Gnuiven

Kleine jongens worden niet altijd groot

Ik wil een bad nemen en in bed lezen. Ik wil naar huis, me zo snel mogelijk uitkleden, de hete kraan aanzetten en de badkamer warm laten stomen, en dan van onder water naar Mad Men kijken. Als ik klaar ben, kijk ik in bed verder tot ik in slaap val. Maar ook wil ik met haar mee naar huis en in haar bed liggen, naakt, bovenop haar.

Ze staat tegenover me, leunt tegen de bar, haar naam weet ik niet. Dave zit naast me op een kruk, net als ik. Ze lacht om wat ik zeg en als zij praat, dan knik ik en als het lijkt alsof ik beter mijn hoofd kan schudden, dan schud ik die. Verschil maakt het niet, ze is zonder enige aanleiding onomwonden geïnteresseerd. Ze raakt om de haverklap mijn hand aan en bij elke tik van het topje van haar vinger, wil ik haar meer. Haar huid is zacht en ik heb een stijve, maar die zit ver weg.

Ze bestelt drie bier: voor mij, voor haar en voor Dave, die maar niet weggaat. Omdat ik hem dat heb gevraagd. Het is een afspraak die we al op de middelbare school maakten, toen we in de pauze besloten dat ik zijn wingman werd, en hij die van mij, maar dan één met een heel andere missie.

‘Laat me nooit – nooit – met iemand mee naar huis gaan,’ zei ik.

Daar ging hij niet zomaar mee akkoord. Eerst draaide ik eromheen, toen biechtte ik op, maar hij voelt de ernst van zijn plicht pas sinds ik het hem heb laten zien. ‘Die kun je maar beter op een donkere plek wegstoppen,’ zei hij. Hij bedoelde het als grap, maar het was waar en het deed pijn. Soms verslapt hij in zijn taak, zoals nu, juist op de moeilijkste momenten: bij de heetste meisjes. Zijn ogen schitteren: ‘Godverdomme, haal ‘m eens een keer tevoorschijn!’

Nee.

Eigenlijk hou ik helemaal niet van in bad gaan. Ik word er geconfronteerd met alles waar ik nu voor wegloop. Mijn lul reikt bij lange na niet tot het oppervlak, ook al probeert de opwaartse kracht van het water ’m er wel naartoe te drijven en ik vals speel door mijn lijf omhoog te duwen. Zelfs bij een goede stijve piept de top pas boven het water uit als ik tegelijkertijd het bad leeg laat lopen (ik wil niet in mijn eigen zaad zwemmen).

Ze legt haar hand op mijn bovenbeen, de andere hand op het andere been en haar gezicht komt dicht bij het mijne. Ze ruikt naar drank, zweet en iets zoets – geil. Ze zegt iets over tequila. Ik kijk eerst naar Dave, die zijn ballen blauw knijpt terwijl hij moeite doet niet vermaakt te lijken, terwijl ik liever heb dat hij moeite doet me te helpen, en dan naar de bar, waar net twee shotjes tequila worden klaargemaakt. Ik pak de eerste, giet ‘m naar binnen, fuck Dave, en doe hetzelfde met de tweede, fuck haar.

‘Hé, kermis, vanavond laatste avond, gaan we? Nu.’

Ik heb het tegen Dave, maar het meisje haalt haar schouders op en gaat mee. De kermis, waar alle scooterboys met gewatteerde jassen staan te loeren naar meisjes met korte spijkerrokjes. De plek waar vanuit elk hoekje een verborgen platte mannenstem door een microfoon naar iedere voorbijganger roept, boven de muziek en zijn collega’s uit probeert te komen. De plek waar onzekere jongens eens stoer gevonden worden, vooral door elkaar, en door net zo onzekere meisjes. Wij hebben hier niets te zoeken, of zij in elk geval niet, en daardoor weet ik steeds minder wat ik hier doe. Ik roep dat ik wil schieten – dat is net zoiets als een kale man met een veel te dure auto.

Dave vraagt haar naam, ze heet Lotte. Lotte wil eerst. Ze schiet niet één keer raak, maar dat maakt niet uit, want die billen in dat jurkje.

‘Botsauto’s.’ Ik wijs die kant op. Ze heeft geen zin, maar ze volgt. De botsauto’s, de kutste attractie op elke kermis. Hier hangt de kutjeugd, hier starten de vechtpartijen.

