Coole gastjes

Zomaar een lunchpauze

Willem heeft kaas op zijn brood. Dertig plus kaas, want Emmy vindt het belangrijk dat hij niet dikker wordt dan hij al is. Het zal hem worst wezen. Ze weet niet dat Trudy van de kantine bijna elke lunchpauze twee kroketten voor hem in het vet gooit en dat hoeft ze ook niet te weten. Hij verdient het, verdomme. De hele dag rent hij rond tussen koelcellen in zijn dikke zweetkleding, dan heeft hij niet genoeg aan twee bammetjes met kaas en een appel. ‘Willem! Je kroketten zijn klaar!’, roept Trudy.

Willem hijgt en het speeksel loopt zijn mond in. Zijn maag rommelt.
Hij slaat Sander op zijn schouder en knikt naar de balie. ‘Waar wacht je op?’
Sander staat op, zet de broodjes kroket voor Willems neus en gaat weer zitten.
‘Mayonaise, pik.’
Sander staat op, haalt vier zakjes mayonaise voor Willem en gaat weer zitten.
Hij neemt een hap van zijn eigen broodje.
Sanders vrouw heeft vanmorgen boterhamworst tussen zijn witte bolletjes gedaan. En boter. Ze weet dat hij boter niet lekker vindt, maar ze smeert stug door en er tegenin gaan durft hij niet. Hij weet hoe hysterisch ze wordt als ze kritiek krijgt. De laatste maanden is het erger geworden, dus hij houdt zich gedeisd.
Stiekem kijkt hij naar De Vries, die aan de andere kant van de kantine zit. Hij neemt een hap van zijn broodje en vraagt zich af of mevrouw De Vries zijn kleren strijkt.

Dat beeld moet hij niet in zijn gedachten toelaten, dat is slecht voor zijn libido.

‘Hoe is het met Natascha?’ Sander verslikt zich in een stukje boterhamworst als Willem de vraag stelt. ‘Nog steeds alles kits tussen de lakens?’ Er zit een kloddertje mayonaise op Willems kin en een belletje speeksel in zijn mondhoek.
‘Prima’, liegt Sander. ‘Volgende week gaat ze naar Atlanta voor haar werk. Ik verheug me nu al op haar thuiskomst.’ Hij knipoogt en hoopt dat Willem niet doorvraagt. De laatste keer dat hij seks had met Natascha was toen FC Twente landskampioen werd. Zij lijkt het geen probleem te vinden. Hij helpt zichzelf zo’n drie keer per week. Toevalligerwijs altijd op de dagen dat de vrouw van De Vries de receptie beheert en hem vriendelijk een fijne werkdag wenst.
Meestal houdt hij het dan zo’n twee uur vol in de vriescel, voor hij naar de wc gaat om zijn ding te doen.

De Vries kijkt de kantine rond. Zijn ondergeschikten eten hun buik rond (alsof er bij die dikke van Verbeek nog iets bij kan, denkt hij, als Trudy roept dat Willems kroketten klaar zijn) en laden zich op voor weer een middag in de kou. Zelf eet hij niet. Hij maakt een lijstje met dingen die hij moet doen voor hij volgende week naar Atlanta vertrekt. Voor Willem moet hij nieuwe kleding bestellen. Weer een maat groter. Met Sander moet hij een functioneringsgesprek inplannen. En hij zal hem de hemel in prijzen. Niet dat hij zijn werk nou zo goed doet, maar met wat salarisverhoging koopt hij zijn schuldgevoel af.
Zodat hij daarna de hele week met Natascha in een hotel kan doorbrengen.

Standaard
Buurtcoach

Joep kan het weten

Wat knap, dat jij al zo goed kunt schrijven’, zeg ik tegen Joep. Ik wijs naar het bord dat hij fanatiek omhoog houdt.

AZC NEE!, staat er op.
Joep is vier. Dat staat ook op het bord. ‘Ik ben vier, loop ik gevaar in de speeltuin?’ Hij kijkt me aan en dan weer naar het vuurwerk. Rode lichtjes weerkaatsen in zijn donkerbruine ogen en hij glundert.

