Nasynchronisatie

Meet the parents

Het was leuk je ontmoeten, Jasmijn,’ zegt Brams moeder. We staan met zijn vieren onhandig in het kleine halletje. ‘Vond ik ook,’ zeg ik. Ze geeft me drie zoenen en haar bordeauxrode lippenstift laat een vettig laagje achter op mijn wang. Ik durf het niet gelijk weg te vegen. Ik schud de hand van zijn vader, terwijl Bram zijn moeder gedag zoent.

We lopen naar de bushalte en Bram pakt mijn hand. Twee maanden geleden leerde ik hem kennen. We zijn op zo’n punt beland dat ik het gevoel heb dat ik een keuze moet maken. Ervoor gaan of niet. Yay of nay. Ik neig naar ja. Tenminste, dat dacht ik. Eigenlijk wachtte ik op een teken. Iets waardoor ik zou weten dat het goed zat. Ik had gehoopt dat dat vandaag, bij de ontmoeting met zijn ouders, zou gebeuren. Dat ik op de schoorsteenmantel een foto van een kleine schattige Bram zou zien en dat ik zag hoe leuk zijn ouders waren en dat ik zou denken: ja. Dit is ’m.
Maar dat gebeurde niet.
In plaats daarvan voel ik een knoop in mijn maag.
Het klikte niet met zijn vader.
Bram heeft het gemerkt, dat moet wel. Ik was stil en gespannen. Hij is close met zijn vader, zegt hij. Maar iets in die man stond mij niet aan. Misschien betekent dit wel dat we hiermee moeten kappen. Als dat de man is waar Bram zo tegenop kijkt, de man die Bram later wórdt… wil ik dan wel verder met hem?
Ik zeg weinig in de bus. We zouden naar mijn huis gaan om daar samen te eten, dus dat doen we dan ook maar.
Zodra de deur dichtvalt, barst Bram los. ‘Jezus, Jasmijn, wat is er? Was het zo erg?’
Ik haal mijn schouders op. ‘Ik weet niet… je vader… het klikte niet, of zo.’ Ik kan maar beter eerlijk zijn, besluit ik.
Hij is even stil, fronst zijn wenkbrauwen. ‘Heeft-ie iets raars gezegd?’
‘Nee. Het was gewoon… een gevoel, oké? Een negatieve vibe. Hij gaf mij het gevoel dat hij mij afkeurde, dat … ik… ik kan het niet uitleggen.’
‘En dat baseer je op een gevoel? Kom op zeg…’ Hij is beledigd. Ik zie het. ‘Hij was juist hartstikke geïnteresseerd.’
‘Hij kwam negatief over op mij. Zeurderig. Ik weet niet… Iets in zijn stem. Zo’n negatief toontje. Hij klinkt als… als Octo uit Spongebob. Alles wat hij zei…’ Ik onderbreek mijn geratel als ik zie dat Bram zijn handen voor zijn gezicht slaat. Zijn hele lichaam schudt. Als hij zijn handen laat zakken, zie ik dat hij heel hard lacht.
‘O, lieverd,’ zegt hij. ‘Lieve Jasmijn…’
‘Wat is er?’
‘Mijn vader ís Octo uit Spongebob.’
‘Wat?’
‘Hij is de stem van Octo uit Spongebob.’ Hij krijgt het bijna niet over zijn lippen omdat hij huilt van het lachen.
‘Huh? Hoe… Je vader is toneelregisseur…’
‘Hij is ook stemacteur. Dat doet hij erbij.’
Ik voel mijn wangen branden. Langzaam dringt tot me door wat er is gebeurd. Zijn vaders stem gaf mij zo’n negatief en afkeurend gevoel, omdat het de stem is van de chagrijnige octopus-buurman van een spons uit een fucking tekenfilmserie die ik tijdens mijn studie zo vaak keek dat ik alle afleveringen uit mijn hoofd ken…
‘Ik…’
Bram slaat zijn armen om me heen en kust mijn haar. ‘Kom, lieverd. We gaan naar de supermarkt en dan koken.’
Ik leg mijn wang tegen zijn borstkas. De knoop springt uit mijn maag en mijn schouders ontspannen zich. Bram schokschoudert nog na van het lachen en ik kan het niet helpen. Ik lach met hem mee.
Als dit geen teken is, weet ik het ook niet meer.
‘Wat dacht je van krabburgers?’ mompel ik tegen zijn T-shirt.

