Op muziek

De ochtend van de draak

Zij speelt dat ze een prinses is. En haar broer ‘was’ de draak. “Papa, wil jij de ridder spelen? Jij hebt al ooit ridder gespeeld in dat toneelstuk, dus jij kan al zwaardvechten!” Mijn ‘sorry lieverd, papa heeft last van zijn rug’ doet haar even kijken als een oorwurm, maar het spel is nu belangrijker.

Ik zit op de bank en kijk naar mijn kinderen. Wat gaat het snel. Met hem zat ik twee uur in de verloskamer nadat hij geboren was, omdat moeder nog naar de operatiekamer moest. Met dat klein hoopje pruttelend mens in mijn armen, besloot ik dat ik er altijd voor hem zou zijn.
Nu speelt hij het fantasiespel alleen omdat zijn zusje het wil. Met een schuin oog kijkt hij naar mijn laptop, waar een ander spel wacht. Hyperfocus aan en weg wereld. Weg gevaarlijke draken en mooie prinsessen. Weg zusje. Ook al roept ze nu dat hij haar niet kan verslaan omdat zij ineens toverkracht heeft, ze is zijn aandacht kwijt; hij neemt het voor lief. Zijn ogen dralen naar mijn computer, daar wachten de grote, groene draken die hij zelf online gecreëerd heeft. Online draken die je zelf gecreëerd hebt zijn ook altijd beter dan de draken in je hoofd.
Ik lach schamper om die gedachte. Hij moest eens weten. Ooit zal hij leren dat de wereld elke ochtend ontwaakt zonder online draken. Maar wel met hele andere draken, die je op een veel fantasielozere manier moet bevechten. Speel jongen. Kies om nu nog te spelen. Met je zusje. Vertrouw me maar.

Haar geboorte was snel, bijna te snel voor mijn fototoestel. Ze doet eigenlijk alles snel. Als uk lopen en praten. Later fietsen en zingen. De dingen met haar iPad, op school, toneelspelen, vriendinnen maken. Ze aard erg naar haar vaartje. Er zal een tijd komen dat ze dingen te snel zal gaan doen naar mijn zin. Die tijd mag voorlopig nog wegblijven. Als ik haar nu ’s ochtends wakker maak voor school, heeft ze steevast hetzelfde ritueel. Ze draait zich als door een bij gestoken om, spert haar ogen open, ziet mij en zegt: ‘Papa!’ En dan knuffelt ze me. Haar hele gezicht verraadt dat ze net een mooie droom had, maar mij liever ziet. Haar fantasie neemt haar naar plaatsen waar zelfs haar vader nooit geweest is. Ontwaak nooit helemaal uit je fantasie meisje. Zweef zolang je kan. Vertrouw me.

Ik pak de afstandsbediening van de bank en spring op. “Waar is die draak!” Stralende glimlachjes breken door op de van schrik vertrokken gezichtjes. Ik duik naar voor en prik met de afstandsbediening in zijn buik. “Daar!” roep ik, zijn ogen beginnen te glinsteren en ik zie dat de online draken wel even kunnen wachten. Hij valt neer met een stervenskreet. Zijn zusje vliegt om mijn nek: “Kijk! Zie je nou dat ik kan toveren! Ik heb de rug van de ridder beter gemaakt!”


Bij het thema ‘op muziek’ moet het verhaal enigszins betrekking hebben op een liedje. Bij dit verhaal is dat ‘Dawn‘ van Navarone:


Standaard
Op muziek

Ochtendgymnastiek

Ze zei dat als ze al ergens fan van was, het Carlo & Irene waren. Het ontlokte de wat oudere man naast haar aan de bar zijn eerste ontboezeming van de avond. Zijn gehele puberteit had hij namelijk op Irene Moors gegeild en eigenlijk was dat nooit helemaal overgegaan. Terwijl hij zijn legging rechttrok en erover nadacht of hij wellicht nog steeds een puber was, sprak zij haar verbazing uit over het feit dat hij heteroseksueel bleek.