‘Ik moedig jullie van de zijlijn aan,’ zegt Dave. Alhoewel hij geen moeite doet voor mijn zaak, zou hij me nooit laten vallen door naar huis te gaan. Hij staat achter drie snotjochies die tot zijn navel komen en steekt een duim op. Lotte en ik wachten tien minuten in de rij, waarbij ze eerst een beetje om zich heen wijst en lacht om jongens in botsauto’s, maar vlak voordat we aan de beurt zijn klemmen haar vingers zich al rond de rand van m’n broek. Ik verstijf en verslap en verhard. Dave heeft vast medelijden, maar staat nu vooral te kijken alsof hij kilo’s knetterkauwgom in zijn mond heeft gepropt.

De botsauto ram ik zo hard mogelijk tegen alles aan: auto’s en benen en mensen en eten en muren. We schieten naar voren, opzij, Lotte stoot haar hoofd tegen de hoofdsteun. Ze heeft een ongehoord vaste hand die vastberaden richting de knoop van mijn broek en daarna mijn rits gaat. Ik ram tegen de pilaar midden op de baan en het dak schudt ervan. Lotte glijdt met haar hand mijn boxer in en daar voelt ze wat in het rond. Ze omklemt ‘m voor enkele seconden. Mijn hoofd wil janken, maar híj ziet het licht en als het kon zou hij haar toejuichen. Maar ze laat los, gluurt naar binnen, en een zacht gegniffel breekt aan dat langzaam van een gesmoorde lach overgaat in luid geschater.

De auto valt stil, de ronde is voorbij. Ik knoop de broek dicht. De tranen rollen over haar wangen als ze de auto uitklimt en via de popcornkraam verdwijnt tussen de scooterboys en gekleurde flikkerlichten.

Het is een tragedie, maar de last die van mijn schouders valt is groter. Dave en ik lopen naar de hotdogs. Terwijl de worsten draaien in de hittecabine doen we alsof er nooit een Lotte is geweest.

Standaard
Gnuiven

Emmers hebben geen uitlaatklep

Het was een zonnige zaterdagochtend en we liepen over het plein van de supermarkt naar huis. Ze trok een pak melk uit de plastic tas die ik droeg en maakte het open.

Ze vroeg of ik het erg vond – ik zei nee, maar ik haatte het als ze producten die niet bedoeld zijn om op straat te nuttigen onderweg al openmaakte.

Ze hield de verpakking met twee vingers dicht en schudde. Er waren tijden dat ik dit soort taferelen lachend aanvaardde, omdat ik dan zo blij was dat ik met haar over straat ging. Dan lachten we naar elkaar – acceptatie was een groot goed in een relatie, vonden we. Maar je kan alleen die dingen van elkaar accepteren bij gebrek aan andere dingen die je krankzinnig maken.

Ze zette het pak aan haar mond en ik lachte nu weer, maar schudde ook mijn hoofd. Terwijl ik overwoog om gewoon te zeggen wat ik van haar vond, besefte ik dat wat ik deed eigenlijk gnuiven heette.

‘Ik heb daar zo’n hekel aan,’ zei ze.
Ik gnuifde nog wat. Was ze serieus?
‘Wat bedoel je?’
‘Dat besmuikte lachen door je neus. Ik haat het als je dat doet.’

Geluk zit ‘m in de kleine dingen, zeggen quasi-spirituele bloggers geïnspireerd door hun interieur. Maar wat nog veel meer in de kleine dingen zit, is irritatie. Een emmer loopt altijd over van een druppel, nooit door een grote plas water. Dat gebeurt wel, maar zonder dat je het doorhebt. Men spreekt dan van een waterval, of erger: een tsunami. Die spoelen zoveel weg dat compleet wordt vergeten dat er een emmer in de weggevaagde bijkeuken stond.

Ze knoeide een paar spatjes melk op haar shirt, iets wat ik jaren geleden erotiserend had kunnen vinden. Ze hield het pak van zich af, om te kijken wat ze had aangericht. Oepsie, zei ze. Zo irritant.

‘Nu we toch bezig zijn,’ zei ze, ‘ik haat het hoe jij het woord catalogus uitspreekt.’

