Ezels

Tellen tot de donder klinkt

Ik had alleen mijn bikini aan toen ik dacht dat ik zou sterven. De regen sloeg tegen het plastic van de partytent en het klonk alsof de dood zelf aanklopte met duizend ongeduldige vingers. Het water liep in stroompjes tussen onze tenen door. Met zijn twintigen stonden we stijf op elkaar gepakt op dat enige beschutte stukje op het strand, terwijl de temperatuur nog steeds tropisch was. Toen sloeg de bliksem in.

Ik had ooit in de krant gelezen over een vliegramp boven de jungle, waarbij de slachtoffers zich twee weken in de wildernis in leven hadden moeten houden met regenwater en het vlees van hun medemensen. Ik zou degene zijn die rustig bleef, stelde ik me zo voor, degene die rationele beslissingen kon nemen terwijl iedereen in paniek was. Toen had ik mijn krant weggelegd en schoof ik mijn lasagne in de oven.

Op dat strand stootte de bliksem door mijn lichaam van mijn tenen tot aan mijn hoofd. Mijn tanden klapten op elkaar; bij het meisje naast me spatten de vonken van haar lichaam. Een oude man zakte op de grond. Zonder dat ik besefte waarom, was ik opeens weer een twaalfjarig meisje dat eigenhandig haar bedlampje wilde repareren. Bam. Met een schreeuw had ik de schroevendraaier laten vallen op het moment dat het hele huis donker werd.

Ik had net nog in de zee gelegen met een pina colada in mijn hand. Na twee weken had Cuba nauwelijks nog geheimen voor mij, dacht ik. Poseren bij een ouderwetse auto: check. Drinken uit een kokosnoot: check. Leren afdingen in het Spaans: check. Totdat ik plotseling onder een strandtent moest schuilen en ik dacht dat ik dood zou gaan.

“Doe je slippers aan!” riep iemand naar me. Zwijgend pakte ik ze aan. Lieve God, laat me niet doodgaan, ging het door mijn hoofd. Ik had nog nooit gebeden. Iemand anders riep dat we moesten tellen. Wanneer de tijd tussen donder en bliksem langer werd, trok het onweer voorbij. Vaag herinnerde ik me zoiets dus ik telde: flits, één tel, bam! Ik wil niet dood. Flits, één tel, bam! Flits, één tel, twee tellen, bam! Ik leefde nog.

De periodes tussen donder en bliksem werden langer en langzaam druppelden de feitjes die ik ooit over onweer had gehoord terug mijn hoofd in. Ga gehurkt zitten. Raak geen metaal aan. De oude man was op een stoel gehesen en praatte zacht; het getik van de regen verstomde. Over de weg achter de strandtent liep een fluitende jongen met een ezel, en trillend gaf ik aan mezelf toe hoe oppervlakkig het leven was. Het was niet veel meer dan een schuimlaag op de oceaan, die ieder moment door een golf uiteen kon worden geslagen. Ik liet me zakken in het natte zand.

Standaard
Nonchalant

Het slingeren van de sloopkogel

Elias was vijfendertig toen hij erachter kwam dat hij nooit meer terug kon naar zijn middelbare school. Er was een hek rond het gebouw gezet, overal hingen driehoekige borden en op het basketbalveld stonden machines die hij niet kon thuisbrengen.

Achter dat hek had Elias zes jaar gezeten. Hij was er begonnen met roken en ook weer gestopt, hij had er gevochten (meerdere malen), en hij had er beginnende borsten gevoeld (één keer). Na zijn diploma-uitreiking was hij er nooit meer binnen geweest.

Een groepje tieners slenterde voorbij het hek. Ze hadden een houding die Elias nog wel herkende: een mix van onzekerheid, geilheid en rebellie. Een van de jongens was achtergebleven en zat nonchalant op de stoep gehurkt met zijn telefoon in zijn uitgestrekte handen.
‘Kom, Casper!’, riep een meisje achterom. ‘Waarom ben je aan het filmen?’
‘Ik wil vastleggen hoe die kutschool plat gaat’, zei de jongen. ‘De dag dat de sloopkogel er doorheen ramt wordt de beste dag van mijn leven.’

