Cabaret

Verbazing

Regelmatig keek hij even opzij om te zien of zij het ook leuk vond. Dat was belangrijk voor hem, alleen lachen had hij al zo vaak gedaan.

Men zegt weleens dat wanneer mannen claimen van vrouwen te houden die humor hebben, ze eigenlijk bedoelen dat ze vooral een vrouw willen die om hun grapjes lacht. O schat, jij bent zo lollig – dat idee. Er zal een kern van waarheid in zitten, maar hij wou meer. Ze moet zelf ook een grapje kunnen maken. Hem kunnen verbazen zodat-ie hikkend van de lach vraagt hoe ze er op kwam. Het moet een wisselwerking zijn. Een team wellicht. Een eerder vriendinnetje had hem, nadat het een tijdje uit was, vertelt dat ze merkte dat ze nadien minder gevat uit de hoek kwam. “Jij maakte mij grappig,” zei ze en hij het had zowel een soort van een compliment gevonden als een rare opmerking. Wat dat betreft had ze hem weer verbaasd.

Maar goed, nu zat hij met een andere haar in een klein theater en zij lachte net als hij om de grappen van de man op het kleine podium. Grappen die een hoog tempo op ze af kwamen. Veelal flauw, maar omdat ze in grote getale werden afgevuurd kon je ze niet meer ontwijken. Wou hij ook niet. Daar kwamen de tranen, de pijn in de buik en het zachtjes fluisteren om genade.

Onderwijl nam hij notities in z’n hoofd. Hij hield zowel de cabaretier als haar goed in de gaten. De grappen waar ze het hardst om moest lachen, moest hij onthouden. Niet letterlijk, maar hij wou graag weten welke formule haar het meeste aansprak. Want één ding wist hij zeker na vanavond: haar vaker zien lachen was zijn nieuwe missie. Hopelijk zou ze hem ook verbazen.

Standaard
Cabaret

Een gouden fabeldier

De spiegel aan de wand was omringd met gloeilampen die zachtgeel schenen op Eugenio’s spiegelbeeld. Roem, zei die spiegel. Wuivende pauwenveren, applaus, zurige champagne die zacht prikkelde op zijn tong. De spiegel, inclusief zijn spiegelbeeld, was Eugenio’s leven. Hij was net een beeld uit de klassieke oudheid, een David, een discuswerper, dat tot leven was gekust. Zijn doel was bereikt.

Terwijl hij in de spiegel bleef kijken, liet Eugenio zijn bovenlichaam insmeren met massageolie. Daar overheen strooiden ze gouden glitters die aan zijn gladde torso bleven plakken. ‘Moeten we ook je gezicht bedekken?’ vroegen de meisjes. Hij bekeek zichzelf en antwoordde dat dat niet hoefde. Verder was zijn hele bovenlichaam goud: zijn borst, zijn rug, zijn armen en handen. Met dat glitterende vlies leek zijn lijf haast van een ander wezen, van een fabeldier. Bij zijn heupen hield het goud plotseling op omdat zijn benen bedekt waren met een strakke, gele broek.
Eugenio had altijd twee meisjes aan zijn zijde. Ze zorgen ervoor dat hij zich als Eugenio voelde en niet als Egbert van Vliet, zoals hij geboren was. Maria, de donkerharige, had een enorme moedervlek op haar bovenlip en hoewel dat een van de zeven schoonheden was, leek het volgens hem eerder op een bruin geverfde pukkel. Anastacia, de blonde, had erg kleine borsten: Eugenio zou haar BH’s nog wel kunnen vullen met zijn gespierde lijf. Al met al waren de meisjes knap genoeg om zijn eer hoog te houden, maar intussen onvolmaakt genoeg om hem niet af te leiden.

Eugenio had geen tijd voor vrouwen (en ook niet voor mannen, hoewel men hem daar soms wel van verdacht). Ooit had hij een hondje gehad maar zelfs dat bezorgde hem teveel afleiding van waar het eigenlijk om ging in het leven: zingen, dansen, en vermaken. Hij had een groot huis dat dagelijks meer verkilde door zijn afwezigheid, maar zo leefde hij het liefst. Wanneer hij vroeg in de ochtend de make-up van zijn gezicht had gehaald, deed hij zo snel mogelijk het licht uit om de man die iedere avond op het podium verdween, opnieuw te verliezen in zijn slaap.

