De 10 geboden

Lieve angst

Lieve angst,
Ik ken jou wel. Je bent alleen erg veranderd door de jaren heen.

Je was altijd de schim die danste rond mijn nachtlampje, de tandartsstoel, de meester van groep drie. Toen werd je de gele trui die ik aan moest van mijn moeder, de lachende klasgenoot, de vuisten van een dronken man. Je werd een presentatie voor een volle zaal, turbulentie boven zee, een ziekte die stilaan ontkiemt, mijn grote liefde die zei: ‘nee’.

Je was als een oude vriend wiens gezicht langzaamaan verrimpelde, maar die ik altijd nog herkende. Als ik nu naar je kijk, ken ik plots alleen je ogen nog. Vaker dan vroeger verschijn je ongevraagd op drukke plekken: vliegvelden, stations. Op ieder televisienet glijd je voorbij, langzaam, haast verveeld, van journaal naar quiz naar talkshow, en laat een spoor van slijm achter in beeld.

Je maakt veel nieuwe vrienden in je huidige gedaante. Vijf zuilen, tien geboden, duizend smeekbeden: je laat je nergens door tegenhouden. Je bent een bom, een baard, een bank, een bus. Maak ons los uit je warme tentakels, je greep die vele monden snoert, wend je boze ogen af, waarmee je donker naar ons loert.

Ik hoop dat ik je niet laat schrikken? Op een oude vriend kan ik nooit lang kwaad zijn. Je maakt liefde sterker en vreugde zoeter, je maakt keuzes gemakkelijker en sleur bijzonder. “Alles is vergeven”, zei een dappere rebel. Door hem kan ik de woorden spreken: ik heb je lief, angst, dankjewel.

Standaard
Cabaret

Een gouden fabeldier

De spiegel aan de wand was omringd met gloeilampen die zachtgeel schenen op Eugenio’s spiegelbeeld. Roem, zei die spiegel. Wuivende pauwenveren, applaus, zurige champagne die zacht prikkelde op zijn tong. De spiegel, inclusief zijn spiegelbeeld, was Eugenio’s leven. Hij was net een beeld uit de klassieke oudheid, een David, een discuswerper, dat tot leven was gekust. Zijn doel was bereikt.

Terwijl hij in de spiegel bleef kijken, liet Eugenio zijn bovenlichaam insmeren met massageolie. Daar overheen strooiden ze gouden glitters die aan zijn gladde torso bleven plakken. ‘Moeten we ook je gezicht bedekken?’ vroegen de meisjes. Hij bekeek zichzelf en antwoordde dat dat niet hoefde. Verder was zijn hele bovenlichaam goud: zijn borst, zijn rug, zijn armen en handen. Met dat glitterende vlies leek zijn lijf haast van een ander wezen, van een fabeldier. Bij zijn heupen hield het goud plotseling op omdat zijn benen bedekt waren met een strakke, gele broek.
Eugenio had altijd twee meisjes aan zijn zijde. Ze zorgen ervoor dat hij zich als Eugenio voelde en niet als Egbert van Vliet, zoals hij geboren was. Maria, de donkerharige, had een enorme moedervlek op haar bovenlip en hoewel dat een van de zeven schoonheden was, leek het volgens hem eerder op een bruin geverfde pukkel. Anastacia, de blonde, had erg kleine borsten: Eugenio zou haar BH’s nog wel kunnen vullen met zijn gespierde lijf. Al met al waren de meisjes knap genoeg om zijn eer hoog te houden, maar intussen onvolmaakt genoeg om hem niet af te leiden.

Eugenio had geen tijd voor vrouwen (en ook niet voor mannen, hoewel men hem daar soms wel van verdacht). Ooit had hij een hondje gehad maar zelfs dat bezorgde hem teveel afleiding van waar het eigenlijk om ging in het leven: zingen, dansen, en vermaken. Hij had een groot huis dat dagelijks meer verkilde door zijn afwezigheid, maar zo leefde hij het liefst. Wanneer hij vroeg in de ochtend de make-up van zijn gezicht had gehaald, deed hij zo snel mogelijk het licht uit om de man die iedere avond op het podium verdween, opnieuw te verliezen in zijn slaap.

