Nieuwjaarsduik

Bij de psychiater

Toen ik 1 januari zo tegen 12 uur opstond na een avond en nacht Oud en Nieuw gevierd te hebben met te veel drank, barstte mijn hoofd van de koppijn. Eenmaal beneden liep ik naar de keuken om koffie te zetten in de hoop met een sterke bak koffie de hoofdpijn te kunnen verdrijven. Soms lukt dat, soms niet. Terwijl de koffie pruttelde in het apparaat ging ik naar de woonkamer en plofte neer op mijn 2-zits bank.

“Te veel gedronken gisteren?”
Ik keek de kamer rond. Wie praatte er tegen mij? Had ik gisteren iemand mee naar huis genomen, maar was ik dat vergeten? Ik zag niemand, de kamer was leeg. Ik beeld het me gewoon in, hield ik mezelf voor. De drank doet zijn nawerk. Dit is wel ernstig, dat ik stemmen hoor.
Ik nam me voor minder te gaan drinken. Per slot was het 1 januari, de dag van de goede voornemens.
“Daar helpt echt geen koffie tegen. Je kunt nog zoveel koffie drinken, die hoofdpijn gaat niet weg.”
Mijn goudvis hing over de rand van zijn kom en sprak tegen me. Huh?
“Kun jij praten?”, vroeg ik verbluft.
“Natuurlijk kan ik praten. Jij kan het toch ook?”, aldus de goudvis. Tja, dat was waar, daar was geen speld tussen te krijgen. Ik had hem nu al drie jaar, maar nooit eerder had hij gesproken.
“Weet je wat goed helpt tegen een kater? Want laten we wel wezen en het beestje, ahum, gewoon bij zijn naam noemen: jij hebt last van een gigantische kater. Alle kenmerken zijn overduidelijk aanwezig: rood doorlopen ogen, een onzekere tred als je loopt en veel gekreun. En niet te vergeten de sterke koffie die je zojuist gezet hebt. Wel, heb ik gelijk of niet?”
Ik knikte, wat kon ik anders doen. “Nou”, wilde ik weten, “wat helpt volgens jou goed tegen een kater?”
“Een Nieuwjaarsduik!”, blubte hij. “En ik kan het weten, want ik neem er iedere dag een.” Voor een goudvis kwam hij erg bijdehand uit de hoek.
“O, nee, geen Nieuwjaarsduik. Ik heb het niet zo op die massale, hysterische gebeurtenissen.”
“Waarom niet?”
“Ik wijk nou eenmaal graag af van de gebruikelijke tendens. Dat is altijd al zo geweest en dat heb ik nog. Musical? Alsjeblieft niet. Een detective of een thriller? Nee, dank je. Koopzondag? Een gruwel.”
“Hoe komt dat, dat jij zo afwijkt van wat standaard is?”, wilde het beestje weten. Lag ik hier bij de psychiater op de sofa?
“Dat weet ik niet, daar heb ik nooit eerder over nagedacht. Het is nu eenmaal zo. Als kind had ik dat al. Ik weet nog hoeveel moeite mijn moeder moest doen om een leuk pakje voor me te kopen voor mijn Heilige Communie. Ik wilde niet naar de C&A en dat soort winkels. ‘Daar koopt iedereen al zijn kleren’, mopperde ik tegen mijn moeder. Snap je het een beetje?”
De goudvis antwoordde niet. Hij nam een duik in het water en hield de rest van de dag zijn mond. Spreekuur was kennelijk voorbij. “Stuur de rekening maar naar dit adres”, sneerde ik in het voorbijgaan, op weg naar de keuken. Op weg naar mijn koffie.

Door: Ton Niessen

Standaard
Nieuwjaarsduik

Iemand moet er wat van zeggen

Ik vind het soms best jammer dat ik geen schrijver ben,’ zei Sander met een oliebol in z’n rechterhand. Hij keek even de kring met familie rond en nam een hap. Poedersuiker dwarrelde op z’n trui. In de hoek sliep oma rustig door.

