Factor 50

Het Talioprincipe

Het was de tweede dag aan het meer van Talio en de sfeer zat er weer ouderwets in bij meneer en mevrouw Zaaijer.

‘Toe, Ernst. Kom nou. Smeer me even in.’

Hij liet de krant zakken, keek naar zijn vrouw in bikini en walgde van de gedachte haar aan te moeten raken. Ze deed haar topje los en ging voor hem zitten, wat met haar MS nogal moeizaam ging.

Ernst bleef rustig zitten en las de Telegraaf van gisteren waar hij vandaag zes euro vijftig voor had betaald.

‘Het lijkt wel Jan, Jans en de Kinderen,’ mompelde hij.
‘Wat zei je?’ probeerde ze nog, maar ze wist dat het geen zin had.

En dus zat Hanneke zelf maar te hannesen met de zonnebrandolie. Haar armen gleden over haar schouders en toen ze zichzelf krampachtig omhelsde om de moeilijke plekjes te bereiken, zei hij:

‘Zullen we zo maar eens gaan, Han?’

Hij vouwde de krant op, klapte het strandstoeltje dubbel en deed zijn slippers aan.

‘Je doet het expres, he?’

Ernst ging onbezorgd door. Hij pakte de parasol en duwde met zijn voet de twee blikjes bier die hij had leeggedronken nog iets dieper het zand in. Toen pakte hij de koelbox en beende weg. Ze kon niet anders dan volgen.

Natuurlijk deed hij het expres. Zij dwarsboomde hem ook de hele dag. Ze zorgden ze er voor dat ieder boontje om zijn loontje kwam en vooral dat er steeds een nieuw erwtje werd geplant.
Ze waren ooit een steekspel begonnen en waren er niet meer mee opgehouden. Wie het eerste prikje had uitgedeeld, wisten ze allang niet meer.
Soms deed hij niks. Maar als er dan iets tegenzat, ging ze er wel vanuit dat hij het op zijn geweten had. En dan pakte ze hem weer terug. Zo ging het al jaren.

Terug in de camper ging Ernst onder de douche en zou Hanneke pannenkoeken bakken. Hij waste zijn edele delen grondig – je wist maar nooit wat er die avond bij de campingentertainment kon gebeuren. Net toen hij shampoo over zijn hoofdharen had verdeeld, werd het water koud.

‘Godgloeiende,’ riep hij. ‘Hanneke!’

Een vergelding, concludeerde hij. Hupsakee, de bal lag weer bij hem. Hij wilde de
douche uit stormen, maar gleed onderuit door de zeepresten op de antislipmat die op een vlonder in de douchebak lag. Hij had het zelf zo aangelegd, omdat Hanneke door haar ziekte veel problemen met haar evenwicht had, maar het vertikte om op het douchekrukje dat hij voor haar had gekocht te zitten.

‘Hanneke! Mijn been!’

Ze moest haast wel horen dat het serieus was. Ernst was er van overtuigd dat zijn been gebroken was en schommelde tussen bezit en verlies van zijn bewustzijn. Hij hoorde niks. Hij lag half onderuit in de krappe douchecabine met zijn been in een onnatuurlijke positie en probeerde te luisteren of Hanneke hem had gehoord. Maar hij hoorde niets. Geen schuifelende voetstappen, geen gelach. Ze kwam niet.

Hanneke had hem wel gehoord, maar ze was te ver weg. Ze was naar het campingwinkeltje gegaan om margarine te kopen, want ze wilde de pannenkoeken niet bakken in de zonnebloemolie die ze van thuis hadden meegebracht. Toen ze op de weg terug de schreeuw hoorde, was ze zo geschrokken dat ze begon te rennen. Maar op een verkeersdrempel struikelde ze, en dacht in haar val: wanneer heeft Ernst die drempel hier neergelegd? Maar die gekke gedachte maakte al gauw plaats voor het besef dat haar been gebroken was. Zo lag de bal weer bij haar.

Standaard
Gescheurd condoom

Achteruitgang

Ik zit in een café, alleen. Ik heb net een zwaar en donker biertje gekregen van de barman, die de tijd neemt zich als Karel de kastelein voor te stellen. Het is een rustig café.