Soms zijn er momenten dat je jezelf verliest. Soms is wat er op je hart ligt niet te verklaren. Het lucht even op, maar wat er daarna komt is nooit wat je wilde. Je probeert het uit te leggen, maar dat kan niet. Een oergevoel is niet onder woorden te brengen, vrouwen begrijpen dat vaak niet en dat is niet erg. Zo hoort het. Zorgen dat je verder kunt zonder nieuwe wrokstukken te vergaren, is wat ons bestaan zin geeft.

Het zijn de grote dingen die ervoor zorgen dat een relatie acceptabel is. Dus kocht ik zonder dat zij het wist een huis en plande een trip om haar ten huwelijk te vragen. Het was de volgende stap in onze relatie, dacht ik.
Toen we aankwamen op Bali, zei ze:
‘Als je maar niks in je hoofd haalt. Ik haat clichématige huwelijksaanzoeken.’
Ik zette het op een gnuiven, zoals ik nog nooit eerder had gegnuifd.

Standaard
Gnuiven

Vergeten worden

Zoals verwacht raakte ik al vrij snel met mijn zeventien jaar oudere broer verwikkeld in het Spel Der Vergeten Woorden tijdens de autorit naar het verjaardagsfeest van onze verre neef Marcus. Bij de eerste rotonde riep hij dorken, bij de tweede verkeersdrempel kaatste ik zwelten terug en zo verlieten we de bebouwde kom met een gelijke stand.

In het begin probeerde ik onze spaarzame gesprekken nog weleens de filosofische kant op te sturen. Zo was er die keer toen we onderweg waren naar een familieweekend in Ommen en ik tijdens een net begonnen potje opmerkte dat de dingen die je het liefst wil vergeten om jezelf te beschermen, vaak juist de dingen zijn waar je altijd aan blijft denken, en dan ook nog op de raarste momenten en dat het dan misschien een teken is dat je het niet moet willen vergeten. En of hij dat herkende.
Na een korte stilte had mijn zeventien jaar oudere broer geantwoord met drucht, oudhollands voor aandrang.

‘Hoe oud is Marcus eigenlijk geworden?’ vroeg mijn broer na zijn zanderen en tijdens het inhalen van een rode Toyota met een Belgisch kenteken.
‘Zesenvijftig,’ antwoordde ik. ‘Stond op de uitnodiging.’
‘Niet op die van mij, hoor. Geef je al op, broertje?’
‘Nog niet,’ zei ik. ‘Mornen, 6-6.’
Mijn broer haalde een vrachtwagen met een slecht vastgemaakte lading kunststof kozijnen in, wreef over z’n kin en zei daarna gadeling.

Ik denk dat, na spreken in het openbaar en doodgaan, vergeten worden de grootse angst is die wij als mensheid kennen. Een relatie kan bijvoorbeeld uitgaan om diverse redenen, en het doet pijn omdat je diegene mist, maar het grootste verdriet gaat zitten in het besef dat de ander nu zonder jou doorgaat en jij steeds sneller uit beeld verdwijnt omdat je niet meer nodig bent. Je bent bedankt voor bewezen diensten en met een beetje geluk kom je nog eens terecht op een lijstje met inmiddels vergeten, maar niet onbelangrijke gebeurtenissen, zoals de vliegende start van Marco Borsato’s carrière door het op RTL 4 nadoen van de inmiddels al lang vergeten Italiaanse zanger Billy Vera (7 april 1990) en de plotselinge verdwijning van Guus Hiddinks borstelsnor na dertien jaar trouwe dienst (1 december 1998). Is die angst om vergeten te worden zo nadrukkelijk bij ons aanwezig omdat wij mensen kuddedieren zijn? Is ook mijn bestaansrecht afhankelijk van anderen? Dat had ik graag aan mijn zeventien jaar oudere broer willen vragen onderweg naar dat familieweekend in Ommen, en dat zou ik ook hebben gedaan als hij mij niet het oudhollandse woord voor aandrang had geleerd.

Na twee uur rijden zag ik het eerste verkeersbord met daarop de plaatsnaam van onze bestemming. Ruim honderdnegentig kilometer afgelegd en Het Spel Der Vergeten Woorden was nog altijd in volle gang, al had ik uit pure armoede wel een woord gespeeld dat reeds in een potje eerder deze maand was voorbijgekomen. Dat was tegen alle regels in, maar mijn broer had er niks van gezegd.

