Maskers

Doe niets!

Doe niets!’ Met dit advies begon de cursus ‘acteren voor de camera’. Het was niet de eerste acteercursus die ik volgde. Er schuilt een groot acteur in mij, maar thuis gaan zitten wachten tot je ontdekt wordt, dat werkt natuurlijk niet.

De meeste cursussen zijn voor het theater bedoeld. Je begint in een kring met opwarmoefeningen en binnen tien minuten sta je te stampen en te schreeuwen en gekke bekken te trekken. Als je dan ‘los’ bent en ‘over je schroom heen’, begint het echte acteren. Vaak krijg je een paar regels tekst uit een toneelstuk. Dat is fijn, want tekst geeft houvast en de kans dat je tegenspeler plotseling rare dingen gaat doen, zoals bij improvisatietheater, is klein. Bij de presentaties volgt er steevast een gevecht om wie de beste speler is. Niemand komt naar zo’n cursus om iets te leren. Iedereen wil laten zien wat ie al kan. De spelers met de meeste lef en de grootste expressie scoren het hoogst bij de medecursisten en bij de docent. De meer verfijnde spelers, zoals ik, blijven ongezien.

‘Doe niets!’ Ik haalde opgelucht adem. Dit was mijn cursus. Eerst kregen we wat interviews te zien met grote Amerikaanse filmsterren, zoals Robert de Niro en Michael Caine. Hun boodschap was duidelijk: doe niets. Kijk naar je tegenspeler, richt je op zijn of haar ogen en laat ze niet meer los. Filmacteren doe je met je ogen. Je mag in geen geval knipperen. Als je knippert, verlies je de aandacht en daarmee de scène. Robert de Niro: ‘Stel, je tegenspeler vertelt je dat je moeder is overleden, kijk hem dan aan en zwijg. Het publiek vult de emotie vanzelf voor je in. Woorden maken hier alles kapot, want met woorden definieer je de emotie en daarmee verschrompelt die juist ontloken bloem. Doe niets!’

Om de cursisten zelf te laten ervaren wat de grote sterren bedoelen, liet de docent ons één voor één plaatsnemen voor de camera. Confronterend, want nu waren we op een groot scherm zichtbaar in extreme close-ups. Ieder puistje, iedere mee-eter kwam aan het licht. Toen ik in beeld kwam was de docent meteen enthousiast. ‘Kijk,’ zei hij, ‘dit is een echte filmkop. En waarom? Niet omdat hij bijzonder knap of lelijk is. Nee, omdat je onmiddellijk nieuwsgierig wordt naar wat er achter dat masker schuilgaat. Heldere blauwe ogen en een naar binnen gerichte blik. Dat verkoopt. Dáár kopen alle tienermeisjes een kaartje voor. Zien jullie dat?’ Iedereen zag het. Iedereen zag opeens wat ik al jaren wist. Ik was een groot acteur. Eindelijk was ik ontdekt.

Die avond probeerde ik alles uit wat ik geleerd had. Op een kruk aan de bar van een populair studentencafé richtte ik mijn heldere blauwe blik op een meisje dat ik al enige tijd op het oog had, maar nooit had durven aanspreken, laat staan aankijken. Ze keek terug, ze glimlachte. Ik glimlachte niet terug, maar bleef haar aankijken, met de blik naar binnen en zonder te knipperen natuurlijk. Na enige tijd merkte ik dat ze mijn blik begon te ontwijken, zichtbaar in verwarring. Weer wat later pakte ze haar jas, wierp me een vernietigende blik toe en verliet het café.

Tevreden ging ik naar huis. Het zou niet lang meer duren of ook dit meisje zou een kaartje kopen om mij in close-up te zien. Dan zal ze begrijpen waarom ik niets deed, waarom ik niets hoefde te doen.

Door: Erik Karel de Vries

Standaard
Maskers

De stervende wandelende tak

Doe alsof er niets aan de hand is”, zei een stem. Jochem legde net aan Alice uit wat de voordelen waren van een echte kerstboom tegenover een kunstboom, toen hij door die stem werd onderbroken: “En het ruikt de hele maand lekker in huis…”

Hij stokte en keek op van het scherm van de ING-automaat, waar hij juist het geld voor de boom had willen pinnen. Er stond een man naast hen met een apenmasker voor zijn gezicht, en in het oranje kunstlicht uit de pinautomaat leek de man precies op een gorilla met menselijke proporties.