Hetero, homo, wat maakt het uit. Als hij een zwarte legging met spikkeltjes wilde dragen, dan deed hij dat. Bovendien, was Irene Moors dan zo overtuigend vrouw? Hij zette daar zijn vraagtekens bij, waardoor zijn gesprekspartner zich realiseerde dat dit zo’n moment was waarop je begon te twijfelen of iemand vreemd-interessant was of vreemd-knettergestoord.

Het was geen gekke vraag geweest of ze fan was van Gustav Klimt, er hing immers een grote replica aan de muur van het café waar zij altijd witte wijn dronk en hij zich eenmalig kwam vervelen. Misschien dat ze daarom besloot het gesprek met hem te vervolgen. Hij wisselde hele normale vragen af met hele vreemde antwoorden, wat een intrigerende werking op haar had. Ze genoot van zijn onvoorspelbaarheid en besloot naar een diepere connectie met hem te snakken.

Op hem kon een dergelijk denkproces geen vat krijgen, al was het maar omdat hij met een verse dosis groot liefdesleed de avond had aangevangen en enkel verzachtende poëzie als pril voornemen had. Als niet zij, dan wel iets anders.

Ze vroeg hem naar zijn dromen nadat hij haar dezelfde vraag had gesteld en hij staarde lang naar haar boezem alvorens hij antwoord gaf.

‘In dromen hopen we hetzelfde,’ zei hij. ‘Dat die droom oneindig door mag gaan, als een door handen begeleide zeepbel die maar niet stuk kan gaan en we kreten van verbazing slaken terwijl we zoeken naar manieren om de bel met onze handen te kunnen blijven vergezellen – sturen, terwijl we keukentrapjes en emmers aanslepen om de stijging bij te kunnen benen.’

Ze was sceptisch doch onder de indruk, met haar elleboog op de bar en een hand onder haar kin. Ze vroeg of hij ook altijd meedeed met de Telekids ochtendgymnastiek; een programmaonderdeel dat probeerde kinderen voor de tv aan het bewegen te krijgen, op de muziek van Gina G’s Ooh Aah, Just a Little Bit. Hij ging er niet op in, maar zei:

‘Weet je dat ik Irene Moors ooit een briefje heb geschreven? In de periode dat ze niet zo lekker ging. Er stond:

Dank je wel, voor dat je bent wie je bent.
Denk je wel, voordat je bent wie je bent?’

Hij vertelde met trots noch schaamte dat het zijn allereerste gedicht was en dat hij elf was geweest.

‘Je bent moeilijk te peilen. Onnavolgbaar bijna,’ zei ze op een wijze die complimenteus bedoeld was, maar niet in die hoedanigheid werd ontvangen.
‘Hou op met proberen, dan gaat het beter,’ was zijn verweer. ‘Nu ga ik even naar de wc.’

Toen hij terug was stelde ze voor om samen te gaan dromen en misschien wat te ochtendgymnastieken, maar hij liet geld achter op de bar en stak zijn hand pas op toen ze tegen zijn rug aan riep waar hij heen ging.


Bij het thema ‘op muziek’ moet het verhaal enigszins betrekking hebben op een liedje. Bij dit verhaal is dat ‘Ochtendgymnastiek’ van Telekids:

Standaard
Op muziek

De fabuleuze bestemming van Nino Quincampoix

Toen hij na vier jaar terugkwam in Amsterdam verbaasde het Nino hoe licht de stad was. Hij was vertrokken op een novembermiddag en hij zag de stad altijd voor zich zoals ze toen was geweest, met de gladde stenen van bruggen boven reflectieloze grachten, de kille hoge panden, de donkere wolken boven het Centraal Station die het gebouw de aanblik gaven van een duister sprookjeskasteel. Maar scherper nog dan dit alles zag hij altijd het spoor van meisjestranen voor zich dat zijn trein de hele rit had achtervolgd.