Als alle demonstranten weg zijn en de rommel is opgeruimd, doe ik mijn ronde door de buurt. Het grootste deel dat ik in de gaten moet houden bestaat uit kerkhof. ‘Uit die hoek krijg ik nooit klachten’, grinnik ik keer op keer op feestjes. Over klachten die ik wel krijg, vertel ik niets. Maar altijd denk ik aan Joep. Joep uit het gezin waarover ik klachten krijg.

Het kerkhof ligt er stil en verlaten bij. De doden rusten, maken niets mee van de protesten in de wereld. Maakten vanavond niets mee van het protest voor het gemeentehuis. Ik ga op een bankje zitten en kijk uit over de graven. Het heeft iets rustgevends. Hier is alles vredig. Ik zie de stok van een vuurpijl liggen en ik denk dat het een overblijfsel is van oud en nieuw, vier dagen geleden. Ik raap hem op en prop hem in de vuilnisbak. Verderop hoor ik een groepje oproerkraaiers en ik sta op, maar besluit een rondje te maken langs de graven.

Er is genoeg politie op de been, ik ben even overbodig.

Hoe anders wordt dat als verderop honderden vluchtelingen worden gestald. Ik vraag me af of de agressie die ik vanavond zag, erger wordt als ze er eenmaal zijn.
Het asielzoekerscentrum komt in ‘mijn’ buurt. Ga ik dan elke avond hier op een bankje zitten om bij te komen van de dag?
Ik kijk naar de namen op de zerken. A.R. Roelofs, geboren op 19-12-1946, gestorven op 05-04-2001. ‘Nooit meer uit ons hart’, staat er onder. Naast hem ligt de heer H.M. Papaloukas, geboren in Griekenland op 16-07-1949, gestorven in Nederland op 15-06-2003.

Autochtoon en allochtoon, vredig naast elkaar. Hier wel.

Ik veeg wat steentjes van het graf van Roelofs en schik de bloemen op het graf van Papaloukas en denk aan Joep. Joep uit het gezin waarover ik klachten krijg en ik baal van mezelf, omdat ik zijn ouders stiekem al had verwacht bij het protest.

Ik vind het naar dat ik blijkbaar hetzelfde doe als zij: generaliseren.

Langzaam wandel ik naar huis, geef mijn slapende vrouw een kus en schenk mezelf dan een grote bel wijn in. Uren later kruip ik in bed. Mijn vrouw snurkt haar lieve snurkje en ik probeer mijn ogen dicht te houden. Maar ik zie Joep. Joep die een avondje uit was met zijn ouders en genoot van het vuurwerk. Zijn armen werden moe, maar hij stak ze weer hoog de lucht in toen zijn moeder hem op zijn schouder tikte. Zijn bord zo hoog mogelijk. AZC NEE! Joep kan het weten. Joep is immers vier.

Standaard
Factor 50

Dan gaat het mis

De dag dat ik die stinkende sloot in fietste was eigenlijk nog de minst beschamende dag van mijn leven. Ik had niet gesmeerd die ochtend, dus het was nogal wiedes dat het mis ging. De pestkoppen voor wie ik op de vlucht was, lachten zich ziek toen ze de bruine smurrie uit mijn haar in mijn bontkraag zagen druipen. Ik verdenk Natalie ervan dat ze een beetje in haar broek plaste, want zij hield ineens op met lachen en keek wat beschaamd de andere kant op.

Stom eigenlijk, dat je niet meer let op het echte gevaar als je op de vlucht bent voor het kleine. Ik fietste recht op de sloot af en ik zag hem ook wel; mijn hersenen handelden alleen niet. Te veel in beslag genomen door het gehoon en het feit dat ik ’s morgens niet had gesmeerd. Twijfel of ik de deur wel had gecontroleerd drong zich ook op, en toen was het te laat om nog uit te wijken voor de bruine derrie onder me.
Nog stinkend fietste ik daarna naar het winkelcentrum, om een nieuwe tube factor 50 te kopen. Ik kocht er meteen zeven.

