Dezelfde beginzin

Zorgen

‘Ze zeggen dat mannen met baarden gelukkiger zijn.’
Wie?’ roept hij, terwijl hij de ijzeren stang vastgrijpt om zijn hoofd voorbij de deur te steken.

‘Ja, gewoon, de NRC. Wacht even.’ Ze zoekt niet op wie het heeft gezegd.
Het is er allemaal niet makkelijker op geworden. Alles is anders. Het huis, bijvoorbeeld. Haar werktijden. Zwijgen over seks. Wat is er niet veranderd?
‘Misschien moet ik je maar niet meer scheren,’ zegt ze. Hij reageert met twee vlakke handen tegen de muur en valt.
‘Heb je hulp nodig?’
‘Ja,’ liegt hij. Kutwijf, denkt hij en hoort haar zuchten. Haar voetstappen dreunen door in zijn hoofd en hij draait op zijn zij. Hij doet alsof het niet lukt zijn broek op te trekken. Ze tilt hem aan zijn schouders op en drukt hem tegen de muur. Hij is vies.
Zodra de wasmachine draait, spoelt ze haar handen af. Ze loopt terug naar de kamer en betrapt zichzelf. Ze vindt het er niet uitzien hoe hij daar op de bank ligt. Met zijn been, dat ze net in een joggingbroek heeft gefrommeld. Hij kijkt haar niet aan. Ze gaat op het voetenbankje zitten. Ze denkt aan de tijd.
Ze moet mijn bad vol gaan laten lopen. Hij ziet via de spiegel dat het bijna half negen is. Ze zit daar maar. Hoe kan ze nou zo rustig blijven zitten, terwijl ik hier lig? Hij drukt de afstandsbediening in, zodat de tijd in beeld komt. Geen reactie. Hij kan haar net niet zien. Hij zegt: ‘Wanneer komt mijn moeder eigenlijk weer?’
Ze zit op de rand, doet haar bh losser en kijkt naar zichzelf.
‘Ik kan je nog wel beffen, hoor.’
Ze pakt een washandje en wast zijn been. Ze trekt, totdat hij helemaal onder is. Het water verandert. Om half elf laat ze los. In de spiegel ziet ze haar schouders hangen.

Door:Matthijs van Asselt

Standaard
Dezelfde beginzin

Geneuzel over geluk

‘Ze zeggen dat mannen met baarden gelukkiger zijn.’
Oh?’

‘Ja. Maar wat is geluk? Jij hebt een stoppelbaard, ben jij gelukkiger?’
‘Gelukkiger dan wie?’
‘Gelukkiger dan de gemiddelde mens, denk ik dat ze bedoelen.’
‘Wat is geluk?’, dat leek een hele simpele vraag, maar zij wist donders goed dat het tegenovergestelde waar was. Ze wist dat soms, heel soms, geluk ver te zoeken was. Als ze helemaal alleen in bed lag bijvoorbeeld. Als hij weer even iemand anders had en zij maar lag te wachten. Op een smsje, een lieve mail of misschien wel op een uitnodiging. Voor een drankje, een hapje, of gewoon voor een potje yahtzee. Want dat deden ze graag als ze samen waren: yahtzee. Behalve als het donker werd. Dan sprongen ze onder de douche en zongen ze samen Acda & De Munnik. Daarna onder de lakens, ‘even knuffelen’, noemde hij dat dan. Zij wist haarfijn wat hij daarmee bedoelde.
‘Gelukkiger dan de gemiddelde mens’ klinkt net zo simpel als ‘wat is geluk’ maar is even ingewikkeld. Dat vond zij in ieder geval. Ze was er niet zeker van of ze een gemiddeld mens was. Ze studeerde, was niet dik en niet dun, had een leuke groep vrienden én ze had hem. Of in ieder geval: ze had hem af en toe. Hij maakte voor haar het verschil. Het verschil tussen gemiddeld en bovengemiddeld. Als hij er was, dan was ze bovengemiddeld. Dat wist ze zeker. Dan zat ze stralend op de fiets, ook als het regende. Dan ging ze fluitend door het koekjespad en kwam ze op tijd uit bed om zo lang mogelijk van de dag te genieten.
Vandaag was zo’n dag. Haar haren drupten nog na en hij lag al klaar. Hij vroeg of ze nou eindelijk bij hem kwam liggen maar zij wilde nog we even doorvragen. Ze wist dat hij helemaal geen zin had in dit geneuzel over geluk maar ze wilde kijken hoe lang het zou duren tot hij geïrriteerd zou worden. Dat werd hij wel vaker en dat vond zij angstaanjagend en sexy tegelijk.
‘Vind jij jezelf gemiddeld?’ Ze vroeg het heel voorzichtig.
‘Nee. Ik vind mezelf bovengemiddeld.’
‘Bovengemiddeld gelukkig?’
‘Bovengemiddeld alles.’
‘Maar ben je gelukkig? Gelukkiger dan de gemiddelde mens?’
‘Ik ben bovengemiddeld alles.’ Ze herkende de irritatie in zijn stem.
‘Komt het door je stoppelbaard?’ Ze ging nog heel even door. ‘En die baard, als je die nou afscheert, voel je je dan anders dan bovengemiddeld alles?’
Het spiertje naast zijn oog begon te trillen en ze wist dat het genoeg was. Tijd om te knuffelen.

