Ik vertrek

Lieve Liesbeth

Herman stapte de gang binnen, gooide zijn aktetas in de hoek en probeerde zich te bevrijden van zijn veel te strakke sjaal.
‘Dag schat!’
Stilte. Altijd die stilte.
Hij liep door de smalle gang van hun appartement en sloeg links af naar de huiskamer waar hij zijn vrouw aantrof. Herman bleef zenuwachtig in de deuropening staan, alsof hij wachtte op een uitnodiging om naar binnen te stappen.

‘Lies, sorry dat ik zo’n troep heb achtergelaten. Had het graag opgeruimd maar had haast.’
Hij stond er een beetje verslagen bij, keek in de ogen van zijn vrouw, in die lieve bruine kraaloogjes van die lieve Liesbeth, en schraapte zijn droge keel. Hij zou tot het einde van de aarde rennen om even haar stem te horen. Hij had alles al geprobeerd maar niks hielp, en het maakte hem moedeloos.

‘O ja, wel even leuk om te weten, heb vandaag eindelijk mevrouw Zwart- ‘voor jouw Stella, mop’ ontmoet.’ Herman probeerde de leegte van de geluidsloosheid te vullen met onzinnige woorden. Hij friemelde aan zijn blouse en streek zenuwachtig met zijn hand door zijn zweterige haren.
‘Je had gelijk, ze is alleraardigst. Lekkerding wel. Heb trouwens ook Gerard eten gegeven. Heb ik dat ook weer eens gedaan, ik vergeet dat zo vaak. Hij zal het me gelukkig nooit kwalijk nemen. Gek is dat toch, dat zo’n kat je het gevoel geeft dat je onvoorwaardelijk geliefd bent.’
Hoeveel pijn die laatste woorden deden merkte hij pas toen ze zijn lippen hadden verlaten.
‘Hij haalde me bijna over om te blijven. Maar dan zie ik jou ineens weer hier en dan weet ik ineens weer dat ik me iedere ochtend voorneem om een einde aan mijn leven te maken.’
Het was eruit voordat hij het doorhad en hij schrok ervan. De woorden die hij iedere ochtend voor de spiegel oefende, eindeloos herhaalde op weg van werk naar huis, het lukte hem nooit om het te zeggen. En nu ineens, in de schrik van zijn verdrietigheid, floepte hij het eruit alsof het niks anders was dan een ‘de melk is op’.

Herman stond nog steeds in de deuropening. Nog steeds friemelend aan zijn blouse. Een lange verslagen slungel met bruin haar en nog bruinere ogen. De kogel was door de kerk.
‘Ik ga weg Lies. Het kan gewoon niet meer. Ik trek het gewoon niet weet je.’
Hij wist dat hij haar wel een betere uitleg verschuldigd was, maar het lukte gewoon niet. Alles wat hij in zijn hoofd zo perfect kon formuleren kwam als een vieze drek uit zijn mond sijpelen. Hij had geen controle meer en zijn verdriet kreeg de vrije loop.
‘Snap je, ik moet maar altijd blijven doen alsof het oké is tussen ons. Altijd thuis komen en maar zien wat ik aantref,’ Het hartverscheurende gehuil van Herman vulde de kamer. ‘Terugkeren naar een koud, leeg bed. Ik ben er klaar mee. Ja, ik weet wat ik heb belooft. Dat ik door zou zetten. Dat ik zou blijven. Ik weet het. Maar ik kan niet meer.’
Hij had het in zo’n vijf seconden eruit gegooid en stond hopeloos hard te huilen. Langzaam liep hij naar haar toe. Hij keek diep in haar prachtige ogen.
‘Het is tijd. Ik hoop dat je dat snapt.’
Na de laatste stap haar kant op gaf hij een lange kus op haar voorhoofd en voelde het koude glas aan zijn lippen, het glas die de foto al drie jaar lang beschermde.
Nog een keer keek hij naar haar mooie gezicht, droogde zijn tranen met de mouw van zijn verkreukelde blouse.
‘Ik ga het doen. Geen zorgen, ik zal geen pijn hebben.’
En na al die jaren kon hij eindelijk weer lachen. Het was eindelijk zo ver.
‘Ik hou van je. Tot zo.’

