Turkse schoonmaakster

De zon achter de skyline

Ze is er altijd eerder dan alle kantoorlui. Ze poetst de bureaus zodat iedereen de dag aan een schone tafel begint. Ze is goed in haar werk. Haar baas grapt zelfs wel eens dat ze de snelste schoonmaakster van Nederland én Marokko is. Of dat waar is, weet ze niet. Het maakt haar eigenlijk ook niet uit. Ze vindt haar baas een nare man. Ze walgt van de dunne, vette haren die hij over zijn bijna kale hoofd plakt. Hij komt altijd net te dichtbij zodat ze zijn muffe lucht kan ruiken en hij maakt verschrikkelijke grappen over haar hoofddoek. Toch blijft ze er werken. Ze moet wel, maar niet lang meer.

Rond 9 uur komen alle mensen aan bij het grote, grijze kantoor. Ze verzamelen zich rond de koffieautomaat en gluren naar de schoonmaakster met haar gele handschoenen.

‘Heb je het gehoord? Ze stopt ermee.’
‘Dat meen je? Waarom?!’
‘Nou ik wil niet veel zeggen, maar wat zit er op haar hoofd?’
‘Een hoofddoek?’
‘Precies. Naja, je weet het niet hè, met die toestanden in Syrië.’
‘Nee! Zou ze erheen gaan? Bedoel je dat?’
‘Je hebt het niet van mij hoor.’

Ze heeft ze wel zien gluren en smoezen, maar besteedt er geen aandacht aan. Ze krijgen nog wel spijt. Ze poetst de wc’s en ruimt de laatste rommel op. Als ze een doekje over de vergadertafel haalt, ziet ze dat er nog verfspikkels van de vorige dag op haar handen zitten. Als ze klaar is, zet ze koffie voor zichzelf. In Marokko dronk ze altijd thee, maar ze vindt die op kantoor niet lekker. Ze heeft al tijden een vaste bureaustoel die ze in de vergaderkamer voor het grote raam zet. Hier drinkt ze haar koffie terwijl ze over de stad uitkijkt. Rotterdam, al bijna 15 jaar haar stad, maar echt wennen zal ze er nooit. Terwijl ze zachtjes in het bekertje blaast kijkt ze toe hoe steeds meer mensen uit hun deuren komen. Ze telt de auto’s die over de Erasmusbrug rijden en volgt ze met haar ogen van de ene naar de andere kant. Maar het mooiste van alles is de zon die ze hier kan zien opklimmen vanachter de skyline. Deze zonsopgang haalt het niet bij die in Marokko, maar toch geniet ze van deze momenten.

Haar koffie is op. Ze pakt haar spullen en loopt naar de lift. Ze zegt iedereen nog gedag, maar er volgt geen reactie. Met strakke gezichten kijken ze naar hun computer en doen alsof ze haar niet horen. Zodra de liftdeuren zich achter haar sluiten, begint het geroezemoes weer.

‘Ze is een, hoe noem je dat nou, jihaddinges he.’
‘Nee, hou op met me! Met vechten enzo?’
‘Nou misschien niet zij zelf, maar haar man ofzo.’
‘Heeft ze wel een man? He bah, het leek zo’n lieve vrouw!’
‘Je kan het aan de buitenkant niet zien hè. Maar ik heb het ook maar van Gerard gehoord hoor.’

Het is een week later. Precies op het moment dat ze hun computers uitzetten en ‘Hee, joe! Fijn weekend!’ naar elkaar roepen, landt er een vliegtuig aan de andere kant van de wereld. Ze pakt een taxi naar Greenwich Village. Als ze uitstapt, staat ze voor een galerie. Wanneer ze door het raam tuurt, moet ze haar adem inhouden om niet te gillen. Binnen hangen haar schilderijen al. Terwijl ze de deur openduwt, neemt ze zich voor de volgende ochtend de zonsopgang te gaan bekijken. De New Yorkse zal vast mooier zijn dan die in Rotterdam. Ze heeft alle tijd om te wennen.

Door: Nina Juffermans

Standaard
Turkse schoonmaakster

Café Vroeger

Het was nogal een ontboezeming voor een maandagavond in café Vroeger, maar Anja deed alsof het niets was en dronk rustig haar glas rode wijn leeg. Haar nonchalance deed me goed.