Met de zomerzon in zijn rug ging Nino na die vier jaar zijn nieuwe Amsterdamse huis binnen. Het rook er nog naar verf en de geur van zijn aftandse appartementje in Parijs was onmiddellijk vergeten. Er lag iets op de mat. Het leek een soort briefje van glanzend, dik papier, en hij pakte het op. Laten we wat drinken stond er in zwarte inkt. Hij draaide het om, op zoek naar een afzender, maar in plaats daarvan zag hij een foto. Het was een afbeelding van een molen, de molen bij Brouwerij het IJ als hij zich niet vergiste. Hij keek op, de helderwitte gang in, en probeerde voorzichtig in te schatten hoe groot de kans was dat er op dat moment een roodharig meisje op hem zat te wachten met het schuim van een amberkleurig biertje op haar prachtige, iets te grote bovenlip.

Toen hij Amelia een paar weken daarvoor had laten weten dat hij terug zou komen naar Amsterdam had ze teruggestuurd: ‘Ik weet niet of ik je wil zien’.
Hij had geantwoord: ‘Ik weet ook niet of ik jou wil zien’.
Er was liefde, maar die lag nog verscholen onder een harde korst van geschreeuw en tranen via een trage telefoonverbinding, die zich de laatste jaren had gevormd.

Ze was er nog niet. Nino bestelde een biertje en ging op het terras zitten met uitzicht op de wieken van de molen, die telkens voorbij draaiden als de versnelde wijzers van een klok.
‘Kom op, Amelia’ fluisterde hij voor zich uit. De gedachte dat ze niet zou komen wikkelde zich als een strak koord om zijn keel.
‘Deze is al betaald, meneer’, zei de ober toen hij een goudgeel glas voor hem neerzette. Nino hoorde het nauwelijks en nam een slok om het drukkende gevoel op zijn keel weg te spoelen. Toen pas zag hij de foto die opgekruld tegen de binnenkant van het glas zat.

Op het moment dat ze elkaar vier jaar geleden op het station hadden omhelsd, had ze hem beloofd: ‘Ik blijf je trouw’. Naïeve geliefden maken elkaar al duizenden jaren dezelfde dingen wijs, en ze leren nooit van elkaar. Amelia beminde vele mannen in haar zo geliefde stad. Iedere keer dat Nino haar uitkijkend op de rood bedekte Franse daken voor leugenaarster uitmaakte, was het enige dat ze antwoordde: “Jíj bent weggegaan.”

Nino was weer op de fiets gesprongen; hij rinkelde luid naar een man die midden op de weg reed en negeerde een rood stoplicht. Op de foto in het bierglas stond een fontein afgebeeld, samen met een hotdog-kraam en wat bomen. Laten we wandelen, stond erop de achterkant. Tijdens hun eerste afspraakje, jaren geleden, hadden hij en Amelia door het Vondelpark geslenterd. Het was zijn idee geweest zodat ze met elkaar konden praten zonder dat ze elkaar hoefden aan te kijken, en zodat ze de ongemakkelijke stiltes op konden vullen met commentaar op zwemmende peuters en rolschaatsers. Hij was er al bijna.

Bij de hotdog-kraam hoefde hij niet lang te zoeken naar weer een volgende foto. Deze was tegen een boom geprikt en er stond een wit bruggetje op afgebeeld; hij zag meteen dat het de Magere Brug was. Op de achterkant waren de woorden geschreven: Laten we zoenen. Tijdens hun relatie was Nino degene geweest die Amelia lieve briefjes schreef. Hij stapte weer op zijn fiets.

Nino was nu bijna alle plekken langsgegaan: die van hun eerste ontmoeting, hun eerste verliefdheid, hun eerste zoen. Het verbaasde hem hoe goed hij de weg nog kende in een stad die al zo lang niet de zijne was geweest. Amsterdam leek wel een kloppend hart met een oneindige stroom fietsers, trams en taxi’s die met veel kabaal door haar aderen werden gepompt. De zon scheen op de Amstel, verblindde hem bijna. Nino stak de brug bij het Waterlooplein over en toen zag hij haar. Amelia stond tegen de leuning van de Magere Brug geleund. Van deze afstand zag ze er nauwelijks anders uit dan de andere mensen, maar het was haar echt.

