Tapasbar

Ø

Thans begeef ik mij naar La Pimienta. Al jarenlang is dit etablissement mijn favoriete tent. Excuus, als ik heb gedronken wil ik mij nog weleens bezondigen aan rijmelarij. De uitbater is een jonge Noor met een dommige uitstraling.

Hij heet Ø, spreek uit: Eu. En misschien is het kinderachtig, maar nog steeds moet ik elke keer proesten als ik zijn naam uitspreek, wat zeg ik, soms lach ik hardop als ik alleen al aan zijn naam denk. Dat kan op de wc zijn, dat kan in de trein zijn, dat kan tijdens een voordracht zijn van de zwaarmoedige schrijfster Aline Kuierteef. Of zoals laatst, tijdens een auto-erotische sessie. Dat was nogal een vreemde gewaarwording. En bedankt, Ø.

Onderweg naar La Pimienta zie ik veel Chinezen lopen. Ze verplaatsen zich in groepjes, en maken foto’s van de grachten. Vindt u dat overbodige informatie? Welnu dan, zet u zich maar schrap; de iepen staan er glorieus bij op deze aangenaam frisse, zonnige herfstdag.

Gisteren was ik bij Finkelschneider, mijn psycholoog. De stemmen die ik hoor hebben geen bestaansrecht, zegt hij. Dat weten we nou wel, Finkelschneider. Voor mij zijn ze toch echt echt. Sowieso krijg ik regelmatig de indruk dat die kerel nauwelijks naar me luistert. Waarschijnlijk zit ‘ie met zijn gedachten bij de voedzame, smakelijke maaltijd die zijn vrouw hem ’s avonds zal voorschotelen. Rauwe andijviestamppot, met een smeuïg balleke wellicht. Ter hoogte van Felix Meritis klampt een vrouw met een zeer aanwezig brilmontuur mij aan, de trut. Ze wordt begeleid door een kleine man met een veldmuis-achtig voorkomen.
‘Mag ik u een vraag stellen?’
‘Één vraag maar?’ wedervraag ik het mens, ‘Weet u wel hoe druk ik het heb? Stelt u er maar drie. Tijd is geld, weet u.’
De bril kijkt me verbaasd aan.
‘Ik wilde eigenlijk weten welke kant het Rijksmuseum op is.’ zegt ze met een Drents accent en een zorgelijke blik.
‘Ik zal u vertellen welke kant het Rijksmuseum op gáát, als u het niet erg vindt. De weg die het algehele team onder leiding van de huidige directeur – Wim Pijbes – is ingeslagen, heeft alles te maken met het zo goed mogelijk beheren van ons cultureel erfgoed, alsmede een museale collectie aan te bieden die past in de 21ste eeuw. Volgende vraag.’
De kleine man heeft een stapje terug gedaan en trekt nu aan de mouw van de bril. ‘Kom, Tine, laat maar,’ piept hij. Het zweet staat op zijn voorhoofd. De bril mompelt iets tegen haar veldmuis, en wendt zich dan tot mij. Ik ben echter inmiddels push ups aan het doen, dat doe ik nou eenmaal iedere dag om 14.35. De twee lopen door zonder om te kijken. Rare mensen. Van al dat gesport heb ik wel honger gekregen. Laat ik vandaag eens de kip in sherry nemen. Daarna boquerones fritos. Iets verderop, op een brug, kukelt iemand achterwaarts van een Segway. Het is een dikke man met een stom helmpje op zijn hoofd, de zeikerd. Met een doffe klap komt hij op zijn rug terecht en spartelt nog even met zijn benen in de lucht. Een fraai gezicht zou ik het niet willen noemen. Je maakt wat mee op zo’n doordeweekse dag. Bij La Pimienta aangekomen ga ik aan mijn vaste tafeltje zitten. Als ik het uiige gezicht van Ø mijn kant op zie komen, kan ik me met moeite inhouden. Ik begrijp best dat sommige mensen zich soms aan mij storen.
‘Goedemiddag, Ø!’ gier ik het uit, ‘Ø, Ø, Ø!’
De Noor zucht, en glimlacht hoofdschuddend. Hij kent me, ik kom hier al jaren.

Door Vale Karotte

Standaard
Tapasbar

Terug naar Oost-Geesbrug: een modern literair drama

Ik moest weg uit Amsterdam, de situatie was niet meer houdbaar. Daarom stond er afgelopen zaterdag een in allerijl geleende vrachtwagen voor mijn alles behalve riante tweekamerappartement aan de Overtoom.

