Moord

Jacht

“Het was de verlaten hal die ik bij de spreekwoordelijke tiende tel weer eens op was gestormd. Het enige dat me op kantoor nog soelaas bood, was de kleine, magere schoonmaakster die ik zo nu en dan in de kale hal trof.

Wanneer ze mijn kwade hoofd weer eens zag verschijnen, zette ze, zo snel als haar stakerige benen dat aankonden, een andere richting in. Voor de eerste paar uitbarstingen had ik me geschaamd en gedacht haar eens mijn excuses te maken, maar dat is er nooit van gekomen.

Als de schoonmaakster er niet was, liep ik via de zijuitgang van het kantoor de tegenoverliggende dierenweide in. Alle dieren gingen er dan aan. Onderweg zette ik mijn oude jagershoed op en probeerde ik me mijn geweer voor de geest te halen. Ik laadde deze echter pas vlak voordat ik de poort opende, zodat in ieder geval een aantal beesten op de vlucht sloeg en er nog wat te jagen viel. Ik vond dat de herten soms nog vrij snel liepen, vooral als er jongen bij waren. Zo nu en dan had ik geluk en zag ik twee kleine stommelingen tegelijk voor mijn loop verschijnen. Dat waren de beste dagen, als ik vlot een einde wist te maken aan alles dat onder de indruk was van mijn dreigende vertoon. Heel kort voelde ik me weer de vlijmscherpe jager die ik ooit was. Lang voor die ene misstap. Als ik ’s avonds bij thuiskomst mijn denkbeeldige trofeeën uitpakte en in de daarvoor ingerichte vitrine zette, barstte ik vaak in een schreeuwend huilen uit. De gedachte aan de slappe, fluwelige oren van een jong hert wierpen me terug naar de momenten waarop ik, in een vorig leven, terugkwam van de jacht en mijn moeder een kleed over me heen sloeg. Hoewel ik inmiddels alleen nog vanuit een kantoor de wildstand bijhield, en zowel mijn moeder als mijn jachtvergunning me al jaren terug waren ontnomen, voelde ik op dit soort dagen nog altijd haar warme deken.

Enfin. Toen ik die middag dus de hal opstormde, was de schoonmaakster nergens te bekennen. Ik liep door naar de dierenweide, maar net toen ik de poort wilde openen, zag ik een bordje waarop stond: ‘VERBODEN TOEGANG’. In kleine, zwarte letters stond uitgelegd dat alle dieren geruimd waren in verband met een of ander virus.

Op dat moment gebeurde er iets. Net als deze dieren, werd ik ook ziek bevonden. Niemand had me er dan ooit rechtstreeks naar gevraagd, maar ik had de misprijzende blikken in mijn rug wel gevoeld. Het was regelrechte afkeer en ik snapte het ook nog. Maar het zou net zo aflopen als met de dieren. Het was ik of zij, want dat was hoe ík vond dat het ervoor stond.

Het was een logische dag voor de volgende stap. Ik wilde ook niks anders. Dat treurige toneelspel moest een einde krijgen. Het werd tijd om mijn denkbeeldige geschut neer te leggen en weer eens een echt jachtgeweer ter hand te nemen. Wat had het immers voor zin om me niet gewoon neer te leggen bij mijn natuur? Zo was het allemaal ooit bedoeld. The survival of the fittest, maar dan op kantoor.”

Langzaam kijkt Faas op van zijn schrijfblok, de groep in. Terwijl zijn handen de beschreven vellen papier op zijn schoot stevig blijven omklemmen, komt de begeleider naast hem staan. Ze legt haar hand op zijn schouder en zegt: “Bedankt, Faas, dat je dit verhaal hier met ons wilde delen.”

Bregje Rooijendijk

Standaard
Moord

Karaktermoord

Volgens de Volkskrant tastte de Amsterdamse politie nog volledig in het duister waarom gisteren aan het eind van de avond een vrouw van middelbare leeftijd aan de Warmoesstraat met maar liefst dertien messteken om het leven was gebracht. Van de dader ontbrak nog ieder spoor.

Het artikeltje op pagina drie deed Bas ineens denken aan Baantjer. Was dat nog op televisie tegenwoordig? Vast niet, de schrijver was al jaren dood. Of was dat de acteur die De Cock speelde? Hoe dan ook, nu hij zelf schrijver was –het verrassend forse, maar zeker niet onuitputtelijke voorschot van de uitgeverij gaf hem het vertrouwen om hier eindelijk openlijk voor uit te komen– begreep hij niet meer waarom hij die boeken als tiener verslonden had. Was het jeugdige naïviteit? Of kon hij er nu niet meer met z’n hoofd bij omdat de maatschappij in een rap tempo zoveel harder was geworden dat de criminele activiteiten in de tijd van De Cock tegenwoordig haast op onschuldige pesterijtjes leken? Hij kon er z’n vinger maar niet op leggen.