Anja had ik ontmoet tijdens het introductieweekend van de studie Bedrijfskunde en we trokken dat eerste jaar veel met elkaar op. We bewogen ons in dezelfde cirkel met dezelfde projectgroepjes, dezelfde studievrienden en dezelfde grappen. Maar veel verder dan dat kwamen we niet.
Toch bleven we na ons afstuderen contact houden en eens in de zoveel weken spraken we met elkaar af onder het motto “gewoon een drankje doen, even bijpraten”. Op haar initiatief, ik vond het prima zolang het maar niet op een Champions League dinsdag of woensdag was.
Op die bijpraatavonden ging het heel even over het nu en daarna vooral over het toen. In een aflevering van The Soprano’s zegt maffiabaas Tony Soprano een keer geërgerd dat herinneringen ophalen de goedkoopste manier van converseren is. Daar moest ik de laatste avonden vaak aan denken als een mislukte presentatie of het tegenwindkapsel van de studieloopbaanbegeleider weer op de cafétafel werd gegooid. Dit was allemaal zonder waarde. We hadden enkel het verleden: geen heden en daarom ook geen noemenswaardige toekomst.
Ik nam me voor het die maandag maar eens aan te snijden in café Vroeger. Aansnijden en mededelen dat ik er klaar mee was. Op de fiets er naar toe oefende ik het gesprek. Ik zou haar vragen om die anekdote over de ongewenste zwangerschap van dat ene meisje wiens naam we altijd vergaten, even te parkeren. Dan begripvol kijken en een zin beginnen met “Anja, luister”.
Ik maakte mijn fiets vast aan de brug, bestelde drank aan de bar en voor even verliep de avond als alle andere avonden. Maar toch was er al iets veranderd. Nu ik wist dat het einde in zicht was, genoot ik meer dan ooit van het verhaal over de gestolen tentamenvragen.
Een warme gloed trok door mij heen. Misschien is een gedeeld verleden juist de ideale voedingsbodem voor een gezamenlijke toekomst. Hier tegenover me zat iemand die ik kon vertrouwen. Ze had me immers ook niet verraden bij de examencommissie.
En zo kwam het dat ik na het vijfde biertje eruit floepte dat mijn ouders gescheiden waren en ik mijn moeder al jaren niet meer had gezien. En dat ik niet wist of haar absentie iets was om me zorgen over te maken. “Joh,” had ze geantwoord, “ik ben praktisch opgevoed door Ceren, onze Turkse schoonmaakster. Ik begrijp precies wat je bedoelt.”

Standaard
Turkse schoonmaakster

Isis, het nageslacht van een alcoholistische moslim

Knoflook zorgt voor slapeloze nachten. Rabia houdt er van, maar vaak wordt ze wakker met een droge mond en dan moet ze veel water drinken en nog een keer haar tanden poetsen om de vieze smaak weg te krijgen.

Dat ze nu de halve nacht wakker ligt, komt niet door de knoflook.
Dat mensen discrimineren wist ze al lang, maar ze heeft het zich nooit persoonlijk aangetrokken. Ze heeft er ook nooit naar geleefd. Ze draagt gewoon een ‘kopvod’ en lacht schamper als iemand haar hoofddoek ook serieus zo noemt. Als ze wordt nageroepen op straat, staat ze daar boven. ‘Die mensen weten niet beter’, zei haar moeder altijd en daar is ze het mee eens. Ze leert het haar eigen dochter ook.
‘Laten we maar terug verhuizen naar Turkije’, zei haar man Mehmet gisteren, maar dat vertikt ze.
De herinneringen aan haar vaderland zijn overwegend negatief. Die aan haar vader zélf ook trouwens. Hij sloeg haar, en hij sloeg haar moeder nog harder. Vooral als hij dronken was. In Rabia’s geheugen was hij dat altijd. Maar dat mocht niemand weten. Alcohol was verboden. Behalve binnen de muren van het huis van familie Aslan, naast het theehuisje van haar vader.
De nacht dat haar moeder haar mee nam naar Nederland, veranderde haar leven.
Geen klappen meer, geen ruzie en geschreeuw meer. Mama poetste bij mensen thuis en Rabia ging naar school. Ze haalde goede cijfers, maar verder studeren ging niet. Daar was geen geld voor. Na de havo ging ze aan de slag bij hetzelfde schoonmaakbedrijf als haar moeder, maar toen bleek dat ze zelf maar weinig van het uurloon over hield, besloot ze voor zichzelf te beginnen. Veel van de adresjes waar ze al poetste gingen met haar mee, want ze mochten haar graag en vertrouwden haar.

Na het Polenmeldpunt van Geert Wilders kreeg ze er zelfs een aantal adresjes bij. Polen moesten het veld ruimen, want dat was schorem.
Maar de IS heeft alles veranderd. Dat haar dochter van 8 Isis heet, werkt niet mee. Het altijd zo gulle vertrouwen is weggevaagd. Er waren slechts een paar onthoofdingen voor nodig.