Door: Madelief Pormes

Standaard
Ik vertrek

Gouden belofte

Ze wees in de verte en zei: ‘Een regenboog is een belofte van God aan de mensheid dat er geen nieuwe zondvloed zal komen.’
Ik knikte, kende het verhaal uit het bijbelboek Genesis. Net zoals ik ook wist dat het natuurverschijnsel wetenschappelijk meer dan prima te verklaren is. Ik hoefde mijn telefoon maar uit mijn broekzak te vissen en de Wikipedia-app te openen. Maar ik knikte enkel, haar verhaal was mooier en gaf me iets om in te geloven en dat had ik deze dag nog meer nodig dan anders.
Ik drukte op de knop van het voetgangerslicht en vroeg: ‘Heb jij als klein meisje wel eens gezocht naar de pot met goud aan het einde van de regenboog?’
Ze lachte, maar zei niks.
‘Ja dus,’ concludeerde ik. ‘En al ik zo naar je glimlach kijk, zou je nu eigenlijk ook je rode regenlaarsjes aan willen doen en zo door de plassen naar de overkant rennen.’
Groen. We staken over. De ingeklapte paraplu sleepte ik achter ons over het zebrapad. Het maakte een schrapend geluid.
‘Zeg het maar gewoon,’ ging ik verder. ‘Ik doe met je mee, hoor. Kan wel een meevaller gebruiken.’
Voor de apotheker sloegen we links af. De wind zat voor even weer in onze rug.
‘Misschien,’ begon ze, ‘misschien heb ik dat vroeger inderdaad een paar keer gedaan.’
‘Ik wist het!’
‘Maar dat doet ieder kind toch?’
‘Denk het wel,’ antwoordde ik. ‘Dat verhaal spreekt natuurlijk erg tot verbeelding. Nog steeds wel. Hoop doet leven; dat is het, denk ik.’
Twee politieauto’s met luide sirenes passeerden ons en ik sloeg de paraplu open. De voorspelde regen liet niet op zich wachten.
‘Hoe wist je dat trouwens van die rode regenlaarsjes?’ vroeg ze, iets dichter tegen me aanlopend zodat haar linkerschouder niet nat werd. ‘Die had ik dus echt.’
Nu lachte ik. ‘Een gokje. Twijfelde nog even tussen roze en rood, maar omdat ik je nog nooit in het roze heb gezien, ging ik voor rood.’
De tram die we hadden kunnen pakken, passeerde ons. We wilden beiden lopen. De afstand bleef hetzelfde, maar het gaf ons meer tijd.
Bij het volgende stoplicht ging ze met haar rechterhand door mijn haar. ‘Beloof me dat je naar de kapper gaat als ik weg ben?’ vroeg ze. ‘Dit is echt te lang.’
‘Is goed, maar dan ben ik dus wel al mijn kracht kwijt,’ antwoordde ik. ‘Wil je dat ik een zwakkeling ben als je al die tijd niet bij me bent? Wil je dat, Delila? Ik moet die maanden toch sterk blijven?’
‘Hoe ken jij het verhaal van Simson en Delila nou weer?’ vroeg ze lachend.
‘Christelijk basisschool, hè.’
‘Is ook zo.’
‘En Suske & Wiske. In de Kale Kapper gaan ze in de teletijdmachine van professor Barabas terug naar Bijbelse tijden en ontmoet Jerom een vrouw die hem z’n haren afknipt waardoor hij ineens geen superkracht meer heeft. Uiteindelijk kwam het goed, hoor. Het komt altijd goed.’
‘Gelukkig maar.’
Ik klapte de paraplu in en liep achter haar aan door de poortjes. Haar rolkoffer gleed over de plavuizen stationsvloer.
‘Van welk perron vertrekt je trein eigenlijk?’ vroeg ik.
‘13b,’ zei ze en ik was voor even blij want dat was zeker nog anderhalve minuut lopen en ik moest nu eindelijk maar eens vertellen dat ik mijn pot met goud al gevonden had.
Gelukkig had ik mijn haar nog.