Mijn hoofdstedelijke kameraard Eduard, opgetrommeld als “extra handje”, was ietwat verlaat. ‘Brug open,’ meldde hij via WhatsApp en om enige vorm van argwaan meteen de kop in te drukken, volgde daarna een foto van de bewuste brug in inderdaad openstaande stand. ‘Ne pas de problème, mon ami’ stuurde ik terug. ‘Zoals gelukkig vaker in het leven, is deze dag de tijd aan onze zijde.’ Een reactie van Eduards kant bleef uit, maar daar zocht ik niks achter. De blauwe vinkjes toonden aan dat mijn inbreng in deze conversatie gelezen was en gezien onze hechte vriendschap was dat voor nu voldoende. In de stilte van het moment leer je elkaar immers echt kennen, zoals de onderschatte Russische schrijver Vlademir Wolkov optekende in zijn nooit officieel uitgebrachte memoires.

Ik bood de goed besnorde bestuurder van de vrachtwagen, mijn zwager Leo, een kop koffie aan. Dat kon, want als ik een ding had geleerd uit Verhuizen voor dummies, dan was het wel dat je het koffiezetapparaat áltijd als laatste moet inpakken, net na de beperkt houdbare inhoud uit de koelkast.

Afijn, ik kreeg dus hulp op deze verhuisdag van zwager Leo, die eind vorige eeuw mijn acht jaar oudere zuster Hannie huwde. Samen wonen ze tot ieders tevredenheid op het Drentse platteland, niet ver van waar wij zijn opgegroeid en waar nog altijd de boerderij van onze ouders staat: Oost-Geesbrug, een rond de 720 inwoners tellend dorpje in de gemeente Coevorden. Leo en Hannie bezitten een groot koophuis met een nog grotere tuin, drie corpulente kinderen, twee honden, zes kippen, acht konijnen, een trampoline en zo’n grasmaaier die veel weg heeft van een kleine tractor. Dat allemaal terwijl Leo en Hannie allebei een modaal inkomen genieten dat vast niet veel meer zal zijn dan wat ik de afgelopen jaren bijeensprokkelde als nachtportier in een sjofel hotel op de Wallen. Daarentegen had ik de grootste moeite om dit, en nu citeer ik de advertentietekst, “knusse, intieme appartement met telescopische zicht op de stad” te vinden en daarna elke maand te financieren bij de weinig galante en bijzonder ongeduldige verhuurder. Maar goed, ik wist dat het behelpen zou worden toen ik besloot om naar Amsterdam te trekken voor een kans in de televisiewereld als literair recensent.

‘Hoe gaat het met Hannie?’ vroeg ik terwijl het Senseoapparaat zich met horten en stoten door een koffiepad heen hoestte. ‘Werkt ze nog altijd met genoegen als secretaresse bij Haanstra Constructiematerialen in het dorp?’
Leo stond bij het raam en keek van drie hoog naar zijn vrachtwagen die onhandig op de stoep geparkeerd stond. Onder de voorruit lag een geel bord met daarop de naam van mijn zuster.
‘Hannie zit thuis,’ zei hij.
‘Wat zeg je me nu? Is Hannie ziek?’
Met een ongekende gretigheid nam Leo de mok van me aan en met een rotvaart werd de inhoud de slokdarm ingegoten.
‘Zo hé, daar was deze jongen wel even aan toe na dat pokke eind karren,’ zei hij bij het hard neerslaan van de lege mok op een verhuisdoos die volgens mij geen breekbare inboedel bevatte. ‘Prima bakkie, kun je niks van zeggen.’
‘Maar Hannie werkt dus niet meer,’ pakte ik het gesprek weer op. ‘Is ze onverhoeds in de AOW geraakt?’
‘Neuh,’ antwoordde Leo terwijl hij, na het spugen in de plantenbak, uit z’n kontzak een zak shag tevoorschijn haalde. ‘Scheelt ‘n hoop gezeik en gekloot met ‘n oppas, naschoolse opvang en weet ik veel wat allemaal nog meer. Gewoon lekker thuis zitten, dat was voor mijn moeke ook prima.’
‘Ik snap jullie beweegredenen,’ antwoordde ik zo neutraal mogelijk. Met een wasmachine die nog drie trappen naar beneden moet, is de vrede onder de hulptroepen bewaren noodzakelijk. (Bladzijde 34 uit Verhuizen voor dummies.)
‘Hoe laat komt die makker van je eigenlijk? Heb met je pa afgesproken dat we rond tweeën met de vrachtwagen het erf op komen rijden. Kan Hans nog mooi even meehelpen met sjouwen.’
‘Als je het over de duivel hebt,’ zei ik toen mijn telefoon ging.