Over een paar minuten moest Eugenio het podium op en hij schoot voor de derde keer dat uur de wc in. Wie had er in godsnaam bedacht hem met glitters in te smeren? Hij frummelde aan zijn geslachtsdeel om te kunnen plassen en maakte zo grote gouden vingerafdrukken op zijn penis. Het was een belachelijk gezicht, die vegen goud op zijn slaphangende lul. Het jeukte ook een beetje. Zenuwachtig probeerde hij de glitters eraf te vegen met wat wc-papier maar het hielp niet.
‘Maria!’, riep hij. ‘Kom me helpen!’
‘Daarbinnen?’ vroeg het meisje aarzelend.
‘God, laat ook maar’, zei hij terwijl hij zijn penis wegstopte. ‘De mensen wachten op Egbert.’
‘Op wie?’ vroeg Maria.
‘Op Eugenio,’ zei hij zonder zijn vergissing op te merken, ‘De Grote Eugenio.’
En als een glanzend, gouden fabeldier ritste hij zijn broek dicht en liep naar de coulissen.

Standaard
Nieuwjaarsduik

Friso’s duik

Het zwembad was de bron van al Friso’s angsten. Alle andere jongens gingen duikend, koprollend of achterstevoren van die hoge rotduikplank naar beneden, maar Friso durfde het niet. Vanuit het water leek het niet eens zo hoog, wat het allemaal extra vernederend maakte.

Hij klom iedere keer weer overmoedig tot bovenaan het trappetje, zeker wetend dat het hem dit keer écht zou lukken, maar daar aangekomen staarde hij verstijfd naar de helblauwe bodem van het zwembad. Hij kon het niet. Zijn natte, insectachtige beentjes bibberden onder zijn natte zwembroek en zo bleef hij een tijdje staan, terwijl de rij van kinderen achter hem langzaam groeide. “Schiet op, sukkel!” Uiteindelijk moest hij zich onder luid gelach langs hen wurmen, terug naar beneden over het smalle trappetje, terwijl hij iedere keer dat hij een ander naar beneden zag springen, ineen kromp. Hij durfde ook niets.

Friso’s leven was een aaneenschakeling van angsten en fobieën. Hij brandde nooit kaarsen. Hij at niets waar E-nummers in zaten. Hij probeerde niet te luisteren wanneer iemand het had over vreemde ziekten, want meestal ontdekte hij nog diezelfde dag een groot deel van de symptomen bij zichzelf. Op zijn eenendertigste was Friso het zat. Hij wilde niet langer dat jongetje zijn dat via het trappetje van de duikplank terug naar beneden moest klimmen, en maakte deze lijst:

Goede voornemens 2015

  • Van de hoge duikplank springen
  • Van huis weggaan zonder te checken of ik het gasfornuis heb uitgedraaid
  • De weg vragen aan een vreemde
  • Na zonsondergang met de metro gaan

De lijst met goede voornemens besloeg slechts een klein deel van Friso’s angsten, maar het was een begin. Als hij alle vier de dingen op de lijst zou kunnen uitvoeren, was hij in 2016 alweer een stuk normaler mens dan nu. Hij moest beginnen met de duikplank. Dat was misschien niet zijn grootste, maar in ieder geval wel zijn oudste angst. Wanneer hij die overwonnen had zou de rest kunnen volgen.