Elias liep door want zijn moeder wachtte op hem. De gedachte aan de sloop van zijn school dreunde echter in zijn hoofd met de kracht van een heipaal die in de grond wordt geslagen.
‘Hoe is het?’, vroeg zijn moeder toen ze de deur had opengedaan. ‘Gaat alles goed op je werk?’
‘Evert heeft die promotie gekregen.’
‘Och, jouw tijd komt ook nog wel.’ Ze liep naar de keuken en Elias verbaasde zich over haar luchtigheid; het belang dat ze hechtte aan zijn carrière had hem vroeger vaak tot waanzin gedreven. Ze kwam terug met een dienblaadje waarop twee kopjes koffie en een suikerpot stonden, en vroeg: ‘Gaat alles goed op je werk?’

Een paar weken later stootte er een kogel tegen zijn oude school. Vanuit een hijskraan slingerde een onzichtbare bestuurder het ding met logge imprecisie richting het gebouw, waar het tegen een betonnen muur denderde. Elias bleef staan. Iets wat ooit een klaslokaal was geweest verkruimelde en de brokstukken stortten omlaag. In die hoek van het gebouw had hij vroeger Latijn gehad. ‘Puella, puellarum, puellam’, of zoiets dergelijks, hij had het ooit moeten opzeggen voor de klas. Hij kon die naamvallen nooit onthouden. Uiteindelijk had hij er maar een liedje van gemaakt, iets met ‘puellalala’, waar iedereen om moest lachen behalve de docent. Elias was dat Latijn na zijn schooltijd onmiddellijk vergeten. Hij grinnikte in zichzelf en liep toen weer door, want zijn moeder wachtte.

Net als veel oude mensen had ze een zekere kalmte over zich gekregen. Ideeën over de toekomst die altijd onvermijdelijk waren geweest, hadden nu plaatsgemaakt voor berusting; iets wat Elias voor zichzelf ook helemaal niet onaangenaam leek. Tegelijkertijd was hij voor die berusting zo bang als voor de dood.
‘Lukt het?’, vroeg hij toen zijn moeder met de koffie binnenliep. De lepeltjes rinkelden in hun kopjes door het trillen van haar handen, alsof het dienblad te zwaar voor haar was. Elias nam het van haar over.
‘De aftakeling is begonnen’, zei ze terwijl ze ging zitten. ‘Maar ach. Omnia mutantur, nihil interit.’
‘Hè?’
‘Ken je klassieken, Elias.’
De bovenbuurvrouw had hem een maand geleden gezegd dat zijn moeder soms een beetje gek deed. Ze zou geprobeerd hebben om de voordeur van de buurvrouw open te maken met haar sleutel, alsof ze verdwaald was in haar eigen flat. Wat een gekkigheid kon dat mens verzinnen.

Nadat hij zijn oude klaslokaal uiteen had zien vallen, duurde een tijd voordat Elias weer bij zijn moeder op bezoek ging. Af en toe verscheen er een filmpje van zijn school op Youtube, zodat hij vanuit zijn woonkamer kon volgen hoe de hoop puin waarin hij volwassen was geworden, langzaam maar zeker slonk. En toen opeens was zijn school er niet meer. Uiteindelijk vond hij de moed om weer terug te gaan, en zag wat er nog restte: een zompige vlakte waarin hij tot aan zijn kruin zou wegzakken als hij zo gek zou zijn om het terrein te betreden. ‘Pas op, drijfzand!’, stond er op waarschuwingsborden bij de hekken. Elias keek de andere kant op en deed net alsof zijn school er nog stond.

Ook toen hij weer in het huis van zijn moeder was, raakte hij de herinneringen aan het schoolgebouw niet kwijt. In gedachten ging hij de hal binnen, keek naar het bord waarop stond welke lessen er uitvielen en liep langs de conciërge waar je je moest melden als je ziek naar huis wilde.
‘Zet jij even koffie?’, vroeg zijn moeder. Elias schrok op en liep naar de keuken, maar toen hij de filters wilde pakken merkte hij een onmiskenbare gaslucht op. Vlug draaide hij de knop van het fornuis dicht die nog openstond.
‘Mam?’ riep hij.
‘Ja?’
Hij zette het keukenraam open en zei: ‘Niets, laat maar.’
Wat een waanzin dat hij nog steeds de weg kende in een gebouw dat niet meer bestond.

