Paul de Leeuw

Prijsvraag

Laatst zat ik in de droomvlucht met Paul de Leeuw. Ik was in mijn eentje naar de Efteling gegaan. Dat is een beetje raar, dat begrijp ik best, maar ik had een prijsvraag gewonnen. Die stond in een tijdschrift voor mensen met het syndroom van down, gevonden in de wachtkamer van de huisarts. Een afbeelding van een schaduw en dan moest je raden om welk dier het ging. Nou, dat was een olifant, dat zag elke idioot.

Bij de entree nam ik een button met ‘Winnaar’ erop en een argwanende blik in ontvangst en koerste rechtstreeks naar de Droomvlucht, want waarvoor ga je anders naar de Efteling? De rij was lang en het regende een beetje. Ik sloot aan en niet lang daarna, achter mij, Paul de Leeuw. Ik negeerde hem en we schuifelden zwijgzaam voorwaarts.

Aanvankelijk wilde ik in mijn eentje instappen, maar een meisje in een Efteling-uniform maakte bezwaar. Er wilden heel veel mensen in de Droomvlucht en als iedereen zijn eigen karretje zou nemen was het eind zoek. ‘Ik heb een prijs gewonnen’, zei ik. Nou, dat kon allemaal wel wezen, maar dat was nog geen reden om een heel bakje voor mezelf op te eisen. Dus of ik een beetje op wilde schuiven. En toen stapte Paul de Leeuw bij mij in het karretje.

‘Hallo’, zei Paul de Leeuw.

‘Hallo’, zei ik. De attractie zette zich in beweging en een tunnel vol lichtjes later bevonden Paul de Leeuw en ik ons in een wereld vol elfjes en trollen.

‘Ik heb honger’, zei Paul de Leeuw. Hij trok een zakje boterhammen open en begon te eten.

‘Is dat speculaas?’, vroeg ik.

‘Ja’, zei Paul de Leeuw. We zwegen weer. Er kwamen planeten met kastelen voorbij, en lichtgevende plantjes die twinkelgeluidjes maakten. Paul de Leeuw bood mij een speculaasboterham aan. De speculaas was een beetje zompig maar dat gaf niet. Hij vertelde over Ranking the stars en dat ‘ie blij was daar vanaf te wezen en ik vertelde een mop over de holocaust die echt niet kon, maar we waren met zijn tweeën dus gaf het niet. Het was gezellig. Toen werd ik plotseling overmand door schuldgevoel.

‘Je kijkt bedrukt, vriend’, zei Paul de Leeuw. Ik brak.

‘Ik ben een oplichter!’, riep ik, ‘Ik hoor hier helemaal niet te zitten!’

‘Hoezo niet?’

‘Ik heb deze Eftelingdag gejat van een mongooltje!’

‘Waarom?’, vroeg Paul de Leeuw.

‘Omdat ik mongolen stom vind!’, bekende ik huilend, ‘Ik vertrouw ze niet! Ik heb het idee dat ze iets in hun schild voeren. Dat achter die blije façade een misselijke plannetje schuil gaat. En dat is niet oké. Ik wéét dat dat niet oké is! En nu zit ik hier met jou. De godfather van de down-televisie! Jij hebt Nederland laten zien hoe leuk ze zijn. Hoe lief! En na jou kwam Johnny de Mol. En Barry Atsma. Een en al gezelligheid. Een en al liefde! Maar ik moet ze niet, Paul, ik móet ze niet! En daar haat ik mezelf om.’

Het was even stil. ‘Tja,’ zei Paul de Leeuw toen, ‘Hoe komt dat, denk je?’

‘Misschien heb ik een nare jeugd gehad’, haalde ik mijn schouders op.

Paul de Leeuw knikte; ‘Te weinig liefde ervaren?’

‘Misschien’, snikte ik, ‘Gescheiden ouders, je kent het wel.’

Paul de Leeuw klopte mij bemoedigend op de schouder. ‘Ouders van mongolen scheiden ook vaak,’ zei hij, ‘Maar die gebruiken dat niet als smoes om in de Droomvlucht te gaan zitten janken.’ Hij pakte mijn speculaasboterham af. ‘Lul’, zei hij.

Ons karretje verliet de laatste tunnel en taxiede de wachtruimte in. Daar nam Paul de Leeuw afscheid en werd mijn button afgepakt.

‘Dat is een prijs voor downies’, zeiden ze, ‘Ga weg’, en ik werd het park uitgezet. Tijdens de busrit naar huis sloeg de regen onverbiddelijk tegen de ruiten.

Door: Lucas de Waard

Standaard
Paul de Leeuw

Andere tijden

Ze staat op en trekt haar rokje recht. Ik klap mijn notitieblok dicht en reik naar de kop koffie die op het tafeltje voor ons staat. Het is zeven uur ’s avonds en buiten is het al goed donker. Volgende week gaat de klok een uur naar achteren.

