De Kleine Komedie

Einde voorstelling

De man met het litteken onder zijn linkeroog keek me recht aan. Hij deed niet eens alsof, zoals veel van zijn collega’s dat deden, terwijl ze eigenlijk over ons, het publiek, heen keken. Alsof we er niet waren.

Maar ik was er wel, net als de man met het litteken onder zijn linkeroog. Hij was mijn leider, mijn held, mijn herder. Onze herder. Geen enkel gezicht in deze zaal kwam mij bekend voor, maar nu, voor dit moment, vormden wij één geheel, één kudde, gefocust op elk eventueel belangrijk gebaar dat onze leider ons zou tonen; een symbool van een immens belangrijke boodschap.

Nu pakte hij zijn gitaar, net zoals hij aan het begin van de voorstelling had gedaan, nog voordat de gordijnen überhaupt hadden onthuld welke wereld zich achter hen bevond. Op zijn teken kwamen ze in beweging, al dansend en cirkelend in 6/8 maat. Zijn mond ging open, hij begon te zingen. Maar het geluid dat eruit kwam was zeker twee octaven te hoog voor zijn postuur, alsof hij een hele familie muizen had ingeslikt die vanuit zijn buik nog een laatste geluid van protest gaven.

Weer keek hij me recht aan. Nee, hij keek niet, hij staarde, had een doordringende blik die elke cel in mijn lichaam wist te bereiken. Tegen mij alleen had hij het. Mij, mij alleen. Ik was het schaap dat verdreven werd van de kudde, van de groep, om tot inzicht te laten komen. Zijn blik was doordringend – maar ondoorgrondelijk tegelijkertijd. Hij echter was geduldig, liet me niet in de steek, bleef zijn boodschap aan me herhalen. Alleen hij en ik. Ik moest ook geduldig zijn, wachten, nog even. Nog even, dan zou ik het begrijpen.

Een vrouw kwam de coulissen uitgeslopen, het podium betredend. Haar haren waren omhoog in een knot gebonden, haar gezicht was gedeeltelijk verscholen achter een masker. Ze viel hem van achteren aan. Verraderlijke bitch. Haar nagels maakten krassen in zijn nek, haar handen vormden een klem om zijn keel. Heel even keek hij me aan, een luttele seconde, voordat haar handen hem dwongen zijn ogen van mij af te wenden. Ons contact was verloren. Hij en ik werd zij en hij. Maar ik wist hoe ik het op moest lossen, ik wist hoe ik weer in zijn blikveld terecht kon komen.

De vrouw in de stoel voor mij ontbond haar paarse sjaal van haar nek, die tot dan toe haar inmiddels roodgetinte nek aan het zicht had ontrokken. Ik stak mijn hand uit en bewoog langzaam langs de contouren van haar hals. Zachtjes, op een paar centimer afstand. Ze zou het niet voelen. Haar nek was mooi en, nu haar rechteroor zich een tikje dichter bij haar rechterschouder bevond dan haar linker bij haar linkerschouder, een beetje rond gevormd. Ik bewoog mijn knokkels, strekte mijn vingers…en zij liet haar hoofd naar achteren vallen, zich aan een schaterbui overlatend. Het hele publiek leek zich kostelijk te vermaken. Iedereen lag op de grond van het lachen. Nog net niet letterlijk. Blijkbaar was de humor mij ontgaan. Laat ze hun gang maar gaan, laat ze maar lekker afgeleid zijn, dan kan ik mijn eigen plan trekken.

Mijn koele vingers streken over haar hals heen. Eerst zachtjes, maar toen ze tegen begon te stribbelen al snel dwingerder. Haar aderen klopten, smeekten mij los te laten. Maar ik, ik wilde niet loslaten.