Over een paar minuten moest Eugenio het podium op en hij schoot voor de derde keer dat uur de wc in. Wie had er in godsnaam bedacht hem met glitters in te smeren? Hij frummelde aan zijn geslachtsdeel om te kunnen plassen en maakte zo grote gouden vingerafdrukken op zijn penis. Het was een belachelijk gezicht, die vegen goud op zijn slaphangende lul. Het jeukte ook een beetje. Zenuwachtig probeerde hij de glitters eraf te vegen met wat wc-papier maar het hielp niet.
‘Maria!’, riep hij. ‘Kom me helpen!’
‘Daarbinnen?’ vroeg het meisje aarzelend.
‘God, laat ook maar’, zei hij terwijl hij zijn penis wegstopte. ‘De mensen wachten op Egbert.’
‘Op wie?’ vroeg Maria.
‘Op Eugenio,’ zei hij zonder zijn vergissing op te merken, ‘De Grote Eugenio.’
En als een glanzend, gouden fabeldier ritste hij zijn broek dicht en liep naar de coulissen.

Standaard
Cabaret

Handdoek met pastavlekken

Mijn ei is opengebarsten tijdens het koken. Het eiwit klimt naar buiten. Het ziet er een beetje glibberig uit. Ik pulk het wit van de schaal en eet het op. Niks mis mee, de smaak is prima. Tina zit tegenover me. Ze roert in haar koffie. ‘Lekker?’, vraagt ze vriendelijk. ‘Ja hoor. Best te pruimen.’

Mijn onderduikadres is goed. Weggestopt in de bossen ergens in het westen van het land.
Ik denk dat hij me hier niet kan vinden. Hij houdt zich al een tijdje gedeisd, maar daar laat ik me niet door van de wijs brengen. Dat deed hij vaker en toen sloeg hij plotseling in alle hevigheid toe. Hij stak mijn huis in brand. De brandlucht waarschuwde me, maar toen was het al te laat. De sprong was een kamikazeactie, maar het was dat of omkomen in de vlammen. Mijn botten hielden zich goed. Mijn huis en spullen raakte ik kwijt.

‘Wil je nog koffie?’ Tina heeft een boterham voor zichzelf gesmeerd en veegt wat chocopasta af aan een handdoek. Vies, vind ik. Ik kijk in mijn kopje, zie dat er nog koffie in zit en schud nee. Ze haalt haar schouders op. ‘Wat ga je doen vandaag?’, vraagt ze.
Tja. Wat doe je op zo’n dag. Ik moet binnen blijven. Misschien weet hij wel dat ik hier ben en wacht hij op het moment dat ik minder alert word. ‘Ik blijf binnen’, antwoord ik. ‘Ik kijk misschien die dvd van Jochem Myjer nog eens. Ik moet altijd om hem lachen.’
Tina glimlacht, haalt haar schouders weer op en gooit de handdoek met chocopasta in de wasmand. Goed zo.

Haar mobieltje is roze en ze gebruikt hem vaak. Haar vingers vliegen over de toetsen en af en toe kijkt ze naar mij. Ze kan blind typen. Haar glimlachje wordt naargeestig. Waarom vroeg ze eigenlijk wat ik ga doen vandaag? Ze weet toch dat ik meestal binnen blijf? Ik sta op en beweeg me behoedzaam. Ze mag onder geen beding weten dat ik in de gaten heb dat ze hém een bericht stuurt.
De deur gaat open.

Ik ben te laat. Hij is er. Hij komt zijn klus afmaken. Er knalt iets. Ik hoor een droge knoep in mijn hoofd. Hij schiet op me. Ik sper mijn ogen wijd open. Verdwaasd. Er is niets. Geen pijn. Geen bloed. Geen gevaarlijke gek. Alleen Tina, die tegenover me staat en me geschrokken aankijkt. Een dienblad ligt op de grond, koffie druipt van de tafel op een stoel, stukjes ei liggen verspreid, de pot zout is omgevallen. Ik merk dat ik iets in mijn hand heb; de handdoek met pastavlekken.