Door: Elsbeth Witt

Standaard
Nasynchronisatie

Tegendraads talent

Je bent te laat Loes. Alweer.’ Herman kijkt me boos aan. Hij staat me zelfs al op de wachten bij de ingang. ‘Verander dit, want het gaat consequenties hebben.’ Ik voel dat ik een kleur krijg, knik naar hem en schurk me langs de deurstijl het kantoor binnen. In gedachten geef ik mijn dochter de schuld.

Steffe is van een lief meisje veranderd in een lui en tegendraads kind. Peuterpuberteit noemen ze dat. Alleen heeft Steffe díe puberteit al twee jaar achter de rug en die was anders. Toen werd ze driftig en zei ze op alles ‘nee’. Nu luistert ze gewoon helemaal niet meer en kijkt ze me vaak alleen maar schaapachtig aan.
Vanmorgen vertikte ze het wederom haar bed uit te komen. Ik had haar al drie keer geroepen en toen ik de vierde keer een flinke ruk aan haar dekbed gaf, stond ze eindelijk op. Meteen had ik spijt van die ruk, want het kwam een tikkeltje agressief over en dat haatte ik.
Mijn werkplek is een rotzooi. Ik zie Herman afkeurend naar de troep kijken, maar hij zegt er niets over. Anders moet hij ook iets van de rommel op het bureau van Marian – alias Dikke Tieten Blonde Stoot – zeggen en dát wil hij dan weer niet.
Terwijl mijn computer haperend opstart doe ik alsof ik me verdiep in een dossier. ‘Ze is een dromer’, sust Harold me altijd als hij aan me ziet dat mijn bloed begint te koken. ‘Met een dromer is niets mis.’
Dat ben ik met hem eens, maar een in een kleurplaat verzonken dromer wordt leuker als ze gewoon luistert naar haar moeder.

De zoekopdracht ‘opvoeding’ geeft in Google ruim 13 miljoen resultaten. ‘Slechte opvoeding’ slechts 438.000. Dat lucht stiekem een beetje op.
Mijn collega’s kijken op van hun werk als ze mijn zucht horen, maar ze richten zich meteen weer op wat ze aan het doen waren. Ik zucht nogmaals, maar nu zonder geluid.
De werkdag is saai en duurt lang. De wetenschap dat ik vanavond onze belastingaangifte moet doen, maakt het er niet beter op.
De belastingaangifte is een pittige dit keer; we zijn verhuisd en Harold is van baan gewisseld. Steffe heb ik voor de tv gezet, zodat zij even zoet is en ik ongestoord kan werken.
Ik schrik op door de gierende uithalen van mijn huilende dochter. Ze staat naast me met natte wangen en tranen in haar grijsgroene ogen. ‘Mama’, snikt ze. ‘Ik snap niet wat die kinderen op de televisie zeggen. Hun lippen bewegen zo gek.’
Verdwaasd staar ik mijn dochter aan. Het kwartje valt. Het laatste puzzelstukje zat ergens verstopt in de dubbele bodem van de doos, maar nu heb ik hem. Ik kijk naar de tv en tranen vullen nu ook mijn ogen. Op het scherm speelt een Deense nagesynchroniseerde kinderserie. Mijn dochter blijkt een fantastische liplezer te zijn, maar niet in een andere taal.

Standaard
Nasynchronisatie

Toen werd het stil

Ze stond vlak naast de speakers. Alle anderen droegen oordopjes om hun gehoor niet te verpesten, maar niet Eva. Die wilde alleen maar meer geluid. Ze zoog ze op, de vage trillingen die voor haar ‘muziek’ heetten, alsof het watergolven waren die de dorst van haar uitgedroogde trommelvliezen konden lessen.

Meer dan trillingen hoorde ze niet. Ze wist niet hoe een piano klonk, of een schreeuw of gezang. Maar als er een goede bas was, zoals nu, voelde ze de trilling door haar hele lijf. Iedereen om haar heen sprong op en neer en het waren hun lichamen die het ritme in haar eigen lijf aangaven.