Met zijn fiets aan zijn hand liep hij naar haar toe. Hij begreep niet hoe ze zo weinig veranderd kon zijn in al die tijd: ze was nog even mager en haar dieprode haar was nog even lang.
‘Ik heb je gevonden’, zei hij, en stopte.
Amelia gaf hem een nieuwe foto. ‘Misschien kunnen we samen verder zoeken’, zei ze. Toen kwam ze nog dichterbij, pakte hem vast en zoende hem. Zijn fiets viel op de grond, de bel rinkelend tegen het asfalt. Misschien was het de verrassing, of de ontlading, of de opluchting die vrijkwam tijdens die zoen, maar toen haar lippen de zijne raakte stroomden de tranen over zijn wangen.
Toen liet ze hem los en zei: ‘Bekijk de foto maar’.
Met tegenzin wendde Nino zijn ogen af van haar lippen, die nog roder waren dan voor hun zoen, en hij zag dat de foto enkel bestond uit overbelichte cirkels en een paar kleurige vlekken. Vragend keek hij op, maar ze zei niets. Uiteindelijk draaide hij het papier om en las hardop: ‘Laten we opnieuw beginnen’.


Bij het thema ‘op muziek’ moet het verhaal enigszins betrekking hebben op een liedje. Bij dit verhaal is dat ‘Die fabelhafte Welt der Amélie:

Standaard
Op muziek

Geen biecht

De schommel slingert na. De blonde krulletjes van het meisje dat er op zat, dansten om haar gezichtje. Met haar beentjes vooruit gestoken maakte ze meer vaart. Hoog de lucht in. Ze pruilde toen haar vader zei dat ze naar huis gingen, mama wachtte met thee en koekjes.

Ik ben jaloers. Jaloers omdat schommelen voor haar op dat moment het enige belangrijke was. Belangrijker dan thee en koekjes. Toen ik ongeveer net zo oud was als zij schommelde ik niet en zeker niet op zondag. Mijn jurkje zou eens vies worden. Na de kerk liepen we met het gezin naar huis om thee te drinken. Mijn vader sliep in de grote stoel en wij waren stil. Jarenlang, elke zondag. Tot ik Menno ontmoette en steeds minder naar de kerk ging en op zondag mijn roes uit sliep. En ik me in plaats van beter juist slechter ging voelen en op pad moest om weer in die roes te belanden.

Eén keer ben ik nog gaan biechten. Maar het was niet oprecht; ik voelde me schuldig en ging nooit meer terug. Onder invloed biechten is het slechtste dat je kunt doen. Ik verstootte God en Hij verstootte mij. Ik was eerder, ik ben begonnen en ik heb hem nog niet teruggevonden. Ik wil het graag goed maken, maar ik weet niet hoe. Ik weet dat ik de eerste stap moet zetten, misschien door weer contact te zoeken met mijn ouders, maar ik weet niet eens zeker of ze nog leven. De kans dat ze dood zijn is aanwezig. Ze zijn oud, veel ouder dan ik ooit zal worden als ik zo doorga.

In mijn ooghoek zie ik een jong stelletje aan komen lopen. Zij lacht, hij slaat zijn arm om haar heen en trekt haar tegen zich aan. De schommel hangt stil en zij gaat er op zitten. Haar voorganster zit vast al aan een koekje te knabbelen in een warm huis, bij ouders die van haar houden. Een papa en mama die met haar gaan schommelen en daarna thee en koekjes voor haar neus zetten. Misschien kijken ze samen een film straks. En als ze dan naar bed gaat wordt er een verhaaltje aan haar voorgelezen. Uit Kikker en Pad ofzo.

Ik hoor het stelletje bij de schommel lachen, haar ogen glinsteren als ze haar vriendje aankijkt. Terwijl zij een plastic tasje tussen haar voeten zet, rolt hij een joint. Niet de joint, maar het tasje trekt mijn aandacht. Boekhandel Derijks, is de naam van de winkel. Boeken. Het boek. Ik moet het boek kopen. Dat is stap één.