Standaard
Ik vertrek

Verpulverd

Zijn grauwe gezicht, een beetje gelig en ingevallen, ligt diep weggezakt in het kussen. De kamer stinkt, naar ontsmettingsmiddelen, ontlasting en urine. Hij kijkt me aan. Zijn eens zo blauwe ogen hebben een grijze gloed. Het leven is er al uit. Uit heel zijn lijf en leden, maar zijn hersenen werken nog en die sturen zijn hart aan. Zijn hart is sterk. Te sterk. Eigenlijk had hij weken geleden al moeten sterven. Dit is mensonterend.

Toen we elkaar leerden kennen, grijnsde hij ondeugend naar me. Hij was al ziek, maar zat boordevol levenslust en kracht. Zijn humor was overweldigend. Het ene na het andere geintje rolde over zijn lippen en ik moest om het ene grapje nog harder lachen dan het andere. Ik hield meteen van hem.
Dat roept hij over zichzelf af. Iedereen die Alfred ziet, houdt op slag van hem.
‘Ik weet gewoon hoe ik mensen moet raken’, vertrouwde hij me ooit toe. ‘Bij jou zag ik meteen een twinkeling in je ogen waaraan ik zag dat je van flauwe grapjes houdt. Daar heb ik doodgewoon op ingespeeld. Ik heb je op die manier om mijn vinger gewonden.’ Hij knipoogde en nam een slokje koffie. Het was op een van de vele ochtenden die we samen doorbrachten.
De vooruitzichten waren goed. Alfred zou geopereerd kunnen worden en een chemokuur zou alle woekerende cellen uit zijn lichaam verbannen. Niets was minder waar. Tijdens de operatie bleken er te veel uitzaaiingen te zijn. Alfred zou sterven. Drie tot zes maanden, was de prognose. Dat is nu een jaar geleden.

Hij sluit zijn ogen en ademt nog eens in. Het duurt lang. Ik kijk naar hem en vraag me af of dit dan zijn laatste ademteug is. Hij ademt uit en opent zijn ogen weer. Nog niet. Alfred houdt vast. ‘Ik zou graag nog één trekje van een sigaret willen’, lispelt hij. Ondanks de situatie grinnik ik. Vragend kijk ik de verpleegster aan en ze knikt. Het mag. Omdat het Alfred is. Iedereen houdt van Alfred.

Ik steek een sigaret op, neem zelf een paar trekjes en houd hem dan voor Alfreds droge lippen. Hij zuigt, inhaleert en hoest. De opkringelende rook drijft naar de felle lamp naast zijn bed en verpulvert, alsof de lamp zelfs voor sigarettenrook te heet is. Alfred glimlacht tevreden.

Zijn ademhaling wordt onregelmatiger. De familie kijkt toe. In elkaar gedoken. Verdrietig, maar blij dat Alfred over niet al te lange tijd geen pijn meer heeft. Hij heeft zijn portie wel gehad.
Tegelijkertijd met zijn veranderende grimas van pijn naar vredig, kleuren zijn vingertoppen blauw.
De bloedsomloop is gestopt. Het is zover.

Ik voel de tranen branden achter mijn ogen, maar houd me groot. Alfred… Hij is dood. Strikt genomen zou je kunnen zeggen dat ik hem heb vermoord, met mijn euthanasiemiddel.
De verpleegster legt een hand op mijn schouders en kucht zachtjes. ‘Dokter Dijkstra, u moet de dood constateren’, fluistert ze. Ik doe wat ze zegt, mijn taak zit er op. Ik heb Alfred niet kunnen redden.
Met een brok in mijn keel loop ik de kamer uit.