Eva wist niet beter dan dat ze doof was. Ze had wel gehoord, ooit, maar hoe dat voelde kon ze zich niet herinneren. Ze kreeg een hersenvliesontsteking vlak nadat ze haar eerste woordje had uitgesproken. Daarna werd het stil. Ze dacht dat haar moeder het nog het ergst vond: die had lopen janken als een kind toen ze Eva voor de eerste keer bij de dovencrèche moest afzetten. “Waarom huil je?” vroeg een van de andere moeders aan haar in gebarentaal. Zelf kon zij ook niet horen. Eva’s moeder had hardop teruggeroepen: “Bemoei je er niet mee! Jíj weet niet beter!” Die doven snapten er niets van.

Haar moeder had maar gebarentaal geleerd. Ze moest wel: het was de enige taal die Eva kende, afgezien van lichaamstaal (die ze onderhand ook vloeiend sprak). Zelfs haar vriendin Sarah, die volledig kon horen, kon het intussen. Toen Eva Sarah ontmoette waren ze nog op een leeftijd dat je niet dezelfde taal hoefde te spreken voor een hechte vriendschap. Sarah gooide een bal en Eva ving hem. Zo ging dat. Later leerde Sarah haar om vogelvoer te maken van appels en pindakaas, en Eva leerde haar ‘appel’ en ‘pindakaas’ met haar handen te zeggen. Zo moeilijk was het allemaal niet. Je polsen gekruist alsof ze geboeid waren, betekende ‘gevangen’. Je handen in de vorm van de Eiffeltoren betekende ‘Parijs’.

Sarah danste naast Eva, zoals altijd. Ze droeg valse wimpers tot aan haar wenkbrauwen en een bloemenkrans in haar haar, want dat deed je nu eenmaal. “No I never saw the light” zongen haar lippen mee met de muziek (Eva snapte bijna wat ze zong). Eva’s lichaam stond stil want er was even geen bas te voelen. Toen begonnen Sarahs handen plotseling mee te bewegen met de muziek; ze keek Eva aan. “No I didn’t watch my life go flashing right before my eyes”. Nu begreep Eva de woorden die ze gebaarde. Ze zag de rest van het publiek meedeinen op de vocals, ze zag Gareth Emery, de dj, de woorden maken met zijn mond. Zijn armen staken omhoog in een v-vorm. “I just close my eyes and all I saw was you” zeiden Sarahs gebaren. Eva sloot haar ogen en ze besloot dat horen overschat was. Meer dan dit kon er niet zijn.

Standaard
Nasynchronisatie

Behandeling

Begin oktober. Ik weet niet precies welke dag het is, maar het is twee uur voordat ik mijn eerste pil moet nemen. Ik fantaseerde net over het beschieten van Mensje met verdoofpijltjes en mij is verteld dat ik dit soort ideeën dan in dit boekje moet opschrijven. Dat zou dan helpen bij het begrijpen van de gedachte en me weerhouden van het daadwerkelijk uitvoeren ervan.

Tenminste, ik neem aan dat het willen schieten op een kat een dergelijke gedachte is. Het is moeilijk om te bepalen wat de criteria zijn voor een waanidee, daar hebben jullie niks over verteld. Maar gezien de omstandigheden gaat het dus best wel goed. Alles is relatief.

Het is nu een paar uur – denk ik, ik weet het niet helemaal zeker, het zouden ook een paar minuten kunnen zijn – nadat ik mijn eerste pil had moeten nemen. Ik ga je een verhaal vertellen, boekje. Toen ik nog intern zat, zijn ze me na een tijdje Forrest gaan noemen. Het had te maken met een film, Forrest Gump. Ken je die film, boekje van me? Heb je die gezien? Kan jij kijken, boekje? Ik heb die film gezien, maar wel in het Duits. Dat was in een hotel in Zwitserland, waar ik heen had gelift. Zoals de doctoren je misschien wel verteld hebben, lief boekje, was ik niet zo lang in Zwitserland.
Ik verstond niks van die film, maar wat ik wel begreep is dat je kunt rennen, als je maar wil. Ho, wacht even. Ik krijg weer iets. Het was niet zo’n erge: ik wilde bijten in de billen van een Joods Zwitsers jongetje en ik hoorde krekels.

Het is nu weer bijna nacht en ik ben eigenlijk gek ook dat ik dit allemaal opschrijf. Voor hun. Jou neem ik niks kwalijk, boekje. Jij hebt mij niks misdaan. Toch? Of wel? Je zegt steeds niks terug.

Doet het eigenlijk pijn als ik in je schrijf? Ik druk best hard. Is het als een tatoeage? Geef eens antwoord!