Het was niet alleen de hoogte van de duikplank waar Friso als kind zo bang voor was. Ook de tegels op de bodem van het zwembad zorgden ervoor dat hij de sprong niet durfde te maken: die lichtblauwe tegels met op elke baan een donkerblauwe streep. Hij beeldde zich vaak in dat die donkere tegels op de bodem haaien waren, die hem aan stukken zouden scheuren zodra hij het water zou raken. Die donkere tegels werden door de golven aan het wateroppervlak gebroken en bewogen zachtjes heen en weer. Precies een lange rij vleesetende vissen. Elke keer dat Friso het water in moest springen, was hij bang dat zijn voeten eraf gebeten zouden worden. Wanneer hij zich voorzichtig via de rand van het zwembad in het water liet glijden bleef hij altijd boven het lichtblauwe gedeelte. Pas na een paar baantjes zwemmen durfde hij te ontspannen, en vergat hij de cirkelende haaien onder hem een beetje.

Friso besefte dat hij de sprong van de duikplank met zijn ogen dicht zou moeten doen. Op die manier zou hij noch de haaien zien, noch de hoogte, noch de lange rij wachtende kinderen. Hij zou alleen nog maar tegen zijn eigen gedachten moeten vechten, die schreeuwden: “Niet doen! Niet doen!”. Dat zou hem lukken, besloot hij na het opstellen van de lijst. Met gestrekte armen en een perfect gekromde rug zou hij het water induiken, het oppervlak door midden snijdend met zijn tegen elkaar geklemde handen. In 2015 zou het hem eindelijk lukken. Zijn nieuwjaarsduik.

Standaard
Top 2000

Een sobere broodmaaltijd

Veertien mensen zouden er komen, véértien, want de jongeren hadden tegenwoordig ook aanhang en hoewel het grootste deel van die geliefden volgend jaar waarschijnlijk alweer aan de kant gezet zou zijn, moesten ze perse mee-eten “want ze hoorden er nu toch bij?”, zodat haar halve kersttafel vol zou zitten met tieners en twintigers die elkaar met zo’n walgelijke sentimentele blik pasteitjes zouden voeren, de pasteitjes die zíj nota bene in elkaar had gezet (ook al kwam de vulling uit blik want dat proefde toch niemand), maar denk maar niet dat iemand háár romantisch zou voeren, haar man in ieder geval niet want die was tijdens het kerstdiner altijd te druk bezig om zichzelf zó vol te gieten met wijn dat hij nauwelijks meer recht overeind kon zitten tegen de tijd dat de Christmas pudding op tafel kwam, maar dat gaf natuurlijk niet want het was kerst en dan deed hij tenminste ook eens gezellig mee met de gesprekken, en ze hóefde ook niet gevoerd te worden want meestal was al haar honger allang verdwenen tegen de tijd dat het eten opgediend kon worden; die vulling van de kalkoen was rauw sowieso veel lekkerder en van de hele dag stressen kreeg ze honger, al vlak na het ontbijt wanneer ze de kalkoen begon te bewerken en ook net voor de lunch wanneer ze bedacht dat ze nog wat nieuwe wijnglazen moest halen omdat haar man er ongetwijfeld meerdere zou breken, maar al helemaal aan het einde van de middag wanneer ze in vier pannen tegelijk stond te roeren en bedacht dat ze zich nog niet gedoucht had terwijl de gasten ieder moment zouden kunnen komen, zodat ze zich maar met een laag deodorant onder haar oksels in haar kerstjurk schoot en haar mascara opdeed in de weerspiegeling van de afzuigkap, ondertussen hier en daar meezingend met de Top 2000 die haar ieder jaar tijdens het koken weer als een reeks strijdliederen begeleidde, zodat ze grote handen appelvulling naar binnen bleef werken tegen de stress totdat ze uiteindelijk te weinig over had om de kalkoen mee vol te stoppen en ze nog maar een pak gehakt uit de vriezer bij het beest naar binnen propte, zonder te weten of dat goed zou combineren want die Amerikaanse kalkoen-traditie was haar eigenlijk vreemd, maar in de films zag het er altijd zo gezellig uit en wat zou het ook: hoe meer vlees hoe beter, in ieder geval stukken beter dan géén vlees, zoals op dat zielige bordje paddenstoelenlasagne voor haar nichtje dat vegetariër was, en het was in ieder geval ook stukken beter dan het eten van haar buren, die zoals ze wist ieder jaar met kerst een sobere broodmaaltijd aten “uit respect voor de armen” of zoiets. Sorry, voor zulke mensen had ze maar één woord: lui.