Standaard
Tampons

Een bloedend schoolgebouw

KUT’ schreef ze in dikke rode letters op de wc-deur. Carly hield haar tampon tussen duim en wijsvinger zodat het ding een soort pen werd, en haar eigen bloed de inkt. Hij was goed volgezogen want ze had hem sinds gisteravond ingehad.

Ze deed een stapje naar achteren; het woord was donkerrood en slijmerig, net als datgene waar het naar verwees. Toen schreef ze de rest van de tekst op die ze in gedachten had.

Het woord ‘kut’ zat aan Carly vastgekleefd als een korst aan een wond. Wanneer ze door de gangen van school liep hoorde ze mensen het woord fluisteren, giechelend en net hard genoeg. En hoewel de docenten de woorden natuurlijk nooit hardop zeiden, wist Carly dat ook zij dachten: ‘Ik heb jouw kut gezien.’

Carly haalde een rol duct tape uit haar tas en scheurde er een stuk vanaf. De gebruikte tampon plakte ze aan zijn touwtje tegen de deur, zodat hij bungelde naast de woorden die ze geschreven had. Vervolgens pakte ze de fles nepbloed die ze had meegenomen. Ze had liever echt bloed gehad, varkensbloed bijvoorbeeld, maar dit kon ze gewoon bij de feestwinkel krijgen. Een van de tampons die ze bij zich had in een enorme doos, doopte ze in de fles. Toen hij rood was legde ze het ding voorzichtig op de wc-bril.

Haar moeder had gezegd dat Carly niet naar school hoefde totdat de foto’s van haar kut van het internet waren gehaald. Ze belde met de rector en stuurde boze e-mails rond, maar wanneer de foto van de ene site was verdwenen dook hij op een andere weer op. Na twee weken zei haar moeder: ‘Dit krijgen we nooit meer uitgewist, Carly.’ Dus toen moest ze weer naar school.

Carly doopte een tweede tampon in het nepbloed en gooide hem op de grond. Met haar vingers maakte ze nog wat rode vegen op de muur en verplaatste naar het volgende hokje. Ook daar verspreidde ze een aantal bebloede tampons op de bril en op de vloer, sprenkelde wat rode vloeistof rond en werkte op die manier alle wc’s af. Ze keek op haar horloge en zag dat ze goed op schema lag; de eerste docenten zouden pas over een paar uur komen. Toen stopte ze alle spullen weer in haar tas en liep naar de wc’s op de volgende verdieping.

Carly wist niet wiens schuld het nu eigenlijk was. Toen de telefoon onder de deur van haar wc-hokje door werd gestoken had ze wel mensen gehoord, maar die kwamen haar niet bekend voor. ‘Nee! Je kijkt recht bij haar naar binnen!’ riep een stem na de klik van een camera, gevolgd door het geluid van rennende voetstappen en een hoge schaterlach. Iedereen was schuldig, iedereen die de foto gedeeld had, erom had gelachen, of er alleen maar vol afgrijzen naar had gekeken.

Langzaam werkte Carly alle wc’s in het hele schoolgebouw af. Daarna keerde ze terug naar het eerste wc-hokje, de plek waar het allemaal begonnen was, en waar nu in dikke letters stond: “De wraak van mijn kut”. Dit was de eerste nacht die Carly ooit op school had doorgebracht, nu eens door het trappenhuis dwalend, dan weer lezend op de koude tegelvloer van het vrouwentoilet, en het zou ongetwijfeld haar laatste zijn. Bijna vier jaar had ze zich hier thuis gevoeld. Ze sloeg de deur van het wc-hokje hard achter zich dicht zodat de opgehangen tampon heen en weer slingerde aan zijn touwtje.

Standaard
Vreemdgaan

Het Wrakkenmuseum

Arthur was alleen maar bij het museum gestopt omdat er echt niets anders te doen was op het eiland. Hij haatte Terschelling nu al. In het zuiden was er de weg langs de dijk, die eenzame grijze streep die hem langs de grijze zee voerde onder een al even grijze lucht. In het noorden waren er de duinen, meedogenloze heuvels waar de wind met vlagen tussendoor woei zodat Arthur af en toe nauwelijks vooruit kwam op zijn tandem. Dan stond hij stil, op die ene veilige seconde tussen vooruit ploeteren en willoos achteruit glijden, en moest hij uiteindelijk afstappen. De logge fiets was te zwaar voor hem alleen.