Ik sta op en begin mensen aan te spreken. ‘Heeft u wat voor me?’, vraag ik terwijl ik mijn liefste glimlach op mijn gezicht plak. Ze zijn gul vandaag. Aan het eind van de dag is een roes dichtbij, ik heb geld genoeg nu. Voor morgen ook nog wel.
Maar ik loop de stad in, richting boekhandel Derijks. ‘Gesloten’, vertelt het bordje aan de deur.
Het is zondag.


Bij het thema ‘op muziek’ moet het verhaal enigszins betrekking hebben op een liedje. Bij dit verhaal is dat ‘Sinnerman‘ van Nina Simone:

Standaard
Op muziek

Ik laat haar nog niet gaan

Ze drukt zich in m’n armen en wiebelt heen en weer tot ze het gevoel heeft dat ze is verdwenen. Zachtjes trek ik haar nog ietsje steviger tegen me aan, ook voor mezelf. Ik focus op het geluid van haar lange haren die tegen mijn baard aan schuren en probeer een of andere laatste oproep naar een verre bestemming weg te drukken. Haar vliegtuig gaat pas om zeven over twee en het is maar negen minuten lopen naar haar gate, dus we kunnen nog wel even blijven staan.

Zes maanden gaat ze. Zes. Ze moest en zou een tijd naar het buitenland. Liefst Nieuw-Zeeland, maar sinds ik er ben is ze ietsje kleiner gaan denken en is ergens binnen Europa ook goed genoeg. Groot gelijk heeft ze natuurlijk. Iedereen die ik ken die een tijd in het buitenland heeft gewoond is er beter van geworden. Daarom is het ook niks voor mij. Stel je voor dat ik een beter mens word.

Ik kus haar kruin.

Uiteindelijk is de keuze op Frankrijk gevallen. Ze spreekt de taal graag, en over zes maanden droomt ze er waarschijnlijk in. Een gastgezin zal haar om half vier op Charles de Gaulle opvangen en van een slaapplek voorzien van negentien vierkante meter, inclusief inloopkast. Ik hoop dat er geen leuke jongens in dat gastgezin wonen en dat heb ik haar ook gezegd. Dat moet ik niet. Ik ben niet jaloers, zei ik, maar er moeten geen jongens bij jou in de buurt komen, zo zei ik. Ze begreep het wel. Ze knikte, en ze knipperde een paar keer snel.

Twee Spanjaarden met rolkoffertjes sprinten langs ons heen. Ze wil loslaten, maar ik laat haar nog niet gaan. Zover ben ik nog niet. Nog niet.

Die minor Ondernemerschap die ze gaat volgen kan je ook prima hier in Nederland volgen. In ieder geval in Amsterdam, Utrecht en Groningen, heb ik opgezocht. Maar daar ging het niet om, zei ze. Het ging om het avontuur, wat dat dan ook mag betekenen. Het ging erom dat ze de vrijheid kreeg en zichzelf kon ontdekken. Maar toen ik zei dat ze dat toch allang wist, toen bleef ze stil en ze knikte en ze knipperde en ze keek weg.

Ze voelt een druppel op haar voorhoofd vallen en kijkt omhoog.

Ik vraag of ze niet gaat.

Ik moet gaan, zegt ze.

Je moet niks, zeg ik, ondanks dat ik weet dat ze nu moet rennen om op tijd bij de gate te zijn.

Ze knikt en begint zich langzaam los te trekken uit mijn omhelzing. Ik ben verkrampt en sterk, maar haar wilskracht is groter. Na een halve minuut sleuren staat ze voor me. Mijn armen hangen slap langs m’n lichaam. Ik zie een meisje met een plan. En dan zie ik alle mooie dingen die we samen hebben meegemaakt. De eerste zoen in een boilerhok. Die keer dat ik zei dat ik van haar hield en dat zij me bewust even liet wachten en het een paar seconden te laat terugzei. En al die keren dat ik haar heb laten lachen.

Ze zet een stap naar achteren en breekt de beelden. Ze zet nog een stap en breekt mij. Ze zegt doei, ik hou van je, en draait zich om. Ik zeg niets terug. Ik staar haar na en slurp iedere seconde beeld naar binnen. Als een milkshake waarvan het einde is bereikt.


