Diarree

Chronisch bange poeperd

Al voordat we vanuit het vliegtuig de zinderende, stinkende warmte instapten, wist ik dat ik het niet zou doen. Waarom ik nu dan toch een tuigje om mijn middel en benen heb, is me een raadsel. Het zit zo strak dat ik me in gedachten voorstel dat het zweet dat zich nu boven de banden ophoopt, straks als een straal diarree naar beneden gutst als ik het weer losmaak.
‘Use sunscreen’, raadt de jongen achter de balie ons aan en ik denk ‘nee’, omdat ‘nee’ het enige is dat mijn brein nog produceert.
Nee.

Ik heb zesentwintig euro betaald voor ‘nee’.

De ironie dat ik gisterenavond nog meer betaalde voor ‘ja’ ontgaat me niet. Als je in India voor zo’n dertig euro alcohol naar binnen gulpt, doe je veel te snel een belofte die je helemaal niet na wil komen. Het tuigje klemt zich om mijn buik en mijn maag draait rondjes waar mijn wasmachine in centrifugestand u tegen zegt. Ik twijfel of het door de alcohol of de angst komt.

‘Follow me’, zegt het snoepje van een begeleider en ik kijk hem boos aan.

Ik kan nu op dit moment de keuze maken om de rest van mijn leven een angsthaas te blijven. De deur naar avontuur voorgoed dicht te gooien. Daar hoef ik niet eens zo veel voor te doen. Ik hoef alleen maar naar het snoepje te kijken, tegen mijn voorhoofd te tikken en te zeggen dat hij het maar lekker zelf doet. Maar in mijn hoofd roert zich een stemmetje, waarvan ik liever heb dat het Hindi spreekt zodat ik het niet kan verstaan: ‘Diagnose chronisch bange poeperd als je dit niet doet.’
Wil ik dat? Nee.

Ik vervloek mijn brein dat ook nu alleen maar ‘nee’ produceert en loop achter het snoepje aan.

Stap. Nee. Stap. Nee. Stap. Nee.
Trap op. Fuck. Nee.
Ik hijs mezelf het eerste platform op. Van de zes. Het uitzicht is overweldigend. Even word ik duizelig. Het fort van Jodhpur fungeert als ruggensteun. Het water van het meer dat tussen de bergen ligt kleurt diep onder me heldergroen van de algen. In de verte zie ik de tegen muskieten blauwgeverfde huisjes van de stad in miniatuur, als een smurfendorp. De afgrond is steil en rotsachtig en de kabel die van dit platform tot het volgende op de berg tegenover me is gespannen, lijkt me veel te dun.
Mijn bonkende hart en knikkende knieën zijn nog overweldigender dan het uitzicht. Ik vraag aan snoepmans of ik kan stoppen als ik de eerste ‘line’ echt te eng vind en hij schudt zijn hoofd.

Hij klikt me vast aan de kabel. Hij klikt me verdomme vast aan de kabel.

Hij kijkt me aan en vraagt: ‘You are not sure?’
Ik schud mijn hoofd, maar het stemmetje begint weer te ratelen. ‘Diagnose chronisch bange poeperd! Bestaat geen medicatie voor!’ Ik kruis mijn voeten over elkaar en til mijn benen op. Een klein zetje van het snoepje. En dan vlieg ik. Ik vlieg echt! Ik hang verdorie in de gloeiendhete Indiase zon, met zweet als diarree in mijn kleren en een fort, bergen en water om me heen in de lucht.

Met één zwieper maai ik één van mijn grootste angsten overhoop.

Standaard
Op de bar

Ik voel me heel wat

Op mijn derde haalde ik mijn strikdiploma en ik voelde me heel wat. Ik mocht een veterschoen inkleuren als prijs en droeg mijn schoenen met trots. Dat schoenen met veters uit de mode zouden raken en dat ik daar pas achter kwam toen meisjes uit de klas me daar nuffig op wezen, had ik van te voren ook niet kunnen weten.

Vijf jaar later deed ik mijn eerste communie en ik voelde me heel wat. Ik droeg een jurkje met roze bloemetjes en was zo trots als een pauw toen ik mijn hostie kreeg. Dat dat ding bleef plakken aan mijn gehemelte nam ik voor lief. Dat ik twintig jaar later zes brieven moest sturen om me weer uit de katholieke gemeenschap te laten schrijven ook.

