Bevroren

Bevroren beeld

Weer dat korte, scherpe licht. Het duurt geen honderdste van een seconde. Toch is Anne er nog steeds niet aan gewend. Ze zet zich schrap. Anne voelt hoe het witte licht opnieuw door haar lichaam schiet. Het doet elke keer pijn. Toch weet ze een glimlach vast te houden.

“Anne, zet dat angstmasker af.” Het is Mark, de fotograaf met wie ze sinds kort samenwerkt. Flits. Au. Anne voelt bij elke klik hoe haar lichaam verder verkrampt. Haar voeten en benen zaten al zo goed als vast na de vorige fotosessie. Flits. Nu is het haar onderrug die zich vastzet. Flits. Haar schouderbladen. Flits. Een scheut door haar nekwervels. Anne verkrampt. Zij voelt het, Mark ziet het gebeuren. “Nee hè, niet weer. Probeer verdomme eens te ontspannen. Neem maar een koffie.”

Mark is zo anders dan de vorige fotograaf met wie ze samenwerkte. Zo minder ontspannen. Hij is zo gefixeerd om haar te vangen in zijn beeld. Terwijl Anne zich omdraait om haar zijdezachte badjas te pakken die ze over haar lingerie kan dragen, ziet ze hoe Mark zijn lens schoonmaakt. Ze hoort hem mompelen: “Het beste lingeriemodel dat er is. Binnenkort te zien op een beeldententoonstelling!” Hij lacht en loopt de kamer uit.

Anne voelt hoe haar bovenlip probeert te trillen. In haar rechterooghoek ontstaat nattigheid, maar de traan wegknipperen lukt niet. Met haar wijsvinger dept ze hem. Alles is zo anders. Ooit schitterde ze in grote shows van beroemde ontwerpers. Als een soepel catwalkmodel werd ze ook veelvuldig gefotografeerd, maar het was altijd minder direct. Ze had zich daarbij zoveel beter gevoeld.

Sinds een paar weken probeert Anne nu haar salaris te verdienen als fotomodel. Dat het werk niet goed voor haar is, dat weet ze. Bij de eerste fotograaf viel het nog mee, maar die had na twee keer aangegeven te willen stoppen. Zijn collega en vriend Mark wilde zich in lingeriefotografie specialiseren. Of Anne niet voor hem wilde werken. Anne had ja gezegd, want nu kon ze met haar uiterlijk nog sparen voor later.

Als Anne een kop koffie pakt en naar de zoetjes reikt, voelt ze weer die enorme stijfheid die zich de laatste tijd als een virus door haar lichaam verspreidt. Wat is er met me aan de hand? Terwijl ze in gedachten en met pijnlijke vingers de zoetjes in haar koffie doet en roert, voelt ze ineens een hand op haar pijnlijke schouder. “Je moet doorzetten, Anne. Het duurt niet lang meer. Ik weet dat het vandaag lukt.”

Mark helpt haar onder de flitsparaplu’s uit haar badjas. Met zijn vingertoppen streelt hij over haar hals. Anne reageert niet. Dan kijkt hij haar in de ogen. “Even volhouden, Anne.” Hij kust haar zachtjes op haar lippen. Anne rilt. Weer die tranen die op het punt van rollen staan. Hij likt zachtjes haar ooghoeken droog. Anne bevriest. Dan weer een flits. Anne probeert haar nek te bewegen. Die zit muurvast. Flits. Au. Anne is bevroren.

Ze ziet hoe Mark naar de telefoon loopt. “1-1-2? Komt u zo snel mogelijk hiernaartoe. Mijn… eh… degene die ik fotografeer. Ze is… ze is… ze lijkt bevroren. Ja… echt. Ze beweegt niet. Ze ademt wel, ja.” De paniek in zijn stem is hoorbaar. “Het adres? Zielweg. Ja, klopt, Zielweg 666.” Mark hangt op en loopt naar Anne. Ze probeert te slikken. Angst staat in haar ogen. “Niet zo angstig kijken, meisje. Kijk, eens…” Mark laat haar de laatste foto zien op het scherm van zijn digitale camera. “Je bent keurig gevangen.”