Standaard
Ik vertrek

Vluchten in een speelgoedvliegtuig

David White heet hij. Zijn naam doet me nog altijd denken aan de trillende snaar van een gitaar en een half gesmoorde kreun, gevolgd door een menselijke grom en rennende voetstappen.

David rent altijd, ergens naartoe of ergens vandaan, dat weet ik niet. Hij wordt nooit moe. Niet van het racen in winkelwagentjes, het schoonspringen in de stadsfontein, het naar beneden denderen van de roltrap tegen de richting in, het potloodventen, het stampen op alles wat maar op zijn pad komt. Hij is gestoord. Hij is zo geniaal gestoord dat je wel van hem moet houden, of je nu wilt of niet. David White is mijn oerknal. Hij is het begin van mijn geschiedenis, mijn eerste cel die zich miljarden keren heeft gedeeld tot de persoon die ik ben. David White is mijn vader.

Om me heen klonk een monotoon gebrom dat zo luid was dat het mijn muziek overstemde. ‘It’s too late to change’ zong mijn vader in mijn oren. Ik keek door het raampje naar buiten. Alleen de vleugel van het vliegtuig, dat met lampen verlicht was tegen de nacht, kon ik zien. De rest van de wereld was zwart.
‘Syl?’ vroeg Michel.
‘Ja?’ Ik deed een van mijn oordopjes uit.
‘Wat ga je eigenlijk tegen hem zeggen?’ vroeg hij.
‘Gewoon. Dat ik zijn dochter ben.’
‘Denk je niet… denk je niet dat hij dat wel vaker hoort?’
Ik probeerde een scheur te maken in het stevige plastic van een zakje pinda’s maar het lukte niet. ‘Hoe vaak denk je dat zo’n condoom knapt?’
‘Hij is rijk en beroemd, dan krijg je dat soort dingen toch?’
Ik stopte het zakje tussen mijn tanden en trok eraan, maar nog steeds gebeurde er niets. ‘Je bent bang dat hij me niet gelooft.’
‘Nee, ik vroeg me alleen af of je misschien iets hebt om te bewijzen dat je echt zijn dochter bent. Een foto van je moeder toen ze jong was, of zoiets.’
Ik sloeg met het zakje op de leuning van de stoel. ‘Zodra hij me ziet gelooft hij me, dat weet ik gewoon. Zoiets voel je toch?’
Michel staarde naar het scherm in de rugleuning van de stoel voor zich. Ik trok uit alle macht aan beide kanten van het zakje en plotseling schoot het open; de pinda’s spoten omhoog, over mijn handen, en vielen op mijn schoot. Geërgerd gooide ik ze op de grond. Mijn hand omsloot het plastic zakje en kneep er in, mijn ogen volgden die van Michel. Op zijn scherm was een landkaart te zien, waarop ons vliegtuig stond afgebeeld als een klein, grijs, stuk speelgoed. Soepel bewoog het over de blauwe achtergrond.
‘Hij is mijn vader’ zei ik nog. Toen deed ik mijn oordopje weer in en keek ik naar buiten. Ik begreep niet hoe dat simpele kaartje een afbeelding kon zijn van deze helverlichte vleugel tegen die zwarte leegte. Hoe zou ik er zelf uitzien op die kaart? Ik stelde me een rond hoofdje voor achter een van de ramen van het speelgoedvliegtuig. Een perfect, symmetrisch poppetje. Ik raapte een pinda van de vloer en stak hem in mijn mond.

De man die zich thuis in Nederland mijn vader noemt wilde niet dat ik naar New York zou gaan. Hij zei iets over ‘smerig rock ’n roll-tuig’ en ‘nou niet straks komen bedelen om geld voor schoolboeken’. Hij vermoeit me. Ik ben moe van zijn Lingo, moe van onderzettertjes onder mijn glas, moe van: ‘Je hebt toch al een tas?’, moe van de geur van pantoffels. Hij is gestoord. Hij is achterlijk gestoord maar niemand heeft het door: alleen ik zie de kleur van hard wordend cement in zijn donkergrijze ogen. Hij is mijn stiefvader. Zijn zaadcellen hebben zich nog nooit tot een nieuw mens weten te delen ook al probeert hij het opnieuw en opnieuw, meestal op zondagochtend waarna hij zijn sokken weer aantrekt en mijn moeder de lakens verschoont. Sinds ik terug ben uit Amerika heeft hij vier woorden tegen me gezegd. ‘Zie je nu wel.’