Ik sloot de deur achter me. De laatste doos met boeken over de verruwing van het Noord-Amerikaanse literaire landschap tijdens het interbellum was net door Leo de vrachtwagen ingeschoven en als een volgelopen Tetris-scherm zat heel mijn volwassen leven gepropt in een wagen die maandag weer gebruikt zou worden voor het vervoeren van constructiematerialen.
‘Eduard, mon ami, ik ga je missen,’ zei ik tegen mijn Amsterdamse kameraad, de enige uit mijn drie zware jaren in de hoofdstad. ‘Afscheid nemen doe ik liever niet, maar soms is het de enige optie als de door het leven gedeelde kaarten dusdanig tegenvallen dat opnieuw schudden de enige denkbare mogelijkheid op positieve progressie is.’
‘Ach Durk-Jan,’ antwoordde Eduard, ‘wat is 160 kilometer anno 2014 nog? We houden gewoon online contact en je komt eens in de zoveel tijd fijn een weekendje langs. Luchtbedje mee, flesje whiskey; we maken er wel wat van.’
‘Dat klinkt mij als muziek in de oren,’ zei ik. ‘Laten we dan ook onze tapasbar met een bezoekje vereren, for old times’ sake.’
‘Tapas? Wat is dat dan?’ zei Leo die met een sjekkie in z’n mondhoek bij ons op de stoep was komen staan na het sluiten van de achterklep. ‘Is dat van dat wijvenbier?’
‘Nee, tapas zijn Spaanse aperitiefhapjes,’ antwoordde Eduard bijzonder geduldig alsof er nog een wasmachine naar beneden getild moest worden. ‘Je nuttigt dat bij een biertje of een wijntje.’
‘Muchos gezellig,’ voegde ik er aan toe.
‘Spaanse hapjes? Wat is er mis met Hollandse bitterballen?’ riep Leo en hij schoot zijn half opgebrande sjekkie de tramrails op. ‘Kom Christopher Columbus, we gaan scheuren. Heb nog meer te doen vandaag.’

Standaard
Tapasbar

Een bijtende melkzuurbacterie

Corné Zeur had naast teveel geld, een veel te grote, witte auto en een veel te groot, wit overhemd aan ook nog eens verstand van dingen. Zo was hij er als de kippen bij om de vader van het gezin naast het zijne in Spaans restaurant La Bellota spreekwoordelijk op zijn vingers te tikken voor het kwalificeren van de Albóndiga als de lekkerste vegetarische tapa van de wereld, omdat het zeer ongebruikelijk is om het woord tapas in een enkelvoudsvorm aan te duiden.

Corné noemde dat zelfs not done, wat hij uitlegde als een Engelse term om aan te geven dat iets in bepaalde kringen tegen de bestaande etiquette indruist. Nadat hij het buurgezin had onderwezen, keek hij zijn eigenste gezinsleden één voor een lang aan. Daarna veegde hij met de servet van de vader zijn mondhoeken af en ging hij weer zitten. Dat zijn vrouw constant met haar ogen rolde, was hem niet ontgaan. Hij gebood zijn twee dochters, een tweeling van 14, en zijn zoon van 6 hun bestek even neer te leggen en goed te luisteren. Kort legde hij uit dat vrouwen vaak naar boven kijken en hun ogen van links naar rechts laten gaan, om zonder woorden aan te geven dat ze het ergens niet mee eens zijn, ergens moe van worden of zich generen, maar dat ze op dit moment geen scene willen schoppen. Toen zijn vrouw op het punt stond te zeggen dat je een scene niet kan schoppen, maar dat je herrie schopt of stennis trapt, legde Corné een vinger op haar mond en ging verder. Hij stak zijn kinderen toe dat vrouwen altijd nog terugkomen op het voorval waar ze met hun ogen voor gerold hadden, maar meestal op een moment waarop de man allang vergeten is waar het over ging. Zijn vrouw stond toen op en ging naar het toilet.