Een mooie, donkere vrouw maakt haar entree door het rode gordijn dat de kou buiten moet houden. Ze heeft prachtige, lange benen en blote schouders die je wil behoeden van ooit gewicht te hoeven dragen.

Ze is hier vaker geweest, dat kun je zien. Ze twijfelt niet, voor zover we dat kunnen zien. We, dat zijn Karel, de man aan de gokkast en ik.

De gokker staat op om haar een kus op haar wang te geven. Ze laat het toe, dus ik ga ervan uit dat ze hem kent. Ik vraag me af of je een man een gokker mag noemen als je enkel weet dat hij op een avond munten in een automaat gooit.

De vrouw blaast een handkusje naar Karel de kastelein, hij heeft haar drankje al klaar staan. Er zit een kruk tussen die van de vrouw en de mijne. Ze vertelt aan de barman dat ze net kreeft heeft gegeten met een man, voor zover ik begrijp niet haar echtgenoot. Ik denk aan mijn eigen diner en dat niemand ooit zal weten dat ik vanavond groentesoep met stokbroodjes besmeerd met goedkope aioli at. Niemand weet ook maar iets van mij, zolang ik het ze niet vertel.

Dan begint ze te praten en ik schaam me voor mijn verbazing over haar perfecte Nederlands. Ze richt zich niet direct tot mij, maar wel precies zo dat ik me kan mengen in het gesprek. Een elegante vrouw die mijn aandacht wil, kom ik niet vaak tegen. Voor even vergeet ik dat ik alleen ben, voor even vergeet ik waarom.

Ze zegt haar naam, Nicole, en steekt haar elegante hand naar me uit. Ze vertelt openhartig over haar leven in Ghana, waar ze is opgegroeid en nog een huis heeft, maar haast nooit meer komt.

Nicole vertelt dat ze een sekstoerist is. Ik luister ademloos. Ze ziet het als een manier van leven, sekstoerist zijn is wat ze doet. Ze beschrijft al haar ervaringen op haar website, en er binnenkort komt wellicht een boek. Ze vraagt of ik daar bezwaar tegen heb. Ik zeg dat ik er niks op tegen heb als ze haar ervaringen in een boek vastlegt, dat ik het juist zou toejuichen. Dat bedoelt ze niet, zegt ze. Ik heb het warm, probeer de hals van mijn trui uit te rekken. Karel de kastelein vertelt ondertussen over het verband tussen de laatste keer dat hij seks heeft gehad, de leeftijd van zijn dochter en een gescheurd condoom. Ik vraag me af of Nicole me misschien mee naar haar thuisland wil nemen en denk: asjeblieft, neem me mee. Laten we verdwijnen door de achteruitgang, nu meteen.

Standaard
XTC

Dit is niet de Pijp

Het laatste dat ik mij herinner, is dat ik vier flesjes water bestel en ze een voor een over mijn hoofd heen leeggiet. Daarna val ik om en gaat het licht uit, of andersom. Het licht gaat weer aan als ik wakker word in een ander bed dan mijn eigen. Een ongeruststellende constatering, ondanks dat ik het hier goed ken.

Ik kijk door het raam naar buiten. Mijn hoofd verdoofd, blanco en nog compleet zonder vragen. Ik weet nog dat ik dacht dat het zo moest voelen om herboren te worden – opnieuw beginnen, zonder herinneringen, volledig leeg.

Nu ik een poosje voor het raam heb gestaan, komen de vragen tot mij en blijft enkel het lege gevoel over. Waar is bijvoorbeeld mijn fiets? En hoe ben ik hier terecht gekomen? Al snel, maar waarschijnlijk langzamer dan een ieder ander, besef ik dat naar buiten blijven turen geen antwoorden zal opleveren.

Heb ik mijn telefoon eigenlijk nog? Ik draai me langzaam om, als een sleutel in een slot waarvan niemand mag horen dat het geopend wordt, en bekijk de slaapkamer. Bloemetjesbehang, een miljoen kussens op haar bed en ha, nog steeds die poster. Wat ruikt het hier goor, trouwens. Ik hoor iemand iets zeggen over het planten van een knotwilg, als ik mijn spijkerbroek zie liggen. Ik kokhals, maar mijn telefoon zit gelukkig nog in de broekzak.

Honderdzevendertig berichten, één filmpje.

