mijn fiets. Maar ik haalde geen boeket met oranje tulpen.

Ik duwde haar in haar rolstoel langs de gekleurde velden. Ik zag hoe ze haar neus in de lucht stak en alle geuren opsnoof. Na een flinke wandeling door de Keukenhof, bleven wij uiteindelijk voor één specifiek veld staan. Ik hurkte naast haar.
‘Mooi, hé mam?’
‘Prachtig. Oranje tulpen. Dat zijn mijn favoriete bloemen’
Ik glimlachte en pakte haar hand. Samen keken wij hoe de zon langzaam in een oranje zee zakte. Hoe de oranje tulpen de gloed van de zon weerkaatste op hun bloembladeren. Ik keek haar aan, stond op en kuste zacht haar wang.
‘Dank je, kind’, fluisterde ze, ‘Dit is pas een veld aan Hollands Glorie’.


Het juryrapport

Het Schrijversgenootschap zegt het volgende over Hollands glorie van Priscilla Teunissen:

Goed verhaal, want: Je hebt een sterke rode draad in een verhaal dat raakt. Het is lief, en de herkenbaarheid van een oudere die verder achteruit gaat laat je je eigen grootouders bellen.
Verbeterpunt: Het begin is wat rommelig en de dialoog is wat formeel, bijvoorbeeld: ‘Dat zijn mijn favoriete bloemen’. Probeer je rode draad nog iets subtieler te verwerken: de lezer wil zelf ontdekken dat iets ‘altijd’ zo is.
Mooiste zin: “Maar dan zei ik: ‘Dag mam, hoe voel je je vandaag?’ en leek haar blik op te klaren.” en “Samen keken wij hoe de zon langzaam in een oranje zee zakte.”
Standaard
HVA schrijfwedstrijd: Oranje

Dekmantel

Marleen kwam wel vaker in huizen waar wat ergs gebeurd was, dat was ten slotte haar werk. Maar dit huis, dat had een ander verhaal. Ten eerste lag de complete voortuin vol met verregende knuffelbeesten en vergane bloemen. Uiteraard trof ze wel eens een paar afgeprijsde boeketjes aan, maar dit deed Buckingham Palace na Diana’s dood verbleken.

Door Tessa van der Bie

Bovendien moest ook nog alles uitgezocht worden omdat die mensen alles wilden bewaren. En daar was ze dan ook wel dik twee uur mee bezig geweest. Bloemen in de groene bak, plastic in de grijze bak, knuffels in kratje één, tekeningen in bakje twee. Wat was ze blij dat ze klaar was en binnen even een kopje koffie kon gaan drinken.

De kratjes stapelde ze met zorg op elkaar in de gang. Bij de knuffels plakte ze stickers op de zijkant met ‘beren’ en ‘overig’, mocht dat later van belang zijn. Nu ze toch in de gang was, kon ze net zo goed meteen de schilderijen recht hangen. Ze streek haar vinger over de bovenrand. Er zat een grote dot stof op. De schoenen in het kastje lagen ook al overhoop, en ze betwijfelde of dat tijdens de worsteling was gebeurd. Maar ze was er nu toch dus dat kon er ook nog wel bij.

De woonkeuken was een ander verhaal. Alles rondom het fornuis was redelijk intact gebleven, al waren er wat pannen van het rek en lag de inhoud van het messenblok over het aanrecht. Snel fatsoeneerde ze de boel en scande ze de rest van de kamer. Elk meubelstuk tussen de keuken en de zitkames leek verpulverd te zijn. Dat heb je dan ook met Ikea-meubilair. Leren mensen dan niks in hun leven? Zeker als je kinderen gaat krijgen, moet je echt gaan investeren in betere spullen. Eerst maar een kopje koffie.
Ondanks dat de radio een flinke smak had gekregen, werkte deze nog wel. Wel jammer dat hij bleef hangen op het carnavalsnet, maar zo was er tenminste weer even leven in de brouwerij. Ze ging op de enige stoel zitten die nog heel was en deponeerde haar voeten op het restant van een andere stoel. Nu ze toch zat, kon ze net zo goed meteen haar bruine boterhammetjes met hagelslag opeten. Wat hier in de koelkast lag, was ongetwijfeld toch niet meer te vreten. Al kon ze natuurlijk altijd even kijken of er nog wat in de vriezer lag, voor thuis.

Ze liet haar blik over de witte muren glijden en nam het meest prachtige mozaïek in zich op dat ze ooit gezien had. Het was dat het patroon aan bloedvlekken, smeren en handafdrukken allerminst symmetrisch te noemen was, maar anders had de dader hier toch een perfecte mandala gecreëerd. Gelukkig had ze oranje verf bij zich; dat dekt tenminste goed. Ze keek op de tafel naast haar, waar en krant van drie weken geleden lag met een grote rode vlek erop. ‘Freddy Scrissorhands slaat voor derde keer toe’.
Vierde keer. Een glimlach vormde zich op haar gezicht. En met een zwierig gebaar haalde ze een mes uit haar handtas en liet deze op de lege plek in het messenblok glijden.