Rond mijn elfde maakten we het tuinhekje van ‘Gekke Nel’ kapot en ik voelde me heel wat. Ik was maar wat blij dat klasgenoten me mee namen om kattenkwaad uit te halen.
Nadat mijn vader gebeld werd, omdat de overbuurvrouw had gezien dat kinderen de boel sloopten en dat ik daarbij was, kreeg ik een week huisarrest.

Op mijn veertiende kuste ik met een jongen en ik voelde me heel wat, want hij was al achttien.
Dat hij meteen aan mijn borstjes wilde zitten en ik huilend naar huis ging omdat ik dat niet durfde, accepteerde ik. Ik had wel mooi met iemand gekust; dat kon ik toch maar mooi tegen vriendinnen zeggen. Ik hield het voor me, omdat ik niet zeker wist wie er op mijn avontuurtje zat te wachten.

Twee jaar later vroeg Judith of ik iets voor haar wilde bewaren; haar moeder zou razend worden als ze het zag. Ze drukte een busje pepperspray in mijn hand en ik voelde me heel wat. Als het populairste meisje van de klas me dit toe vertrouwde, móésten we wel vriendinnen zijn.
Ik stond er niet bij stil dat mijn moeder óók razend zou zijn, en al helemaal niet dat Judith het spul ook echt gebruikt zou hebben.
Achter beide dingen kwam ik pas toen de schooldirecteur belde dat ik onmiddellijk terug naar school moest komen, omdat ik bewijsmateriaal achter hield.

Op mijn achttiende danste ik voor het eerst op een bar en ik voelde me heel wat, maar dat kon ook door de drank komen. Van de rest van die avond weet ik weinig. De blauwe plekken die ik de dag daarna ontdekte, vertelden me dat ik beter niet op een bar kon gaan staan.

Toen ik 22 was kochten mijn vriend, wiens oma me steevast Wilma noemde, en ik samen een huis. Ik voelde me heel wat. Toen we anderhalf jaar later uit elkaar gingen, begreep ik dat zijn oma al die tijd gelijk had. Dat mijn naam het onthouden niet waard was, omdat ik toch weer zou vertrekken.

Drie jaar geleden zette ik mijn handtekening onder mijn diploma journalistiek en ik voelde me heel wat. Dat had ik toch maar mooi voor elkaar gebokst. Dat er in deze sector geen werk te vinden is en dat ik nu nog steeds telefoniste bij een witgoedbedrijf ben, had ik van tevoren niet verwacht.

Gisteren kocht ik voor het eerst in mijn leven met personeelskorting een strijkplank. Ik voelde me heel wat. Het kopen van een strijkplank stond voor mij synoniem aan het goed op orde hebben van een eigen huishouden.

Of ik hem ooit ga gebruiken, weet ik nog niet.

Standaard
Zeker en vast

Heen en weer weg

Nard trekt zijn muts van zijn hoofd en dept met een blauwwit geruite zakdoek het zweet.
‘Tabee, hè!’, roept hij en hij kijkt toe hoe de auto’s de rijplaat af rijden.
Wacht hij even? Twee over twaalf, wijst zijn horloge. Die afschuwelijke 1 mei staat tussen het midden van de wijzerplaat en de drie. Hij wacht altijd. Als hij nog koplampen zag naderen vanuit de polder, wachtte hij zeker. En als ze dan afsloegen in de laatste bocht voor de veerweg, had hij voor niets gewacht, maar dat gaf niet. Naar de overkant moest –ie toch, of dat nou om twaalf uur was of vijf minuutjes later. Hetty ging steevast om half tien naar bed, dus voor haar hoefde hij zich niet te haasten.

De wijzer passeert de vijf en hij jaagt de motor aan.

De maan staat hoog. De sterren begeleiden hem.
Natuurlijk had de krant gebeld, en de lokale televisiezender. Ze wilden er bij zijn. Maar hij had nee gezegd. Tegen allemaal. Zijn laatste vaart wil hij net zo min in de schijnwerpers staan als zijn hele 47 jaar lange werkzame leven. Praatjes met zijn klanten maakte hij wel; hij was graag onder de mensen. Maar hij wilde niet met zijn kop in de krant. Toch was er een artikeltje verschenen, dat hij afscheid nam. De redacteur had uitgerekend dat hij dit vaartje al ruim 800.000 keer gemaakt moest hebben.