Ik zit met opgetrokken knieën op haar bank en breng trillend een mok naar mijn mond. De thee is veel te heet om te drinken, maar toch neem ik slurpend een slokje. De televisie staat aan, een commercieel programma over tuinieren vult de kamer met licht en geluid. Enkel de te kleine joggingbroek geeft me iets van comfort.

Ik kijk ademloos naar een hedendaagse Rob of Nico, die een knotwilg plant naast de vijver van twee hulpeloze mensen met een achterlijk grote tuin.
Mensen geven op hun eigen manier invulling aan dezelfde verschijnselen, denk ik. Een boom heeft niet dezelfde betekenis voor een boswachter, een houthakker of een dichter. De een waakt over de boom terwijl de ander hem wil omhakken, en een derde wil hem enkel beschrijven. Ze lacht naar me en ik weet precies wat die betekent. Medendogen. Ik denk aan de dag dat ik met haar het bos in trok en onze voorletters, onderbroken door een hartje, met een mes in een boom kerfde.

Gisteravond hadden de dingen na drie halfjes nog precies dezelfde betekenis als altijd, maar na de vierde en vijfde niet meer.

Als ik zeg dat ik een avond ga stappen, heeft dat voor mij een andere betekenis dan voor bijvoorbeeld mijn moeder. Zij denkt dat ik een biertje of vijf drink in een kroeg en hoopt dat ik een goed gesprek met iemand mag voeren. Maar zij zal straks, als het filmpje haar bereikt, weten dat ik in een keuken kruipend in mijn eigen kots mezelf heb besmeurd met truffelmayonaise, schreeuwend dat ik de burgemeester van Truffelgeur Square was en ik naar Piccalilly Circus wilde. Dat ik daarna mezelf heb bescheten, zonder dat ik het doorhad. Dat ik toen nog een keer gekotst heb. Dat ik daarna mijn ex-vriendin heb gebeld en haar huid vol heb gescholden met ziektes die zich daar voorgoed wilden nestelden, zo agressief was ik. Dat ik de straat op ben geduwd door mijn vrienden, die geen vat op mij kregen. Dat alle taxi’s weigerden mij naar mijn huis te brengen, terwijl ik constant ‘Dit is niet de Pijp’ riep. En daar houden de beelden op.

Ik neem een slok thee, het is nu te drinken. Ik ben benieuwd welke betekenis een ieder zal geven aan het filmpje. Maar vooral welke betekenis zij geeft aan mijn aanwezigheid. Ik had de foto van de boom namelijk wel gezien, op haar kamer. Maar een foto is slechts een foto, en een filmpje slechts een filmpje.

Standaard
Zwarte Piet

Drie stuiterballen

Het zijn zware tijden voor Zwarte Piet. Er is in feite dus eigenlijk niks veranderd.’
Zo begon de cabaretier zijn Sinterklaasconference en de meeste mensen in de zaal lachten. Wilma niet. Wilma voelde de bui al hangen, die linkse rakker ging hier gewoon een eeuwenoude traditie kapot maken. Belachelijk, want de kinderen. Denk toch in godsnaam aan de kinderen, dacht ze.

Ook Willem lachte niet, maar dat kwam omdat in de openingszin van de cabaretier ‘in feite’ en ‘eigenlijk’ volgens hem hetzelfde betekenden en er dus sprake was van een tautologie. Wilma en Willem zaten zuchtend naast elkaar en meenden verbintenis te voelen toen ze elkaars frustratie bemerkten. Na de volgende grap van de cabaretier deed Willem zijn hand in zijn zak, haalde drie stuiterballen eruit en rolde ze naar voren.

De middag voor de cabaretvoorstelling had Willem een sekslijn gebeld. Hij kreeg te maken met Savannah en hij had gevraagd of dat haar echte naam was, hoe naïef dat ook mocht zijn. Vanzelfsprekend zei ze van wel. Hij vroeg haar of ze zwart was en had daar direct spijt van. Het kon hem niets schelen, hij vroeg het vanwege haar naam, wilde haar geschiedenis kennen. Toen vroeg hij naar haar mening over Zwarte Piet en zei voordat ze kon antwoorden dat hij voor verandering was en citeerde Obama. Ze zei dat ze er niks over kon zeggen en dat begreep hij. Daarna vertelde hij haar dat hij zich de laatste tijd wat eenzaam voelde. Dat hij een gescheiden man met inhammen was. Dat hij van de psycholoog een manier moest vinden om zichzelf te kalmeren. Dat hij een spijkerbroek van een bekend merk had gekocht en naar Tame Impala had geluisterd. Maakte hem dat dan niet hip? Was hij nu geen frisse, volwassen man die bij de tijd was? Hij had zonder het zelf door te hebben Savannah steeds Erika genoemd, wat niet erg bleek te zijn. Toen hij had opgehangen, hijgde hij nog flink na.