De buurvader stond op het punt om wijn te bestellen, wat voor Corné weer een moment was om zijn oren te spitsen. Zijn zoon had zijn bord aan de kant geschoven en zat diep verzonken in een handwriting-app op zijn iPad. Corné hoorde de man zeggen dat hij de pinot noir uit het Chileense bergdorpje San Lorena de Monquego uit 2011 wel wilde proberen. Een fout, natuurlijk. Corné maakte de man duidelijk dat de wijnen uit dat jaar miniem sterk erg slecht ontvangen waren bij de betere wijnclubs in Europa, omdat er in het voorjaar hoogstwaarschijnlijk een bijtende melkzuurbacterie had huisgehouden in de provincie Guadelacabrón. De man negeerde hem inmiddels volkomen, maar de ober ging erop in. Precies wat Corné lekker vond, iemand aan wie hij duidelijk kon maken dat hij verstand van zaken had.
‘Zo, meneer is kenner?’
Hij knikte.
’Corné Zeur, aangenaam.’
Wat volgde was een langdurig spel Wist je dat. Het hield in dat de één begon met ‘Wist je dat’ gevolgd door een weetje, en de ander dan ‘Ja, maar wist je dat..’ antwoordde. Na beide 24 keer aan de beurt te zijn geweest over onder andere vinologie, het vervangen van bobines en Deense popmuziek, had Corné Zeur iets bedacht waar de ober geen ja op kon zeggen en hij zou winnen.
‘Wist je dat mijn vader mij vroeger altijd veertig slagen met een houten liniaal gaf als ik de hoofdstad van bijvoorbeeld Burkina Faso niet binnen drie seconden kon noemen?’
Even was de ober stil, hij wist dat niet. Zich bewust van een naderende nederlaag, vond hij toch een passend antwoord.
‘Nee, maar wist je dat daar al een tijdje een iPad ligt met “Wij zijn bij mijn moeder” erop gekrabbeld? Ouagadougou, trouwens.’
Corné Zeur besefte: hij had van sommige dingen verstand.

Standaard
Tapasbar

De glorie van Café Tante Pé

Kratten stapelen was op onze camping verboden, terwijl dat op Terschelling bijna aangemoedigd werd. Vlieland was nou eenmaal een beetje anders. We accepteerden het en brachten de kratten maar direct terug als ze op waren.

Op het eiland waren drie uitgaansgelegenheden. De Zeevaert, een gezellig bruincafé met klein dansgedeelte, De Oude Stoep, een grote discotheek en Tante Pé, een klassiek biercafé. De vrouwen in De Zeevaert waren te oud voor ons en, op wat dronken avontuurtjes na, voelden we ons te volwassen voor De Oude Stoep.

Het kan ook zijn dat we gewoon niet durfden.

Vandaar dat we in de Tante Pé belandden. Er was een kale barman, die ons al snel herkende als naïeve, goedbetalende klanten en ons met gepaste hartelijkheid verwelkomde. Om bij zijn donkerbruin uitgevoerde bar te komen moest je een vrij steile, grofbehaarde trap op, maar je kon dan wel direct in de bar gaan zitten. Er waren uitsparingen ingebouwd, waardoor je in de lengte van de bar keek. Met een pul bier en de gratis beschikbare doppinda’s had je zo een prima recept voor ‘lallerlij’.

Ik leerde er whiskey drinken van een Eilander en zong mee met De Vondeling Van Ameland, een lied dat ook bij dit Waddeneiland paste.

Ik leerde er flirten met vrouwen van veertig en daarboven. Een onschuldige maar informatieve bezigheid, omdat ze makkelijker lieten zien wat ze leuk of grappig aan mij vonden dan meisjes van mijn leeftijd.

Ik leerde er ongefundeerd onzin te spuien.

Ik viel er van de trap, kwam er later achter dat dat een enorme schaafwond had opgeleverd, besmeerde de wond op aanraden van een vriend met tandpasta en lag de volgende ochtend in een witte cocon, vroeger mijn slaapzak.

Ik raakte gehecht aan de barman, om later te ontdekken dat ik voor hem niets anders was dan een portemonnee.

Ik zette mijn spreekwoordelijke eerste stapjes op de pooltafel en ontdekte zo ook dat iets recht kan lijken vaak helemaal de verkeerde kant op gaat.

Ik dronk teveel en wist toch altijd weer thuis te komen.

Kortom, ik werd er een stukje ouder. Tante Pé was voor mij het beste café van Nederland. Ook omdat er altijd een einde aan kwam, na een mooie zomer. De eindigheid ervan is wat het mooi maakt. Zoals het leven, zou je met slecht gevoel voor dramatiek kunnen zeggen.