Bij de ingang van het museum stond een koperen duikhelm die hem nog het meest aan een astronautenpak deed denken: een harde huls als bescherming tegen een vreemde wereld. ‘Het Wrakkenmuseum’, was ernaast op een stuk sloophout gekalkt. Arthur rilde van de mistige motregen. Bij het bord hingen een paar foto’s van de plek die ‘museum’ genoemd werd, hoewel het eigenlijk niets meer dan een paar grote bergen troep leek voor te stellen, opgestapeld in half-vergane schepen. Blijkwaar was het woord ‘museum’ geen beschermde term zoals boter of doctor en mocht iedereen de schroothoop in zijn achtertuin zo noemen.

Het was Esther die hem naar dit godvergeten eiland had gestuurd. Hij moest zijn gedachten maar eens op een rijtje gaan zetten, opnieuw in contact komen met zichzelf en nog meer van dat soort gelul. Arthur kreeg zin om het bordje van het Wrakkenmuseum nog wat verder te slopen. De stelligheid waarmee Esther die Happinez-onzin had verkondigd maakte hem haast net zo kwaad als de herinnering aan haar ogen, die de kleur van afgekoeld badwater hadden gehad op die avond dat ze zijn whatsappberichten had gelezen.

‘Hoeveel kost het?’ vroeg Arthur aan de man die op een plastic stoel bij de ingang van het museum zat. Hij had nog maar een paar slierten haar die nat op zijn hoofd lagen, en in zijn mondhoek zat een gouden tand die net als de museumstukken lange tijd op de zeebodem leek te hebben gelegen.
‘Tot één meter is het gratis’, zei de man. ‘Boven de twee meter ook.’
Het duurde even voordat Arthur snapte wat hij bedoelde. ‘En hoeveel is het voor mensen met een normale lengte?’
‘Wat is normaal, hè? Tussen de één en anderhalve meter kost het één euro vijftig. Tussen de anderhalf en twee meter kost het drie euro.’
Arthur besloot er niet op in te gaan, niet wetend of het een grap van de man was of dat ze hier werkelijk hun toegangsprijzen op deze manier berekenden. ‘Heeft u terug van vijftig?’

Terwijl hij het wisselgeld in zijn portemonnee stopte, slenterde Arthur verder. Gatver, wat haatte hij Terschelling. Hij haatte de verhuurder van zijn huisje die alleen een tandem voor hem had gehad zodat zijn benen nu gesloopt waren, hij haatte de wrakstukken om zich heen waarin hij plotseling zijn eigen leven weerspiegeld zag en hij haatte zijn hoofd waar het al net zo’n puinhoop was als hier. Waarom was Marina zo jong? Waarom werd Esther zo oud? Hij haatte de klassieke eikel die hij was.
Arthur liep langzaam terug naar de ingang van het museum om de duikhelm nog een keer te bekijken, die duidelijk het hoogtepunt van de tentoonstelling was. Hij tikte op het koper. Hoe veilig zou het zijn geweest om daarmee het water in te gaan? Plotseling voelde hij hoe het moest zijn om in dat ding naar de zeebodem af te dalen, slechts van die duizenden liters water gescheiden door een dun laagje metaal, en hij voelde het zo sterk dat het leek alsof het een herinnering was en geen fantasie. Hij keek om zich heen; de oude man zat niet meer bij de ingang. Zonder precies te weten waarom liet Arthur zich op zijn knieën vallen en stak zijn hoofd in de helm, wat waarschijnlijk makkelijker was gegaan als hij korter dan zijn één meter achtentachtig was geweest. In de helm rook het metalig en het koper voelde koud tegen zijn hoofd. Het vieze glazen ruitje aan de voorkant legde een waas over de wereld, waardoor hij zich bijna van alles afgeschermd waande. Toen haalde hij zijn telefoon uit zijn zak, hield hem in zijn gestrekte arm en lachte voor het eerst in dagen.

Arthur besloot de foto zowel naar Esther als Marina te sturen. ‘Kom maar op, ik zit veilig’ schreef hij eronder en hij drukte tweemaal op ‘verzend’. Toen pas vroeg hij zich af of dat wel een goede beslissing was, maar het was al te laat. De foto vloog naar zijn twee geliefden toe. Binnen een seconde zat Arthur in Esthers warme broekzak en tegelijkertijd in die van Marina, alsof hij zichzelf eindelijk in tweeën had kunnen splitsen, vrolijk lachend achter het ruitje van die belachelijke koperen helm.