Wilma was die ochtend in alle vroegte naar de supermarkt gegaan. Het was nog donker geweest toen ze op haar fiets stapte en toen ze vijf minuten later bij de Lidl aankwam nog. Aangezien ze op maandag al voor de hele week boodschappen in huis had gehaald, hoefde ze vandaag alleen maar de Sinterklaasinkopen te doen en dus trapte ze maar in enkele voordeelaanbiedingen op weg naar het snoepgoed. Daar aangekomen wond ze zich inwendig op over de kleur van de Pieten die ter decoratie in de winkel hingen, ze was een vrouw die moeilijk met verandering om kon gaan. Chocola is toch ook altijd donker, dacht ze, daar windt niemand zich over op. Ze legde twee kilozakken chocoladepepernoten en vijf chocoladeletters in haar kar, voor elk kind een.

Bij de kassa hoefde ze niet in de rij, een van de voordelen van het ochtendshoppen. Het met een hoofddoek getooide kassameisje scande de producten een voor een en Wilma keek ernaar met een gezicht alsof de boodschappen eerst door de varkensstront werden gehaald voordat ze die mee naar huis kreeg. Ze keek weg, om het tafereel niet aan te hoeven zien. Achter haar in de rij stond een man met enkel een netje stuiterballen in zijn mandje. Een gele, een groene en een met alle kleuren van de regenboog. Ze glimlachte naar hem. Uit ongemak, maar ook uit interesse. Wie ging er nou ’s ochtends vroeg naar de supermarkt voor een paar stuiterballen? Vast een Sinterklaascadeau. Een blanke man van haar leeftijd met kinderen. Prettige aandacht van deze man leek haar verre van uitgesloten.

De man glimlachte terug en kwam zelfs op haar af. Hij zei dat hij ze hem zijn brutaliteit moest vergeven, maar dat ze er fantastisch uitzag. Hij vroeg of ze zin had die avond om mee te gaan naar een Sinterklaasconference in de schouwburg, hij had een kaartje over. Dat hij haar bij het afscheid Erika had genoemd, had ze voor lief genomen.

Standaard
Amsterdams gebouw

Stilstaan (op de pont)

Elke dag ga ik met de pont naar mijn werk. Ik zie die pont als een gebouw en ik snap het als jij dat niet doet. Gebouwen staan doorgaans stil, en de pont beweegt zich voort: het is een van de duidelijkste verschillen. Maar soms beweegt de pont zo langzaam dat je nauwelijks het idee hebt dat hij beweegt. Vaak staat hij overigens wel stil, aan de waterkant. Net als ik.

De pont verschaft mij de tijd om stil te staan. Hij verplicht me stil te staan tot we in beweging komen, maar hij geeft me ook de tijd om stil te staan bij de tijdelijke bezetters van het gebouw. Naar sommige kort, naar andere langer. Als woon-werktrajecten gebouwen waren, ging ik van pand naar pand. En dan lekker naar binnen kijken.

Buiten de pont zie ik een vader en zijn zoon. Ze zitten op een ouderwetse fiets, een klassieke gazelle met dubbele stang. Ze lachen. De zoon uitbundiger dan zijn vader. Vader zit op het zadel, de jongen op het zitje op de stang. Vader laat zijn handen over het gezicht van zijn zoontje gaan: het ontroert me. Ik vul van alles in. De pont is een museum waar ik rond kan kijken en zelf bepaal wat ik van de stukken vind, en wat zij betekenen. Ik kijk naar de kunstwerken die mijn vluchtige medebewoners zijn. Twee vrouwen maken hun gezicht op. Voor me staat een vrouw in haar fiets. Ze heeft een zwarte spijkerbroek aan. De billen in de broek lijken precies op haar leren rugzak, met twee van die vakjes aan de zijkant. Ik heb geen idee van de inhoud van de tas, maar het vormt zich op precies dezelfde manier als het vlees van de billen in haar broek. Ik sta kort stil bij mijn constatering en besef dat die geenszins erotisch van aard is: ik kijk puur naar de overeenkomst tussen de vorm van haar lichaam en die van haar tas. Hierna ruik ik een natte hond, die ik niet zie. Twijfel even of ik het zelf ben.