Als een soort tweede huid plamuur ik mijn gezicht dagelijks dicht met factor 50. Elke ochtend sta ik om zes uur op. Ik douche, smeer, controleer mijn deuren, douche en smeer nog een keer. Soms één laag, soms twee. Meestal zeven lagen. Het is maar net hoe ik me op dat moment voel. Als ik dan ook mijn voordeur zeven keer heb gecontroleerd, kan ik gaan. Met mijn tube in mijn tas. Als mijn dag niet precies zo begint, gaat alles mis. Nog veel misser dan in je jeugd in een gore, bruine sloot belanden.

En dat bleek wel, op die beruchte zondag 19 december. Mijn tube voelde akelig uitgeknepen en de overtuiging dat ik er nog een had werd de grond in geboord nadat ik mijn deuren had gecontroleerd en eindelijk in mijn medicijnkastje mocht kijken. De winkels waren dicht en zouden pas dertig uur later open gaan. Ik kon niet eens mijn neus insmeren. Ik wilde in bed blijven die dag, maar wist dat dat niet kon. Voor ik wegging, controleerde ik mijn voordeur achtentwintig keer ter compensatie.

Mijn oma zat stralend op me te wachten en ik besloot dat het goed was dat ik niet had afgebeld. Ik posteerde me achter haar rolstoel en duwde haar richting lift. Ze kwebbelde volop en vertelde over haar buurvrouw Bets die zo hard snurkte. En over chagrijnige Jo, die ’s morgens als eerste koffie wilde, omdat hij dat vroeger thuis ook altijd kreeg. Ik luisterde half, voelde mijn blote gezicht en keek naar alle deuren die we passeerden. Zenuwen gierden door mijn lijf en mijn masker kon het niet maskeren. De liftdeuren gingen open en ik duwde. De lege liftschacht zag ik wel, maar er werd niet gehandeld in mijn bovenkamer.

Standaard
Gescheurd condoom

Tot het gaatje

Marieke komt de winkel binnen en kijkt me onzeker aan. Even denk ik dat ze ziet wat ik aan het doen ben, maar de onzekerheid lijkt vooral in haarzelf te zitten. Ik leg de potjes oogschaduw terug in het schap en loop op haar af. Ze deinst terug.

Werken bij de Etos is geen zak aan. Het is saai en eentonig. Geen hond die meer informatie wil over de pijnstillers die ze kopen. En waarom niet? Omdat elke malloot weet dat hoofdpijn zakt na het slikken van twee ibuprofen.
Ik werk veertig uur per week. Niet omdat ik dat nou zo leuk vind, maar ik zal wel moeten: mijn man zit thuis met een uitkering en de kinderen moeten eten en dure boeken lezen voor school.

Om de tijd te doden, haal ik maffe dingetjes uit. Gewoon voor de lol. Simpel hoor; ik pluk twee flessen douchegel uit de winkel, neem ze mee naar het magazijn, verwissel de inhoud en zet ze weer terug. In de zomer doe ik dat met zonnebrandcrème. Haha! Soms komen mensen die daarvoor nog factor 50 kochten een paar dagen later terug voor after sun, met hun rooie kop.
Soms schraap ik de grove laag van nagelvijltjes, andere keren kam ik mijn haar met een borstel en hang het ding dan terug. De vertwijfeling op de gezichten van mensen die doordeweeks tijd hebben om in de stad rond te hangen, is goud waard.

Wat ook leuk is: een handvol schoolkrijtjes in je mond proppen als je ziet dat een klant komt afrekenen en dan tergend langzaam je mond leegkauwen en alles zorgvuldig doorslikken voor je vraagt of ze nog informatie wil over pijnstillers.
Of de kleur van potjes oogschaduw door elkaar mixen, hoewel dat haast niet onopvallend kan. Alleen als je in je eentje staat, lukt het af en toe. Daar was ik net mee bezig dus, maar toen kwam Marieke binnen.

Haar hoofd is rood en ze vraagt bedremmeld of ik naar haar wil luisteren en niets tegen haar ouders wil zeggen. Waarom doet ze zo moeilijk? Goed, de vorige keer dat ze condooms kocht, rekende ze af bij mijn collega omdat ik de deodorant aan het spiegelen was. Als ze er zo’n moeite mee heeft, bestelt ze die dingen toch gewoon voortaan bij Bol.com? Ze bieden ze aan in de categorie ‘mooi en gezond’, wat ik stom vind omdat ik nog nooit een mooie lul heb gezien.
Maar goed, ze hadden ze moeilijk in kunnen delen in de categorie kinderspeelgoed.