Ik stond in een donkere zaal in Amerika met duizenden mensen wiens gezicht ik niet kon zien. Alleen dat van Michel kon ik naast me onderscheiden. Zijn deodorant-lucht overweldigde me, zijn schaapachtige krullen leken vochtig door de gel. We wachtten. Michel wachtte op de man wiens nummers hij keer op keer op zijn zolderkamer had gedraaid en meegebruld, ik wachtte totdat ik voor het eerst in zestien jaar mijn vader zou zien. Toen kwam hij op: een kleine man op een enorm podium. Zijn haar was lang en zat vol klitten, zijn tanden schitterden fel op twee reusachtige schermen. Hij greep de microfoon en keek naar de menigte. Er liepen al zweetdruppels langs zijn slapen, een stuk of vijf pixelige zweetdruppels die ik het liefst had weggeveegd. Mijn bovenlip smaakte zout.

‘Good evening New York’ zei David en het publiek gilde. Ik begon op en neer te springen maar toen de tonen van het eerste nummer werden ingezet kon ik niet meer naar de schermen kijken. In mijn hoofd zong ik de woorden mee. ‘Don’t hate me, babe, don’t hate me.’ In plaats van naar David keek ik naar mijn blote benen, spierwit waren ze. Ze staken wit tussen mijn rokje en mijn hakken uit en het was ze net alsof ze niet van mij waren. De lichten van Davids show schenen fel op mijn huid: rood, blauw, wit. Ik was een wit doek, waarop alles geprojecteerd kon worden. Ik vroeg me af wat ze hier eigenlijk deden, die witte benen. Het was alsof een kracht, groter dan ikzelf, groter nog dan David White, me ertoe had aangezet om op dat moment op die plek te staan. Rood, blauw, wit. Ik was een poppetje dat door een grote mannenhand in een speelgoedvliegtuig was gezet, vroem vroem naar Amerika. Het was prettig om zo willoos te zijn. Ik kon nergens iets aan doen, alles kwam door die grote mannenhanden.
‘Goed hè?’ schreeuwde Michel. Zijn haar plakte tegen zijn glimmende voorhoofd en het maakte me een beetje misselijk.
‘Ja’ zei ik en ik wendde me af.
Het concert duurde twee uur maar ik was na een kwartier al gestopt met dansen. Na anderhalf uur zei ik tegen Michel dat ik de artiesteningang ging zoeken. Na zes uur ontmoette ik David White.

Als kind heb ik een speelgoedvliegtuig gehad. Het was van hout met grote, rode vleugels, maar mijn stiefvader heeft het aan een goed doel gegeven toen ik hem een keer tussen zijn doperwtjes liet landen. Nu is het in Afrika.
‘Waar denk jij nou weer heen te gaan?’ vraagt mijn stiefvader. Amerika is nu verder weg dan ooit. Mijn stiefvader komt in zijn pyjama de trap af, het oude elastiek lubberend om zijn heupen. ‘Het is elf uur.’ Mijn hand is al bij de voordeur maar hij grijpt me bij mijn middel.
‘Ik moet huiswerk doen’ zeg ik. ‘Bij Michel.’
David White geloofde me niet toen ik hem vertelde dat ik zijn dochter was. Ik weet niet eens zeker of hij me wel goed verstond; hij lachte en gaf me een foto met handtekening. Michel is de enige die denkt dat ik de waarheid spreek. Maar hij kent me ook nog niet zo lang. En mijn moeder, ach zelfs mijn moeder, die zal wel spijt hebben dat ze me heeft verteld over die keer dat ze met een rockster het bed in is gedoken. Hij speelde gitaar tijdens het voorspel en rende weg na de daad.
‘Jij blijft hier’, zegt mijn stiefvader.
‘Je bent mijn echte vader niet’ antwoord ik. Ik sla zijn hand weg en gooi de deur dicht voordat hij tegen me kan schreeuwen, want ik weet al wat hij gaat zeggen. Maar hij liegt: David White is mijn vader. Echt.