‘Wat ga je doen?’ vraag ik. ‘We zitten net.’
‘Even een paar waxinelichtjes halen. Ik kan het op z’n minst proberen gezellig te maken.’
‘Moet ik ‘m op pauze zetten?’
‘Nee hoor, kijk maar lekker door. Jij wilt research doen, ik ben niet bang iets te missen of zo.’
Ze loopt weg en ik zie hoe Paul de Leeuw, verkleed als alter ego Bob de Rooij, zijn vaste pianist Cor Bakker uitscheldt voor homo. Het jaren 90 publiek met typische jaren 90 truien en jaren 90 kapsels schatert. Mijn hoofdpersoon, laten we hem Frank noemen, zou dit ook hilarisch vinden, vermoed ik.
‘Zo,’ zegt ze bij het neerzetten van de kaarsjes. ‘Dat is beter. Is je boek al af?’
Ik lach en pak mijn notitieblok. “Frank leeft in het verleden omdat hij de toekomst niet kan controleren,” schrijf ik op.
‘Weet je,’ zegt ze, ‘Paul de Leeuw mocht ik vroeger nooit kijken van mijn ouders.’
‘Waarom niet?’
‘Vonden ze te grof. Hij vloekte te vaak en tegen dat geschreeuw konden ze ook niet.’
‘Ha, ik snap precies wat je bedoelt. Ik mocht vroeger niet naar de VPRO kijken. Kan me daar nu niks meer bij voorstellen. Zo erg was het eigenlijk helemaal niet.’
Ondertussen praat Paul over de millenniumbug met iemand die toentertijd ongetwijfeld een bekende Nederlander was. Het hoofd komt mij enigszins bekend voor, maar ik kan er geen naam bij plaatsen. Was er maar een app die je voor de televisie kunt houden en die dan na tien seconden vertelt naar wie je zit te luisteren. Ongetwijfeld zit iemand die nu te ontwikkelen op een zolderkamertje. Slechts een kwestie van tijd tot-ie te downloaden is.
‘Waarom lijkt het alsof vroeger alles simpeler was?’ vraagt ze.
‘Ik denk omdat je weet hoe het afloopt,’ antwoord ik. ‘Veel problemen en angsten lijken op het moment zelf heel erg omdat de vreselijkste scenario’s nog tot de mogelijkheden horen. Maar als je weet hoe het afloopt, en dat is toch wel heel vaak met een sisser, dan is die angst minder aanwezig.’
‘Dit klinkt een beetje vaag, schrijvertje.’
‘Oké, voorbeeldje: over tien jaar kijken we op terug op deze dagen en denken we waarschijnlijk dat het allemaal eigenlijk wel meeviel. Dat terwijl het nu best een angstige tijd is. Ik kan ebola krijgen of morgen omkomen bij een terroristische aanslag in het centrum. Daar kan ik best van wakker liggen.’
‘Aha,’ zegt ze en met een handige beweging vouwt ze haar benen in de kleermakerszit. Mijn oude gewrichten kunnen dat al lang niet meer aan, maar het is nog altijd een van haar favoriete zithoudingen op de bank.
‘En gaat je boek ook over dat soort gezellige dingen?’ vraagt ze.
‘Neuh, dat gaat over een Paul de Leeuw imitator met smetvrees en zijn zoektocht naar innerlijke bevrediging.’
‘Ja ja.’
‘Ik weet alleen nog niet hoe het afloopt. Maar daar heb ik vast nog alle tijd voor.’

Standaard
Paul de Leeuw

Boerenkool met worst

Theo zit aan tafel met zijn geweten, zijn vrouw is er niet. Hij heeft een stomend plastic bakje boerenkool voor zich. Minutenlang staart Theo naar de worst. De camera registreert alles. Theo heeft zijn geweten net verteld dat hij om de avond droomt over Paul de Leeuw. Hij weet niet waarom, maar zo gaat dat wel vaker met dromen.

‘Meestal wordt over dromen gezegd dat ze niks betekenen, omdat ze zo vreemd zijn,’ zegt zijn geweten. Die had zelf namelijk gedroomd over een ander, maar daar lacht hij om.

Even later zegt zijn geweten dat er ook dromen zijn die vaak voorkomen en waar een betekenis aan wordt gegeven. Dat je een lange, oneindige val maakt, bijvoorbeeld. Die val representeert je onzekerheid, volgens zijn geweten.
‘Dat al je tanden uitvallen is ook een veel voorkomende droom en geeft een bepaalde onzekerheid aan. Maar het meest bekende voorbeeld is natuurlijk het per ongeluk bevruchten van een familielid naar keuze in een cirkel brandende fakkels op een op één geile hond na leeg naaktstrand. Die droom heeft iedereen wel een paar keer in zijn leven en betekent dat je echt heel erg onzeker bent,’ zegt het.