Bas had er ook wel eens een pittige discussie over gehad met Saskia. Ondanks haar belangrijke functie en jarenlange ervaring binnen de uitgeverij moest ook zij hem het antwoord verschuldigd blijven. Ze kregen er zelfs ruzie over, zoals over zoveel zaken. Saskia speelde het hard, altijd. Ook als het op zijn werk aan kwam. Een paar weken geleden nog, tijdens hun maandelijkse vergadering, vlogen ze elkaar weer in de haren. Saskia vond het verhaal van z’n debuutroman te dun. Ze geloofde het niet. Ja, het was wel goed geschreven, maar er miste volgens haar iets.

‘Iets!’, had Bas kwaad herhaald. Hij was er zelfs voor uit de modieuze stoel opgestaan. ‘Wat moet ik daar nou mee? Iets? Hoezo ‘iets’? Er moet ‘iets’ bij? Lekkere redacteur ben jij. Hier schiet ik toch niks mee op! Ik moet con-cre-te oplossingen hebben! Oplossingen! Con-creet!’

Graag had hij er nog langer over willen schreeuwen, maar Saskia stond op tijd en hun half uurtje zat er al ruim drie minuten op. Haar horloge toonde ze Bas als waterdicht bewijs. Hij begreep de subtiele hint, de uitgeverij ervaarde momenteel erg lange, drukke dagen. Een nieuwe Kluun werd nog verwacht voor Kerst en dan verschoven zonder meer de prioriteiten binnen het bedrijf. Zo werkte het nou eenmaal in deze wereld, wist Bas. Quasi grappend had hij de uitgeverij weleens de boekenfabriek genoemd tijdens dit soort hectische periodes, maar Zure Saskia had er uiteraard nooit om kunnen lachen.

Die avond na hun maandelijks onderhoud op het statige kantoor aan de Warmoesstraat had hij lang gepiekerd over hoe hij dan meer realiteit in z’n verhaal kon krijgen. Al was het alleen maar om dat kloteboek af te krijgen. Waarom geloofde Saskia wel een film als The Godfather en niet Schrijven over lijken in Amsterdam, z’n eerste literaire thriller?

Het kwartje viel pas een week of drie later, toen hij voor z’n doorgezakte boekenkast stond tijdens de zoveelste zoektocht naar inspiratie. Het kwartje dat luisterde naar de naam Marlon Brando. Natuurlijk! Brando! Snel had Bas de biografie van de bovenste plank gegrist en zonder ontzag voor de netjes ingebonden bladzijdes was hij op zoek gegaan naar het hoofdstuk waar sinds een paar minuten zijn bestaan als schrijver vanaf hing: Method Acting.

Ineens viel alles op z’n plek. Brando was immers zo geloofwaardig als onaantastbare maffiabaas omdat hij voor en na de opnames in karakter bleef. Maanden lang was Marlon Brando niet de acteur Marlon Brando, maar de over lijken gaande Amerikaanse Italiaan Vito Corleone. Voor z’n collega’s, voor z’n vrienden, voor z’n familie, voor het puistige meisje achter de kassa in de supermarkt om de hoek: voor de gehele wereld. Het besef dat de sleutel tot de bestseller der bestsellers al die jaren stof had verzameld op z’n oude Ikea boekenkast, deed Bas glimlachen. Wat kon het toch raar lopen in het leven.

Verschrikt keek Bas op. Snel vouwde hij De Volkskrant dicht en stapte in z’n schoenen. Als hij ergens een hekel aan had, dan was het wel te laat komen. En deze vergadering bij de boekenfabriek wou hij zeker niet missen. Hij kon niet wachten om z’n nieuwe materiaal te laten lezen aan…

Ja, aan wie nu eigenlijk?

Standaard
Moord

Uiteindelijk hield ze zelfs in zijn dromen haar mond

Ze hebben hun best gedaan om zo veel mogelijk wit te maken. De muren, de lakens, het houtwerk, de vloer. Wat niet wit is, is grijs of glanzend chroom.

Ze hebben Theo zijn eigen kamer gewezen. Op het voeteneind van het bed ligt netjes opgevouwen het beddengoed, ook wit, en aan de muur erboven een magneetbord om te vullen naar eigen wens. Alsof hier mensen komen die kaarten krijgen. Een kast voor kleding en andere persoonlijke bezittingen. Een bureau met een computer, waarvan hij de internetverbinding moet verdienen door goed gedrag.

