Fietsende Duitsers

Billen met putten

De man zit op een bankje en nipt van gloeiendhete koffie uit een thermoskan. Amsterdam komt om hem heen tot leven, voor zover de stad al slaperig was. Fietsers slingeren langs elkaar en trams rijden klingelend langs het park waarin hij zit. Zijn notitieblok ligt onaangeroerd op schoot. Hij heeft geprobeerd te schrijven, maar door de ijzige kou werkt zijn balpen niet. Hij had een potlood mee moeten nemen.

Zijn aandacht wordt getrokken door een fietser die net de bocht door kwam en nu van hem af fietst. Ze is enorm. Het smalle zadel lijkt door haar kont te worden opgeslokt en meer dan haar billen en het wiel dat kreunend er onder draait ziet hij niet. Ze zit op een racefiets, waardoor de rest van haar lichaam voorover hangt. Door haar veel te strakke groene fietsbroek, ziet hij de vele putten in haar immense bovenbenen en enorme billen. Hij heeft respect voor haar. Zij fietst tenminste.

Zijn eigen lichaam is te log voor een fiets, vindt hij. Daarbij is zijn conditie al jaren geleden tot onder het nulpunt gedaald. Dat ene korte wandelingetje, van zijn huis naar dit bankje is het enige stukje dat hij nog wandelt. Boodschappen laat hij doen door Hetty, zijn huishoudster. De arme vrouw sjouwt zich een breuk aan alles wat hij dagelijks in huis wil hebben.
Veel vet voedsel, grote flessen frisdrank, snacks voor in de vriezer (die hij één keer zelfs nog bevroren op at) en kilo’s chocolade. Ze haalt het allemaal in huis.

De man kijkt hoe de kont langzaam kleiner wordt in de verte, en tenslotte verdwijnt achter een auto. Wat moet die vrouw wel niet wegstouwen om zo’n achterwerk te onderhouden? Appeltaart, zo stelt hij zich voor, met een enorme berg slagroom waarvan er telkens wat in haar mondhoeken achterblijft als ze eet. Ze lijkt hem een Duitse. Nu is ze even flink aan het fietsen, zodat ze straks met rode wangen achter een bord sauerkraut met worst kan gaan zitten. Binnen tien happen is het op.

Ze zouden ze moeten verbieden, die fietsbroeken voor vrouwen. De man heeft nog geen moment aan zijn nieuwe boek gedacht. De enige vrouw die hij met regelmaat ziet is Hetty, maar dat is zo’n scharminkel dat een fietsbroek om haar knokige heupen zou lubberen. Hij probeert zich de kont weer voor de geest te halen. Een overdaad aan bobbelig vlees, dat zag hij zelfs door de fietsbroek heen. Net alsof er zo vaak door mannenhanden in is gekneed dat de vingerafdrukken zijn blijven staan.

De man brengt de pen naar zijn mond en likt aan het balletje in de punt. Weer probeert hij te schrijven, maar hij laat alleen een afdruk achter, geen kleur. De inkt is bevroren. “Billen…” krast hij in het papier. Dan moet het maar zo. “… met putten”. Die vlaag inspiratie die hem net in een groene fietsbroek is toegewaaid, kan hij niet zomaar laten wegvliegen. Hij brengt de balpen nogmaals naar zijn mond en zuigt. Hoe gaat het verder? Dan weet hij het, en hij drukt de pen zo hard op het papier dat het door de pagina heen prikt. “Kneden in een vrouw van deeg.”

Door: Mirjam van Doorn

Standaard
Fietsende Duitsers

Ik waande me Bruce Willis

Het was het jaar van de Grote Trek. Door het hele land kon je ze zien fietsen, in zwermen bij elkaar. Ze kwamen van de stranden met hun emmers en hun scheppen en hun helmen en het zand uit hun kuilen plakte nog aan ze vast. De fietspaden raakten al gauw bedolven door de vele liters strandvulling die van hun scheppen, fietsen en billen afvielen.