Standaard
Maskers

De stervende wandelende tak

Doe alsof er niets aan de hand is”, zei een stem. Jochem legde net aan Alice uit wat de voordelen waren van een echte kerstboom tegenover een kunstboom, toen hij door die stem werd onderbroken: “En het ruikt de hele maand lekker in huis…”

Hij stokte en keek op van het scherm van de ING-automaat, waar hij juist het geld voor de boom had willen pinnen. Er stond een man naast hen met een apenmasker voor zijn gezicht, en in het oranje kunstlicht uit de pinautomaat leek de man precies op een gorilla met menselijke proporties.

Iets meer dan twintig jaar eerder, op een doordeweekse dag in juni, sprong Alice van haar moeders bagagedrager. Ze was een jaar of zeven en bezat nog die kinderlijke verwondering over alles die mensen later in hun leven grotendeels kwijtraken. Een van de dingen waarover Alice zich verwonderde was haar huisdier Takkie. Hij was dunner dan haar pink, zelfs nog dunner dan een potlood, maar toch kon hij eten en ademen, net als zijzelf. Takkie zat misschien wel slimmer in elkaar dan zij want als er een roofdier aankwam, zou die denken dat hij een tak was. In Alice zou hij ongetwijfeld een lekker hapje zien.
“Ga door met pinnen”, zei de man achter het masker. Zijn stem klonk vervormd door het plastic voor zijn mond, alsof hij door een oud telefoontoestel sprak. “Neem vijfhonderd euro op”.
De man zette een mes tegen Jochems zij en Alice sloeg haar hand voor haar mond. Jochems vingers beefden boven de toetsen van de automaat.
“Schiet op”, zei de man.
“Ik weet mijn pincode niet meer”, zei Jochem.
“Schiet op!”

“Mam,” zei Alice. “Takkie eet niet meer zoveel als vroeger hè? Straks wordt hij nóg dunner.”
“Ik denk dat Takkie het niet gaat redden, schat”, zei haar moeder terwijl ze haar fiets op slot zette. “Hij is al erg oud voor een wandelende tak.”
Alice begon te huilen. Ze kon zich niet voorstellen dat het terrarium in haar kamer binnenkort leeg zou zijn.
“Stil nou,” zei haar moeder, gegeneerd om zich heenkijkend. “Je krijgt wel een nieuwe.”

Jochems hand beefde nu nog harder. “Ik weet mijn code echt niet meer”, zei hij.
De man verplaatste het mes naar zijn keel en zei: “Geef me het geld.”
De geur van urine steeg op naast Alice en ze begon in haar tas te graaien. Jochem kon dit helemaal niet aan.
“Ik zal het wel opnemen”, zei ze. Haar handen waren bijna net zo wit als het bonnetje van een vorige gebruiker dat op de grond lag, maar ze trilden niet.
“Pas op, Alice!” riep Jochem. De man leek te schrikken van Jochems stemverheffing en greep hem vast, het mes nog steeds tegen zijn keel houdend.

Toen Takkie doodging, rouwde Alice voor het eerst in haar leven. Ze kon haar emoties op dat moment nog niet precies thuisbrengen, maar later wist ze precies wat ze toen gevoeld had: angst, verdriet en een torenhoog schuldgevoel. Had ze Takkie wel iedere dag schoon water gegeven? Was het niet te koud voor hem op haar kamer? Later in haar leven zou de stervende wandelende tak plaatsmaken voor stervende mensen en het plakje worst voor plakken natte cake, maar Alice had niet het gevoel dat haar allereerste ervaring met de dood wezenlijk anders was geweest. De angst en het schuldgevoel hoorden er altijd bij. En kinderverdriet was ook verdriet.