Iets meer dan twintig jaar eerder, op een doordeweekse dag in juni, sprong Alice van haar moeders bagagedrager. Ze was een jaar of zeven en bezat nog die kinderlijke verwondering over alles die mensen later in hun leven grotendeels kwijtraken. Een van de dingen waarover Alice zich verwonderde was haar huisdier Takkie. Hij was dunner dan haar pink, zelfs nog dunner dan een potlood, maar toch kon hij eten en ademen, net als zijzelf. Takkie zat misschien wel slimmer in elkaar dan zij want als er een roofdier aankwam, zou die denken dat hij een tak was. In Alice zou hij ongetwijfeld een lekker hapje zien.
“Ga door met pinnen”, zei de man achter het masker. Zijn stem klonk vervormd door het plastic voor zijn mond, alsof hij door een oud telefoontoestel sprak. “Neem vijfhonderd euro op”.
De man zette een mes tegen Jochems zij en Alice sloeg haar hand voor haar mond. Jochems vingers beefden boven de toetsen van de automaat.
“Schiet op”, zei de man.
“Ik weet mijn pincode niet meer”, zei Jochem.
“Schiet op!”

“Mam,” zei Alice. “Takkie eet niet meer zoveel als vroeger hè? Straks wordt hij nóg dunner.”
“Ik denk dat Takkie het niet gaat redden, schat”, zei haar moeder terwijl ze haar fiets op slot zette. “Hij is al erg oud voor een wandelende tak.”
Alice begon te huilen. Ze kon zich niet voorstellen dat het terrarium in haar kamer binnenkort leeg zou zijn.
“Stil nou,” zei haar moeder, gegeneerd om zich heenkijkend. “Je krijgt wel een nieuwe.”

Jochems hand beefde nu nog harder. “Ik weet mijn code echt niet meer”, zei hij.
De man verplaatste het mes naar zijn keel en zei: “Geef me het geld.”
De geur van urine steeg op naast Alice en ze begon in haar tas te graaien. Jochem kon dit helemaal niet aan.
“Ik zal het wel opnemen”, zei ze. Haar handen waren bijna net zo wit als het bonnetje van een vorige gebruiker dat op de grond lag, maar ze trilden niet.
“Pas op, Alice!” riep Jochem. De man leek te schrikken van Jochems stemverheffing en greep hem vast, het mes nog steeds tegen zijn keel houdend.

Toen Takkie doodging, rouwde Alice voor het eerst in haar leven. Ze kon haar emoties op dat moment nog niet precies thuisbrengen, maar later wist ze precies wat ze toen gevoeld had: angst, verdriet en een torenhoog schuldgevoel. Had ze Takkie wel iedere dag schoon water gegeven? Was het niet te koud voor hem op haar kamer? Later in haar leven zou de stervende wandelende tak plaatsmaken voor stervende mensen en het plakje worst voor plakken natte cake, maar Alice had niet het gevoel dat haar allereerste ervaring met de dood wezenlijk anders was geweest. De angst en het schuldgevoel hoorden er altijd bij. En kinderverdriet was ook verdriet.

“Help!” schreeuwde Jochem. Zijn stem klonk plotseling weer zoals die had geklonken voordat hij de baard in de keel had gekregen. Alice herinnerde zich de kleine Jochem met zijn hoge kindergeluid. “Help!” schreeuwde hij nog een keer.
“Stil!” riepen zowel Alice als de man met het masker. Alice probeerde Jochem aan zijn ondergeplaste broek weg te trekken bij de man, terwijl Jochem in paniek begon in te beuken op het apengezicht. De man achter het masker schreeuwde en voordat Alice doorhad wat er gebeurde, zakte Jochem ineen op de grond. Alice wilde ook schreeuwen maar het lukte haar niet. Aan haar voeten lag haar vriend, bewegingloos, en naast hem lag het apenmasker dat hij had meegesleurd in zijn val. De man stond nog op precies dezelfde plek en keek Alice aan met zijn onbedekte gezicht. Het mes glom helderrood in het felle ING-licht.