Het is volgens mij ochtend en ik ben gegaan, boekje. Ik ben gaan rennen. Ik vond het geen gek idee, maar ik vind toch dat ik het je moet vertellen. En je bent mee, zoals je merkt. Ik kan je toch niet achterlaten, je bent alles wat ik heb. Ik hou van je, boekje. Hou jij van mij? Vind je mij lief? Je weet dat ik je goed behandel. Ik heb jou niks misdaan. Ik zal je nooit te buiten gaan.

Het is nu te laat. Ik hoor de krekels constant. Ik voel zwermen krekels om mijn hoofd, maar ik zie ze niet. Ze zoemen en krioelen. Ik krab, maar er gebeurt niks. Er verandert niks. Ik zie alleen mijn vader. De hele tijd mijn vader. Zijn handen, zijn wapens. Jij zou me toch helpen? Waarom schrijf je nou niks terug? Ik kan het niet meer tegenhouden. Ik ben op het strand. Help me nou. Ik zie een gezin. De man legt zijn spartelende zoon op zijn buik. Help. Ik zie zijn handen. Ik laat je nu los, ik leg je weg. Ik heb mijn handen nodig.

Standaard
Nasynchronisatie

Kaskrakers

De drieënzestigjarige Frank van Haverklap liep stevig door. Hij mocht niet te laat komen, daar had hij al vaker gezeur mee gehad. ‘Je bent een prima stemacteur,’ had de regisseur gezegd, ‘maar als ik niet op je kan rekenen, vlieg je er alsnog uit. Voor jou tien anderen.’

Bluf, dat wist Frank – De Polder Clint Eastwood – van Haverklap zeker. Er was niemand te vinden die beter een Amerikaanse held in het Nederlands kon doen dan hij. Het was immers deze Frank van Haverklap die hele dorpen en complete steden in 1971 had laten juichen met de zin “Je moet je nu afvragen of het geluk aan je zijde is, stuk tuig” uit de populaire misdaadfilm Ranzige Harrie. De Nederlandse nasynchronisatiewereld was hierna nooit meer hetzelfde en Frank van Haverklap mocht de ene kaskraker na de andere voorzien van zijn goddelijke stem. Megasucces volgde met “Het is niks persoonlijks, het is puur zakelijk” (De Doopvader, 1972), “Je hebt een grotere boot nodig, man” (Haaientanden, 1975), “Nee, Luuk jongen, ík ben je biologische vader” (Sterren Oorlog 5 – Het Imperium In De Tegenaanval, 1980), “Héé hallo, hier is Johnnie!” (Het Schijnende Licht, 1980), “Dat is zwaar boeiend” (Wederkeren Naar De Toekomst, 1985) en natuurlijk “Welkom op het feest, makker” (Keihard Doodgaan, 1988).

Maar tijden waren veranderd. Anno 2014 werd zijn professie met uitsterven bedreigd. Het was begonnen met de verplichte Engelse les op de basisscholen, gevolgd door de toenemende populariteit van de ondertiteling. Het was daarom dat Frank van Haverklap sinds midden jaren ’90 vooral kinderfilms insprak. Het betaalde prima, maar artistiek gezien deed het hem pijn. Hij kon meer dan de stem van een speelgoedcowboy of een bureaulamp.

Een auto stopte naast Frank van Haverklap. Het raampje ging open en een rimpelig hoofd zocht contact met de eens zo beroemde stemacteur. “Hé,” riep het hoofd dat ook nog eens kaal was, “jij bent toch die ene?” Frank van Haverklap drukte nogmaals op het knopje van het stoplicht. Hij wist waar dit naar toeging en hij had er vandaag geen zin in. “Welkom op het feest, makker!” riep het hoofd, gevolgd door een daverde lach.

De regisseur deed zelf open. “Je bent te laat, Van Haverklap,” zei hij en duwde hem richting de microfoon. Zelf ging hij zitten aan de andere kant van het glas. “Oké ouwe, pagina 3, je bent net gevangen genomen en het spant er nu om voor je karakter. Go.” Frank van Haverklap nam een slok van z’n water en gaf de technicus een seintje dat hij de film zonder geluid kon instarten. Hij bewoog iets dichter naar de microfoon en riep toen met gevaar voor het wegvliegen van z’n kunstgebit: “Je moet je nu afsmurfen of het geluk aan je zijde is, stuk Smurf!”

Standaard