Standaard
Gnuiven

De aanslag

De hormonen gonsden zo hard door het lokaal dat ze bijna hoorbaar waren. Ruiken kon meneer Wildeman ze niet, aangezien ieder puberaal lichaamsluchtje in de klas verhuld werd door een artificiële damp van parfum en bubblegum.

‘We kunnen de dobbelsteen die in De Aanslag voorkomt dus zien als een motief’ zei hij. ‘Je weet bij een dobbelsteen nooit hoeveel ogen je zal gooien. Daarom staat deze voor toeval, voor het lot dat je niet in eigen handen hebt.’
Achterin de klas werd er gegiecheld, voorin scheurde iemand een bladzijde uit Mulisch’ boek.
Tygo, een van de kinderen die zoveel gel gebruikte dat zijn haar wel een helm leek, zei: ‘Ik vind dat een beetje vergezocht, meneer.’

Meneer Wildeman werkte vierentwintig jaar op het Fons Vitae Lyceum. Veel dingen in zijn leven leken gegroeid sinds zijn begintijd: zijn oren, zijn huis, de lijst met boeken die hij gelezen had. Gekrompen waren echter zijn vriendenkring, de rondjes die hij rende in het park en het aantal keer dat hij lachte op een dag. Binnenkort zou hij echter weer genoeg tijd hebben voor al die dingen.

‘Waarom vind je het vergezocht?’ vroeg meneer Wildeman. Hij zuchtte nog net niet.
Tygo wilde antwoord geven maar werd aan zijn haar getrokken door Tara, het meisje achter hem.
‘Ga niet slim doen!’ zei ze. ‘Je hebt het boek niet eens gelezen.’
‘We hebben met zijn allen de film gekeken, meneer’, riep Rutger achterin. ‘Denkt u dat we nu het proefwerk kunnen halen?’
Gelach, ‘Ssssj’-geroep.

Meneer Wildeman had nog nooit een klas gehad die echt geïnteresseerd was in literatuur. De kinderen werden teveel afgeleid door hun eigen leven, dat met het groeien van hun slungelige lichamen langzaam vorm begon te krijgen, zodat ze zich nauwelijks konden concentreren op de levens personages. Meneer Wildeman had nog twee weken om één van hen te inspireren; dan zou hij met pensioen gaan.

‘Ik vind het mooi bedacht van Mulisch, hoor’, zei Pieter, de jongen die net een bladzijde uit zijn boek gescheurd had.
Die Pieter was een twijfelgeval. Hij praatte vaak door meneer Wildeman heen maar kwam wel met verrassende analyses op zijn proefwerken.
‘Ik ga deze boven mijn bed hangen’, zei Pieter terwijl hij de losse bladzijde hoog in de lucht hield. Met luide stem las hij voor: ‘Zijn schoenen sloffen en het is of zij wolkjes as opwerpen, ofschoon nergens as te zien is.’ Iedereen lachte.

Toen hij zelf nog jong was had meneer Wildeman geen docent nodig om hem tot lezen aan te zetten. Wanneer hij aan vroeger dacht, dacht hij vooral aan de woorden van Nabokov, Multatuli en Flaubert. De gedachten aan hun boeken overschaduwden meneer Wildemans andere herinneringen: die aan hoesten in een rokerig portiek, aan kauwgom-jatten bij het tankstation, en zelfs die aan de langverwachte bh op de vloer van zijn slaapkamer. Dat meneer Wildeman zijn liefde voor literatuur maar niet kon overbrengen op zijn leerlingen maakte dat hij soms met samengebalde vuisten voor de klas stond.

‘Dat is fijn, Pieter’, zei meneer Wildeman.’Wat vind je precies mooi aan De Aanslag?’
‘Even denken, meneer’, zei Pieter terwijl hij frutselde met zijn blaadje.
Hier en daar werd er gegrinnikt, maar meneer Wildeman lette er niet op. Waren zijn lessen toch niet voor niets geweest? Hij begreep het gelach van de andere kinderen pas toen hij Pieters hand omhoog zag gaan, en hij riep nog: ‘Hé! Stop daarmee!’, maar het was al te laat. De bladzijde van De Aanslag stortte in de vorm van een vliegtuigje aan meneer Wildemans voeten neer.