Het juryrapport

Het Schrijversgenootschap zegt het volgende over Dekmantel van Tessa van der Bie:

Goed verhaal, want: Dingen zijn niet altijd wat ze lijken en van dat gegeven is in dit verhaal dankbaar gebruik gemaakt. Goed dat je als lezer pas langzaam doorkrijgt wat er gaande is. Het doet denken aan Sunshine Cleaning, een film met Amy Adams over een vrouw met een plaats-delict-schoonmaak-bedrijf. Topfilm.
Verbeterpunt: De ontknoping is wat cliché, had creatiever gekund. Durf verder dingen weg te laten. Voorbeeldje: “Een glimlach vormde zich op haar gezicht” kan best af met “Een glimlach.” Let ook op details. Een carnavalsnet op de radio? Dat kan niet. Daar vallen lezers over.
Mooiste zin: “Leren mensen dan niks in hun leven? Zeker als je kinderen gaat krijgen, moet je echt gaan investeren in betere spullen.”
Standaard
HVA schrijfwedstrijd: Oranje

Het afscheid van Roy F.C.

Op mijn laatste luie zomeravond midden augustus, sloofde een merel zich uit ergens hoog op een tak, en daarna nóg hoger op de schoorsteen van het huis op de hoek.
Ik zag hem zitten en verwenste zijn roep om aandacht.

Door Tim Jasper

De lucht kleurde twijfelend oranje tegen de ondergaande zon. Ik keek uit over de laan vernoemd naar een Amerikaanse president. Af en toe stoof een cabriolet of een totaal overbodige jeep voorbij volgepropt met mens verliefd op het leven. Slingerend verdwenen de achterlichten over de brug richting het zuiden.
Voor hén leek de tijd niet te bestaan. Voor mij was de tijd het énige wat er bestond.
Sluw als Reinaert, had deze mij beslopen. Al acht keer.
Ik voelde me oud en versleten.

De lantaarnpalen sprongen aan. Na een tijdje schenen ze steeds feller, behalve die ene scheve, die bleef maar gebrekkig oranje knipperen.
Mijn gedachten werden onderschept door een allemansvriend met een pluimstaart als die van een notenraper. Ik vroeg hem wat er scheelde, maar zijn antwoord klonk als ordinair braken en bleef mij onduidelijk. Ik kon mijn blik maar moeilijk afwenden van dit achterlijke schepsel wiens uitwerpselen met een plastic zakje opgeraapt werden.
In de lange schaduw van mijn leven voelde ik mij nog steeds superieur.
Een gaap en een strek.
Ik voelde me oud en versleten. Het was bijna afgelopen, dat wist ik zeker.

Ik staarde naar de platte wereld in de beeldbuis – herhalingen van het net-niet oranje. Ik kreeg een onwaarschijnlijke drang om het balletje te pakken, maar gelukkig wist ik mij in te houden.
Ik strompelde naar de gang en hield traditioneel stil bij de langwerpige loerlijst aan de muur. Trouw als altijd, imiteerde het terug starende stuk chagrijn al mijn bewegingen. Hij had van dat piekerige, wel-of-niet ginger kleurige haar. De kale plekken waren goed te zien. Van het krabben zaten er bloederige korsten op zijn huid. Ik walgde van hem, maar onder zijn schurftige voorkomen schuilde ook de zelfverzekerdheid van een ware Casanova. Maar…
Oud en versleten. Het was ook zijn laatste avond vreesde ik.

Iets trok mij naar de voordeur.
Ik likte mijn lippen…
Ik bleef maar likken…
Dwangmatig likken…
Ik wist het zeker. Mijn instinct liet mij nooit in de steek. De deur ging open. Daar was ze!
Het lieve mens had een haakneus die begon te druipen als ze bij mij in de buurt was.
Ze kreeg geen lucht en begon wild te niezen.
Na een kopje van mij, een aai van haar én een kommetje melk, was het goed.
Via het balkon verdween ik naar de tuin.
Ik zou niet weder keren, dat wist ik zeker.
Ik keek nog eenmaal om.

Vaarwel! Ik ben Roy.
Felis catus is mijn soort.


Het juryrapport

Het Schrijversgenootschap zegt het volgende over Het afscheid van Roy F.C. van Tim Jasper:

Goed verhaal, want: De gedachten van de protagonist zijn op een indrukwekkende wijze neergezet, waardoor je met interesse blijft lezen. Prettig en creatief taalgebruik. Ook mooi: het hele verhaal kan gelezen worden als één grote metafoor.
Verbeterpunt: Zonder de laatste zin wordt het nog mooier. Let er verder op dat je alleen dat omschrijft wat ook echt een functie heeft in het verhaal. Anders kom je als lezer in een moeras terecht.
Mooiste zin: “In de lange schaduw van mijn leven voelde ik mij nog steeds superieur.”
Standaard
HVA schrijfwedstrijd: Oranje

Het stoplicht

Dit moeten we vaker doen’, zegt Jolanda en ze pakt Carlo’s hand vast. ‘Ik kan mij de laatste keer dat wij uit zijn geweest niet meer herinneren. Dat is toch erg?’