Maar nee, mijn oog valt op een man met warrig haar en afwijkende kledij ten opzichte van de rest van de pontbezetters en denk: de pont is een gesticht. De man oreert, hij dicht, in een heerlijk Brits accent. Maar dan herken ik de tekst. Het ging zo:

Lying in my bed
I hear the clock – Tick – And,
I think of – you
Caught up
in circles, confusion
is nothing new
Flashback – warm nights,
Almost left behind?
Suitcases of memories,
Time
After time.

Ondanks dat ik weet dat het Cindy Laupers tekst is en niet de zijne ,raakt het me. Dan ga ik de pont af, morgen weer een dag.

Vandaag zie ik dezelfde man als gister, die van het zoontje op de stang. Zelfde tijdstip, zelfde pont, andere dag. Hij komt dit keer van de pont af en heeft geen zoontje bij zich, wel de fiets. Ik denk: hij heeft zijn zoontje net naar school gebracht, en zijn werk is aan deze kant van de pont. Ze waren gister wat laat of juist vandaag wat vroeg.
Waarom vul ik dit in? Hoe moeilijk is het om een tabula eens lekker rasa te laten?
Ik maak een spinnetje los van mijn stuur door zijn weblijn door te halen. Het is niet helemaal gelukt, want hij bungelt nog. Als ik definitief de verbinding met mijn fiets verbreek door het onzichtbare draad te grijpen, dwarrelt hij eerst nog even door de lucht om vervolgens op de grond neer te komen. Op weg naar een nieuwe plek. Ik heb meer het gevoel iets vóór hem te hebben gedaan, dan hem iets aan gedaan te hebben. Ik heb hem de tijd verschaft iets nieuws te ontdekken, in plaats van te settelen op het stuur van mijn fiets. Ik bedenk me dat ik weer aan het invullen ben. Wie ben ik om te bepalen wat goed is voor een spinnetje en zijn web?
Ik kijk op en weer om me heen. Als ik bijna uitgekeken ben, zie ik het onvermijdelijke gebouw opdoemen: kantoor.

Standaard
Kop-staartbotsing

Bretagne (2003)

Ken je dat, dat je iets heel lang doet en dan bang bent dat je er in blijft hangen? En dan bedoel ik niet blijven hangen in oud verdriet of een slepende relatie, maar onschuldigere, onbelangrijkere dingen. Het nadoen van een Brabants accent of je ooglid omklappen, bijvoorbeeld.

Het kan ook meer neurotisch van aard zijn. Dat je iets doet dat je steeds moet blijven doen, zoals stoeptegels tellen of alleen op de witte banen van een zebrapad staan of alle gele auto’s die je ziet bijhouden in een opschrijfboekje.

Zoiets had ik, dus. Ik had een tic opgelopen door ergens veel te lang mee door te gaan. Het begon onschuldig, maar ik kon er niet meer mee stoppen.
Ik draaide namelijk de letters van een samengesteld woord om en op een gegeven moment deed ik dat veel vaker dan ik liefhad. Het werd een aandoening.
Liepen we door het bos, riep ik ineens: ‘Pas op: stroombonk’. En hysterisch lachen dat ik deed! Mijn ouders werden gek van me. Later hebben ze me verteld dat ze de hele winter van 2002 oordoppen in hebben gehad. Dat was geen pretje, die tijd.

Het hoogtepunt van mijn aandoening kwam tijdens de vakantie in 2003, toen ik samen met mijn ouders naar Bretagne ging. Sommige sloegen nergens op, anderen waren sterk. Die vakantie heb ik in totaal honderdnegenenzeventig woordomdraaiingen gemaakt, waarvan ik uiteindelijk ‘woltegen’ een van de leukste vond – vlak voor de péage kwamen we namelijk langs een weiland vol schapen. ‘Moucheduntje’ vond ik het meest nietszeggend en ‘smuile veerpijp’ vond ik het minst plezierig. Wat waren de ouders van dat meisje onaardig geweest, zeg.