Twee paar handen trokken de mijne los, een derde pakte me van achteren beet. Ik spartelde tegen als een hulpeloos hondje, maar mijn armen werden door kreeftenarmen vastgeklemd. Langzaam werd ik weggeleid. Weg van hem, weg van de kudde, zo’n 240 paar ogen priemend in mijn achterhoofd.

Door: Rachel Metselaar

Standaard
De Kleine Komedie

De kleine tragedie

Het was een moeilijk publiek, Jan. Het lag niet aan jou. Zelfs om André van Duin die van het podium af flikkert, zouden ze niet hebben gelachen. Meteen vergeten deze avond, jochie.’

Dat waren de woorden van Peter, mijn manager. Of zoals op z’n kaartje staat: Unique artist coordination and creation direction through inspiration and affection.
Dus daar ligt het in ieder geval niet aan.

Ik toer nu al een weekje door Nederland met mijn nieuwe comedyshow ‘Jan omdat het kan’. Vooralsnog zijn de reacties lauw. ‘Jan, stop nu het kan’ schreef Het Parool na de première in het café om de hoek van de Kleine Komedie.
Maar ik stond toch maar mooi in Het Parool volgens Peter. En slechte publiciteit bestaat niet.

Grappen maken is iets wat ik al jaren doe. Het zit in mijn bloed zoals bij dokters het redden van mensen in hun bloed zit. En in wezen doen we ook hetzelfde. Immers, door mensen te laten lachen, red ik ze voor even uit de sleur van het dagelijkse leven. Ik denk er zelfs aan om een witte doktersjas te kopen en daar achterop ‘gaat u maar even lachen’ te zetten. Dat is grappig, want het is een woordspeling op ‘gaat u maar even liggen’. Dokters zeggen dat vaak als ze een patiënt gaan onderzoeken.
Peter zegt dat er op dit moment even geen geld voor is, maar als ik het zelf wil betalen vindt hij het prima.

Vlaardingen bedankt. Ik heb het gisteravond gewoon geroepen aan het einde van de show. Als professioneel komiek moet je namelijk altijd je publiek met respect blijven behandelen. Daar ben ik heel stelling in. Zelfs als dat publiek bestaat uit halfgare, naar vis stinkende neanderthalers die elke slag in de evolutie van humor hebben gemist. De na afloop ontvangen bos bloemen heb ik dan ook –zoals het hoort— het publiek ingegooid. De kale man op de tweede rij gooide het meteen terug en riep daarbij een aantal woorden die ik nog niet kende.
Maar dat is typisch Vlaardingen, volgens Peter. Net zoals Japanners boeren na een goede maaltijd. Dat is het stukje respect wat ik bedoel. Het werkt beide kanten op.

Gelukkig hebben de naamgevers van Vlaardingen geen andere plaatsen ontdekt. Anders had ik nu zomaar in Amsterdinges kunnen wonen.
Daar opende ik mee. Een goede woordgrap, een van mijn betere. Ik speel in op het feit dat het tweede gedeelte van de plaatsnaam Vlaardingen eindigt op ‘dingen’. Alsof de naamgevers na ‘Vlaar’ ineens zonder inspiratie zaten en dat er dan eentje zei “nou, gewoon van die dingen.” Daarna pas ik datzelfde denkproces toe op de stad waar ik woon, Amsterdam. Omdat ze ook niet op het woord ‘dam’ konden komen, noemen ze het maar een ‘dinges’. En dan krijg je dus Amsterdinges. Amsterdam wordt Amsterdinges.

Volgens Peter is het belangrijk om stug door te gaan en de slechte reacties meteen te vergeten. Dus dat doe ik dan maar. Morgen in Eernewoude ga ik weer knallen. Volgens Peter komen mijn grappen in Friesland sowieso beter tot hun recht. ‘En ze lezen daar lang niet allemaal Het Parool, dus dat scheelt al een slok op een borrel,’ zei hij. Ik denk dat hij gelijk heeft. Managers weten nu eenmaal waar ze het over hebben. Dat is de jarenlange ervaring waar een beginnend cabaretier als ik blind op moet durven varen.