Ik woonde toen nog in Leeuwarden en stond als jonge knul langs de rand te kijken naar de oneindige stroom die voorbij kwam. Ik stel me zo voor dat ik aan een ijsje stond te likken, zoals kleine jongens dat zo goed kunnen, maar het zal verbeelding zijn. Laten we maar zeggen dat ik er gewoon stond. Zo rond een uur of één kwam de stroom vrij abrupt tot stilstand. Ze stapten van hun fietsen af en begonnen tafeltjes en stoeltjes uit te klappen in de berm. Ik geloof niet dat ze doorhadden dat ik er was, want een van de tafeltjes werd zo op mijn voet neergezet.

Toen de worsten en het bier uit de koelboxen kwamen, keek ik om me heen en zag ik dat ik de enige was die nog stond. Een beetje onwennig begon ik langs de tafels te lopen. Het waren gewone mensen. Sommigen waren wat dikker, sommigen waren wat dunner, sommigen hadden lang haar en sommigen krullen, net als ik. Maar ze zagen me niet. Zelfs niet toen ik na een kwartier heen en weer drentelen een worst van een tafel pakte. Ik had ook honger. Ik hield de worst voor de ogen van een man en hij keek er gewoon doorheen.

Met m’n mond vol liep ik verder. Hier en daar schopte ik tegen de toch al instabiele uitklapstoeltjes aan. Lachend keek ik hoe ze vielen, verbaasd om zich heen keken en zenuwachtig lachend weer gingen zitten. Op een gegeven moment ging ik te ver. Ik trok de stoel omver van een meisje dat ongeveer zo oud als ik zal zijn geweest. En ze zag me. Zij was de enige. Ze keek me aan met grote ogen die zich afvroegen wat ik was. En op dat moment begon ik me dat ook af te vragen. Als niemand mij kon zien, wie was ik dan? En waarom zij dan wel? Ik had Sixth Sense nog niet gezien, anders had ik me een Bruce Willis gewaand.

Ik zette een stap achteruit, en op datzelfde moment verdween de blik uit de ogen van het meisje. Ze werden weer net zo glazig als die van haar ouders. Ze pakte haar stoel en ging zitten en at en dronk.

Vandaar ben ik naar huis gerend. Doodsbang rende ik de keuken in, waar ik mijn moeder vond. Ze stond aardappels te schillen. Ze keek me aan en vroeg of ik wat wilde drinken. Ja, zei ik, en ze schonk een glas water in. Ze gaf het en ik dronk. Toen het glas leeg was vroeg ik, terwijl ik m’n longen weer vulde met lucht, waarom de fietsers mij niet konden zien. En met een ouderwets moederlijke stem zei ze:

“Ach jongen, dat zijn slechts toeristen.”

Standaard
Fietsende Duitsers

De nieuwe Jordaan

Het is winter en er zit een Chinees achter het Concertgebouw. Zijn knieën heeft hij hoog opgetrokken en met zijn in elkaar geweven vingers omklemd. Zijn bovenlichaam maakt korte bewegingen van achter naar voren en andersom. ‘De Pijp is de nieuwe Jordaan! De Pijp is de nieuwe Jordaan!’ gilt hij.

Hij heeft een spijkerbroek aan, maar geen schoenen. Zijn witte sokken, die door het gebrek aan schoeisel allang niet zo wit meer zijn, kleuren prima bij zijn ontblote bovenlijf. Het sluike haar voor zijn ogen danst op het ritme van de tram in de rails.

Uit die tram stappen drie vrienden. Twee toeristen uit Hoffenheim, de ander is een Duitse inwoner van Amsterdam.
Bij het zien van de Chinees begint er één ‘Feed the world, let them know it’s Christmas time’ te zingen met een prima te imiteren accent. Zijn vriend, op een homoseksuele manier, vraagt of het niet ‘Heal the world, let them know its Christmas time’ moet zijn. De Amsterdammer legt uit dat hij nu twee nummers door elkaar haalt, maar dat kan niemand verder iets schelen.