Standaard
Op muziek

De fabuleuze bestemming van Nino Quincampoix

Toen hij na vier jaar terugkwam in Amsterdam verbaasde het Nino hoe licht de stad was. Hij was vertrokken op een novembermiddag en hij zag de stad altijd voor zich zoals ze toen was geweest, met de gladde stenen van bruggen boven reflectieloze grachten, de kille hoge panden, de donkere wolken boven het Centraal Station die het gebouw de aanblik gaven van een duister sprookjeskasteel. Maar scherper nog dan dit alles zag hij altijd het spoor van meisjestranen voor zich dat zijn trein de hele rit had achtervolgd.

Met de zomerzon in zijn rug ging Nino na die vier jaar zijn nieuwe Amsterdamse huis binnen. Het rook er nog naar verf en de geur van zijn aftandse appartementje in Parijs was onmiddellijk vergeten. Er lag iets op de mat. Het leek een soort briefje van glanzend, dik papier, en hij pakte het op. Laten we wat drinken stond er in zwarte inkt. Hij draaide het om, op zoek naar een afzender, maar in plaats daarvan zag hij een foto. Het was een afbeelding van een molen, de molen bij Brouwerij het IJ als hij zich niet vergiste. Hij keek op, de helderwitte gang in, en probeerde voorzichtig in te schatten hoe groot de kans was dat er op dat moment een roodharig meisje op hem zat te wachten met het schuim van een amberkleurig biertje op haar prachtige, iets te grote bovenlip.

Toen hij Amelia een paar weken daarvoor had laten weten dat hij terug zou komen naar Amsterdam had ze teruggestuurd: ‘Ik weet niet of ik je wil zien’.
Hij had geantwoord: ‘Ik weet ook niet of ik jou wil zien’.
Er was liefde, maar die lag nog verscholen onder een harde korst van geschreeuw en tranen via een trage telefoonverbinding, die zich de laatste jaren had gevormd.

Ze was er nog niet. Nino bestelde een biertje en ging op het terras zitten met uitzicht op de wieken van de molen, die telkens voorbij draaiden als de versnelde wijzers van een klok.
‘Kom op, Amelia’ fluisterde hij voor zich uit. De gedachte dat ze niet zou komen wikkelde zich als een strak koord om zijn keel.
‘Deze is al betaald, meneer’, zei de ober toen hij een goudgeel glas voor hem neerzette. Nino hoorde het nauwelijks en nam een slok om het drukkende gevoel op zijn keel weg te spoelen. Toen pas zag hij de foto die opgekruld tegen de binnenkant van het glas zat.

Op het moment dat ze elkaar vier jaar geleden op het station hadden omhelsd, had ze hem beloofd: ‘Ik blijf je trouw’. Naïeve geliefden maken elkaar al duizenden jaren dezelfde dingen wijs, en ze leren nooit van elkaar. Amelia beminde vele mannen in haar zo geliefde stad. Iedere keer dat Nino haar uitkijkend op de rood bedekte Franse daken voor leugenaarster uitmaakte, was het enige dat ze antwoordde: “Jíj bent weggegaan.”

Nino was weer op de fiets gesprongen; hij rinkelde luid naar een man die midden op de weg reed en negeerde een rood stoplicht. Op de foto in het bierglas stond een fontein afgebeeld, samen met een hotdog-kraam en wat bomen. Laten we wandelen, stond erop de achterkant. Tijdens hun eerste afspraakje, jaren geleden, hadden hij en Amelia door het Vondelpark geslenterd. Het was zijn idee geweest zodat ze met elkaar konden praten zonder dat ze elkaar hoefden aan te kijken, en zodat ze de ongemakkelijke stiltes op konden vullen met commentaar op zwemmende peuters en rolschaatsers. Hij was er al bijna.

Bij de hotdog-kraam hoefde hij niet lang te zoeken naar weer een volgende foto. Deze was tegen een boom geprikt en er stond een wit bruggetje op afgebeeld; hij zag meteen dat het de Magere Brug was. Op de achterkant waren de woorden geschreven: Laten we zoenen. Tijdens hun relatie was Nino degene geweest die Amelia lieve briefjes schreef. Hij stapte weer op zijn fiets.