“Help!” schreeuwde Jochem. Zijn stem klonk plotseling weer zoals die had geklonken voordat hij de baard in de keel had gekregen. Alice herinnerde zich de kleine Jochem met zijn hoge kindergeluid. “Help!” schreeuwde hij nog een keer.
“Stil!” riepen zowel Alice als de man met het masker. Alice probeerde Jochem aan zijn ondergeplaste broek weg te trekken bij de man, terwijl Jochem in paniek begon in te beuken op het apengezicht. De man achter het masker schreeuwde en voordat Alice doorhad wat er gebeurde, zakte Jochem ineen op de grond. Alice wilde ook schreeuwen maar het lukte haar niet. Aan haar voeten lag haar vriend, bewegingloos, en naast hem lag het apenmasker dat hij had meegesleurd in zijn val. De man stond nog op precies dezelfde plek en keek Alice aan met zijn onbedekte gezicht. Het mes glom helderrood in het felle ING-licht.

Wanneer Alice’s wandelende tak onraad bespeurde, ging hij heel stil zitten. Hij had geen klauwen of giftanden dus zijn enige verdediging was onzichtbaar worden. Alice wist niet hoe het kwam, maar op het moment dat de man zonder apenmasker met zijn mes op haar afkwam, meer dan twintig jaar na de dood van Takkie, was dat hetgene waaraan ze dacht. Ze moest zich verstoppen. Zonder om te kijken rende ze weg, op zoek naar een plek waar ze kon verdwijnen in de omgeving. De straatlantaarns maakten echter iedere mogelijke verstopplek waardeloos. Ze rende een hoek om en aan het einde van de weg was daar een plein vol bomen. Kerstbomen. Er tussendoor liepen mensen en er klonk muziek. Alice rende hijgend verder: tussen al die andere mensen zou ze bijna net zo onzichtbaar zijn als een wandelende tak op een tak.

Pas toen ze het midden van het plein had bereikt, durfde ze te stoppen. Ze greep de dichtstbijzijnde kerstboom vast om niet om te vallen en keek naar de straat waaruit ze gekomen was, bang dat de man ieder moment met getrokken mes tussen de mensen kon verschijnen.
“Pas je op?” vroeg een stem. Het was een man in een vale bodywarmer en hij keek met opgetrokken wenkbrauw naar hoe ze tegen de kerstboom leunde.
“Mijn wandelende tak is neergestoken”, zei Alice. “Ik bedoel, mijn vriend!” Ze begon te huilen. Het duurde een tijd voordat ze de piepende uithalen onder controle had die haar om de paar tellen overvielen. Ze ademde diep in en uit. Toen zei ze, de kerstboom stevig vasthoudend: “Ik denk dat Takkie het niet gaat redden.”

Standaard
Racisme

Dansen met een zwarte man

Vanavond ga ik met je dansen, zwarte man. Door de ruimte schalt Spaanstalige muziek en ik zuig aan mijn rietje tot je tijd voor me hebt.

Je heupen bewegen zich in het ritme alsof je je in de slaapkamer bevindt, je raast over de dansvloer als ware het één groot matras. Hoe anders ben je dan die blanke mannen die zwetend hun best doen om de passen te leren, hun lippen zachtjes bewegend op de maat van de muziek. Bij jou gaat het moeiteloos, met een glimmende gloed over je gezicht die meer van plezier dan van inspanning lijkt te komen. Dansen is je natuur. Je tanden zijn altijd zichtbaar, wit schitterend tussen je bruine lippen die je af en toe aflikt met een roze tong. Ieder nieuw nummer dat wordt ingezet, begint met een andere vrouw aan je arm: de ene keer wit, dan zwart of latino, want je wilt ze allemaal. Maar de laatste dans is voor mij.