Theo staat op van de tafel om koffie te gaan zetten.
‘Koffie?’ roept hij vanuit de keuken naar zijn geweten.
‘Ik houd persoonlijk niet zo van kopje-koffiedialogen,’ zegt zijn geweten tegen de camera.
‘Wat?’ schreeuwt Theo.
‘Dat ik niet zo van kopje-koffiedialogen houdt!’
‘Maar wil je koffie?’

Dan gaat de deurbel. Theo doet open, maar houdt de deur vast en steekt zijn hoofd door de kier. Hij ziet twee oude mannetjes staan. Zij stellen zich voor als zijn zelfvertrouwen en libido.
‘Is dit een grap?’ zegt Theo minder boos dan het lijkt.
Zijn zelfvertrouwen moet grinniken. Theo fronst. Hij weet niet zo goed of hij ze binnen moet laten. Hij heeft net voor maar een persoon koffie gezet.
‘Ja,’ zegt zijn zelfvertrouwen.
‘Wat?’
‘Ja, Theo. Dit is een grap, man. Jouw hele leven is een grap,’ valt zijn libido zijn zelfvertrouwen bij.
‘Life is a joke, while you’re busy making other puns. Weet je wie dat zei?’ vervolgt zijn zelfvertrouwen.
‘Stel je voor dat hij iets zou kunnen bedenken,’ zegt zijn libido.
‘Wat willen jullie?’

Dat is een goede vraag van Theo vindt zijn geweten, dat inmiddels achter hem is gaan staan. Dit laat het weten door langzaam in de camera te knikken, die inmiddels ook in de gang aanwezig is.
‘Jij neemt het leven veel te serieus, Theo,’ zeggen zijn zelfvertrouwen en libido in koor.
Theo denkt even na, maar veel tijd krijgt hij niet.
‘Denk je nog weleens aan Paul?’ vraagt zijn libido. ‘Dat lekkere leeuwtje?’
Zijn libido duwt langzaam de deur open. De camera dringt zich op, wurmt zich naar voren om het antwoord goed vast te leggen. Theo doet een stap naar achter en zijn libido staat op de deurmat. Zijn zelfvertrouwen schuifelt achter hem aan. Voor elke stap die zijn libido dichterbij komt, zet zijn zelfvertrouwen er twee.

‘Kom maar binnen dan.’
Zijn zelfvertrouwen snelt langs zijn libido naar binnen, de trap op, naar de computerkamer. Langzaam volgt de rest. Theo is de camera helemaal vergeten. Hij klikt YouTube aan en zet het filmpje met de titel Mr. Blue – René Klijn & Paul de Leeuw aan en knoopt zijn broek los. Zijn zelfvertrouwen en libido staan naast hem, met een hand op beide schouders. Precies op het moment dat hij klaarkomt, rennen de twee oude mannetjes de trap af en smijten de deur dicht. Intussen heeft zijn geweten de schaamte door het raam naar binnen gelaten en hebben ze samen de browsegeschiedenis gewist. Snel typt zijn geweten een mailtje naar paul.de.leeuw.fanclub.documentaire.crew@vara.nl met het verzoek dit materiaal niet te gebruiken.

Standaard
Paul de Leeuw

Een pot herfstthee

Weet je, Merel’ zei de 80-jarige vrouw, ‘volgens mij zijn we gewoon allemáál een beetje biseksueel. Alleen sommige mensen wat meer dan anderen.’
‘O ja?’ vroeg haar kleindochter, niet vertellend dat ze afgelopen weekend nog aan de borsten van haar beste vriendin had gezeten.
‘Ja’ zei haar oma. ‘En dat is helemaal niet erg.’

Het was de schuld van Merel’s moeder. Ze was na de scheiding een paar jaar alleen geweest, ze had gedatet (meer omdat het van haar verwacht werd dan omdat ze er echt zin in had) en toen was er plotseling Alice. Een vrouw. Merel´s moeder had het aan haar kinderen verteld tussen het avondeten en het toetje. ‘Hoe zouden jullie het vinden om er nog een moeder bij te krijgen?’ Arthur, nog maar twaalf, snapte niet wat ze bedoelde. Merel antwoordde: ‘We hebben dat wijf van papa al. Drie moeders is teveel.’

Merel’s oma schonk nog een kop thee in. Het was de speciale herfstthee, met kaneel en nog iets kruidigs, waar Merel zo van hield. Haar oma sloeg er in de herfst een voorraad van in zodat ze voor het hele jaar genoeg had.
‘We moeten gewoon blij zijn dat dit soort dingen kunnen, tegenwoordig’, ging oma verder. ‘Iedereen mag zijn wie hij wil.’
‘Niet iemands ouders’ zei Merel. ‘Die mogen alleen maar ouders zijn en niets anders.’