Wanneer Alice’s wandelende tak onraad bespeurde, ging hij heel stil zitten. Hij had geen klauwen of giftanden dus zijn enige verdediging was onzichtbaar worden. Alice wist niet hoe het kwam, maar op het moment dat de man zonder apenmasker met zijn mes op haar afkwam, meer dan twintig jaar na de dood van Takkie, was dat hetgene waaraan ze dacht. Ze moest zich verstoppen. Zonder om te kijken rende ze weg, op zoek naar een plek waar ze kon verdwijnen in de omgeving. De straatlantaarns maakten echter iedere mogelijke verstopplek waardeloos. Ze rende een hoek om en aan het einde van de weg was daar een plein vol bomen. Kerstbomen. Er tussendoor liepen mensen en er klonk muziek. Alice rende hijgend verder: tussen al die andere mensen zou ze bijna net zo onzichtbaar zijn als een wandelende tak op een tak.

Pas toen ze het midden van het plein had bereikt, durfde ze te stoppen. Ze greep de dichtstbijzijnde kerstboom vast om niet om te vallen en keek naar de straat waaruit ze gekomen was, bang dat de man ieder moment met getrokken mes tussen de mensen kon verschijnen.
“Pas je op?” vroeg een stem. Het was een man in een vale bodywarmer en hij keek met opgetrokken wenkbrauw naar hoe ze tegen de kerstboom leunde.
“Mijn wandelende tak is neergestoken”, zei Alice. “Ik bedoel, mijn vriend!” Ze begon te huilen. Het duurde een tijd voordat ze de piepende uithalen onder controle had die haar om de paar tellen overvielen. Ze ademde diep in en uit. Toen zei ze, de kerstboom stevig vasthoudend: “Ik denk dat Takkie het niet gaat redden.”

Standaard
Maskers

De zwarte bok

Zoals elk jaar rond de feestdagen keerde iedereen terug in het dorp waar alles was begonnen. Het was traditie geworden dat zij die waren vertrokken op kerstavond bijeenkwamen in café Jonas. Het etablissement bleek elk jaar weer het enige dat niet veranderd was.

Jacco peuterde een oliebol los van een servet en nam een hap. Hij keek het café rond, niemand waarmee hij in de klas had gezeten was er nog. Hij leunde met een elleboog op de bar. Hij stak zijn hand uit, deed alsof hij die van een ander schudde en zei zijn naam.
‘Ik ben tegenwoordig gletsjerspecialist bij de Verenigde Naties,’ oefende hij zachtjes voor zich uit, voorbereidend op vragen over wat hij nu zoal deed.

Tevreden over zijn repetitie, nam hij nog een hap, waarbij hij poedersuiker knoeide op zijn veel te grote, grijze overhemd.
Terwijl hij met zijn vettige handen zijn shirt van het witte poeder probeerde te ontdoen zag hij haar. Ze was er. Maar ze was er nooit. Waarom dit jaar dan wel?
Sanne – ooit het mooiste meisje van de klas, nu een vrouw die de jaren vooral op haar heupen met zich meedroeg. Maar hij zag nog steeds het meisje, het allermooist dat hij ooit had gezien. Hij verslikte zich, begon te hoesten. Hij probeerde met zijn armen te zwaaien zoals hij geleerd had te doen mocht hij in de sneeuw in de problemen komen. Maar het enige wat hij nog kon bedenken was het op panische wijze wijzen naar zijn keel.

Gaat het, vroeg ze. Een blakende warmte galoppeerde door zijn middenrif. Had ze ooit eerder iets tegen hem gezegd?
Ze sloeg hem hard op zijn rug en lachte voorzichtig toen een stukje krent door de lucht vloog. Hij vluchtte de wc in.

Hij gooide twee handen water in zijn gezicht en bekeek in de spiegel hoe de druppels langs zijn wangen naar beneden klauterden. Jarenlang had hij geoefend op wat hij zou zeggen als hij haar zou zien, maar nu was hij alles vergeten. Hij wist niet eens meer dat hij de gletsjerspecialist was van het klimaatpanel van de Verenigde Naties.