De laatste keer dat ik bij Tante Pé over de vloer kwam was de eerste avond van een volgende zomer. We waren met z’n vieren en hadden de tent opgezet. Even een lekker pilsje halen dus. Bij aankomst stonden er hippe oranje tafeltjes voor de deur. Een grofhouten pilaar verkondigde groots dat ‘Tapasbar Tante Pé’ de ‘leukste tapasbar op de Wadden’ was. We liepen, hoewel we beter wisten, toch naar binnen. Daar zagen we diverse tierelantijntjes waar de bierposters hadden gehangen, tafeltjes waar de pooltafel had gestaan, gedroogde worsten waar het dartbord hing en een luxe menu in plaats van de bierkaart. Verslagen gingen we zitten. We bestelden toch een biertje. Voor het gevoel.

De barman kwam een bakje olijven brengen.

Standaard
Tapasbar

Ja, nou prima

En wat voor werk doe jij?’, vraagt hij nadat hij een ontiegelijk lang en saai verhaal heeft verteld over zijn functie als stafmedewerker bij de gemeente, zijn dodelijk saaie studie en zijn gesprek met zijn directrice. ‘Ik ben journalist’, vertel ik met mijn mond vol. ‘Leuk. Nou ja, prima. Mijn ex was ook journalist.’

Nou ja, prima. Het is inmiddels de tachtigste keer dat ik hem dat hoor zeggen. Niet dat ik het geteld heb, maar ik denk dat ik met tachtig redelijk in de buurt kom. Een half uur geleden ontmoetten we elkaar, nadat hij twee uur eerder via Tinder had gevraagd of ik zin had om samen te lunchen. Hij zag er op zijn profielfoto goed uit: mooie volle lippen en prachtige blauwe ogen.
Ik zei ja en we spraken om één uur af bij een lunchroom in de stad.
Ach, waarom ook niet, dacht ik toen. Nu weet ik waarom niet.
Zijn profielfoto bleek een gelukstreffer. Tegenover me zit een zoutzak met vieze, vlezige lippen. Zijn prachtige blauwe ogen blijken suffe kijkers achter een dikke jampotglazenbril.
Het beetje haar dat hij had op de foto, lijkt als sneeuw voor de zon verdwenen. Als hij niet praat, hangt zijn mond losjes open. Als hij wel praat, moet ik me inhouden niet te geeuwen. Ik verveel me kapot.

‘Zo, dan zal de wasmachine dadelijk wel klaar zijn als ik thuis kom’, zegt hij. Ik kijk gebiologeerd naar het stukje sla tussen zijn tanden en doe net alsof ik zijn tekst over de wasmachine niet gehoord heb. Wat zou ik moeten antwoorden? Of hij de was ophangt of juist in de droger doet?
Ik hoor de vrouw naast me in de lach schieten. Ze luistert mee. Ik kijk haar aan en zie de medelijdende blik in haar ogen. Ze knipoogt naar me. ‘Er komt een eind aan’, lijkt ze te willen zeggen. Ik weet dat ze gelijk heeft, maar vraag me af hoe lang het duurt. In een razend tempo prop ik mijn broodje met geitenkaas naar binnen en giet ik mijn koffie achterover. Stom… nu zit ik nog minstens een kwartier toe te kijken hoe hij heel zorgvuldig zijn salade wegkauwt.

‘Waarom koos je eigenlijk voor geitenkaas?’, vraagt hij. ‘Omdat je het lekker vindt, of omdat je vegetariër bent?’ Ik antwoord dat ik het gewoon lekker vind en hij stelt me gerust dat het hem niets had uitgemaakt als ik vegetariër was geweest. ‘Mijn ex was ook vegetariër’, vertrouwt hij me toe. Ik stel me voor hoe zijn ex na hun eerste zoen bedenkt dat een kus van díe lippen genoeg vlees is en dat ze daarom vegatariër is geworden. Ik moet zowaar een beetje grinniken. Hij hoort het niet. Hij praat alweer verder over zijn muzieksmaak die, hoe verrassend, heel breed is.
‘Ik luister alles. Klassiek, jazz, blues, rock, noem maar op. Behalve dance. Dat vind ik verschrikkelijk.’ Ik vertel hem dat ik binnenkort naar een dancefeest ga en ineens lijkt zijn eigen mening, net als zijn haar, plotsklaps verdwenen. ‘Oh leuk!’, roept hij uit. ‘Nou ja, prima. Dancefeesten zijn inderdaad best leuk.’
Een uur nadat ik van huis ben vertrokken zit ik weer op mijn bank. Ik gooi Tinder van mijn telefoon en bel mijn vriendin. ‘Hoe is het?’, vraagt ze. ‘Ja, nóu prima. Maar ik heb net een vreselijk saaie date gehad. Wat ben ik blij dat we niet in een tapasbar hebben afgesproken.’

Standaard