Peter heeft voor mij uitgedraaid hoe ik met de trein en bus vanuit Amsterdam naar Eernewoude kan komen. Op de kop af een reis van twee uur en tweeënveertig minuten. Normaal gesproken had ik met Peter kunnen mee rijden, maar dat gaat deze maand helaas niet. Omdat zijn nieuw Audi A8 net is uitgelijnd mag hij een tijdje geen passagiers mee die zwaarder zijn dan 65 kilo. Zijn nieuwe vriendin is gelukkig slank zodat-ie in ieder geval wat aanspraak heeft tijdens de lange reis naar Friesland. Het moet allemaal natuurlijk wel leuk blijven.

Standaard
De Kleine Komedie

Burlone, de chagrijnige grappenmaker

De deur van het huis van de schrijver zwaaide open. Hij hing zijn jas aan de kapstok, zette aardappels op het vuur en bakte een schnitzel. Terwijl de lap vlees in de olie lag te sissen, keek hij angstig om zich heen. Zijn huis voelde niet meer als zijn veilige haven.

Het begon drie weken eerder met het doosje tandenstokers dat op de vloer was gevallen. Dat had hij vreemd gevonden, maar hij stond er verder niet bij stil. Dat deed hij pas toen een paar dagen later al zijn onderbroeken verspreid door zijn slaapkamer lagen. Toen hij een week later een vreemd pakje op zijn dressoir vond, durfde hij het in eerste instantie niet open te maken. Maar zijn nieuwsgierigheid overwon. De inhoud was bijzonder: een ontploft rotje.

De deur van Burlone’s huisje vloog open, mopperend smeet hij zijn jasje in de hoek en schoof een Piccolini in de oven. Het deurtje gooide hij dicht en nadat hij de oven had aangezet plofte hij op de bank. Burlone grinnikte en meteen baalde hij van zichzelf. Hij hield niet van lachen. Het liefst was hij de hele dag boos en chagrijnig. Maar nu kon hij het niet helpen; hij dacht aan de scheermesjes die hij in de badkamer van de schrijver had gelegd. Zijn plannetje leek zijn vruchten af te werpen en dat stemde hem tevreden. De schrijver begon bang te worden. Dat zag Burlone aan de zweetdruppeltjes die steeds vaker op zijn voorhoofd parelden.

De schnitzel was te taai, de aardappels waren te glazig en de boontjes te heet. De schrijver verbrandde er zijn mond aan en gooide na vijf happen zijn bord leeg in de vuilnisbak. Weer een maaltijd verpest. Dat gebeurde steeds vaker, maar het maakte niet uit. Hij had toch weinig trek. Zuchtend stond hij op van de bank. Een hete douche zou de spanning uit zijn lijf verdrijven.

Burlone schreef het briefje in voor hem koeienletters. Voor de schrijver zou het net te lezen zijn, zo priegelig was het handschrift.
Hij trok zijn jasje weer aan en stapte op zijn fiets. Het huis van de schrijver lag net buiten het dorpje waar Burlone en zijn collega’s woonden. Het was best een eindje fietsen, maar dat had hij er voor over. Na de scheermesjes en het briefje dat hij aan een dode kat zou binden, zou zijn verzoek ingewilligd worden. Daar was hij van overtuigd.
De kat had hij vanmiddag al vermoord. Het rotbeest had het verdiend; hij terroriseerde het dorp al jaren
.

De schrijver was zich kapot geschrokken. Trillend staarde hij naar de glimmende mesjes op de badkamervloer en hij slaakte een kreet van schrik toen de bel ging. Bijna huilend liep hij naar de voordeur en voorzichtig opende hij de deur. De dode ogen van de kat leken dwars door hem heen te kijken en geschokt constateerde de schrijver dat het zijn eigen Azraël was.
Voor de tekst op het briefje moest hij een vergrootglas pakken. In tegenstelling tot het handschrift was de inhoud echter overduidelijk:
‘Ik laat je met rust als je mij de rol van moppersmurf geeft. Ik haat grapjes maken! De rol van Lolsmurf is echt stomvervelend. Met vriendelijke groet, Burlone.’

