Verhaal #27 • Afgesproken thema: Moord

Jacht

“Het was de verlaten hal die ik bij de spreekwoordelijke tiende tel weer eens op was gestormd. Het enige dat me op kantoor nog soelaas bood, was de kleine, magere schoonmaakster die ik zo nu en dan in de kale hal trof.

Wanneer ze mijn kwade hoofd weer eens zag verschijnen, zette ze, zo snel als haar stakerige benen dat aankonden, een andere richting in. Voor de eerste paar uitbarstingen had ik me geschaamd en gedacht haar eens mijn excuses te maken, maar dat is er nooit van gekomen.

Als de schoonmaakster er niet was, liep ik via de zijuitgang van het kantoor de tegenoverliggende dierenweide in. Alle dieren gingen er dan aan. Onderweg zette ik mijn oude jagershoed op en probeerde ik me mijn geweer voor de geest te halen. Ik laadde deze echter pas vlak voordat ik de poort opende, zodat in ieder geval een aantal beesten op de vlucht sloeg en er nog wat te jagen viel. Ik vond dat de herten soms nog vrij snel liepen, vooral als er jongen bij waren. Zo nu en dan had ik geluk en zag ik twee kleine stommelingen tegelijk voor mijn loop verschijnen. Dat waren de beste dagen, als ik vlot een einde wist te maken aan alles dat onder de indruk was van mijn dreigende vertoon. Heel kort voelde ik me weer de vlijmscherpe jager die ik ooit was. Lang voor die ene misstap. Als ik ’s avonds bij thuiskomst mijn denkbeeldige trofeeën uitpakte en in de daarvoor ingerichte vitrine zette, barstte ik vaak in een schreeuwend huilen uit. De gedachte aan de slappe, fluwelige oren van een jong hert wierpen me terug naar de momenten waarop ik, in een vorig leven, terugkwam van de jacht en mijn moeder een kleed over me heen sloeg. Hoewel ik inmiddels alleen nog vanuit een kantoor de wildstand bijhield, en zowel mijn moeder als mijn jachtvergunning me al jaren terug waren ontnomen, voelde ik op dit soort dagen nog altijd haar warme deken.

Enfin. Toen ik die middag dus de hal opstormde, was de schoonmaakster nergens te bekennen. Ik liep door naar de dierenweide, maar net toen ik de poort wilde openen, zag ik een bordje waarop stond: ‘VERBODEN TOEGANG’. In kleine, zwarte letters stond uitgelegd dat alle dieren geruimd waren in verband met een of ander virus.

Op dat moment gebeurde er iets. Net als deze dieren, werd ik ook ziek bevonden. Niemand had me er dan ooit rechtstreeks naar gevraagd, maar ik had de misprijzende blikken in mijn rug wel gevoeld. Het was regelrechte afkeer en ik snapte het ook nog. Maar het zou net zo aflopen als met de dieren. Het was ik of zij, want dat was hoe ík vond dat het ervoor stond.

Het was een logische dag voor de volgende stap. Ik wilde ook niks anders. Dat treurige toneelspel moest een einde krijgen. Het werd tijd om mijn denkbeeldige geschut neer te leggen en weer eens een echt jachtgeweer ter hand te nemen. Wat had het immers voor zin om me niet gewoon neer te leggen bij mijn natuur? Zo was het allemaal ooit bedoeld. The survival of the fittest, maar dan op kantoor.”

Langzaam kijkt Faas op van zijn schrijfblok, de groep in. Terwijl zijn handen de beschreven vellen papier op zijn schoot stevig blijven omklemmen, komt de begeleider naast hem staan. Ze legt haar hand op zijn schouder en zegt: “Bedankt, Faas, dat je dit verhaal hier met ons wilde delen.”

Bregje Rooijendijk



Wie is gastschrijver?

Dat ben jij! Nou ja, als je een beetje handig met woorden bent. Jouw verhaal ook op de website van Schrijversgenootschap De (Voorheen) Lege Bladzijde? Stuur je beste werk naar info@schrijversgenootschap.nl en laat je lezen!
Standard