‘Het is de crisis, we kunnen je niet langer betalen’, had meneer Ten Goede gezegd. Het was het laatste adresje dat ze nog had. Veel van haar andere werkgevers hadden in rap tempo toch weer een Poolse aangenomen.
De crisis. Natuurlijk was het niet de crisis. Die begon juist weer uit het slop te raken. Dat Rabia moslima is, maakt haar niet dom. En al helemaal geen terrorist.

Als ze na het tanden poetsen weer in bed kruipt, wordt haar man wakker. ‘Wat is er schat, lig je te piekeren?’, vraagt hij. Ze knikt, murmelt wat en kruipt dicht tegen hem aan. ‘Het komt wel goed’, zegt hij midden in een gaap. Grinnikend voegt hij er aan toe: ‘Behalve als je zoveel knoflook blijft eten. Met deze lucht kom je nooit meer aan werk.’

Standaard
Turkse schoonmaakster

Reuzenolifant

Vlak voordat Theo Snelbinder de kluis dicht wilde doen, voelde hij een hand op zijn bil. Een ogenblik schrok hij, glimlachte toen en draaide zich om. Terwijl zij langzaam achteruit liep, gebaarde zij dat hij haar moest volgen naar de stoel. Daarop vlijde ze zich languit neer.

‘Kom hier met die pik,’ zei ze. Ze stak haar met doorzichtig latex omhulde wijsvinger in de geringe ruimte tussen haar wang en haar donkerblauwe hoofddoek.
‘Hiero,’ zei ze en bewoog de vinger heen en weer.
Theo Snelbinder verbaasde zich over haar tongval en nog iets meer over haar voorstel, maar hij deed wat hem geboden werd. Hij keek naar de plek waar hij in de middagpauze haar telefoon had zien zitten, maar waar nu in plaats van onverstaanbaar gekwetter enkel het geluid van zijn tegen haar wang glijdende penis te horen was. Hij genoot. Misschien meer van het geluid dan van het gevoel, maar hij genoot. Intussen had hij met een aantal vingers haar rok omhoog en haar onderbroek opzij weten te schuiven. Ze zuchtte diep en gromde. Toen hoorde ze eindelijk gestommel uit de wachtruimte.
‘Fuck, de schoonmaakster!’ fluisterde ze dringend en kwam overeind uit de stoel die ver naar achter gekanteld was.
‘ Ja, fuck de schoonmaakster,’ hijgde Theo Snelbinder, die dacht dat zij het spel wilde meespelen. Dat ze mee wilde dansen in de pas-de-deux van tandarts en schoonmaakster.
‘Nee, Theo. Op de gang, de schoonmaakster is er.’
Theo Snelbinder had zoals elke woensdag zijn receptioniste alle afspraken van na vijf uur laten verzetten, maar dit avontuur met de assistente had hij niet voorzien. Snel borg hij zijn gereedschap op, vlak nadat hij zijn pik weer in zijn broek had gepropt. Hij wilde wel dat er goed schoongemaakt werd. Hij wees naar een mondkapje en een aantal spoelbekertjes die op de grond waren gevallen.
‘Ruim jij die even op?’ zei hij tegen zijn assistente.
Zelf legde Theo Snelbinder zijn boor weg. Terwijl hij voor de kast stond, hoorde hij hoe zijn assistente een bekertje vulde met water.
‘Hier, drink even wat. Je ruikt naar kut uit je mond.’
Theo Snelbinder dronk het bekertje leeg. Op het moment dat hij besefte dat hij zijn assistente helemaal niet gebeft had, werd hij licht in zijn hoofd. In horizontale positie zag hij nog wel dat de deur naar zijn praktijk openging, en hoe zijn assistente een vreemde man begroette.

Theo Snelbinder wandelt door het Land van Koek en Ei. Heel even moet hij zijn weg vinden. Hij kijkt om zich heen, op zoek naar zijn gezin. Of nee, eigenlijk kijkt hij of ze er niet zijn. Zijn overspelige vrouw. Zijn verslaafde zoon, zijn te makkelijke dochter. Allemaal afwezig. Geen bruggen, nergens cariës. Theo merkt dat hij huppelt. Hij huppelt door een landschap van vrolijke dieren. Ze dansen rond een plas water, ze spetteren hem nat. Hij lacht zijn tanden bloot, hij danst dierlijk mee. Hij danst tot hij niet meer kan. Even verderop laat hij zich uitgeput zakken tegen een boom. Net als hij bijna wegdut, ziet hij twee reuzenolifanten uit de groep op hem af komen, gekleed in grote gewaden. Ze wapperen met hun onder katoen verborgen oren, alleen hun slurf komt eronder uit. Ze buigen zich over hem heen, ze lijken te lachen. Dan geeft een van de olifanten hem een klap met zijn slurf. ‘Ik ben geen lastdier,’ roept hij luid.