‘Kijk,’ ging Sander verder, ‘als ik schrijver zou zijn, dan zou ik een maatschappijkritische roman schrijven. Ik heb dit jaar namelijk dingen gezien die me niet aan staan. Iemand moet daar wat van zeggen.’
Nog een hap.
Nog meer poedersuiker.
Oma snurkte zachtjes.
‘Maar goed, ik ben geen schrijver. Niet dat ik het niet zou kunnen, maar ik heb andere prioriteiten. Zonde eigenlijk, vooral voor jullie.’
De laatste hap, oma sliep door. Oom Harrie bladerde door de oudjaarsbijlage van het plaatselijke suffertje.
Het bleef te lang stil, merkte Sander op. ‘Misschien dat ik ‘m gewoon ga schrijven,’ zei hij daarom maar. ‘Ik voel dat ik het ook een beetje aan jullie verplicht bent. Jullie hebben al zo weinig om naar uit te kijken.’
Geen reactie. Enkel het gesnurk van oma en het tikken van de Friese staartklok gaven het tempo van de avond aan.
‘Dat is voor jullie ook leuk, een bekende schrijver in de familie.’
De klok sloeg half twaalf en oma verslikte zich in een snurk, maar gelukkig zonder fatale gevolgen.
‘Dat jullie bij de bakker komen, ik noem maar wat, en korting krijgen omdat wij toevallig dezelfde achternaam hebben. Toch leuk, lijkt me.’
Stilte.
‘Dat de bakker zegt: “Wat heeft die Sander van jullie een belachelijk goed boek geschreven. Wat zullen jullie trots zijn. Wij ook, als gemeente waar hij is opgegroeid. Het is een speciale jongen, dat heb ik altijd al gezegd. Zag dat meteen al.”’
Sander keek de kring rond, maar vond alleen wegkijkende hoofden. Even overweeg hij op te staan en nu maar te beginnen met z’n traditionele nieuwjaarsconference. Hij had een aantal actuele grappen die gehoord moesten worden.
Maar oom Harrie was ‘m net voor. Die vouwde de krant weg en zei: ‘Ik ga morgen een nieuwjaarsduik nemen in de plas aan de rand van ’t dorp. Leek me wel eens leuk. Even gek doen.’
Een groot gelach steeg op uit de kring.
Oma schrok wakker en riep: ‘Och Harrie, wat ben je toch een heerlijke vent!’

Standaard
Nieuwjaarsduik

Doodnormaal gewoon

Teun is er eentje. Niet me er een eentje, zoals zijn moeder altijd zegt als Teun een grapje maakt. Nee, Teun is er eentje van het soort mens dat heel gewoon is.

Teun is gewoon een heel normale man. Niks mis met Teun, geen enkele kronkel te vinden. Goede baan, getrouwd, een hond en elkaar complementerende meubels. Teun draagt normale kleding. Een broek, een overhemd en als het koud is een trui. Iedere dag staat hij om dezelfde tijd op, doet geen gekke dingen en gaat dan naar zijn werk. Daar doet hij gewoon, zoals het hoort, zijn werk. Soms neemt hij een dag vrij, zoals ieder ander werkend mens. Om in huis te klussen of een dagje met zijn vrouw te wandelen. Maar, tussen al deze normaalheden door, is Teun ook een heel irritant stuk mens. Hij doet boter onder zijn pindakaas, maar dat is niet het meest verschrikkelijke wat je over Teun kan zeggen. Hij is zo normaal dat het helemaal niet leuk meer is. Hij is iemand die iets perfect kan uitleggen, in correcte taal, maar je daarmee het bloed onder de nagels vandaan haalt. Teun kan zo normaal om de suiker vragen, dat je het liefst zijn ogen uit zou steken.

Teun houdt van paarden en van Tom Petty ook. Hij heeft alleen geen paard, daar is hij veel te gewoon voor. Teun is ook liefhebber van de Top 2000. Daar luistert hij dan naar, op de radio. Radio 2 is al de zender die hij de hele dag aan heeft staan. ’s Ochtends, als de wekkerradio afgaat. In de auto naar zijn werk, tijdens zijn werk en de rit terug van zijn werk luistert hij naar de Top 2000. Soms kijkt hij op televisie naar de quiz, als hij simpelweg niks anders doodgewoons te doen heeft.