Standaard
Dezelfde beginzin

De ongelukkigste man die ik ken

Ze zeggen dat mannen met baarden gelukkiger zijn. Ik weet niet of dat waar is, maar de ongelukkigste man die ik ken heeft een kale kin.

Hij scheert zich elke morgen aandachtig met een scheerkwast, zeep en een duur scheermes dat hij ooit voor Vaderdag kreeg.
Die ochtenden, voordat hij voor de badkamerspiegel zijn kin inzeept, liggen de ongelukkigste man die ik ken en ik zwijgend naast elkaar. Het geluid van ruisende lakens, het gevoel van zijn afgekoelde voeten tussen die van mij. Als we een tijdje zo gelegen hebben, hij en ik, kijkend naar het steeds helderder wordende daglicht op de muur tegenover zijn slaapkamerraam, staat de ongelukkigste man die ik ken op en verdwijnt in de badkamer. Ik blijf in bed en ruik de geur van de door ons beslapen lakens, luister met gesloten ogen naar het tikken van de wekker op zijn nachtkastje en het geluid van de stromende kraan. In de boom naast zijn slaapkamerraam schreeuwen vogels de nieuwe dag tegemoet.
Na het scheren ruikt de ongelukkigste man die ik ken altijd fris, naar de nieuwe dag, terwijl ik de geur van afgelopen nacht nog om me heen heb hangen. Hij laat me achter met het nat van zijn kus op mijn voorhoofd.
Ik dwaal door zijn huis, bekijk de ingelijste foto’s van zijn kinderen op de schouw –babyfoto’s, schoolfoto’s, herinneringen aan vakantiehuizen en feestjes- en trek laatjes open op zoek naar iets dat hem doet denken aan mij. Soms leg ik mijn tandenborstel naast de zijne en beeld me in dat hij daar blijft liggen, ook als ik al lang het ruime appartement en de schommelende tram vol forenzen achter me heb gelaten en in mijn studentenkamer aan mijn huiswerk zit.
Misschien moet ik de ongelukkigste man die ik ken eens vragen een scheerbeurt over te slaan en samen met mij in de geur van de afgelopen nacht te blijven liggen. Misschien kom ik dan te weten waarom er geen nieuwe foto’s van feestjes en vakantiehuizen bijkomen, of waarom ik mijn tandenborstel niet naast de zijne mag laten liggen. Misschien is het waar wat ze zeggen en is hij na een dag met een stoppelige kin echt gelukkiger dan voorheen.
Maar misschien wil ik niet dat de ongelukkigste man die ik ken een scheerbeurt overslaat. Misschien wil ik wel blijven liggen waar ik lig, luisterend naar hoe hij zich klaarmaakt voor de dag en mij achterlaat in het warme nest waar we de hele nacht in gewoond hebben. Het voelt veilig zoals het is, vertrouwd.
Ik wil graag gelukkig blijven, liever nog dan dat ik wil dat de ongelukkigste man die ik ken gelukkig wordt. En misschien kan ik dat enkel blijven zolang alles blijft zoals het is. Zo lang hij elke ochtend voor de spiegel zijn baard afscheert.