Toch vermoed ik dat het geheugen van mijn broer net zo’n krachtige machine is als die van mij. Vrijwel alles wordt weggeschreven, vaak tot in de kleinste details, en die terabytes aan interne data kunnen razendsnel en op de meest onbenullige momenten worden geraadpleegd. Zoiets moet erfelijk zijn, het is wie wij zijn, deze superkracht is ons familiewapen.

Bij een stand van 53–52 parkeerde mijn broer de auto voor de woning van onze verre neef Marcus. Ik stapte uit, nam een flinke teug frisse lucht en zei gnuiven.
‘En we hebben een winnaar,’ antwoordde mijn broer en met een triomfantelijke druk op de kleine afstandsbediening gooide hij de autodeuren in het slot. ‘Het spijt me broertje, maar gnuiven wordt nog steeds gebruikt. Het is dus zeker weten geen vergeten woord.’
We liepen richting de voordeur en door het grote voorraam zag ik onze familie al in de kring zitten. Koffie ging rond, slingers hingen aan het plafond.
‘Je hebt gelijk,’ zei ik. ‘Ik denk dat ik soms te snel wil vergeten. Dat is nooit goed.’
‘Zal wel,’ antwoordde mijn zeventien jaar oudere broer, ‘maar de verliezer trakteert op de terugweg bij de McDonalds. Zo is het spel, zo zijn de regels.’

* De genoemde vergeten woorden via http://taaldacht.nl/vergeten-woorden/

Standaard
Gnuiven

De aanslag

De hormonen gonsden zo hard door het lokaal dat ze bijna hoorbaar waren. Ruiken kon meneer Wildeman ze niet, aangezien ieder puberaal lichaamsluchtje in de klas verhuld werd door een artificiële damp van parfum en bubblegum.

‘We kunnen de dobbelsteen die in De Aanslag voorkomt dus zien als een motief’ zei hij. ‘Je weet bij een dobbelsteen nooit hoeveel ogen je zal gooien. Daarom staat deze voor toeval, voor het lot dat je niet in eigen handen hebt.’
Achterin de klas werd er gegiecheld, voorin scheurde iemand een bladzijde uit Mulisch’ boek.
Tygo, een van de kinderen die zoveel gel gebruikte dat zijn haar wel een helm leek, zei: ‘Ik vind dat een beetje vergezocht, meneer.’

Meneer Wildeman werkte vierentwintig jaar op het Fons Vitae Lyceum. Veel dingen in zijn leven leken gegroeid sinds zijn begintijd: zijn oren, zijn huis, de lijst met boeken die hij gelezen had. Gekrompen waren echter zijn vriendenkring, de rondjes die hij rende in het park en het aantal keer dat hij lachte op een dag. Binnenkort zou hij echter weer genoeg tijd hebben voor al die dingen.

‘Waarom vind je het vergezocht?’ vroeg meneer Wildeman. Hij zuchtte nog net niet.
Tygo wilde antwoord geven maar werd aan zijn haar getrokken door Tara, het meisje achter hem.
‘Ga niet slim doen!’ zei ze. ‘Je hebt het boek niet eens gelezen.’
‘We hebben met zijn allen de film gekeken, meneer’, riep Rutger achterin. ‘Denkt u dat we nu het proefwerk kunnen halen?’
Gelach, ‘Ssssj’-geroep.

Meneer Wildeman had nog nooit een klas gehad die echt geïnteresseerd was in literatuur. De kinderen werden teveel afgeleid door hun eigen leven, dat met het groeien van hun slungelige lichamen langzaam vorm begon te krijgen, zodat ze zich nauwelijks konden concentreren op de levens personages. Meneer Wildeman had nog twee weken om één van hen te inspireren; dan zou hij met pensioen gaan.

‘Ik vind het mooi bedacht van Mulisch, hoor’, zei Pieter, de jongen die net een bladzijde uit zijn boek gescheurd had.
Die Pieter was een twijfelgeval. Hij praatte vaak door meneer Wildeman heen maar kwam wel met verrassende analyses op zijn proefwerken.
‘Ik ga deze boven mijn bed hangen’, zei Pieter terwijl hij de losse bladzijde hoog in de lucht hield. Met luide stem las hij voor: ‘Zijn schoenen sloffen en het is of zij wolkjes as opwerpen, ofschoon nergens as te zien is.’ Iedereen lachte.