Kom mee naar mijn huis, zwarte man. Ik wil je leren kennen en al mijn vooroordelen bevestigd zien, zelfs degenen die ik niet durf uit te spreken. In mijn fantasie leef je precies zoals je danst: snel, soepel en intens. Misschien kan ik je hebben voor een nacht of twee, maar jij bindt je niet want er staan nog teveel andere vrouwen langs de dansvloer. Zwijgend kijken ze naar hoe je beweegt, hun hand zachtjes tikkend tegen hun bovenbeen. In jouw hoofd klinkt altijd muziek, stel ik me zo voor. Je lichaam danst de hele dag alsof er een dreunende gettoblaster op je schouder staat, of je nu loopt of vrijt of bij de bushalte wacht. Het enige moment waarop je niet danst is wanneer je op je rug op de grond ligt, een joint tussen je lippen en een naakte vrouw met haar hoofd in het kuiltje bij je schouder. Je hebt alle tijd voor haar, totdat je naar de volgende moet. Geef mij een beetje van die tijd, zwarte man. Ik wil weten wie je bent.

Standaard
Bevroren

Op het bankje

Ze hoefde net niet te huilen bij het boek. Ze liet zich niet teveel meeslepen door het verhaal en ging na elk hoofdstuk de kat aaien, met haar moeder praten of door 9gag scrollen. Dan ging het wel. Maar bij de film, nee, toen ging het niet.

Het was natuurlijk zelfkwelling om ernaar te kijken na wat er gebeurd was. Al vanaf de begintitels voelde ze iets zwaars tegen haar borst, alsof alle angst in haar lichaam was samengebald tot een dreunende vuist. Ze wist wat er komen ging, en wilde dat het komen ging. Dag jongen.

Ze kende hem niet, maar toen het gebeurd was, krulde ze zich op in foetushouding vanwege de pijn in haar lijf. Augustus Waters heette hij, en hij bestond niet eens. Maar zoveel betekende ‘bestaan’ natuurlijk niet: Gijs bestond ook niet meer en hij beïnvloedde haar leven nog elke dag.

Toen ze weer op kon staan, ging ze naar buiten. Ze woonde aan de Prinsengracht dus het bankje waarop de hoofdpersonen uit de film hadden gekust, was niet ver weg. De laatste dagen had ze het nieuws gevolgd waarin telkens werd bevestigd dat dít het echte bankje was, wat vervolgens weer werd ontkend. Nu scheen het echte in Hollywood te staan, maar dat geloofde ze niet.

Ze zag het bankje al vanuit de verte omdat er niet één toerist voor stond. Een gekke aanblik was het, dat wonderlijke snijpunt tussen fictie en werkelijkheid. Ze ging op het koude hout zitten en kon die twee werelden even niet zo goed meer onderscheiden. Haar hoofd zat nog in de film, en haar lichaam nu ook.

Het was prettig om zo opgeslokt te worden door het leven van een ander. Films kijken leek eigenlijk erg op verdriet hebben: je kon erin wegkruipen alsof het een dikke vacht was, tot je er geheel in verdween. Zo kroop ze weg in het verhaal van The Fault in Our Stars en vergat zichzelf. En Gijs zijn bleke gezicht in het ziekenhuisbed.

Niemand had haar ooit verteld dat verdriet ook fijn kon zijn. Het deed pijn, meer pijn dan ze dacht aan te kunnen, maar toch genoot ze er elke dag een beetje van. Het was zo groot en allesomvattend dat niets anders er meer toe deed. Haar verdriet voelde veilig. Ze streek met haar vingers over het groengelakte hout van het bankje, waar nu een dun wit laagje op zat, en het was net of de hele wereld was bevroren.

Ze snapte niet zo goed hoe dit hetzelfde bankje als in de film kon zijn. Het bankje bevond zich in twee verschillende werelden, een echt en een verzonnen. Op dezelfde manier kon ze het nooit bevatten dat acteurs zowel in de film als in het echte leven bestonden, alsof ze eigenlijk twee verschillende personen waren in twee verschillende dimensies.

Plotseling wist ze niet meer zeker of ze zélf wel echt bestond. Misschien was haar leven ook alleen maar een verhaal of een roman. Zo eentje waarbij ze om de zoveel tijd de kat moest aaien, of met haar moeder moest praten, of door 9gag moest scrollen. En dan kon ze het net uitlezen.

Standaard