Standaard
Dezelfde beginzin

Versprekingen

Ze zeggen dat mannen met baarden gelukkiger zijn. Het staat op een bordje boven de open haard, waar vuur druk knisperend zijn weg door verse blokken eikenhout eet.

Eigen waard is goud haard… eh, eigen baard is goud waard, natuurlijk.’
De man die het zei zit naast me. Hij heeft een grote, witte, ronde baard. Er wordt gelachen. Het is een bende, in de kleine woonkamer, en het lage plafond lijkt de bende te verergeren. Om mij heen zitten zes mannen. Ze hebben allemaal gezichtshaar en ze zijn allemaal ongeveer hetzelfde. Wit en groot. Een paar hebben puntige baarden, anderen hebben ronde baarden. Aan mijn andere kant zit een man met een mooie punt.
‘Waarom heb jij zo’n baard?’ vraag ik.
‘Dat begrijp jij toch niet.’
‘Oh.’
Achter me hoor ik gegiechel.
Ongeveer een uur later is het huis leeg. De mannen zijn allemaal zingend vertrokken, naar hun werk, denk ik. Omdat ik me toch ergens mee bezig moet houden besluit ik dat het tijd is voor een middagdutje in één van de behoorlijk krappe bedden. Ik ga zitten op het bed om m’n schoenen uit te doen, maar beland op een persoon. Verschrikt spring ik omhoog. Nog een man met een baard, weer zo’n wit ding. Hij kijkt me slaperig aan en draait zich weer om. Een vlieg landt op z’n oor, hij laat het begaan. Ik twijfel even, en draai me weer om. Ik slaap wel op de bank.
Ik word wakker van genies dat het bakstenen huis van de drie biggetjes nog omver zou krijgen. Terwijl ik verschrikt omhoog veer knal ik met mijn gezicht tegen een van de mannen aan die met zijn gezicht boven me hangt. Door de klap valt de man naar achteren.
We hebben allebei pijn, al dempte de baard wel een beetje, maar ik ben de enige die het uit. Terwijl de man, er zit een rare deuk in z’n baard, overeind krabbelt struikelt hij nog een keer, waarbij ik hem probeer op te vangen. Lukt niet.
‘Sorry, sorry!’ zeg ik.
Er komt geen reactie. Hij kijkt me alleen lichtelijk geamuseerd aan. Ik word er een beetje zenuwachtig van. Om mezelf maar een houding te geven besluit ik dat het tijd is om het huisje een beetje te verkennen. Ik loop uit de woonkamer en de gang in. Ik loop nu de eerste deur voorbij, waar waarschijnlijk nog steeds geslapen wordt, en vind een deur verder een kamer vol zakken. Grote zakken die, op het oog, vol lijken te zitten met harde voorwerpen. De deur zat niet op slot. Mijn nieuwsgierigheid is onbedwingbaar. Langzaam maak ik een zak los, waarbij de knoop niet erg meewerkt. Ik pruts en doe. Door mijn gestuntel valt de zak om en schiet het touw eraf. Over de vloer rollen honderden glimmende steentjes, zo helder als glas. Ik pak er eentje op. Ik kijk er in. Diamanten.
Ergens achter mij hoor ik iemand roepen.
‘Sneeuwwitje, stetenijd, ik bedoel etenstijd!’

Standaard
Dezelfde beginzin

Liefde op het eerste gezicht

Ze zeggen dat mannen met baarden gelukkiger zijn. Ik had het gelezen in de Quest en het klonk meteen logisch.