Door Sandra Put

Standaard
Bevroren

Bij de winterpenen sloeg ik rechtsaf

Ik wandelde naar de supermarkt. Dat is een beste tippel, maar ik vind het niet erg om daar de tijd voor te nemen. Dat wil zeggen, wanneer ik die tijd heb. En dat had ik gistermiddag, want het nieuwe jaar staat voor de deur en van de baas moeten de vrije dagen opgemaakt worden want anders ben je ze kwijt en dat zou zonde zijn, nietwaar?

Dus ik liep naar de Albert Heijn. De kraag van mijn jas hoog opgetrokken, het was inmiddels echt winter geworden. Vier nachten achterelkaar had het stevig gevroren en bij Matthijs van Nieuwkerk aan tafel werd al hardop gedroomd over de Elfstedentocht. Vanmorgen hoorde ik overigens dat mijn buurman een heel andere oer-Hollandse traditie van zolder had gehaald: vloeken als een dronken zeeman en de voorruit krabben.

Afijn, ik wandelde rustig richting het winkelcentrum. Een stukje slenterde ik zelfs. Zo nu dan passeerde een fietser mij en ik dacht na over de te kopen ingrediënten voor het nog te kiezen avondeten. Dat gaat goed tijdens het lopen, een beetje mijmeren over dingen. Grappig ook hoe dat werkt, als je de tijd hebt. Dan denk je op het ene moment aan boerenkool met worst, en omdat je moeder daar een verrassend recept voor heeft, gaan je gedachten ineens naar haar, dan besef je dat het al drie weken geleden is dat je hebt gebeld en mag ik eigenlijk al bijna een nieuwe telefoon uitzoeken bij mijn provider of loopt mijn contract nog een jaar door?

Net op tijd zag ik dat het stoplicht op rood stond. Ik was al aan de rand van het centrum en aan de opgehangen kerstversiering te zien moest het hier reuze gezellig zijn. Niet wachtend op groen, stak ik snelwandelend over na de laatste auto van rechts. Ik had ineens haast. Als je eenmaal een paar jaar woont in Amsterdam krijgen stoplichten dat effect op je. Wachten is voor provinciale losers.

Ik beende de Albert Heijn van bestemming in. Bij de winterpenen sloeg ik rechtsaf en bij het tijgerbrood links. Slalomde om de bejaarden bij het koffiezetapparaat en sneed een stel scholieren af bij het Red Bull-eiland. Stevig stapte ik voorbij de roze koeken, de pakken chocomelk en stapels ontbijtkoek. Voordat ik het wist sloot ik aan in de kortste rij van de zes aanwezige pinkassa’s zonder ook maar iets in mijn mandje. Ik groette de kassière, rekende een pakje Sportlife af om toch iets af te rekenen en stond weer buiten met een nieuw persoonlijk record op de klok.

Ik snoof de koude lucht vermengd met uitlaatgassen en iets dat rook naar verbande falafel. Manisch kauwend op een gloednieuw kauwgumpje snelde ik me richting de tramhalte. Daar werd ik elke minuut die ik langer moest wachten op die klotetram die altijd, maar dan ook altijd vertraging had, bozer op de wereld.

Die avond at ik een diepvriesmaaltijd en ontfutselde Matthijs in een razend tempo bij een rayonhoofd de dikte van het ijs in Bartlehiem. Met de bitterkoude mededeling dat er echt nog wel een paar vriesnachten overheen moeten, nam de presentator geen genoegen.

Standaard
Bevroren

Op het bankje

Ze hoefde net niet te huilen bij het boek. Ze liet zich niet teveel meeslepen door het verhaal en ging na elk hoofdstuk de kat aaien, met haar moeder praten of door 9gag scrollen. Dan ging het wel. Maar bij de film, nee, toen ging het niet.

Het was natuurlijk zelfkwelling om ernaar te kijken na wat er gebeurd was. Al vanaf de begintitels voelde ze iets zwaars tegen haar borst, alsof alle angst in haar lichaam was samengebald tot een dreunende vuist. Ze wist wat er komen ging, en wilde dat het komen ging. Dag jongen.

Ze kende hem niet, maar toen het gebeurd was, krulde ze zich op in foetushouding vanwege de pijn in haar lijf. Augustus Waters heette hij, en hij bestond niet eens. Maar zoveel betekende ‘bestaan’ natuurlijk niet: Gijs bestond ook niet meer en hij beïnvloedde haar leven nog elke dag.