Standaard
De Kleine Komedie

De verlegen cabaretier

Pim stond op het punt om alles te verwijderen. Hij wist wat Facebook deed met zijn productiviteit, zijn elektriciteitsrekening, zijn gevoel voor eigenwaarde. De dag voordat hij zijn verjaardag zou vieren, had hij het scherm de hele dag open laten staan met het volume maximaal. Zo wist hij het meteen wanneer er iets gebeurde op zijn account.

Plotseling had hij gezien dat het aantal verjaardagsgasten op zeventien stond, zonder geluidswaarschuwing, terwijl het er daarvoor zeker achttien waren geweest. Het kostte hem anderhalf uur om te achterhalen wie er niet meer naar zijn feest wilde komen. Kut Laura.

Wat hadden reacties van anderen nu helemaal voor nut? Wanneer hij op het podium stond had hij ook geen behoefte aan commentaar. Hij was cabaretier, en nog een redelijk succesvolle ook. Als hij optrad moest hij zich echter een hoge muur inbeelden die tussen hem en het publiek in stond.
Het beeld van deze vierde muur had hij gewoon nodig, omdat hij anders weer terug in de coulissen zou duiken. Zonder de muur waren er teveel gedachten in zijn hoofd. Zag hij medelijden op het gezicht van die jongen? Ongemak? De gedachten zorgden ervoor dat hij tijdens zijn shows zijn tekst vergat en struikelde over zijn woorden. De muur moest er ook in het echte leven zijn. Weg met Facebook.

Het lukte Pim maar niet om zijn account te verwijderen. Waar zat de delete-knop toch? Hij mocht van die verdomde Zuckerberg gewoon geen wand optrekken rond zijn digitale zelf. Hij moest zijn publiek in de ogen blijven kijken! Pim zag dat een collega hem zojuist in een foto had getagd (hij keek tegen de zon in, met lelijke, samengeknepen ogen), en slechts drie mensen vonden zijn nieuwe status leuk. Zoveel stelde die inderdaad niet voor: Lekker weer! Ik wil weer naar buiten ☹. Pim worstelde zich door alle instellingen van Facebook heen. Mijn reislocaties. Mijn citaten. Deze boeken vind ik leuk en deze mensen inspireren mij. Hij zuchtte: de delete-knop bestond gewoon niet. ‘Hoe kom ik van mijn Facebook-account af’ typte hij in bij Google.

Mensen geloofden nooit dat hij cabaretier was. ‘Vertel dan eens een grap?’ hoorde hij vaak op feestjes maar dat durfde hij dan niet. Voordat hij een optreden gaf, moest hij eerst al zijn natuurlijke impulsen uitschakelen en zijn vlinderdas om knopen. Dan was hij Pim de Cabaretier en ging het wel. Hij was trots als een kind toen hij in de Kleine Komedie mocht staan, twee avonden na elkaar. Socially awkard noemden ze hem daar maar dat was blijkbaar positief. ‘Waarom noem je de voorstelling niet zo?’ vroegen ze breed lachend. Dat was het soort commentaar waar je wat aan had.

Eindelijk vond hij iets. Een Facebook-verwijder-pagina. De komende veertien dagen mocht hij zich niet inloggen op Facebook, geen pagina’s liken en geen vrienden toevoegen. Als hij dit wel deed werd zijn account weer geactiveerd. Pim klikte op ‘volgende’. Dat zou hem wel moeten lukken. Na die veertien dagen zouden al zijn likes, posts, foto’s en reacties voorgoed worden verwijderd en zou hij Facebook-vrij zijn. En zou hij niet meer zien wat mensen van hem vonden. Plotseling verscheen er een schermpje linksonder in het beeld, er stond: ‘Anthon vindt jouw status leuk’. Vier likes in totaal dus. Even staarde hij naar zijn scherm; dat glazen, nutteloze muurtje tussen hem en het publiek. Hij klikte het tabblad dicht waarin hij zijn account bijna had verwijderd. Hij bleef nog heel even.