Toen hij zelf nog jong was had meneer Wildeman geen docent nodig om hem tot lezen aan te zetten. Wanneer hij aan vroeger dacht, dacht hij vooral aan de woorden van Nabokov, Multatuli en Flaubert. De gedachten aan hun boeken overschaduwden meneer Wildemans andere herinneringen: die aan hoesten in een rokerig portiek, aan kauwgom-jatten bij het tankstation, en zelfs die aan de langverwachte bh op de vloer van zijn slaapkamer. Dat meneer Wildeman zijn liefde voor literatuur maar niet kon overbrengen op zijn leerlingen maakte dat hij soms met samengebalde vuisten voor de klas stond.

‘Dat is fijn, Pieter’, zei meneer Wildeman.’Wat vind je precies mooi aan De Aanslag?’
‘Even denken, meneer’, zei Pieter terwijl hij frutselde met zijn blaadje.
Hier en daar werd er gegrinnikt, maar meneer Wildeman lette er niet op. Waren zijn lessen toch niet voor niets geweest? Hij begreep het gelach van de andere kinderen pas toen hij Pieters hand omhoog zag gaan, en hij riep nog: ‘Hé! Stop daarmee!’, maar het was al te laat. De bladzijde van De Aanslag stortte in de vorm van een vliegtuigje aan meneer Wildemans voeten neer.

Standaard
Gnuiven

Een pannetje warm eten

Het is tien minuten voor aanvang van de première en ik blader zenuwachtig door mijn script. De ogen van de regisseur lijken vuur te spuwen; hij is dit niet van me gewend en ik zelf ook niet. Dit is geen gezonde spanning meer, dit is misselijkmakend. Ik ben bang dat ik moet overgeven, maar ik kan nu niet meer naar het toilet. Ik kijk naar het pannetje in mijn handen en moet me inhouden niet in hysterisch lachen uit te barsten.

Dora en Fanny betreden het podium en ik pies bijna in mijn broek van de zenuwen. Over drie scènes moet ik op en ik lees in de coulissen mijn tekst nog eens door. Een tikje op mijn schouder. ‘Pierre Bokma zit in de zaal,’ fluistert de regisseur in mijn oor en hij drentelt opgewonden weg. Mijn maag draait zich om en een zure golf komt omhoog. Ik probeer het weg te slikken maar het lukt niet. Stilletjes til ik het deksel van het de pan en ik spuug het zure gal en de smerige brokjes uit. De tranen veeg ik uit mijn ogen met het zwarte gordijn naast me. Kut.

Ik moet op. Toch? Ja. Ik moet op, maar mijn voeten werken niet mee. Oh hemel, als ik zelfs al moet nadenken dat ik mijn ene voet voor de ander moet zetten ga ik mijn tekst natuurlijk zeker vergeten. Ik sta op het podium, ik heb gelopen zonder er bij na te denken. Dat is goed.
De lampen zijn veel te heet en veel te fel. Ik kan het publiek niet zien, maar zij mij wel. Shit. Niet aan denken. Ik hoor Fanny aan me vragen of ze misschien een hapje mag uit het pannetje dat ik bij me heb. ‘Nee’, zeg ik. ‘Ik moet dit pannetje met warm eten naar mijn man brengen. Mijn man is aan het werk op het land en hij heeft honger. Als ik zijn eten niet op tijd naar hem toe breng, wordt hij boos.’ Mijn tegenspeler klaagt dat ze maar één hapje wil, eentje maar, omdat ze zo’n honger heeft.

Ze steekt haar handen uit en grijpt het pannetje vast. Op het podium worstelen we. Dit hebben we geoefend. Drie keer haar kant op bewegen, drie keer mijn kant op. En dan loslaten, maar niet te hard, want dan valt ze. Ik weet al dat zij gaat winnen, want dat staat in het script. ‘Wel stévig vasthouden Jet!’, had de regisseur tijdens de repetities keer op keer geroepen. ‘Het moet er écht uit zien!’ Ik zet me schrap, houd het pannetje stevig vast, trek Fanny mijn kant op, laat me door haar naar zich toe trekken, trek haar weer mijn kant op. Ik zet nog iets meer kracht, de woorden dat het echt moet lijken schallen door mijn hoofd. Een wind ontsnapt me. Hij knettert door de zaal.
Van schrik laat ik het pannetje los. Veel te hard en Fanny valt, mijn half verteerde avondeten gutst over haar heen. In het publiek wordt gegnuifd.
Ik ga af.