‘Ik krijg een kind.’ Marieke flapt het er zo plotseling uit dat ik het notitieblokje dat ik in mijn hand heb van schrik samenkreuk. ‘Tenminste, dat denk ik, daar ben ik bang voor, ik ben overtijd en ik weet niet wat ik moet doen. Ik ben pas zeventien en ik wil naar de uni, niet achter een kinderwagen. Lotte, ik moet een zwangerschapstest, alsjeblieft wat moet ik doen?’
Ze heeft me bij mijn arm gepakt tussen het ratelen door en ze kijkt me waanzinnig van wanhoop aan. Ik leg mijn hand op de hare en knik haar geruststellend toe terwijl ik het prikken in mijn nek negeer.

Gaatjes in condooms prikken om de tijd te doden gaat misschien een beetje ver.

Standaard
XTC

De allerlaatste

Lieve Joris,
Ik neem vandaag de laatste. Neem jij ook de laatste, alsjeblieft. Of nee, doe dat niet; één laatste wordt een bacchanaal. Stop. Nu. Helemaal.
Mij lukt het niet. Doe jij het dan. Jij bent nog jong, je hebt een heel leven voor je, verpest het niet voor jezelf en je omgeving.”

Mijn handschrift is bijna niet te lezen door het trillen van mijn vingers. De pen glipt telkens weg, glibberig door het zweet, waardoor er vreemde uithalen op het papier verschijnen.
Hoe vaak heb ik niet gezegd dat het de laatste zou zijn? ‘Nog ééntje dan, voor ik naar huis toe ga.’ Om vervolgens vier uur later thuis te komen en dronken in mijn bed te rollen. Of erger nog, vier uur later thuis te komen en dan nog een stuk of zes laatste glazen nemen.

“Heb lief, houd van alles en iedereen om je heen, behalve van de drank en de pillen. Het brengt je niets. Het maakt je af. Het is troep, het is puur vergif. Anderen kunnen er van genieten, jij niet. Jij bent ziek en dat spijt me verschrikkelijk. Je hebt je prachtige ogen van je moeder en je mooie glimlach ook. Je ziekte heb je van mij. Ik heb alles verkeerd gedaan, ik hoop zo dat ik het nu goed doe.”

Nagels van schuld klauwen in mijn ziel. Ik herken de obsessie. Er is nooit een laatste. Ik wil er nog tien, dan stopt mijn lijf met trillen. Ik wil er nog honderd, dan voel ik niets meer. Ik wil er nog duizend, pas dan is alles oké. Maar elke eerste is er één teveel. Vanavond, de laatste is de laatste uitweg.

“Stop ermee, lieve Joris. Nee, niet wat ik doe. Dat verdien je niet. Je weet beter. Daar hebben we over gepraat toch? Ik hou van je, zoon, meer van dan wat ook. Het spijt me dat ik dat nooit genoeg heb laten zien.”

Hij zal boos zijn. Verschrikkelijk kwaad. Hij zal pijn voelen en de hoogste percentages innemen om dat te verdoven. Maar als de mist is opgetrokken zal hij nadenken en hopelijk weten dat dit een wanhoopsdaad is. Misschien is hij me dan dankbaar, als hij weet dat ik het deed om hem te helpen.

Mijn daad is een uitroepteken.

“Ik neem de allerlaatste, lieve Joris. Dan ben ik mensen minder tot last. Om half één moet hij in Den Bosch zijn, dus over een kwartier is hij hier. Ik moet gaan. Dag lieve Joris. Ik hou van je. Het spijt me zo.”

Standaard
Zwarte Piet

Weg staf

Mijn wangen begonnen te gloeien, mijn ogen te tranen en mijn rug te jeuken na het telefoontje. Ik werd vervangen. 33 jaar lang was ík de Sinterklaas die elke derde zondag van november het dorp binnenvoer met de pakjesboot, omringd door tientallen pietjes. De een haalde nog ingewikkelder capriolen uit dan de ander, ze dansten op de veerstoep, strooiden pepernoten en schuimpjes en zorgden dat mijn paard stil bleef staan als ik onwennig mijn voet in de stijgbeugels zette.