Ze kwam bij hem staan. Of hij weleens in Wallis geweest was. Ze begon uit te leggen over Zwitserse kantons, maar daarover hoefde ze hem niks bij te brengen. ‘Een schitterend traditioneel gebied, met als hoogtepunt natuurlijk de Langgletscher in het Lötschental.’ zei hij, ‘Heb je weleens de Vastenavond van dichtbij meegemaakt? Dat is echt enorm genoeglijk.’

Dit was zijn gebied, hier kon hij over praten. Hij wist dan ook van geen ophouden. Hij reeg de ene zin aan de ander, alsof hij haast vergeten was met iemand in gesprek te zijn.

‘Op Vastenavond proberen de mannen uit het dal de geesten van de winter te verdrijven. Tegenwoordig zijn er nog maar een paar geesten, zoals De Wilde Man, Het Lauwi-dier en de Zwarte Bok.’
Dit loopt gesmeerd, dacht hij, nu moet ik doorgaan.

‘Ze rennen met maskers op en schapenvellen om door de dorpen. Het zijn maskers van gnoomgezichten. Heel eng, om zo de geesten te laten schrikken. En de meisjes ook, natuurlijk.’ Hij lachte hard en legde zijn elleboog voor zijn gevoel soepel weer terug op de bar. Toen pas keek hij op.

Sanne was inmiddels in gesprek met Wouter, die vroeger rookte en aanvoerder was van het plaatselijke voetbalelftal. Jacco hoorde hem zeggen dat hij tegenwoordig in de sales zat, maar dat het belangrijker was wat ze wilde drinken.

Standaard
Maskers

Ik ben er

Hij smijt me van zich af alsof ik een vuilniszak ben. Met een smak beland ik in de hoek en val voorover in het stof. Ik kijk hem na terwijl hij verder loopt richting de keuken. Hij kijkt niet meer om, het boeit hem niet hoe ik terecht ben gekomen. Meestal laat hij me uren achtereen liggen en komt hij me, als hij er klaar voor is, weer halen. Ik ben vies en vuil en hij gebruikt me.

Vroeger was dat wel anders. We reisden samen door Europa en zagen Praag, Budapest, Bratislava, Zagreb, Venetië, Parijs en Antwerpen. We verdwaalden samen, raakten elkaar kwijt, vonden elkaar weer en werden samen beroofd. Als ik moe was tilde hij me en als hij moe was ondersteunde ik zijn hoofd. Naast elkaar zaten we op de stoep te luisteren naar straatmuzikanten, te eten of gewoon even te niksen.

Een zomer later trokken we door Brazilië. We zagen de ongekende schoonheid van Ipanema en Copa Cabana, de eindeloze jungles en het Christusbeeld. We zagen ook de favela’s, de zwervers en de bedelende moeders. We belandden samen per ongeluk in een stripclub en sprongen ook samen weer in de taxi terug naar het hostel waar we sliepen, in een schimmelig kamertje. We stonken ’s ochtends. Naar schimmel vooral, maar ook naar elkaars zweet. Het was warm in Rio. Zeker voor Hollanders.

Deze week is het tien jaar geleden dat we elkaar leerden kennen. De derde klas van de middelbare school. Het was net uit tussen hem en zijn vorige. Ze was zo’n dikke geweest en dat hij nu met mij zou gaan was niet heel goed voor m’n reputatie. Ik zag er doorheen. Ik zag hem voor meer dan hij leek te zijn. We trokken veel samen op. Geschiedenis, aardrijkskunde, economie, altijd zaten we naast elkaar. Vaak zocht hij in een van m’n zakken nog gauw een pen op, die ik toch altijd bij me had en hij eigenlijk nooit. Ik vond het een leuk trekje van ‘m, zoals je het ook leuk kunt vinden dat iemand op een bepaalde manier lacht of je aankijkt.

We gingen hetzelfde studeren in Amsterdam. Op een kamertje leefden en leerden we samen. Ik ging met hem mee als hij en z’n nieuwe vrienden zich gingen bezatten in een kroeg. Vaak bleef ik wat op de achtergrond en vergat hij dat ik er was. Aan het eind van de avond kwam hij me dan ladderzat weer opzoeken. Ik bleef omdat ik van ‘m hield. En op de avonden dat hij me bij zich hield genoot ik extra.