Toen ze weer op kon staan, ging ze naar buiten. Ze woonde aan de Prinsengracht dus het bankje waarop de hoofdpersonen uit de film hadden gekust, was niet ver weg. De laatste dagen had ze het nieuws gevolgd waarin telkens werd bevestigd dat dít het echte bankje was, wat vervolgens weer werd ontkend. Nu scheen het echte in Hollywood te staan, maar dat geloofde ze niet.

Ze zag het bankje al vanuit de verte omdat er niet één toerist voor stond. Een gekke aanblik was het, dat wonderlijke snijpunt tussen fictie en werkelijkheid. Ze ging op het koude hout zitten en kon die twee werelden even niet zo goed meer onderscheiden. Haar hoofd zat nog in de film, en haar lichaam nu ook.

Het was prettig om zo opgeslokt te worden door het leven van een ander. Films kijken leek eigenlijk erg op verdriet hebben: je kon erin wegkruipen alsof het een dikke vacht was, tot je er geheel in verdween. Zo kroop ze weg in het verhaal van The Fault in Our Stars en vergat zichzelf. En Gijs zijn bleke gezicht in het ziekenhuisbed.

Niemand had haar ooit verteld dat verdriet ook fijn kon zijn. Het deed pijn, meer pijn dan ze dacht aan te kunnen, maar toch genoot ze er elke dag een beetje van. Het was zo groot en allesomvattend dat niets anders er meer toe deed. Haar verdriet voelde veilig. Ze streek met haar vingers over het groengelakte hout van het bankje, waar nu een dun wit laagje op zat, en het was net of de hele wereld was bevroren.

Ze snapte niet zo goed hoe dit hetzelfde bankje als in de film kon zijn. Het bankje bevond zich in twee verschillende werelden, een echt en een verzonnen. Op dezelfde manier kon ze het nooit bevatten dat acteurs zowel in de film als in het echte leven bestonden, alsof ze eigenlijk twee verschillende personen waren in twee verschillende dimensies.

Plotseling wist ze niet meer zeker of ze zélf wel echt bestond. Misschien was haar leven ook alleen maar een verhaal of een roman. Zo eentje waarbij ze om de zoveel tijd de kat moest aaien, of met haar moeder moest praten, of door 9gag moest scrollen. En dan kon ze het net uitlezen.

Standaard
Bevroren

Is er iets mooiers dan een vriendje te zijn?

Ze ligt te slapen op de bank en de cursor op mijn verder lege scherm knippert. Ik heb een deadline, goede wil en zelfs inspiratie, maar ze leidt me af. Haar borst gaat zachtjes op en neer, net niet op het halve ritme van Bruce Springsteens’ Nothing Man. Ze heeft een vlecht in, met een oud elastiekje vastgebonden. Onder de mouwen van mijn trui komen haar nagels vandaan. Haar duimnagel is ongeveer zo groot als die van mijn pink. Raar.

Ze ruikt naar amandeltjes, zeep en platteland en mijn scherm blijft leeg. Als ze iets van me wil roept ze mijn naam langgerekt en volgt er een ‘je veux’. Ze wil veel. Een hond, een kitten, een paard, een koe, een landgoed, een klein huisje, een grote tuin, een varkentje. En ik zou het haar allemaal geven als ze er serieus om vroeg.

Het zijn die ogen die ik nu niet zie. Ergens aan de zijkant branden lichtjes van plezier als je haar een goede zoen geeft of als ze wiebelend van plezier om een grapje lacht. Soms kijkt ze verwachtingsvol naar me op en soms vermaakt op me neer. Het zijn de ogen die ik nu niet zie waardoor ik niet kan werken. Keek ze me maar aan, dan schreef ik duizend boeken in een uur.

Ze draait zich om. Eén hand gaat onder de wang, de ander trekt het dekentje waar ze half onder ligt wat beter. Met die handen kan ze mij omhelzen alsof de wereld vergaat. Dan begraaft ze haar gezicht op mijn borst, doet haar ogen dicht en ademt mijn geur diep in. Mijn kin rust op haar kruin, ik ben precies lang genoeg en zij precies kort genoeg. Als we dan zo een minuut blijven staan slaapt ze vaak al half.

De wolken trekken voorbij aan mijn raam, de ademteugen van mijn meisje klinken zacht en de zwarte pixels die voor mij zouden moeten verschijnen blijven afwezig.