Vanaf de grond kijkt Theo Snelbinder naar de illustratie in de lijst aan de muur. Twee reuzenolifanten, waarvan de slagtanden worden gepoetst door twee mannetjes in blauwe overalls met reuzentandenborstels. Het hangt scheef. Dan ziet hij dat de hele praktijk in puin ligt. Hij wil opstaan, naar de kluis lopen. Maar zijn handen zijn gebonden. Hij schreeuwt, maar zijn lippen zijn bezet door duct tape. Dan ziet hij langzaam een in blauw katoen gehulde stalen buis boven zijn hoofd verschijnen.

Standaard
Turkse schoonmaakster

Tjonge, wat ben jij ongelooflijk tolerant

Ik vind het niet erg dat hij zich voorstelt. Verre van zelfs. Het is het zelfingenome dat ik haat. De air van ‘jij bent minder dan ik’ die ik verafschuw. Hij bekijkt me van top tot teen, ziet mijn kleding, mijn hoofddoek en de zwabber en steekt vervolgens z’n hand uit.

“Hoi, Jan” zegt-ie. De toon is hautain, maar niet in de zin van arrogant. Hij zegt het juist met extra empathie. Alsof hij mij wil laten zien dat hij mij niet minder vindt, juist niet zelfs, want hij is tolerant en aardig en hij zou nooit wat verkeerds doen. Hij wil me met z’n gemaakte enthousiasme laten zien dat ik bij hem terecht kan als ik een eerlijke, oprechte en fijne Hollandse jongen nodig heb. In z’n handdruk zit verscholen dat hij geen PVV stemt. Z’n ogen vertellen me dat hij de PVV zelfs verafschuwt. In z’n lichaamstaal lees ik de verwachting van dankbaarheid.

Nadat ik m’n naam heb gezegd draait hij zich tevreden weer om naar z’n twee schermen. Ook zoiets, twee schermen. Alsof één niet goed genoeg is. Als hij mijn werk zou doen zou hij waarschijnlijk om twee zwabbers vragen, omdat eentje zo inefficiënt werkt. Ik gniffel om de gedachte zo’n blanke, zelfingenomen snotneus te zien klunzen met twee aan elkaar gebonden zwabbers.

Als ik twee dagen later weer in het kantoor aan het zwabberen ben – wie bedenkt dat eigenlijk, zo’n streepgevoelige latexvloer op een kantoor? – zie ik hem hoopvol naar me toe draaien. Zonder hem aan te kijken werk ik door. Hij broedt nu ongetwijfeld op een grappig zinnetje waardoor ik later met l’esprit de l’escalier moet doorwerken. Zo eentje is hij er wel. Ik zwabber mezelf handig het kantoor uit en laat hem teleurgesteld achter. Hij zal wel denken dat ik zo’n saaie ben. Een vrouw die niets durft. Een vrouw die niets durft te zeggen tegen mannen. Of erger nog, een vrouw die niets mág zeggen tegen mannen. Met wat geluk bevestig ik met mijn zelfbewuste actie weer wat ondoordachte vooroordelen over het lot van de vrouw binnen de Islamitische religie. Vrijdag zal hij dan in het café verkondigen dat ik echt zo’n typisch Turks/Marrokaans (hij weet het niet) schoonmaakstertje ben die wordt onderdrukt door haar intolerante klootzak van een man. En dat hij dat zo jammer vindt, want hij had zo graag contact met me gemaakt, want weet je, ze zijn allemaal niet zo erg. Het racisme zal van ‘m af spatten en hij zal er trots bij glimlachen. Want hij is geen racist, hij is juist het toonbeeld van Hollandse poldertolerantie. Waarschijnlijk gebruikt hij dat woord ook om te beschrijven wat er mis is in de rest van de wereld. Dat Poetin gewoon dat stukje poldertolerantie mist. Wat een helder licht in deze wereld is hij.

Hij kijkt naar me om te checken of ik kijk en veegt dan demonstratief z’n toetsenbord schoon. In drie dagen is z’n houding omgeslagen van ‘mij kan je vertrouwen’ naar ‘je doet je werk slecht’. Nog even en ik mag ‘doe dat hoofddoekje toch af’ aflezen aan de stand van z’n baard, gevolgd door een ‘je religie is de verkeerde’, verhuld in een neutrale opmerking.

Standaard