‘Hey, fiets kopen?’ roept de overeind gekomen Chinees naar de drie jongvolwassen Duitsers. Twee van hen kijken vragend.
‘Vaarrat kaufen?’ zegt de Chinees, als ze iets dichterbij staan. Blijkbaar had iets verraden dat het hier oosterburen betrof, er even voor het gemak van uitgaand dat de Chinees als Amsterdammer beschouwd mag worden.
De jongen die van origine Würzburger is, zegt dat ze misschien straks langskomen, maar dat ze eerst even de koffers thuis gaan zetten. Bovendien heeft zijn huisgenoot nog een fiets waar ze dit weekend eventueel gebruik van mogen maken, maar dat kan de Chinees weer geen moer schelen.
‘Wat gaan jullie doen?’ vraagt hij. ‘Mag ik mee?’
De jongens lopen door zonder antwoord te geven. De Chinees loopt een stukje mee.
‘Jullie zijn zo saai, jullie mogen niet eens met mij mee!’ schreeuwt de Chinees hen na. Dan niest hij even vaak als hij een kind kreeg. Morgen mooi weer.

Even lijkt het alsof de Chinees mij ziet zitten in het café aan de andere kant van de straat. Ineens steekt hij de weg over. Een auto moet wat remmen, een tram belt tevergeefs. Hij stort zich onbeholpen van de stoep in de trambaan, die een halve meter lager ligt. Met korte pasjes waarbij hij zijn knieën hoog heft, rent hij door de sneeuw. Aan de andere kant van de trambaan klimt hij weer een stoep op. Hij wijst nu naar me. Kort, maar dwingend. Hij heeft sowieso heel korte armpjes. Dan bonst hij op het raam, alvorens hij naar de ingang van het café loopt. Ik zet me schrap, maar weet dat ik hier de controle heb. Nog voor hij de gordijnen bij de entree door is geworsteld, hoor ik hem al.
‘Ik heet gewoon Peter, hoor,’ schalt door het etablissement, ‘hou eens op dat ge-de-chinees!’ Ik schrijf in mijn notitieblok dat ik moet doen alsof ik het in mijn aantekeningen verander. Dan vraagt de Chinees of hij misschien een trui aan mag. Ik zeg dat hij moet kiezen. Heeft hij liever schoenen en droge sokken of een trui?
Terwijl hij daar over nadenkt en vlak voordat hij uitbrult dat hij recht op allebei heeft, ik mijn gore bek moet houden en hier niet het pedante schrijvertje moet gaan zitten uithangen, lopen de drie Duitsers (want – hoe lang je ook al in Amsterdam woont – dat blijf je, maar dat is dan weer helemaal niet erg) naar de plek waar hij altijd zit en nemen de onbemande fiets mee.
Als ik hem daarop wijs, druipt de Chinees af en mompelt hij dat de Pijp de nieuwe Jordaan is.

Standaard
Fietsende Duitsers

Zo smaakt de maan

Het water is zwart. Het klotst tegen de rotsen, donkerzwart op lichtzwart. De maan schijnt wit op de golven, net als de lantaarns aan de overkant van het meer.

Ik steek mijn teen in het water waar hij onmiddellijk onzichtbaar wordt. Mijn voeten volgen en tot aan mijn enkels ben ik verdwenen. Mijn kuiten worden uitgevaagd, mijn knieën, mijn benen. Met een rilling loop ik nog dieper het water in zodat ook mijn bovenlichaam verdwijnt. Ik haal een keer diep adem en dompel mijn hoofd onder water. Alles is weg.

Ik zwem door het meer. De lantaarns aan de overkant schijnen nu op de golven die ik zelf maak met mijn slagen. Het water omsluit me, zwart om wit, koud om warm. Mijn haren plakken levenloos op mijn hoofd, om weer onmiddellijk op te staan en levendig rond te dansen wanneer ik onder water ga. In de verte hoor ik stemmen, gedempt door de afstand. “Nicht so schnell!” schreeuwt er iemand. Gelach, gerinkel van fietsbellen. Als ik achter me kijk zie ik alleen nog maar leegte. Alles moet weg.