Standaard
Gnuiven

Gnuiven is eigenlijk best zeldzaam

Licht. Ademhalen. Gevoel. Dan het besef: iemand heeft mij wakker gegnuifd. Eerst zie ik alleen het dak van mijn hemelbed – vaag en bewogen. M’n ogen hebben moeite om scherp te stellen. Dan verschijnt er een hoofd boven me en zie ik een man met diepe rimpels en vieze baard. Hij lacht naar me en ik ben direct klaarwakker. Via m’n ellebogen beweeg ik mezelf omhoog, ga zitten en bekijk de man van top tot teen. Ranzig baardje, lompen, blote voeten. Heb ik dat weer.

‘Hoe lang heb ik geslapen?’, vraag ik.
‘Dat hangt er vanaf, wanneer ben je gaan slapen?’
‘Half drie ‘s middags op 1 februari 2015.’
‘Poeh. In dat geval toch zo’n vierendertig jaar.’
‘Oh.’

Ik laat me weer onderuit zakken. Mijn GSS, Gnuif-Slaapstoornis, heeft me eindelijk echt te pakken gekregen. Ik weet nog wat ik als laatste zag voordat ik gnuifde, een kat die helemaal opgevouwen zat in een lege vissenkom. Het was grappig, maar niet hilarisch. Daarmee tekende ik mijn eigen vonnis. Ik had Youtube nooit moeten openen. Ik duw mezelf weer omhoog.
‘Bestaat Youtube nog?’ vraag ik.
‘Youtube?’
‘Laat maar. Jij bent de eerste die in mijn buurt gnuifde in vierendertig jaar,’ vertel ik de zwerver. ‘Waar gnuifde je om, als ik vragen mag?’
‘Ik ben ook de eerste die je beroofd heeft in vierendertig jaar.’
Ik voel opeens de leegte in m’n broekzak.
‘Verdraaid’, zeg ik.
‘Lastig,’ zegt hij.
‘Nou,’ zeg ik.
Even blijven we allebei stil.
‘Als ik nu weer gnuif, wat gebeurt er dan eigenlijk?’
‘Niks,’ lieg ik.
De zwerver gaat staan en loopt naar een door spinrag verborgen raam. Hij veegt de draden plompverloren weg en staart naar buiten. Na een halve minuut draait hij zich weer om, mompelt ‘niks grappigs te zien’ en loopt naar de andere kant van de kamer en doet daar hetzelfde. Opeens zie ik z’n ogen groter worden, z’n buik een beetje omhoog komen en z’n schouders naar voren bewegen, gevolgd door een gnuif. Ik voel mezelf naar achteren vallen. M’n ademhaling stokt en m’n oogleden zijn te zwaar. In de verte hoor ik nog “een vrouw aan het inparkeren”, gevolgd door niets.

Licht. Ademhalen. Gevoel. Dan het besef: iemand heeft mij wakker gegnuifd. Direct hoor ik nog een gnuif. Klaarwakker ben ik, en ik schiet omhoog. Ik zie de oude man met de baard weer voor me.
‘Hoe lang heb ik geslapen?’ vraag ik hem.
‘Een uurtje of drie, denk ik.’
‘Oh, dat valt mee.’
‘Ja, ik wou je je portemonnee even teruggeven. Ik heb een hamburger gekocht van het geld dat erin zat, maar ik heb er verder weinig aan. Hier.’
Hij gooit de portemonnee tegen m’n borst aan.
‘Thanks,’ zeg ik dankbaar.
‘Geen probleem. Red jij je hier verder zo?’
‘Ja, zolang je niet nog eens gnuift kom ik er wel uit.’
‘Zal ik niet doen. Later.’
‘Later.’

De man loopt de trap af in de verre hoek van de kamer. Ik open m’n portemonnee en zie in plaats van m’n creditcard een lidmaatschapspasje van de Hunkemöller. Ik gnuif.

Standaard