Tweemaal per week moet Theo op gesprek. De man met wie hij praat is een jonge dokter, die dure pakken draagt en een dik zwartomrande bril. Ze hebben het over Theo’s jeugd. De dokter vraagt naar zijn moeder: wat betekende ze voor hem? Was ze vaak thuis? En hoe was de relatie met zijn vader? Theo geeft antwoord op de vragen en blijkbaar doet hij het goed, want de dokter knikt en glimlacht en noteert iets in het boek met de zwarte kaft. De pen stopt hij in het borstzakje van zijn overhemd.

Theo mag zelf kiezen of hij in de ochtend of in de middag naar buiten wil. Er is een binnenplaats met een tuin, een cirkelvormig grindpad en bankjes. In het midden staat een boom waarin merels nestelen. Soms, als Theo zijn ogen dichtdoet en zijn wang tegen de stam legt, heeft hij het gevoel dat hij in zijn eigen tuin staat. De merels daar komen elk jaar terug.

Ze serveren Hollandse pot en op zaterdag Italiaans of Aziatisch. Het eten is niet van de kwaliteit die Theo gewend is en hij krijgt last van zijn maag.

Als hij de voorkeur geeft aan eten op zijn kamer vinden ze het goed, maar hij dineert liever met het gekletter van andermans bestek in zijn oren dan met op de achtergrond de lege stemmen van zijn tv. Het herinnert hem aan de restaurants waar niet meer zal komen.

Al in de eerste week ontdekt Theo dat de klok die overdag onhoorbaar is, genadeloos door zijn slapeloze nachten tikt. Het matras is harder dan thuis en de kussens zijn te slap. De jonge dokter schrijft een slaapmiddel voor, wat niet alleen helpt tegen het wakker liggen maar hem ook zijn dromen beneemt. Theo stopt met het innemen van de pillen, al zegt de dokter dat het verstandiger is van niet.

Elke week wordt het tikken een beetje minder luid, klinken de merels meer als de merels van hier dan die van thuis. Elke week raakt zijn maag meer gewend aan het eten en hoeft de dokter minder vragen te stellen. Het verhaal komt nu vanzelf. En elke week wordt gillen in zijn hoofd ietsje minder hard.

Standaard
Moord

Horres en Van Dam in: Met Voorbedachten Rade

Erg druk kon je het niet noemen, in café De Zatte Egel. Er zaten misschien drie man, als je de dwerg meetelde. Maar daar was het dan ook het stamcafé van de recherche voor. En aangezien Horres en Van Dam samen de recherche waren, in Amsterdam-West, was dat wel zo rustig.

Zowel Horres als Van Dam moesten weinig hebben van die hippe plekjes waar half Amsterdam heen ging om gezien te worden. Nee, dan liever een rustig, bruin cafeetje met een ober die je kent.
‘Het gebruikelijke, heren?’
‘Uiteraard, Harry, uiteraard.’
Horres glimlachte. Mannen als Harry vond je niet zo makkelijk, tegenwoordig.
‘Kijk eens aan heren, een biertje en een homocider.’
‘Dankjewel, Harry.’
‘Hmm, hij is weer goed vandaag,’ zei Van Dam, ‘er had iets meer aardbei in gemogen, maar ik ben tevreden. Je moet ‘m ook eens proberen. Lekker man.’
‘Nee, dank je, ik ben meer van de heteroseksuele drankjes.’
De mannen zaten een korte tijd zwijgend naast elkaar. Ze nipten aan hun drankje. Horres aan z’n biertje, Van Dam aan z’n kir van appels, aardbeien en bessen. Die had Harry na lang aandringen van Van Dam dan homocider genoemd. De woordgrap was van Horres. Hij had ‘m bedacht na de moord op een homoseksuele nachtclubeigenaar. Hij was wel aardig, vond hij zelf, maar Van Dam had het zo’n topgrap gevonden dat hij ‘m nu zelfs op plaatsen delict bestelde bij de technische recherche. Het zijn zuurpruimen, die jongens, anders was het vast heel leuk geweest.
‘Zeg Horres,’ begon Van Dam, ‘vind je nou echt dat die tweede gele kaart van Moisander tegen Feyenoord onterecht was?’
‘Wát? Van Dam, jij en ik weet allebei dat Nijhuis een omgekochte klootzak is. Allereerst had die vieze Immers al rood moeten krijgen voor die schop die hij uitdeelde. Daarnaast was die eerste overtreding duidelijk op de bal, dat zou zelfs m’n oma nog zien en die is blind, ja, dus dat zegt wat, en was de tweede gele kaart gewoon een licht trekje aan het shirt. Ik zie absoluut niet in hoe iemand voor die beide niemendalletjes toch een gele kaart kan geven! En eerlijk gezegd, Van Dam, zit ik me af te vragen hoe jij het in je stomme kop kan halen dit nog te betwijfelen ook. Heb je niet gekeken of zo, dat je alleen wat gelul op nu.nl hebt gelezen en daar nog maar even een mening over moet hebben? Of zat je weer met je bek in het kattengrind de urine van Tommy op te snuiven? Heb je dat gedaan, hè? Ik wil het nog niet eens horen ook. Wat ben jij voor Amsterdammer? Je vindt de Dam zeker het mooiste stukje Amsterdam, of niet soms? Oh, oh, oh, ongelooflijk, en daar heb ik dan jaren mee samengewerkt! Heb je het gehoord, Harry? Van Dam hier, de klootzak, vond de rode kaart voor Moisander een prima idee. Geloof je het? Ongelooflijk, zeg ik je. Ongelooflijk!’
‘Sorry Horres, ik bedoelde het niet zo.’
‘Dat is je geraden.’
‘Wil je wat van me drinken?’
‘Nee, ik heb nog, Van Dam. Oh. Kijk nou wat je gedaan hebt! M’n bier is dood!’
‘Mooi zo. Harry, twee homociders, alsjeblieft.’