Toen we eerder teruggingen dan gepland, reden we op een Belgische snelweg. Mijn moeder was met de kaart in de weer, mijn vader reed. De radio stond aan, er kwam net een bericht voorbij over file in verband met een kop-staartbotsing ter hoogte van Luik.
Mijn moeder riep: ‘Kunnen we zo even stoppen? Ik kan de kaart zo niet goed lezen. Je moet er hier af, volgens mij.’
‘Stop-kaartbotsing,’ zei ik voor me uit.
Op dat moment gaf mijn vader een ruk aan het stuur, hoorde ik een klap aan de achterkant en werd ik door de auto geslingerd. We mankeerden niks, maar ik was wel van mijn zenuwtrekje af dankzij een aanrijding met Karma haarzelf.

Standaard
Erfenis

De erwten van Mendel

Mendel kwam net van de begrafenis van zijn vader die hij, ironisch genoeg, vervroegd had verlaten. Nu zat hij op een bankje in een park in Antwerpen. Hier voelde hij zich op zijn gemak, hier kwam hij vaker.

Het was vrijdagochtend, half twaalf. Hij was precies op tijd, al wist hij zelf nog van niks. Hij had niks dan zijn lege handen bewust bedachtzaam ineen gevouwen op zijn schoot.

Uit de binnenzak van zijn colbert haalde Mendel een pakje sigaretten en stak er een op. Een man in een paars met wit joggingpak kwam hijgend voorbij, iets verderop gooide een vrouw stukjes brood in het water. Een wandelende man had zijn zoontje op zijn nek. Mendel zat en rookte en wachtte tot de emotie zijn intrede deed, gepaard met herinneringen aan zijn vader. Maar dat bleef uit. Hij had nooit op de nek van zijn vader gezeten, al wist hij dat niet zeker. Ook andere momenten schoten hem niet te binnen. Geen memorabele voetbalpotjes op het veldje met de grote boom, geen voorgelezen verhalen over verzonnen kabouters of voor hem gewonnen prijzen in de schiettent op de kermis. Hij was volledig leeg.

Een man in een te groot zwart pak en met een slepend been liep het park in, Mendel zag hem al van ver. Hij stopte bij het bankje van Mendel, al wilde die zich het bankje volstrekt niet toe-eigenen: hij zat helemaal aan het uiteinde. Een klein duwtje en hij zou eraf vallen. Maar de man duwde hem niet, hij stelde hem een vraag.

‘Kunt u wat kleingeld missen?’

Mendel schudde zijn hoofd van niet en zei toen snel van wel, maar dat hij het niet bij zich had. De man vroeg daarna om een sigaret, die hij kreeg. Beide mannen opgelucht.

Een vrouw met een plastic bakje in haar handen kwam naast hem zitten.

‘Zo. Even uitrusten,’ zei ze voor zich uit, maar in de hoop dat Mendel erop zou reageren.

Hij wist niet goed wat hij ermee aan moest en vroeg maar wat er in het bakje zat.

‘Erwtenzaad. Ik heb verderop een moestuintje en ik ga zo zaaien. Loop je anders mee?’

Ze had zich inmiddels voorgesteld als Sarah en samen wandelden ze over het kronkelende pad van het park. Ze minderden vaart bij een groepje jongens waarbij het vier tegen één was. De jongens lummelden met zijn pet, lieten hem struikelen en spuugden hem in het haar. Mendel twijfelde of hij iets moest doen, maar zij haakte haar elleboog in die van hem, versnelde haar pas en daarmee de zijne.
Bij de moestuin bleef hij op een paar meter afstand, hij liet de vrouw haar gang gaan. Hij keek naar haar pluizende, donkere krullen. Naar een van hen los op haar lichtpaarse jas, naar haar afgetrapte kistjes.
‘Niemand weet wat leven is, alleen dat het gegeven is en dat van dit geheimenis God het begin en einde is,’ zei ze bij elke erwt die ze onder de grond stopte.
Mendel deed een stap naar voren, hurkte naast haar neer. Hij stopte zijn handen in de aarde en wroette. Hij zuchtte tevreden: hier voelde hij zich op zijn gemak, hier zou hij vaker komen.

Standaard