Hij had het nog wel een miljoen keer willen doen.

De Maas kabbelt zover hij kijken kan. De pont maakt grovere slagen in de golven en even later klotsen ze tegen de oever. Het geluid van de nacht klinkt voor iedereen anders. Tramgerinkel voor stadse Amsterdammers, loeiende koeien voor melkveehouders, stampende muziek voor clubeigenaren, de zware adem van een slapende vrouw voor zorgelijke mannen.
Zíjn nachten klinken zoals nu, water tegen de maasoevers, het gakken van een aalscholver, een plons van een snoek die de weg kwijt is.

Een traan glijdt door de plooien van zijn gezicht. Wegvegen doet hij hem niet.

De oprijplaat schuurt over de veerstoep. Het gegil in de nacht, ook dát is zijn geluid.
Nard loopt zijn kantoortje in en zet de dieselmotor af. Stilte. Hij kijkt om zich heen, veegt nu toch een traan weg en sluit de boel af. ‘Tabee, hè’, mompelt hij.
Hij gooit de touwen overboord en loopt over de rijplaat. De touwen vist hij uit het water en bindt hij rond de palen die al langer dan 47 jaar op de veerstoep staan. Hoeft al lang niet meer, sinds alles gemoderniseerd is. Maar toch, zo heeft Nard het altijd gedaan en nu weet hij tenminste zeker dat de boot niet afdrijft.

Een nieuw geluid doorbreekt zijn nacht.

Eerst snapt hij niet waar het vandaan komt. Maar dan voelt hij het bijbehorende trillen in zijn borstzakje. Een smsje van Hetty, voor het eerst in 47 jaar.
‘Ik brn trits op je. Ik hou vsn je. Tot zo.’

Tot zover.

Standaard
Jheronimus Bosch

Papa wordt een standbeeld

Kijk, daar liggen wat brillen, zie je?’

Ik wijs tussen het puin van wat ooit de Pearle was. Rosa volgt mijn vinger en knikt, met haar duim in haar mond. Haar andere handje houd ik stevig vast en ik kijk naar het gebroken glas in lood. 850 euro kale huur was het appartement boven de Pearle en ik nam het niet. Te duur.
En te gammel, blijkt nu.

‘Wie is die meneer, mama?’

Rosa heeft zich omgedraaid en kijkt naar het standbeeld achter ons. ‘Dat is Jeroen Bosch. Heel lang geleden woonde hij hier aan de Markt en hij schilderde. Kijk, daar werkte hij.’ We lopen hand in hand naar De Kleine Winst. Rosa hinkelt over de keien van de Markt en kijkt op naar het gebouwtje met de groene gevel.

‘Wat schilderde die meneer?’

We gaan op een stoeprand zitten en ik pak mijn telefoon uit mijn tas. Op Google zoek ik naar schilderijen van Jeroen Bosch. Rosa haalt haar duim uit haar mond, kruipt op mijn schoot en pakt mijn telefoon uit mijn handen. Ik ruik de zoete geur van Woezel en Pip shampoo en adem extra in door mijn neus. Ze weet precies hoe ze een telefoon moet bedienen en swypet van afbeelding naar afbeelding.

‘Wat een gekke beestjes. Met gekke gezichtjes en gekke hoedjes.’

Ik glimlach. ‘Ja lief, meneer Bosch had een rijke fantasie.’ Ik vertel haar dat het dit jaar vijfhonderd jaar geleden is dat hij naar de hemel ging en ze kijkt omhoog. Ze vraagt hoeveel jaar vijfhonderd jaar is en ik zeg dat het ontelbaar veel jaren zijn. Ze vraagt of zij vijfhonderd jaar oud zal worden en ik zeg dat dat best kan. Dat je vijfhonderd jaar nadat je naar de hemel ging nog altijd door kunt leven, ook al schilder je gekke beestjes met gekke gezichtjes en gekke hoedjes.

‘Wordt papa ook een standbeeld?’