Nino was nu bijna alle plekken langsgegaan: die van hun eerste ontmoeting, hun eerste verliefdheid, hun eerste zoen. Het verbaasde hem hoe goed hij de weg nog kende in een stad die al zo lang niet de zijne was geweest. Amsterdam leek wel een kloppend hart met een oneindige stroom fietsers, trams en taxi’s die met veel kabaal door haar aderen werden gepompt. De zon scheen op de Amstel, verblindde hem bijna. Nino stak de brug bij het Waterlooplein over en toen zag hij haar. Amelia stond tegen de leuning van de Magere Brug geleund. Van deze afstand zag ze er nauwelijks anders uit dan de andere mensen, maar het was haar echt.

Met zijn fiets aan zijn hand liep hij naar haar toe. Hij begreep niet hoe ze zo weinig veranderd kon zijn in al die tijd: ze was nog even mager en haar dieprode haar was nog even lang.
‘Ik heb je gevonden’, zei hij, en stopte.
Amelia gaf hem een nieuwe foto. ‘Misschien kunnen we samen verder zoeken’, zei ze. Toen kwam ze nog dichterbij, pakte hem vast en zoende hem. Zijn fiets viel op de grond, de bel rinkelend tegen het asfalt. Misschien was het de verrassing, of de ontlading, of de opluchting die vrijkwam tijdens die zoen, maar toen haar lippen de zijne raakte stroomden de tranen over zijn wangen.
Toen liet ze hem los en zei: ‘Bekijk de foto maar’.
Met tegenzin wendde Nino zijn ogen af van haar lippen, die nog roder waren dan voor hun zoen, en hij zag dat de foto enkel bestond uit overbelichte cirkels en een paar kleurige vlekken. Vragend keek hij op, maar ze zei niets. Uiteindelijk draaide hij het papier om en las hardop: ‘Laten we opnieuw beginnen’.


Bij het thema ‘op muziek’ moet het verhaal enigszins betrekking hebben op een liedje. Bij dit verhaal is dat ‘Die fabelhafte Welt der Amélie:

Standaard
Fuif

De kleine cijfers bovenin het scherm

Kut, ik ben mijn telefoon kwijt.’ Ik stootte Arthur aan.
‘Kijk nou naar het podium!’
‘Denk je dat iemand hem heeft gestolen?’
‘Hier zijn geen dieven. Ik ken iedereen.’

Er waren jongens in leggings. Er waren meisjes met veren op hun hoofd die op het podium dansten alsof ze ervoor betaald werden. Er was een hypnotiseur, een chocoladefontein, een jacuzzi waar we ons met zijn twintigen tegelijk in propten zodat het water over de randen gutste, er was een man die met vuur speelde en een vrouw die topless hoepelde. ‘Cool feest!’ riep ik tegen iedereen, want dat was het. ‘Heb jij een Iphone gezien? Eén met een barst?’

Ik vergat hem al snel, dat oude ding, samen met de andere ongemakken uit het land der levenden (een repetitie, een ruzie, een relatie). Onze hoofden draaiden gewoonlijk gestaag door als de radartjes van een klok, maar die avond leken ze stil te staan. Lachen. Dansen. Kussen. Normaal bevindt de tijd zich een groot deel van de dag in onze hand, met kleine cijfers bovenin het scherm, maar nu zat hij al uren vergeten in een tas, een achterzak, of was hij zoals in mijn geval geheel onvindbaar.

‘Laten we naar het dak gaan!’ riep iemand. We beklommen een ladder die tegen het gebouw aan stond, en het zwart van de lucht om ons heen was al grijs geworden. In het vochtige grind bovenop het dak streken we neer, alsof we een zwerm vogels waren die daar kwam uitrusten na een lange vlucht.
‘Hè?’ zei Arthur en hij sprong weer op. ‘Ik heb een vreemde telefoon in mijn kontzak.’
‘Chill,’ zei ik, en ik pakte hem van hem aan. ‘Je hebt er een barst in gemaakt.’

Het duurde lang voordat de zon opkwam. De rest van de nacht was aan ons voorbijgeschoten met een stel flitsen van de polaroidcamera die op de bar stond, maar nu we erop aan het wachten waren duurde het eindeloos voordat het laatste beetje ochtend daar was. ‘Ik heb het koud,’ zei ik. Met een blik op de bleke gezichten om me heen en op mijn Iphone die nu toch echt aan vervanging toe was, besefte ik vloekend dat de tijd ons toch geruisloos had ingehaald.

Standaard