Eén zondag per jaar reed ik paard, één zondag per jaar werd ik op handen gedragen, één zondag per jaar was ik de belangrijkste man van Alem. Voor de kinderen dan. Ik sprak met de burgemeester, mocht door de microfoon praten in het dorpshuis en iedereen was dan stil. Ik had overwicht. Als ik zei ‘Piet, geef die kleine Lola eens een handje lekkere pepernoten’, dan werd er niet tegengestribbeld. ‘Even wachten pap, ik doe het zometeen, ik heb geen zin.’ Nee, het werd gewoon gedáán. ‘Ja Sint. Natuurlijk Sint.’
Mijn vrouw Sjan stond er bij en keek er naar. Eén zondag per jaar hield ze haar mond. Voor de paar uur dat het duurde dan. Ze moest wel; ik was immers Sinterklaas. Als ze me zou aanspreken met ‘Johan, zeg jij nou óók eens wat’, dan zouden de kleinsten in opperste verwarring worden gebracht. En Sjan wil veel mensen heel wat aandoen, maar de kleintjes van hun geloof laten vallen ging zelfs haar te ver.

‘Ben ik te oud dan?’, vroeg ik door de telefoon aan de voorzitter van het sinterklaascomité, toen hij op 3 juni belde. Nee, niet te oud, dat was het niet, maar 33 jaar is een lange tijd en ze waren toe aan iets nieuws. Als ze zelfs in Alem toe zijn aan iets nieuws, dan weet je dat het menens is met het verkrachten van een eeuwenoude traditie van een kinderfeest.

Het is vandaag de derde zondag van november en ik sta aan de Maas te wachten op de pakjesboot. Tranen branden achter mijn ogen en mijn vrouw staat naast me en ze zeurt aan mijn kop. Kinderen staan vol verwachting op de veerstoep, te wachten tot hun grootste angst en hun grootste vriend het dorpje binnenvaren. Mij zien ze niet. Deze derde zondag van november ben ik niet meer dan een oude man die staat te kijken hoe Sinterklaas binnenkomt.

‘Ik ben benieuwd naar dat nieuwe’, mompelt Sjan en ik haal mijn schouders op. ‘Zouden ze gekleurde pieten hebben? Of clownspieten? Of witte pieten? Maar waarom moesten ze jou dan wieberen? Je hebt er zeker niets tegenin gebracht? Het maar gewoon laten gebeuren, zoals altijd?’ Ik zucht en Sjan houdt haar mond. Haar hoofd draait naar links, tegelijk met alle andere hoofden van ouders en kinderen die op de veerstoep staan te wachten. Het witte paard dat aan de rand staat, schraapt ongedurig met zijn hoef. De boot komt aan varen.
Mijn wangen beginnen te gloeien, mijn ogen te tranen en mijn rug te jeuken. Jeremy, de enige dorpsneger van Alem, zo’n 33 jaar geleden geadopteerd door Krijn en Lia van Duren, draagt mijn mijter, mijn mantel en mijn staf.

Standaard
Amsterdams gebouw

Als een gebouw

Ik duik diep in mijn jas en kijk naar de spiegelruit van het gebouw tegenover me. De ruit waar ik dag na dag tegenaan zit. Gek dat het me nooit is opgevallen dat de rest van het straatbeeld erin weerkaatst, inclusief mijn rug, maar die onttrok ik aan het zicht van anderen.

Ik kijk naar mezelf. In de spiegeling van de ruit is het winter, grijs en kil. Het herenhuis waar ik tegenaan zit, ziet er nu heel anders uit. Het is donkerder en de balkons onder de trapgevel lijken te golven.

Ik ben oud, ik weet niet eens precies hoe oud, maar dat ik de zeventig voorbij ben is zeker.
Mijn dagen breng ik door met zitten, kijken en wachten terwijl ik niet weet waarop ik wacht. Het gekke is dat ik gelukkig ben. Ik heb geen cent, geen dak boven mijn hoofd en ik ken weinig liefde, maar gelukkig ben ik. Ongegeneerd gelukkig omdat dit het is.