Door zijn doodgewone normaalheid heeft Teun alleen niet door dat zijn vrouw slaapt onder een klamboe van verdriet. Ze neemt hem zijn casualiteit niet per se kwalijk, ze wilde altijd een gewone man met een gewone baan. Ze wordt er nu alleen zo treurig van en het is jammer dat hij dat niet gewoon ziet.

Teun doet aan goede voornemens. Laatst heeft hij ze heel gewoontjes opgeschreven in een zwart notitieboekje van de Hema. Ietsjes gezonder eten, prijkt bovenaan het lijstje. Niet omdat ietsjes gezonder eten de meeste prioriteit geniet, maar omdat dat het eerste is wat hem te binnen schoot. Eronder staat sparen, maar niet waarvoor. Maar waar hij vooral naar streeft is om het komende jaar wat vaker dan de huidige een keer per week te gaan zwemmen. Daarbij staat met niet erg kleine, maar ook geen grote letters één woord geschreven. Het is onderstreept. Teun is namelijk iemand die mee gaat doen aan de Nieuwjaarsduik. Zijn vrouw gaat hoogstwaarschijnlijk niet mee.

Standaard
Nieuwjaarsduik

Friso’s duik

Het zwembad was de bron van al Friso’s angsten. Alle andere jongens gingen duikend, koprollend of achterstevoren van die hoge rotduikplank naar beneden, maar Friso durfde het niet. Vanuit het water leek het niet eens zo hoog, wat het allemaal extra vernederend maakte.

Hij klom iedere keer weer overmoedig tot bovenaan het trappetje, zeker wetend dat het hem dit keer écht zou lukken, maar daar aangekomen staarde hij verstijfd naar de helblauwe bodem van het zwembad. Hij kon het niet. Zijn natte, insectachtige beentjes bibberden onder zijn natte zwembroek en zo bleef hij een tijdje staan, terwijl de rij van kinderen achter hem langzaam groeide. “Schiet op, sukkel!” Uiteindelijk moest hij zich onder luid gelach langs hen wurmen, terug naar beneden over het smalle trappetje, terwijl hij iedere keer dat hij een ander naar beneden zag springen, ineen kromp. Hij durfde ook niets.

Friso’s leven was een aaneenschakeling van angsten en fobieën. Hij brandde nooit kaarsen. Hij at niets waar E-nummers in zaten. Hij probeerde niet te luisteren wanneer iemand het had over vreemde ziekten, want meestal ontdekte hij nog diezelfde dag een groot deel van de symptomen bij zichzelf. Op zijn eenendertigste was Friso het zat. Hij wilde niet langer dat jongetje zijn dat via het trappetje van de duikplank terug naar beneden moest klimmen, en maakte deze lijst:

Goede voornemens 2015

  • Van de hoge duikplank springen
  • Van huis weggaan zonder te checken of ik het gasfornuis heb uitgedraaid
  • De weg vragen aan een vreemde
  • Na zonsondergang met de metro gaan

De lijst met goede voornemens besloeg slechts een klein deel van Friso’s angsten, maar het was een begin. Als hij alle vier de dingen op de lijst zou kunnen uitvoeren, was hij in 2016 alweer een stuk normaler mens dan nu. Hij moest beginnen met de duikplank. Dat was misschien niet zijn grootste, maar in ieder geval wel zijn oudste angst. Wanneer hij die overwonnen had zou de rest kunnen volgen.

Het was niet alleen de hoogte van de duikplank waar Friso als kind zo bang voor was. Ook de tegels op de bodem van het zwembad zorgden ervoor dat hij de sprong niet durfde te maken: die lichtblauwe tegels met op elke baan een donkerblauwe streep. Hij beeldde zich vaak in dat die donkere tegels op de bodem haaien waren, die hem aan stukken zouden scheuren zodra hij het water zou raken. Die donkere tegels werden door de golven aan het wateroppervlak gebroken en bewogen zachtjes heen en weer. Precies een lange rij vleesetende vissen. Elke keer dat Friso het water in moest springen, was hij bang dat zijn voeten eraf gebeten zouden worden. Wanneer hij zich voorzichtig via de rand van het zwembad in het water liet glijden bleef hij altijd boven het lichtblauwe gedeelte. Pas na een paar baantjes zwemmen durfde hij te ontspannen, en vergat hij de cirkelende haaien onder hem een beetje.