‘Hè? Omdat papa ook schildert, bedoel je?’
Ze knikt heftig en haar ogen schitteren, ik lach en druk mijn dochter dichter tegen me aan. ‘Maar papa schildert heel andere dingen. Die schildert huizen. Daar word je lang niet zo beroemd mee.’
Rosa valt stil en kijkt om zich heen, haar duim weer in haar mond. Ik kijk met haar mee, naar het gebouw dat er niet meer staat, wat na de verbouwing eigenlijk geschilderd zou worden.
Door mijn man.
Rosa draait een plukje haar rond haar vingers, zoals altijd als ze nadenkt. Haar lijfje groeit in mijn armen als ze diep inademt en krimpt weer in als ze haar adem met een zucht uitstoot.
‘Zo zeg, wat een diepe zucht.’

‘Ik wil naar huis’, zegt ze. ‘Een standbeeld knutselen van papa.’

Ze springt op, kijkt wijs naar me om, rent naar het standbeeld van Jheronimus Bosch en schopt er tegenaan.

‘Mijn papa schildert lekker veel beter dan jij!’

Standaard
Proper

15 dozen

Zou mijn leven in vijftien dozen passen?
Ze liggen opgevouwen op elkaar. Mijn huis is nog gewoon mijn huis, behalve dan dat er nu vijftien dozen in liggen.
Over precies een week is het mijn huis niet meer. Dan begin ik met het uitpakken van mijn leven in een piepklein appartementje in een veel leukere stad.
Heb ik hier veel herinneringen? Ja. En nee. Echt aarden deed ik hier niet, maar het was wel míjn huis, waar ik graag thúis was.

Zeven vuilniszakken kieper ik in de ondergrondse container. Troep die ik de vorige verhuizing al niet echt nodig had en die ik nu zeker niet meer mee neem. Ik dacht altijd dat ik maar twee stortingen per week had, maar ik kan gewoon keer op keer de bak openen met mijn pasje en er weer een zak rommel in gooien. Kleren die me niet meer passen, afstandsbediening en een dvdspeler, gekopieerde cd’tjes, een beeldje waarvan ik de emotionele waarde altijd veel groter achtte dan nu blijkt, minstens tien onbeschreven schrijfblokken en notitieboekjes, omdat ik het onzin vind dertig van die dingen mee te nemen. Het is toch een gesjouw.

’s Avonds zit ik op de bank en ik kijk naar een confronterend lege boekenkast. Mijn leven past niet in vijftien dozen en dat stelt me enigszins gerust; ik blijk spullen te hebben die ik graag met me meeneem. Hoewel het jammer is dat ik nog een stapel bij moet kopen en dan weer aan de slag moet. Inpakken is geen hol aan.
‘Een halve doos liefde is meer waard dan vijftien dozen vol spullen’, appt mijn vader en ik antwoordde dat elke doos nu voor de helft gevuld is met boeken en dat er dus in ieder geval vijftien halve dozen liefde zijn.

De laatste avond in mijn oude huis zit ik op de grond tegen de muur. Ik drink een wijn uit een plastic bekertje en staar naar de plek waar de boekenkast stond. Ik probeer wat te schrijven, speel een spelletje Candy Crush en loop de lege kastjes nog eens na. Haal er voor de vierde keer een poetsdoek door, want je moet iets als je niets hebt om naar te kijken. De Swiffer stang in de meterkast moet ik eigenlijk meenemen, maar ik doe de deur weer dicht en draai hem op slot.

Leegte is wat ik zie en voel. Hoe graag ik ook naar mijn nieuwe stad wilde, nu wil ik alleen maar alles afblazen en hier blijven zitten.
Ik pak mijn telefoon en app mijn verhuurmakelaar.
Om negen uur ’s morgens zal hij er zijn voor de sleuteloverdracht, antwoordt hij. Dat wist ik al, maar ik wil doen alsof ik het allemaal oh zo strak geregeld heb.

Klokslag negen uur staat hij er, en ik ook. We lopen samen door het huis, hij knikt en zegt dat ik het prima achtergelaten heb en dat ze de borg zo snel mogelijk zullen storten. Hij opent de deur van de meterkast, ziet mijn Swiffer staan, pakt hem en geeft hem aan mij. ‘Hier, niet vergeten’, zegt hij met een glimlach.
Ik sta buiten met een minder zware sleutelbos en breek de stang van de Swiffer doormidden voordat ik hem achter mijn vuilniszakken aan in de container prop.

In mijn nieuwe huis ligt vloerbedekking.