Naarmate ik ouder werd begon hij z’n interesse in me te verliezen. Ik kreeg meer en meer het gevoel dat ik een gebruiksvoorwerp was en dat hij me alleen opzocht als hij mij nodig had. En niet andersom. Als hij naar me keek had ik niet het gevoel dat hij me zag. Zoals ik door hem heen had gekeken om zijn leuke kant te ontdekken keek hij door me heen om me te vergeten. Als hij me meenam belandde ik in hoekjes en als ik thuisbleef kwam hij ruikend naar een ander thuis. Ik ben een fase voor hem geweest.

Hij komt de keuken uitlopen. Hij zoekt even, pakt een boek en z’n laptop, schuift ze in me, tilt me op en slaat me om beide schouders. Met z’n arm zoekt hij in m’n voorvakje naar z’n sleutels, vindt ze, loopt de deur uit en vertrekt. Ik mag weer mee.

Standaard
Maskers

Gloeiendhete pijn

Het water was gloeiend heet. De druppels kletterden hard op haar al rode huid. Ze hoopte dat het water haar hartzeer weg zou spoelen. Onzin natuurlijk. Dat wist ze zelf ook wel. Maar ze had toch niets beters te doen. Bovendien was het water heter dan haar tranen. Dat voelde goed. Dan vielen de tranen niet zo op.

‘Ik kan het niet meer’, had hij gezegd. ‘Je bent te ver gegaan.’ En hij had zich omgedraaid en was met zijn armen slap langs zijn lichaam haar huis uitgelopen. Te ver gegaan. Ze was veel te ver gegaan. Grenzen opzoeken, daar was ze goed in ja. En er dan telkens net een stukje overheen gaan. Kijken of ze dat kon maken. Of hij dan toch bij haar zou blijven. Twee jaar had hij dat gedaan, maar de scheurtjes en barsten die zij had veroorzaakt waren nu helemaal uiteen gevallen. Er ontbraken nu stukjes. Vertrouwen bijvoorbeeld. Lijmen had geen zin meer.

Haar maag krampte samen en een hete golf gal kwam omhoog. Bijna net zo heet als het douchewater. Ze liet het gewoon uit haar mond vloeien. Het interesseerde haar niet. Het braaksel droop over haar borsten en werd door de hete stralen water weggespoeld. Langs haar enkels. Het doucheputje in.

Ze keek naar haar enkel, waarop twee maskers stonden getatoeëerd. Een lachende en een huilende. Ooit hadden ze de maskers gekscherend Daan en Esther genoemd, maar toen kregen ze ruzie over welke naam het huilende masker zou krijgen en welke het lachende. Ze had zichzelf altijd met het lachende masker geassocieerd.

‘Ik wil je niet kwijt’, had ze gehuild. ‘Dat ben je al’, zei hij koud. Ijskoud. Veel kouder dan de temperatuur buiten ooit zou worden.
Het besef dat ze niet zomaar iemand kwijt was, maar juist hém, kwam keihard binnen. Haar geest leek het te doseren. Als alles in één keer kwam, zou ze waarschijnlijk krankzinnig worden. Ze onderdrukte de neiging om te gillen. Haar keel deed pijn, branderig van de zure kots. Lichamelijke pijn was beter dan andere pijn.

Ze was altijd blij geweest met de maskertjes op haar enkel. Nu vond ze ze afschuwelijk. Vandaag gaf ze haar eigen naam definitief aan het huilende masker. Het masker van drama. Het masker van misère. Het masker van ongeluk. Het masker van ‘wat een afschuwelijk, stom, achterlijk kutwijf ben je toch ook’.

‘Misschien wordt het tijd dat je eens écht aan jezelf gaat werken’, had hij gezegd. Ze wist dat hij gelijk had, maar ze wist verdomme niet hoe. Ze wist gewoonweg niet hoe ze dat moest doen. Stoppen met destructief gedoe. Simpel gezegd.
Het mesje dat ze mee in de douche had genomen trok diepe, bloederige wonden in het huilende masker. Het deed pijn en dat luchtte op. Dat was nu het allerbelangrijkste: de Esther op haar enkel pijn doen, te vermoorden desnoods. Van het ongelukkige masker bleef weinig meer over dan een bloederige massa. Het lachende masker stond er eenzaam naast.

Standaard