Mannen met baarden voelen zich meer mannelijk en stralen dus meer zelfvertrouwen uit. En dat trekt de vrouwtjes weer aan. En wie wordt daar niet gelukkig van?
‘Leo,’ zei ik daarom tegen mijzelf, ‘het is tijd voor een baard.’
Na een paar weekjes kweken, was het tijdens een verjaardagsfeestje dat een vriendin van een twijfelachtige vriend me apart nam. We hadden allemaal flink lopen drinken deze avond en zo te zien ging Yvonne mij eens even haarfijn de waarheid vertellen.
‘Leo,’ zei ze stellig zoals dronken mensen dat zo goed kunnen, ‘die baard van jou is waardeloos. Scheer die rommel er toch af, eikel.’
Daarna kotste ze over mijn schoenen heen.
Het gesprekje met Yvonne raakte me. Niet alleen omdat ze nooit eerder de moeite had genomen om ook maar een woord met mij te wisselen, maar ook vanwege het braken. Blijkbaar voelde Yvonne zich bij mij zo op haar gemak dat ze al haar remmingen kon laten gaan. Het ontroerde me, deze warme, vloeibare vorm van affectie.
De volgende ochtend trok ik meteen de stoute schoenen aan en sms’te ik Yvonne. Naar het nummer dat ik via die twijfelachtige vriend had bemachtigd stuurde ik ‘Hoi Yvonne, voel je je al wat beter? Was leuk gisteren! Groetjes Leo!’. Omdat ik niet zeker wist of ze meer Leo’s kende, en of die ook op het feestje waren geweest, sms’te ik even later ook nog even ‘Met die baard’.
Het was frappant, zo doeltreffend was ik nog nooit met de vrouwtjes bezig geweest. Sms’en met een meisje, dat deed ik vrijwel nooit. Het bleef altijd bij heen-en-weer mailen. Met Yvonne was het nu meteen anders. Gemakkelijker. Ik had al met haar in het echt gesproken. Haar zure geur hing nog in m’n kamer.
Het bleef lang stil van Yvonne’s kant. Ik stuurde nog een paar sms’jes (‘He slaapkop! Wakker worden! Kusjes Leo’) en met Google Maps zocht ik de snelste route naar haar huis op.
Yvonne reageerde die dag niet. En de volgende ook niet. De rozen kwamen donderdag terug. Mijn voicemailberichten werden met elke poging korter: ‘Dit is Leo, bel me verdomme nou eens terug. Mis je.’
Het bleef stil.
Onze relatie wankelde en het voelde niet goed. In de twee weken daarna dat ik toevallig langs verzekeringskantoor Boerema fietste, zag ik iemand anders zitten aan haar bureau bij het raam. Ik begon meer en meer de indruk te krijgen dat Yvonne me ontweek.
In een allerlaatste poging onze liefde op het eerste gezicht te verzilveren, kocht ik bij de Intertoys een tweeënhalf meter grote teddybeer. Met Bobo van Berensteijn III in mijn handen liep ik zonder te verdwalen naar haar huis. Ik wist dat ze ziek thuis zat, dat had haar collega verteld toen ik belde me een prangende verzekeringsvraag voor juffrouw Yvonne Zeilstra van de schadeafdeling.
Precies negen keer belde ik aan, maar er werd niet open gedaan. Haar tuindeuren waren ook op slot. Een paar keer riep ik haar naam onder het slaapkamerraam, gooide er wat steentjes tegenaan, maar er kwam geen teken van leven. Ik besloot Bobo voor haar achter te laten in de tuin en schreef er snel een kort briefje bij: ‘Lieve Yvonne, sorry voor je ziekte. Gelukkig weet ik waar je woont, dus tot later. Mis je. Leo.’ Om ’t niet te laten wegwaaien, boorde ik het briefje met mijn pen door de borst van Bobo.
Een paar weken later zonder iets van haar persoonlijk te hebben gehoord en een nieuw straatverbod was ik er klaar mee. Die baard ging eraf.

Standaard