Door Elize Veldhuisen

Carlo schakelt naar de derde versnelling en schudt haar hand van de zijne. ‘Niet als ik probeer te rijden, schat.’
‘Heb jij ook zo genoten van de voorstelling? Wat een mooi stuk was dat, zeg. Vooral het einde. Ik had dat dus niet verwacht. Volgens mij waren die kaartjes wel godganselijk duur. Hoe kwam je aan die kaarten? Heb je die gewoon gekocht? Hoe kom je eigenlijk aan het geld daarvoor?’
Bij het stoplicht sluit Carlo even zijn ogen en wrijft met zijn duim en wijsvinger tussen zijn wenkbrauwen. Hij probeert niet naar haar te luisteren.
‘Hij is groen!’ Jolanda tikt hem tegen zijn schouder. ‘Je moet wel een beetje opletten, gekkie.’
Carlo zwijgt, opent zijn ogen en trekt de auto op.
‘Hoe kwam je nou aan die kaarten?’, vraagt Jolanda opnieuw.
‘Van werk.’
‘Dat is lief van ze, toch? Dat ze dat zomaar even doen. Of was het niet zomaar? Oh, was je misschien werknemer van de maand? Goed van je schat.’ Jolanda pakt Carlo’s hand weer vast.
‘Kan je alsjeblieft ophouden?’ Carlo trekt zijn hand weer terug.
‘Ophouden, met wat? En jezus, Carlo, laat me nou even je hand vasthouden! Wat is dit nou voor een onzin? Het was toch een leuke avond? Verpest het nou niet.’
‘Ik wil gewoon dat jij even je mond houdt. Je ratelt de hele avond maar door.’ Carlo kijkt naar de weg en ziet in zijn ooghoek dat Jolanda hem strak aankijkt.
‘Ratelen? Ik ben enthousiast dat wij eindelijk een keer weer op stap zijn geweest. Dit doen we nooit.’
‘Nee, vind je het logisch?’ Hij kijkt haar aan.
‘Sorry?’, buldert Jolanda. Carlo ziet dat haar ogen rood en vochtig worden.
‘Het is niet alleen vanavond, Jolanda. Je ratelt altijd maar door. Als ik thuis kom van werk, als we gaan eten, als we in bed liggen. Het stopt niet meer.’
‘Waarom neem je me dan nog mee uit?’
‘Ik wilde er nog wat aan doen, maar ik trek dit niet meer. Thuis zijn voelt al niet meer goed.’
‘Is dat de reden dat je bijna niet meer thuis bent?’
‘Eén van de…’
‘Waar ben je dan?’
‘Dat wil ik nu niet bespreken.’ Carlo merkt dat Jolanda’s houding verandert. Niet zozeer verdrietiger, eerder bozer. Woedend.
‘Waar ben je, godverdomme?’
‘Kan dit thuis?’ Carlo ziet verderop het rode stoplicht en remt af. Hij voelt Jolanda’s handen aan de zijkant van zijn hoofd. De handen duwen zijn hoofd met alle kracht tegen het raam aan. Het rode stoplicht is het laatste dat hij ziet.

‘Mevrouw de Jager? Kunt u mij precies vertellen wat er gebeurd is?’ vraagt de politieagente.
‘Noem me maar Jolanda.’ Ze zit in de ambulance, waar het ambulancepersoneel haar wonden hecht. ‘Mijn man reed door rood. Van links zag ik een auto aankomen. Ik heb hem nog geprobeerd te waarschuwen, maar het was te laat. De auto raakte frontaal zijn kant.’
‘Kunt u mij vertellen waarom hij niet oplette? Was hij met zijn mobiel bezig?’ vraagt de agente.
‘Nee, hij dacht dat het oranje was.’


Het juryrapport

Het Schrijversgenootschap zegt het volgende over Het stoplicht van Elize Veldhuisen:

Goed verhaal, want: De hoofdpersonen worden zeer herkenbaar neergezet. Wie kent nou niet zo’n stel waarbij de ene zich stiekem kapot ergert aan het gereutel van de ander? De spanning is voelbaar.
Verbeterpunt: Het is een cliché, maar probeer meer te laten zien dan te omschrijven. Bijvoorbeeld deze zin: ‘Carlo merkte dat Jolanda’s houding verandert. Niet zo zeer verdrietiger, eerder bozer. Woedend.’ Dit moet je niet opschrijven, dit moeten we zelf begrijpen uit het verloop van de dialoog. Bovendien mag het vrouwelijke hoofdpersonage nog meer een ontwikkeling doorgaan, vooral aan het eind van het verhaal, bijvoorbeeld dat ze ineens heel rustig tegen de agente praat.
Mooiste zin: “Bij het stoplicht sluit Carlo even zijn ogen en wrijft met zijn duim en wijsvinger tussen zijn wenkbrauwen.”
Standaard