Vandaag ben ik aan de overkant gaan zitten. Bob, de kat die ik steevast van mijn plek jaag, heeft vannacht zijn kans geroken toen ik voor het eerst deze winter genoodzaakt was binnen te slapen. Dat katten stinken wist ik, dat het erger zou zijn dan mijn eigen stank had ik niet kunnen bedenken.
Bob is niet zoals ik, dat weet ik omdat hij een halsbandje draagt met daarop een telefoonnummer. 020nogwat. Vroeger onthield ik zulke dingen. Het telefoonnummer van mijn moeder zat nog lang na haar dood in mijn geheugen gegrift. Van elke auto die hier dagelijks voorbij kwam kende ik het nummerbord uit mijn hoofd.

Erik loopt aan de overkant van de straat. Ik weet niet of hij Erik heet, dat is de naam die ik hem gegeven heb. In mijn fantasie werkt hij bij de bank verderop. Hij begint om negen uur ’s morgens en geeft leiding aan de zakelijke afdeling. Om half zes gaat hij naar huis, waar zijn vrouw voor hem kookt en ’s avonds speelt hij een spelletje schaak met Jan, zijn zoon. Zijn leven hangt aan elkaar van zekerheden en loopt ‘op rolletjes’, zoals ze dat zo mooi zeggen. Maar nu even niet, zie ik. Nu aarzelt hij als hij langs mijn plekje loopt. Hij kijkt vertwijfeld om zich heen en loopt dan door naar de bank. Ik glimlach.

Er valt een euromunt voor mijn voeten, ik raap het ding op en kijk wie het naar me toe gegooid heeft. De man in de lange jas is al verderop, ik herken hem niet. Ik wil een bedankje roepen. Het is lang geleden dat iemand geld aan me gaf. De mensen die ik zo goed heb leren kennen zien mij niet. Ze haasten zich voorbij, op weg naar hun werk of naar huis via hun precies uitgestippelde route. De sporadische toeristen die in dit deel van de stad komen, kijken vooral op hun kaart en naar de straatnaamborden. Ik zou ze kunnen helpen; ik ken de stad op mijn duimpje, maar het komt in niemand op om mij om hulp te vragen.

Marianne komt de hoek om, met haar teckel Lola. Dit is haar vaste rondje, dat ze altijd loopt als haar man naar zijn werk bij de Nederlandse Spoorwegen is en haar kinderen in de tram naar school zitten. Lola snuffelt aan mijn plekje. Het ruikt nieuw voor haar. Ze heeft er nooit eerder ononderbroken kunnen snuffelen. Ze plast en verdrijft daarmee Bobs geur, of ze maakt het alleen maar erger. Haar bazin bekijkt de natte vlek en dan om zich heen. Ze haalt haar schouders op en trekt de teckel achter zich aan. Ze loopt wat sneller dan daarnet. Er valt weer een munt voor mijn voeten, vijftig cent deze keer. Ik kijk op, de vrouw lacht schuin en gaat er dan vandoor. Een euro en vijftig cent op één dag. ‘Ik moet vaker ergens anders gaan zitten’, grinnik ik tegen de gootput en ik hoest een droge lach.

Een klein meisje aan de overkant van de straat trekt aan haar vaders broekspijp en hij houdt zijn pas in. ‘Papa?’, haar stemmetje klinkt als een trambel, waarschuwend maar ook melodieus. ‘Waar is die meneer die hier altijd zit? Hier zit toch altijd die meneer, papa? Waar is hij?’ Haar vader aait over haar haar en zegt dat ik waarschijnlijk even boodschappen ben doen en ik vraag me af wat ik voor één euro vijftig zou kunnen kopen. De vader tilt zijn dochter op om verder te lopen. Over zijn schouder kijkt ze naar het raam waar ik altijd voor zat. Ik zie haar zoekende gezichtje weerspiegeld in de spiegelruit.

Ik ben als een gebouw. Pas op het moment dat het weg is, realiseer je je dat het er was.

Standaard