Bij het thema ‘op muziek’ moet het verhaal enigszins betrekking hebben op een liedje. Bij dit verhaal is dat ‘Sorrow‘ van The National:

Standaard
Op muziek

Onderweg in oppervlakkigheid

Hij zat in tram 1 en in z’n handen een boek met een selectie uit de korte verhalen van Remco Campert. Hij las snel aangezien de samensteller van dienst zijn werk meer dan voortreffelijk had gedaan.

“Koningsplein, flower market” en de deuren schoven open. Met een zucht waar een slepend liefdesdrama met hartverscheurende details in verborgen zou kunnen zitten, nam een jongedame plaats naast hem. Gezien vanuit z’n ooghoek zou zij het kunnen zijn, ook zij had immers lang blond haar, maar omdat de parfumwolk nieuw voor hem was en zij nooit meer naast hem zou zitten, sloeg hij niet eens aan het twijfelen. “Nederland was een drabbig land vol drabbige mensen, die er drabbige ideeën op nahielden over drabbige onderwerpen,” las hij daarom onderaan pagina 98.

Bij het Leidseplein (“entertainment area”) keek hij weer op van zijn boek. Noodgedwongen, want zoals altijd stapten bij deze halte de meeste mensen uit en ze brachten hem uit de concentratie die vereist was voor goed geschreven verhalen. De tram liep leeg, maar Blond Parfummeisje bleef zitten. Het stemde hem tevreden, alsof het zijn verdienste was. Tegelijkertijd erkende hij echter de dwaasheid van die gedachte. Alsof hij iemand bij zich kon houden, hoe hij ook z’n best deed. Hij had vaak op z’n tong gebeten, had nooit teveel gezegd, probeerde de sterkste te zijn, hanteerde geregeld de fluwelen handschoen en dat alles voor zo lang.
De deuren sloten en de tram trok weer op. In het midden van pagina 102 las hij: “Het was niet veel, waarop hun vriendschap berustte, een handvol herinneringen aan het laatste jaar van hun schooltijd, toen ze elkaar waren gaan waarderen en de een zich geen dag meer zonder de ander kon voorstellen.”

Halverwege de Overtoom zag hij vanuit z’n ooghoek dat Blond Parfummeisje iets uit haar tas viste. Een magazine, maar wat voor een? Hij moest het weten. Met een subtiele hoofdbeweging die iets weghad van een uitrekking na te lang in een bepaalde positie te hebben gezeten, keek hij enkele seconden naar rechts en ontdekte dat het een glimmend tijdschrift was, zo’n eentje die je wettelijk verplicht bent een glossy te noemen. Of het de Marie Claire, Beau Monde of voor zijn part het Amerikaanse Vanity Fair was, had hij helaas niet zo snel kunnen zien, maar dat nam niet weg dat deze nieuwe informatie voelde als een welgemeende schop in de maag. Lezen is goed, heel goed zelfs, maar glossy’s zijn vreselijk in al hun oppervlakkigheid. Het was een van de weinige dingen waar hij zich echt over kon opwinden en hij had er zelfs eens een vlijmscherp artikel over geschreven voor op zijn karig gelezen weblog. Een totaal onnodig stuk noemde zij het en “typisch weer iets voor jou om je druk over te maken”.

Bij Station Lelylaan (“overstappen op stads- streekvervoer en trein”) checkte Blond Parfummeisje uit en speelde hij de aandachtige lezer. De deuren sloten, haar geur nog om hem heen. Zonder schijnbewegingen keek hij naar rechts en samen met de achteloos vergeten glossy zat hij deze doordeweekse avond verlaten te zijn in tram 1. Net na halte Meer & Vaart las hij bovenaan pagina 5: “Superleuk nieuws, girls: aardbeienijs roze, aquamarijn, custard geel en lucite groen zijn dé kleuren van deze zomer.”


Bij het thema ‘op muziek’ moet het verhaal enigszins betrekking hebben op een liedje. Bij dit verhaal is dat ‘Riding To Vanity Fair‘ van Paul McCartney:

Standaard