Standaard
Spelletjescafé

Stef Stuntpiloot

De poppetjes onder hem worden kleiner en dan weer groter, hangen op hun kop en krioelen door elkaar. Het geluksgevoel begint in zijn buik, borrelt omhoog naar zijn keel waar het even blijft steken en ontploft dan in zijn hoofd. Zijn eerste solo stuntvlucht, op een echte show nog wel.
De zenuwen die hij voelde toen hij instapte, hebben plaats gemaakt voor iets anders, iets veel groters.

Het vliegtuigje boven haar voert de gekste capriolen uit. Hij maakt loopings, boort de neus van de Pitts Special (die naam moest ze onthouden, had hij glunderend gezegd) lijnrecht naar beneden en de vleugels zwaaien het publiek toe in zijn volgende kunstje. Ze probeert figuren te ontdekken in de rookwolken die het vliegtuig achterlaat, maar ze weet ook wel dat dat gekkenwerk is. Kurkentrekkers moet ie maken. Kurkentrekkers en een looping. Net als in de python, maar dan volledig los van vaste grond.

In zijn hoofd probeert hij te benoemen wat hij voelt, maar er is toch niemand die hem hoort. Hij heeft genoeg aan zijn concentratie en het zien van de wereld onder hem. Hij weet dat hij minder moet kijken, dat hij op moet letten, maar hij kan het niet laten. Zij staat in het publiek en ze kijkt hoe hij frivool door de wereld boven haar snijdt. Ze had speciaal voor vandaag iets knalroze aangedaan, zodat hij haar misschien zou ontdekken. Wisten zij veel dat het zó druk zou zijn en dat het vandaag zou wemelen van de roze kledingstukken. Het maakt ook niet uit. Dit. Nu. Straks ziet hij haar weer.

Haar roze jasje ligt over haar arm. Het was tussen de massa te warm om het aan te houden en ze denkt dat hij haar toch niet in het oog zal krijgen. Dat wil ze ook niet; nu moet hij goed opletten en geen ongelukken maken. Ze verheugt zich op zijn stralende gezicht straks, en hoe hij over zijn woorden zal struikelen als hij vertelt hoe het was.
Het geluksgevoel begint in haar buik, borrelt omhoog naar haar keel waar het even blijft steken en ontploft dan in haar hoofd. Ze steekt in een opwelling haar hand omhoog en zwaait met haar roze jasje naar het vliegtuigje.

Het roze jasje wappert in zijn ooghoek. Hij kijkt en de lach die al telkens op zijn gezicht geplakt zat, begint nu echt pijn te doen. Hij probeert zijn spieren te ontspannen, maar het lukt hem niet. Lachen lijkt nu een onbewust proces, net als ademhalen.
‘Afronden’, klinkt het in zijn oortje en hij begint aan zijn laatste serie loopings. Hij stelt zich voor hoe de mensen onder hem klappen en joelen als hij wegvliegt.

Hij zet zijn laatste loopings in en zij wurmt zicht door de mensen naar de rand van het publiek. Ze staat op iemands voet en hoort een mompelend ‘kijk uit waar je loopt, het is voor iedereen druk hier’. Ze kijkt de mopperende man aan met een glimlach die inmiddels pijnlijk op haar gezicht rust.
Ze kijkt het veld in en ontdekt haar piloot. Hij snelt naar haar toe, neemt haar in haar armen en kust haar alsof hij haar nooit meer los wil laten.

‘Het was fantastisch’, stamelt hij.

‘Nee Stef, jíj bent fantastisch.’

Standaard
Handstand

Ik zie mezelf

Mijn ijsje smelt. Blauwe druppeltjes kruipen over mijn hand en laten een plakkerig spoor achter. Een bolletje smurfenijs en een bolletje bananenijs. Hoewel ik tegenwoordig meer van chocolade houd, koos ik toch voor de smaken uit mijn jeugd. Snel lik ik aan het hoorntje om de druppels op te vangen en een rilling trekt door mijn lijf als ik de ruwe structuur op mijn tong voel.

‘Je dissocieert’, had de psycholoog aan het eind van de vierde sessie tegen me gezegd. Ik vroeg wat dat betekende en ze vertelde dat gedachten of herinneringen tijdelijk buiten het bewustzijn worden geplaatst. Als een soort afweermechanisme. De onbewuste variant op mijn drang om confrontaties te vermijden.
‘Ik zie dat je het moeilijk vindt jeugdherinneringen terug te halen. Daar praten we binnenkort over verder. In de tussentijd wil ik dat je jezelf in situaties plaatst waar je je als kind veilig voelde.’