Merel was blij dat ze nog geen kinderen had. Ze kon op zaterdagavond gewoon zes sambuca achteroverslaan en haar tong in iemands mond steken, of het nu een man of vrouw was. Vrouwen zoenden beter, vond ze meestal. Hun tong was zachter. En hoewel ze geen pot was, echt niet, hield ze van het gevoel van borsten tegen de hare. Met de mannelijke aandacht zat het daarna ook altijd wel goed. Gelukkig was ze nog geen moeder.

‘Neem nu Paul de Leeuw’ zei oma. ‘Een witte homo met twee zwarte zoons. Dat zoiets kan! Geweldig toch?’
‘Geweldig, oma’ zei Merel.
‘Ik moet altijd zo lachen om die man.´
Oma lachte, alsof ze zich een grap herinnerde die Paul de Leeuw ooit had gemaakt. Merel roerde in haar thee. Oma vertelde de grap niet.

Natuurlijk bleek die Alice aardig te zijn, veel te aardig. Ze droeg geen leren jassen en haar haar stond niet piekerig omhoog. Merel hoefde haar geen ´mama´ te noemen; ze zoende Merel´s moeder niet waar ze bij was. Soms zag ze hen voor zich, samen. Maar zelfs dat idee wende.
‘Je gelijk, oma’ zei Merel. ‘Ik wou dat ik zo open-minded was als jij.’
Haar oma lachte niet meer. Merel wist het niet zeker, maar het leek alsof oma’s ogen iets natter waren dan eerder. Merel pakte haar hand. Toen slaakte oma een diepe zucht, en vroeg zachtjes: ‘Denk je dat ik haar verkeerd heb opgevoed?’

Standaard
Paul de Leeuw

Dierentuinconcurrentie

Het was in de tijd voor smartphones, toen mensen nog zeiden nooit een mobiele telefoon nodig te hebben. Weet je nog? Ik geloof dat we net een Pentium 2-computer hadden aangeschaft, volgend op onze verhuizing naar Amersfoort. Ik was een jaar of tien, mijn zusje en broertje drie en zes lentes jonger.

Moeder had besloten met ons op zoek te gaan naar de dierentuin. Tegenwoordig zou je niet eens de moeite nemen om de locatie van tevoren op te zoeken, maar gewoon op je fiets stappen en halverwege wel ontdekken of je de goede kant op reed. Toen, echter, was dit een avontuur. Op de kaart van Amersfoort had Moeder ontdekt waar de dierentuin zou moeten zijn, en bepakt en bezakt met lunchpakketjes stapten we op de fiets.

Nou, toen waren we er. Ja, ik weet dat je nu meer had verwacht, maar het was echt slechts een kwestie van erheen fietsen. Natuurlijk, alles was nieuw en spannend, maar er gebeurde niets noemenswaardig. Het was gewoon – fietsen. Eén moeder met één kind achterop en twee om haar heen, op eigen fietsen.

Na die eerste ontdekking gingen we heel regelmatig naar de dieren kijken. We namen zelfs een abonnement. M’n foto stond erop.

Onze favoriete dieren waren de stokstaartjes en de olifanten. De stokstaartjes omdat ze zo ontzettend leuk gingen staan en parmantig om zich heen keken. De olifanten omdat ze zo groot waren en omdat er van hun voedertijd echt een belevenis werd gemaakt. Ze kregen hele broden, kroppen sla, kruiwagens appels en wortels. Maar ze moesten wel even een trucje doen voordat ze het eten kregen. Met hun poot omhoog en de slurf tegen hun voorhoofd gekruld. Konden ze goed. En ondertussen vertelde de verzorger dan dat de slagtanden van Jimmy, de bul, best gevaarlijk waren. Man, dat was wat vroeger. Tegenwoordig kijk je even op YouTube naar wat vechtende olifanten, zoek je nog een gifje van een rennend babyolifantje en klaar ben je weer.

Overigens vond ik de leeuw het meest teleurstellende dier. Wat een luie krengen. Eén van de leeuwen, die wij Paul noemden, deed niets anders dan gapend op z’n boomstam liggen. Ongelooflijk luie beesten. Daar heeft het internet dan niets aan veranderd. Ook op YouTube zijn leeuwen, mannetjesleeuwen althans, luier dan het soort paard dat zijn naam aan deze classificatie heeft te danken.

Naarmate we ouder werden gingen we minder vaak. Net zolang tot een abonnement eigenlijk niet meer uit kon, en we zo nu en dan een los kaartje kochten, totdat ook dat niet meer gebeurde. En achteraf gezien kan je de opkomst en acceptatie van het internet er omgekeerd evenredig tegenover plotten. Het is als Bridget Jones’ Diary. De realiteit kan er nooit tegenop.

Standaard