Met krachtige slagen ga ik verder, naar de overkant. Ik zwem ergens naartoe en ik zwem ergens voor weg, dat gaat altijd tegelijkertijd. Ik open mijn mond zodat het water langs mijn tong stroomt. De maan, die pal voor me schijnt, stroomt mee naar binnen. De witte reflectie glinstert op het water. Ik proef natuur, licht zoetige rotting vermengd met zurig leven. Dus zo smaakt de maan. De lampen van de lantaarns aan de kant werpen steeds grotere bollen op het water en spatten bij elke rimpeling uit elkaar in golvende lijnen. De lichtjes, de overkant. Ik ben er bijna. Alles gaat weg.

Standaard
Fietsende Duitsers

Vergetelheid zou de pijn doen sneuvelen

In het verpleeghuis waar ik woon, zie ik vaak dementerende mensen en ik ben jaloers op ze.

Jaloers op de vergetelheid. Het lijkt me heerlijk niet meer te weten wie je bent. Niet meer weten wie je was. En vooral: niet meer weten dat je grote liefde al zo’n zeventig jaar dood is. Dat je hem al zeventig jaar niet hebt aangeraakt. Dat je zijn stem al zeventig jaar lang alleen maar in je hoofd hoort, als herinnering.

Mijn grote liefde is dood en iemand die dood is krijg je doorgaans niet terug. Ja, soms wel. In een kist. Maar in oorlogstijd was dat alleen als je geluk had, want veel mannen kwamen niet terug. Na de oorlog wachtten veel vrouwen tot ze een ons wogen, maar er kwam niemand. Mijn man ook niet. Maandenlang wachtte ik thuis, maar hij kwam niet. Ook niet toen Hendrik, van wie ik zwanger was toen Johannes weg ging, geboren werd.

Ik wist dat hij dood was en dat ik me dus niet schuldig hoefde te voelen als ik opnieuw verliefd zou worden. Maar ik wilde het niet. En als ik al wilde dan lukte het me niet. Ik hield zo veel van Johannes, dat ik nooit zoveel van iemand anders zou kunnen houden. Een nieuwe man verdiende dat niet.

Ik heb nooit een officiële brief gekregen dat hij was overleden, maar dat hoefde ook niet. Ik vóelde het. Ik stelde me voor dat zijn lichaam ergens in een massagraf lag, maar dat beeld was te gruwelijk. Ik zette het dus van me af. Jarenlang heb ik het beeld verdrongen.
Ik deed wat ik moest doen. Ik voedde Hendrik op en hij groeide uit tot een hardwerkende man, die samen met zijn Maria twee zoons kreeg. Hein en Martin. Hein lijkt op Johannes en is mijn lieveling.

Twee maanden geleden is Hendrik overleden. Hij had darmkanker. Sinds zijn dood dringt het beeld van mijn mans lichaam in een massagraf zich weer onvermijdelijk aan me op. En dat is precies waarom ik jaloers ben op mijn dementerende medebewoners. Vergetelheid zou de pijn doen sneuvelen. Net zoals de oorlog mijn man deed sneuvelen. Ik wil de pijn niet voelen, maar het lijkt te moeten. Ik heb het te lang weggestopt.

Ik ben oud en versleten. Ik wil niet meer. Ik ben moe. ik ben klaar. Het is mooi geweest.
Ik wil naar Johannes. Toch moet ik grinniken bij het beeld van een 90-jarige gerimpelde vrouw die in de hemel aanpapt met een twintiger die al zeventig jaar dood is. Dat verzacht de pijn een beetje. Ik kan gelukkig nog lachen.

Ja, lachen is goed. Lachen is fijn. Maar de jongere generatie maakt wel eens grapjes over de oorlog en dat begrijp ik niet. ‘Mijn opa wil zijn fiets terug’, is zo’n geintje. Hein en Martin maakten daar altijd ‘mijn oma’ van. Maar ik hoef mijn fiets niet terug. Nee, de fiets die me in de oorlog werd ontnomen, kan me gestolen worden.

Standaard