Tina komt in beweging, behoedzaam. Net als ik net. Toch? Ik schreeuw. Zo hard mogelijk. Ik wil haar van me af slaan, maar ze pakt me stevig vast en drukt me op de stoel. Er komen spoken binnen. Spoken met gezichten. Ze pakken me vast. Een prik. In mijn bovenarm. Een kleine pijnscheut en dan alleen nog maar zwaar. Zo zwaar.

Standaard
Cabaret

Die keer dat ik de Hitlergroet bracht

Twee derde van het zeilkamp was jongen, wat een behoorlijke druk gaf op de aanwezige meisjes. Niet dat ze dat vervelend vonden. We waren vijftien en zestien, dus de hormonen tierden welig. In een week op de Friese meren leerden we aan de wind zeilen, gijpen, overstag gaan en wat dies meer zij. De begeleiders waren aardige, zij het wat wereldvreemde studenten. Welke student gaat er dan ook vrijwillig met hormoonbommetjes in een klein bootje zitten?

Eén van de beste herinneringen die ik aan dat zeilkamp heb is het maken van tompoezen op de boot. We hadden zo’n doe-het-zelfpakketje gekocht en met het hoosblikje, onze handen en een hoop goede wil wisten we, wonder boven wonder, de tompoezen in elkaar te zetten.
Kort daarna volgde een soesjesgevecht, waarbij gewone én chocoladesoesjes tussen de boten heen en weer werden gegooid. Nu zeg je misschien zonde, maar dan vergeet je dat het heel erg grappig was.

Aan het eind van de week was er de bonte avond. Natuurlijk. Eén van de onderdelen, naast een soort talentenjacht en flauwe stukjes, was een modeshow. We kregen allemaal een partij vuilniszakken en mochten daarmee onze outfit in elkaar zetten. Om me heen zag ik meisjes direct aan de slag gaan en ingewikkelde patronen knippen. Ik zag ook jongens, maar die zaten vooral onwennig naar het zwarte plastic te kijken.
Nadat ik mijn vuilniszak had opengevouwen en tien minuten mee had rondgezwaaid, kwam ik erachter dat de Romeinen zulke rare jongens nog niet waren. In de strips van Asterix en Obelix die ik las, liepen zij altijd rond in gewaden die om één schouder hingen en voor de rest om het lichaam waren geslagen. Een ‘Chiton’ heet dat, en dit kledingstuk was verrassend makkelijk te maken. Je had er geen naaispullen, lijm of scharen voor nodig. Een knoop volstond. Trots op mijn ontdekking tooide ik me in de kleding van een Romeinse keizer en maakte mezelf een kroon.

Toen iedereen klaar was begon de modeshow. Over een verhoging liepen we tussen onze zeilkampgenoten door en deden een pose. Ik zag meisjes met tassen en ongelooflijk ingewikkelde jurkjes en jongens met vuilniszakken over hun hoofd. Toen was ik. Ik zette mijn stoerste hoofd op en liep als een vorst over het podium. Er werd geklapt en gelachen, ze begrepen wat ik deed. Toen ik aan het eind kwam was het tijd voor mijn pose. Ik besloot te doen wat ik de Romeinen altijd zag doen in Asterix & Obelix. Ik bracht mijn rechterarm naar voren hief hem gestrekt, schuin boven m’n schouder. ‘Avé’, zei ik. En het bleef stil. Geen lach te bekennen, geen applaus zoals bij de anderen. Niemand las Asterix, begreep ik. Of ik deed iets verkeerd, maar een idee van wat dat was had ik niet.

Na een seconde die veel te lang leek te duren draaide ik me om en liep het podium weer af. Voorzichtig werd er geklapt, daarna harder omdat er weer een meisje met een bizarre creatie het podium afkwam.

In mijn hersens is die avond altijd achtergebleven als een zeer gênant moment in mijn leven, één van de velen. Pas drie jaar later begreep ik waarom dat was. Ene Adolf had de Romeinse groet óók dankbaar overgenomen.

Standaard