Verhaal #420 • Afgesproken thema: De Kleine Komedie

Einde voorstelling

De man met het litteken onder zijn linkeroog keek me recht aan. Hij deed niet eens alsof, zoals veel van zijn collega’s dat deden, terwijl ze eigenlijk over ons, het publiek, heen keken. Alsof we er niet waren.

Maar ik was er wel, net als de man met het litteken onder zijn linkeroog. Hij was mijn leider, mijn held, mijn herder. Onze herder. Geen enkel gezicht in deze zaal kwam mij bekend voor, maar nu, voor dit moment, vormden wij één geheel, één kudde, gefocust op elk eventueel belangrijk gebaar dat onze leider ons zou tonen; een symbool van een immens belangrijke boodschap.

Nu pakte hij zijn gitaar, net zoals hij aan het begin van de voorstelling had gedaan, nog voordat de gordijnen überhaupt hadden onthuld welke wereld zich achter hen bevond. Op zijn teken kwamen ze in beweging, al dansend en cirkelend in 6/8 maat. Zijn mond ging open, hij begon te zingen. Maar het geluid dat eruit kwam was zeker twee octaven te hoog voor zijn postuur, alsof hij een hele familie muizen had ingeslikt die vanuit zijn buik nog een laatste geluid van protest gaven.

Weer keek hij me recht aan. Nee, hij keek niet, hij staarde, had een doordringende blik die elke cel in mijn lichaam wist te bereiken. Tegen mij alleen had hij het. Mij, mij alleen. Ik was het schaap dat verdreven werd van de kudde, van de groep, om tot inzicht te laten komen. Zijn blik was doordringend – maar ondoorgrondelijk tegelijkertijd. Hij echter was geduldig, liet me niet in de steek, bleef zijn boodschap aan me herhalen. Alleen hij en ik. Ik moest ook geduldig zijn, wachten, nog even. Nog even, dan zou ik het begrijpen.

Een vrouw kwam de coulissen uitgeslopen, het podium betredend. Haar haren waren omhoog in een knot gebonden, haar gezicht was gedeeltelijk verscholen achter een masker. Ze viel hem van achteren aan. Verraderlijke bitch. Haar nagels maakten krassen in zijn nek, haar handen vormden een klem om zijn keel. Heel even keek hij me aan, een luttele seconde, voordat haar handen hem dwongen zijn ogen van mij af te wenden. Ons contact was verloren. Hij en ik werd zij en hij. Maar ik wist hoe ik het op moest lossen, ik wist hoe ik weer in zijn blikveld terecht kon komen.

De vrouw in de stoel voor mij ontbond haar paarse sjaal van haar nek, die tot dan toe haar inmiddels roodgetinte nek aan het zicht had ontrokken. Ik stak mijn hand uit en bewoog langzaam langs de contouren van haar hals. Zachtjes, op een paar centimer afstand. Ze zou het niet voelen. Haar nek was mooi en, nu haar rechteroor zich een tikje dichter bij haar rechterschouder bevond dan haar linker bij haar linkerschouder, een beetje rond gevormd. Ik bewoog mijn knokkels, strekte mijn vingers…en zij liet haar hoofd naar achteren vallen, zich aan een schaterbui overlatend. Het hele publiek leek zich kostelijk te vermaken. Iedereen lag op de grond van het lachen. Nog net niet letterlijk. Blijkbaar was de humor mij ontgaan. Laat ze hun gang maar gaan, laat ze maar lekker afgeleid zijn, dan kan ik mijn eigen plan trekken.

Mijn koele vingers streken over haar hals heen. Eerst zachtjes, maar toen ze tegen begon te stribbelen al snel dwingerder. Haar aderen klopten, smeekten mij los te laten. Maar ik, ik wilde niet loslaten.

Twee paar handen trokken de mijne los, een derde pakte me van achteren beet. Ik spartelde tegen als een hulpeloos hondje, maar mijn armen werden door kreeftenarmen vastgeklemd. Langzaam werd ik weggeleid. Weg van hem, weg van de kudde, zo’n 240 paar ogen priemend in mijn achterhoofd.

Door: Rachel Metselaar



Wie is gastschrijver?

Dat ben jij! Nou ja, als je een beetje handig met woorden bent. Jouw verhaal ook op de website van Schrijversgenootschap De (Voorheen) Lege Bladzijde? Stuur je beste werk naar info@schrijversgenootschap.nl en laat je lezen!
Standard