Ik staar in de etalage waar ik vroeger voor zat als mijn moeder de V&D aan de overkant binnen ging. Het voelde als uren, maar waarschijnlijk was het hooguit tien minuten. Geen enkele moeder vertrouwt haar kind uren aan een etalage toe.
Het warenhuis is nu dicht, achter het raam hangen briefjes waarop staat dat de winkel ‘wegens omstandigheden’ is gesloten. Maar ‘mijn’ etalage is er nog, en de draaiende vitrinekast met beeldjes van Swarovski kristal doet nog altijd haar werk. De verlichting van de ledlampjes weerkaatst in de kristallen en ze projecteren een dans van schitteringen.
Ik sluit mijn ogen en zie mezelf als kind op de stoep zitten. Hier was ik gelukkig. Deze winkel was mijn oplaadpunt. Die twinkeling van de kristallen op zaterdagmiddag, overstemden de zwarte hel van doordeweeks.

Omdat ik het raar vind om als 31-jarige vrouw op de grond voor de etalage naar ronddraaiende beeldjes te kijken, loop ik door naar het pleintje waar een bronzen Harlekijn vroeger zijn eeuwige handstand deed. Kinderen klommen er in, hingen aan zijn benen die de lucht in staken, probeerden te staan op het hoogste punt en werden dan teruggefloten door ouders die het gevaar zagen.
Ik stond er bij en keek er naar met zweet in mijn handen.
Nu is het beeld weg en ligt er een enorme fontein op het plein.

Ik onderdruk de neiging mijn schoenen uit te doen, mijn broekspijpen op te rollen en met de spelende kinderen mee te spetteren. Peinzend kijk ik naar het water en ik probeer me te herinneren of ik vroeger wel impulsief mee kon spelen met andere kinderen. Ik sluit mijn ogen en zie mezelf achter het raam thuis staan, kijkend naar mijn zus en nichtjes die spelen in de sneeuw. Mijn oudste nicht trekt haar wantje uit en wenkt me, maar ik schud nee en steek mijn duim in mijn mond.

‘Waar komt dat dissociëren vandaan?’, vroeg ik aan het begin van de vijfde sessie aan de psycholoog. ‘Dat kan van alles zijn’, zei ze. ‘Als het de hoofdmoot van een psychische stoornis is, dan noemen we dat een dissociatieve stoornis.’ Ze legde me uit dat het vaak voortkomt uit angst, waarop een vecht- of vluchtreactie volgt. Ze vertelt nog eens dat het een onbewuste vorm van vermijding is. ‘Vermijden doe je zelf, dissociëren doet je brein. Als vluchten of vechten geen optie is, onttrekken je hersenen zich aan de situatie.’
‘Maar het kan ook door vermoeidheid komen’, sloot ze haar verhaal af.

In de fontein staat een meisje alleen. Een meter verder speelt een groepje kinderen in het water. Ze kijken naar haar. Giechelen met elkaar. Een jongen loopt naar haar toe, trekt aan haar haar en duwt haar in het water. Het meisje blijft zitten en kijkt mijn kant op. Ik sluit mijn ogen en zie mezelf.
Ik denk aan alle keren dat vluchten wel degelijk een optie was, als ik mijn benen maar in beweging kreeg. Maar ondanks alles wilde ik graag bij ‘het groepje’ horen. Het groepje dat op de parkeerplaats van het postkantoor tegenover me stond en me uitschold. De klappen en trappen waren ook erg, maar die kon ik pareren door te dissociëren, realiseer ik me nu ik naar het meisje in de fontein kijk.
Dus ik bleef. En ik…

Ik besluit het op vermoeidheid te houden en de zesde sessie te cancellen.
De psycholoog vindt het onverstandig, zegt ze aan de telefoon. Ze heeft het idee eindelijk iets te bereiken, ze noemt het woord vermijdingsdrang voor de zoveelste keer en vraagt of ik niet toch wil komen morgenavond.
‘Ik zou niet weten waarom’, mompel ik tegen de fontein en ik wandel naar de pizzeria op de hoek, waar ik vroeger aan het eind van een dagje winkelen altijd vocht met onhandelbare gesmolten mozzarella op mijn pizza margherita. Dat kan ik nu wel aan.

Standaard