Ik geloof niet dat er iets mooiers is dan het blij maken van de persoon van wie je houdt. Als zij lacht kan ik onmogelijk kwaad zijn. Maar als zij huilt, dan moet ik ook, dus houd ik haar liever blij. Ik kus haar wanneer ze maar wil. Ze krijgt m’n armen om haar heen als ze daar behoefte om heeft. En ze mag zelfs haar ijskoude winterhanden warmen aan het gevoeligste plekje in mijn zij. Die weet ze altijd haarfijn te vinden. Ik kijk naar haar handen, die nu warm zijn. Warm en zacht van een rustige slaap op zondagmiddag. Zij slaapt en mijn hoofd is leeg. Is er iets mooiers dan een vriendje te zijn?

Ik klap m’n laptop dicht en schuif naar haar toe. Een kusje op haar voorhoofd. Ze wordt wakker, kijkt omhoog en geeft me de glimlach van geluk.

Is er iets mooiers dan een vriendje te zijn?

Standaard
Bevroren

Het miezerige bestaan van een halfgodsdochter

Medijsa werd als Lilhuckding geboren uit de halfgoden Suph Cop en Dohme Dows. Haar jeugd was vervelend. Op de basisschool zat ze tussen nakomelingen van Perseus en Zeus. De slimmeriken van het universum. De heersers. De verwende apen. Als Selphy -achterkleinzoon van Zeus- om bliksem vroeg dan kréég hij bliksem. Er waren maanden bij dat het continu bliksemde, omdat dat kuttekopje zo van de flitsen hield.

Lilhuckding was als nazaat van twee miezerige halfgodjes het lachertje van de klas. Het losertje dat
-na Ajax, ook zo’n sukkel- als laatste werd gekozen met gym.

Tegen de tijd dat ze twaalf was, had ze zo’n typhushekel aan haar klasgenoten dat ze op zoek ging naar hun geschiedenis. Naar hun voorvaderen. Op zoek naar nog meer om te kunnen haten. Haat was haar redmiddel. Dat hield haar op de been.
In de bieb las ze over Medusa, de Gorgoon die door Perseus onthoofd werd. De fascinatie sloeg in als een bom. Lilhuckding leek bij het zien van een foto al te verstenen. Ze dacht de slangen op het hoofd van de vrouw te horen sissen. Medusa’s kracht, mensen in steen veranderen, was ongeëvenaard.
Vanaf dat moment was Medusa haar grote heldin.
Omdat Lilhuckding voorwerpen in ijs kon opsluiten, besloot ze zichzelf Medijsa te noemen en net zo goed te worden als haar voorbeeld. Ooit zou ze personen in een klomp ijs kunnen vastzetten, zo nam ze zich voor. En als het zo ver was, zou ze wraak nemen op haar klas.

Jarenlang oefende Lilhuckding. Ze begon met baby’s bij het consultatiebureau. Toen dat goed ging, oefende ze bij de kleuterschool en daarna vertrok ze van basisschool naar middelbare school. Het verijsen vereiste opperste concentratie, dus als ze een paar slachtoffers in ijs had gevangen ging ze naar huis om te slapen. Haar laatste oefenproject vond plaats in de kantoortuin van Heras Hekwerk. Ze sloot tien volwassenen in een klomp ijs en ging tevreden naar huis om drie maanden te slapen. Toen ze wakker werd, schreef ze de uitnodigingen voor de basisschoolreünie en bracht ze naar het postkantoor. Ze voelde zich fantastisch. Ze kon wat Medusa kon: anderen voor eeuwig tot stilstand brengen.

Nadat ze haar klasgenoten vanmiddag stuk voor stuk had verijst, had ze geroepen: ‘Ik ben Medijsa! Fan van Medusa! Jullie opa heeft haar onthoofd! Dit is mijn wraak! Ik heb jullie voor altijd opgesloten in ijs!’ Ze wilde er nog ‘muhahahaha’ aan toevoegen, maar dat ging haar te ver.
Ze had het haardvuur wat opgestookt, omdat al het ijs de kamer kil maakte. Bij het vuur was ze in een diepe, droomloze slaap gevallen.
De eerste gniffel, notabene die van Selphy, wekte haar. Het gegrinnik van haar ontdooide klasgenoten groeide uit tot oorverdovend gelach. Ze stonden om haar heen, wezen naar haar, lachten haar uit, riepen hoe dom ze was.
Lilhuckding verborg haar gezicht in haar handen. Hete tranen bevroren op haar wangen.

Standaard