Standaard
De Kleine Komedie

De grapjas in metro 51 naar Amstelveen Westwijk

En toen zei de broer van die priester tegen het konijn met de vijf poten: ‘Nou, als je het zo zegt zit er wel een kern van waarheid in ja!’”

Bertus moest zelf heel hard lachen, waardoor iedereen om hem heen wakker schrok van zijn gebulder. Dat verbaasde hem, want het was echt heel grappig wat de broer van de priester had gezegd. Zeker als je bedenkt dat het konijn helemaal niet zo’n genuanceerd typje was. Hij had vijf poten, per slot van rekening! En die broer dan, die was aan het begin van de grap nog extreemrechts! En dan nu dit! Man, het was de grappigste grap die Bertus ooit had verteld. Maar goed, ook één van de langere. Dat moest hij wel bekennen. Misschien dat het daar aan lag, dat zijn publiek zo verveeld om zich heen keek. En dat in de metro nog wel, meestal een broedplaats van hilariteit. Dat kon je wel aan Bertus overlaten. Laatst ook nog, had hij zijn drie kwartier durende klassieker van de prostituee en het verborgen zebrapad verteld aan een toerist. Bleek die vent helemaal geen Nederlands te spreken!

Bertus had zich kapot gelachen.

Korte grapjes waren Bertus’ ding dus niet. Hij was meer van de lange komedie. Humor waar je even voor moest gaan zitten. Dat had hij nu ook geprobeerd, om half zes ‘s middags in lijn 51 naar Amstelveen Westwijk. Iedereen stond, dus dat was al geen goed begin, maar hij had goede hoop dat hij voor het eindstation zijn clou had kunnen vertellen. En het was gelukt. Een minuut voor Westwijk had hij z’n laatste zin uitgesproken. Hij had gehoopt dat de nucleaire lading van de grap zou landen, maar nee.

Er werd dan misschien niet gelachen, gefilmd werd er daarentegen zeker. Een opgeschoten jongeman met een hopeloos uit de mode geraakte Eastpak-tas en legerjas had zijn telefoon al snel tevoorschijn gehaald. Het was zo’n knul met een goed gevoel voor humor. Dus toen Bertus begon te roepen dat iedereen maar even moest gaan zitten, was er binnen vijf seconden een camera draaiende. Dat Bertus nog twee minuten blééf roepen dat iedereen moest gaan zitten was goed voor het komedisch effect. Op dit moment werd het filmpje geüpload naar Dumpert, waar het een zogenaamde ‘Kudotopper’ zou worden. Dumpertpubliek keek graag naar de wat verwarde medemens.

Bertus had natuurlijk doorgehad dat hij werd gefilmd. Hij zag zichzelf al grapjes maken aan tafel bij Matthijs van Nieuwkerk. Een mopje vertellen en dan als iedereen uitgelachen heel hard ‘Mag ik dat zeggon? Ja dat mag ik zeggon’ roepen. Bertus zag het voor zich en deed nog eens éxtra zijn best om de mop met éxtra verve te brengen. Het was zijn ontdekking, dus dan kon hij er ook maar beter goed voor gaan staan. En daar ging hij. Vol trots bouwde hij zijn grap op, vertelde over de seksueel toch moeilijke achtergrond van de priester, dat die broer net als de priester Himmler van achteren heette en dat het konijn een vrij grote neus had.

Dat er niemand lachte was een wonder.
Gelukkig was daar Dumpert.

Standaard