Standaard
Ik vertrek

Vertrekken met een hoofdletter V

Al hun vrienden waren al Vertrokken. Zo noemden de Vertrekkers dat zelf, als ze e-mailden vanuit hun Bed & Breakfast in Duitsland, camping in Frankrijk of pension op Sicilië. Die hoofdletter V mocht je alleen gebruiken als je gefilmd was. Dat was bekend, in het wereldje.

Voor Harm en Annemieke was het de droom waar ze al jaren naartoe werkten, geld opzijzettend voor hun Hollandse enclave in een uithoek van Schotland waar nog geen hotels waren en zich dus een enorm gat in de markt bevond. Ze hadden de droom jong opgelopen toen ze backpackend over de Britse eilanden trokken. Na een lange voettocht kwamen ze ’s avonds laat uitgeput aan bij een houten blokhut waar het vocht overal naar binnen droop. Het deerde niet. Toen ze de volgende morgen wakker werden en het majestueuze uitzicht voor zich zagen, was hun toekomst duidelijk.

Maar ja, toen kwam het eerste ongelukje en om er maar vanaf te zijn een tweede en een derde achteraan, gevolgd door de internetbubbel en de crisis, wat al Harms pogingen om voldoende centen bijeen te schrapen deed mislukken. Tijdens al die avonturen kwamen ze terecht in Almere Muziekwijk, een plek die bekend staat om de hoge concentratie Ik Vertrek-deelnemers. Via het bewonersfonds – al die dromen moesten toch betaald worden – konden Harm en Annemieke eindelijk echt beginnen te sparen.

Heel wat zomers later was hun vermogen bijna op niveau. Toen de kinderen eenmaal uit huis waren ging het hard, maar ondertussen was de hele buurt al bijna twee keer vernieuwd. De Vertrekkers vertrokken steeds sneller, zo snel dat er een nieuwe digitale zender was ingericht, Ik Vertrek 24, waardoor iedereen aan bod kwam. De hoofdletter V was zo’n statussymbool geworden dat men niet meer zonder durfde, uit angst voor wat vrienden en familie zouden zeggen.

Harm, Annemieke en hun droom waren met hun vermogen meegegroeid tot de Wijksoudsten, de vaste waarden van de buurt. Als buurtgenoten het niet meer zagen zitten gaven ze een opbeurend woordje of een schouder om op te huilen. Ze beheerden het bewonersfonds, dat ze soms wat extra lieten groeien met hun eigen geld. Dat waren ze aan de anderen verplicht, zei Annemieke, en daar was Harm het mee eens.

Toen kwam het nieuws dat het houten blokhutje was vervangen door een schattig, klein pensionnetje. Een neef was op vakantie in Schotland en was op hun aanraden naar het hutje gegaan. Dat het er niet meer bestond bleek een forse schok voor Harm, die al niet goed tegen z’n verlies kon bij Monopoly, en dat iemand zijn idee had gejat stak hem diep. Annemieke treurde zachtjes mee, voor de vorm.

Op een avond, Harm zat zachtjes te huilen voor de dvd met knapperend haardvuur, kwam Annemieke naast hem zitten. Ze had twee Ikea-glaasjes met Rooi Kaap meegenomen uit de keuken. “Schat,” zei ze vriendelijk, “wat nou als we het Vertrekken laten zitten? Wat nou als we hier blijven, in Almere Muziekwijk, en de schouder zijn voor allen die hem nodig hebben?”

“Dat wil ik wel,” reageerde Harm, “maar er is geen tv-programma over thuisblijvers.”

Standaard