Friso besefte dat hij de sprong van de duikplank met zijn ogen dicht zou moeten doen. Op die manier zou hij noch de haaien zien, noch de hoogte, noch de lange rij wachtende kinderen. Hij zou alleen nog maar tegen zijn eigen gedachten moeten vechten, die schreeuwden: “Niet doen! Niet doen!”. Dat zou hem lukken, besloot hij na het opstellen van de lijst. Met gestrekte armen en een perfect gekromde rug zou hij het water induiken, het oppervlak door midden snijdend met zijn tegen elkaar geklemde handen. In 2015 zou het hem eindelijk lukken. Zijn nieuwjaarsduik.

Standaard
Nieuwjaarsduik

D-Day

De wind slaat tegen m’n gezicht en drijft kleine regendruppeltjes tegen m’n wangen aan. De haren op m’n benen bewegen als waterplanten mee op het keren van de wind. Ik beweeg m’n tenen die in het koude, natte zand steken heen en weer, in een ijdele poging er enig gevoel in terug te krijgen. De handdoek die ik om me heen heb geslagen houdt de wind niet tegen, waardoor ik met m’n rug in de wind ben gaan staan.

Ik tril, zij het lichtjes. Ik ben geconcentreerd op wat komen gaat. Tussen m’n oogleden door kijk ik schuin achterom, naar het water. De golven zijn hoog. Hoger dan de kabbelende golfjes die je normaal ziet op foto’s van deze gekkernij. Een fluitje klinkt, we worden naar de lijn geroepen.

We rennen. Ik ren. Gedachten schieten door mijn hoofd. Dit is gekkenwerk. Doe het niet. Je moet je kamer nog stofzuigen. Ga terug. Het kan nu nog. Doe het gewoon. Doe het niet. Doe het wel. Zeg dat abonnement op de Donald Duck nou eens op. Ga terug. Nee. Om me heen zie ik mannen in oranje overalls, vrouwen in pietepeuterige bikini-tjes, jongens met blikjes Amstel, meisjes in enorme t-shirts. En iedereen met zo’n vervloekte muts. Idioten.

Dan wordt het stil in mijn hoofd. De eerste opspringende druppels van de mensen voor mij hebben me bereikt, en kort erna bereik ik ook zelf het water. Ik voel de zenuwen in m’n tenen, waarvan ik dacht dat ze niks meer voelden, schreeuwen om het niet te doen. Ik hap naar adem en trek m’n buik in, terwijl ik met hoog opgetrokken knieën verder huppel. Het water dat m’n benen raakt voel ik nauwelijks. M’n voeten des te meer. Het doet zeer.

Het moeilijkste gedeelte: kruishoogte. Het voelt alsof ik ga zitten in een vriezer gevuld met raketjes, maar dan natter. Alles wordt een stukje kleiner. Ik schreeuw. Ik denk dat ik klink als een tijger die gecastreerd wordt, maar het zal vast meer klinken als een meisje die haar moeder mist. Om me heen het opspattende water van gekken die de golven in duiken. Ik sla het water met m’n handen tegen m’n borst en armen aan, in de hoop het gewenningsproces wat te versnellen. Mijn hart klopt tweehonderd slagen per minuut en ik adem hyperventilerend. Aan de zijkanten van m’n zicht begint het wat zwart te worden. Dan verandert de stroom mensen van richting. Zonder me ervan bewust te zijn loop ik mee, strompel ik mee. Ik hijg en spuug zout water uit. Als ik bijna op het strand ben loopt er iemand vlak voor me langs, over wiens enkel ik struikel. Ik val plat voorover, terwijl om me heen de toeschouwers lachen. Ik probeer me op te richten maar wordt overlopen door mensen die van achteren komen. Het wordt zwart voor m’n ogen. Water borrelt naar binnen. Ik raak leeg. Op.

Game over.

Ik gooi m’n controller weg en ruk de disc van Call of Duty: Nieuwjaarsduik uit de console. Klotespel.

Standaard