Standaard
Moord

Een heel gewone dag

Het was een dag zoals je er zoveel hebt. Herfst in Nederland. Kale bomen, natte ramen en verwaaide hoofden.

Een hele gewone dag, behalve voor haar. Ze had hem, in haar hoofd, al wel honderd keer beleefd. Misschien al wel vaker. Ze wist precies hoe het moest gaan. Het moest een hele gewone dag lijken. Met een douche zo heet dat haar borsten en billen er rood van werden. En met een chocoladetaart in de oven zodat haar kamer lekker ging ruiken.

Aan het begin van de middag zou ze haar dagelijkse boodschappenrondje lopen. Eerst naar het kleine groenteboertje, want ze had een nieuwe basilicumplant nodig. Daarna door naar de bloemenstal. Als niemand anders ze voor me koopt… zei ze altijd. Bloemen in haar kamer gaven haar het idee dat de zon scheen, ook als de ramen nat waren en het op haar kamer zo koud was dat ze er een loopneus van kreeg.

Om één uur zou ze haar lunch nuttigen. Dat deed ze altijd om één uur, dus vandaag ook. Van haar nieuwe basilicumplant zou ze gelijk dankbaar gebruikmaken en een paar fris groene blaadjes over haar mozzarella en tomaatjes strooien. Op die manier was het net zomer op haar bord. Tijdens het eten zou ze naar buiten kijken. Dat deed ze altijd tijdens de lunch. Ervoor en erna ook. Met naar buiten kijken kon ze zich uren vermaken. Een zacht muziekje op de achtergrond, de taart op tafel. Niet om op te eten. Gewoon omdat hij zo lekker rook. Helemaal in je eentje taart eten vond ze altijd maar iets treurigs hebben. Ze zou hem later op haar balkon zetten, voor de meeuwen.

Haar outfit hing al tijden klaar. Helemaal nieuw met de kaartjes er nog aan. Ze was er speciaal voor op pad gegaan. Naar Amsterdam. Ze had met zichzelf afgesproken dat ze op de prijsjes niet hoefde te letten, want dat maakte nu toch niet meer uit.

Ze was geslaagd bij een boetiekje waar ze de naam alweer van was vergeten en waar de verkoopster meerdere malen had benadrukt hoe prachtig slank ze was en dat álles haar vast ge-wel-dig zou staan.

Om acht uur zou ze zich in de glimmende skinnyjeans hijsen en de heerlijk warme trui eindelijk van het hangertje halen. Schoenen vond ze niet nodig, dikke sokken waren meer haar ding. Ze zou in bed gaan liggen, op de dekens, muziek in haar oren en de kaart in haar handen.

Was je maar dood! Haar broertje had het nu al zo vaak gezegd. Met Sinterklaas, toen zij een Furby kreeg en hij niet. Toen ze op vakantie zijn knuffel per ongeluk bij dat ene tankstation in Frankrijk had laten liggen. Of laatst nog, toen ze zijn telefoon kapot liet vallen. Haar vader kon er ook wat van. Kan je nou nooit iets goed doen? Dat zei hij regelmatig. Als ze een onvoldoende voor een toets haalde bijvoorbeeld. Of die keer dat ze een lekke band had en het haar niet lukte hem zelf te plakken. Ze wist het zeker, het zou écht beter zijn zo.

Standaard