Zeker en vast

Een droom in het park

Dit is een verhaal over een droom die ik had terwijl ik in een park lag weg te doezelen. Ik vertel het vast vooraf, zodat je aan het eind niet denkt: ja, maar ho even, dat is lekker makkelijk zo.

In mijn dromen ga ik nooit dood. Soms droom ik nog over neuken, maar meestal gaan mijn dromen over angsten. Angsten in gemodelleerde werelden waarin ik op zoek moet naar mezelf, in willekeurige vormen. Soms moet ik een bal zoeken in een bos met agressieve honden, een vallende vrouw vangen op een steil pad met boosaardige reuzen of een bepaald geluid reproduceren in een doolhof vol geluiden. En soms droom ik dat ik alleen nog maar verwijzingen naar literaire grootmachten kan gebruiken. Allemaal dromen waarin ik op randjes balanceer.

In elke droom ben ik iemand anders, draag ik een ander masker en tijdens de zoektochten ervaar ik vooral de angst om erachter te komen dat er niets achter die maskers zit. Geruststellend zijn de woorden van Ilja Leonard Pfeijffer in het fantastische Brieven uit Genua, over Gerrit Komrij: ‘Ik begreep dat zich achter al zijn maskers niemand schuilhield omdat hij al zijn maskers waarlijk was.’

De geur van zonnebrand, barbecue en jonge honden raast over de grasvelden van het wijd uitgestrekte park. Allerlei soorten beest drentelen om elkaar heen en ik zit er op een kleed middenin. Reuen, wolven, mensen en teven, allemaal kiezen ze op hun eigen manier hun plek in het veld. Jagers en vissers, prooien en vissen.
Dierlijke instincten worden in het algemeen geassocieerd met de actieven, die direct op hun prooi afgaan. Met hen die niet denken, maar doen. Maar de beesten die rustig wachten, hun tijd berekenen, passief zijn zonder enkele negatieve connotatie, zij met het lange kijken, zij maken evengoed gebruik van hun instinct. Ze volgen hun driften van de natuur echter op zeer bedeesde wijze op.

Boven ons een aantal nietszeggende vogels en ik kijk wie er allemaal zijn. De vrouw met de verlopen tatoeage en het oranje broekje. De verkoper met de ijsfiets en de dreadlocks. Ouderen met de hoest op het bankje. Het zelfportretterende meisje met de doppen in haar oren. De gemeentewerkers met hoeden op hun hoofden. De twee honden, nat van de vijver, die om en om de haas spelen. De man met de grote pet en de djembé.
De knuffelende vader met de baby met een vissershoedje op. De man met het bijzondere boek dat ik nog moet lezen. De fietsers met hun figurantenrollen. De baby met de luier die moet worden verschoond. Ik lijk ze allemaal te kennen.

Terwijl ik wacht op mijn opdracht vraag ik mij kort af: tot welke leeftijd mag je andermans billen afvegen in het park? Stel ik had een incontinente vader – let wel, dit is een droom, deze voorstelling is volledig visueel voor mij – zou het worden geaccepteerd als ik hem van zijn vuil zou ontdoen? Als ik hem op zijn rug zou leggen, zijn benen omhoog zou houden en een nat doekje door zijn billen zou halen? Of zouden de passieve mensen over ons fluisteren en de actieve mensen mijn vader en mij van allerlei kanten filmen? En wat als ik gewoon iemands billen wil afvegen zonder dat daar enige vorm van incontinentie of noodzaak bij komt kijken?

Naarmate de zon zijn sterkte verliest, wordt de geur van zonnebrand en barbecue verruild voor die van wiet en drank. Ik kijk wie er nog over zijn. De vrouw met de verlopen tatoeage en het oranje broekje loopt net weg, de man met de grote pet pakt zijn djembé in en de fietsers met hun figurantenrollen hebben een veel minder sterke functie dan voorheen. Ik ben alleen aan het raken. De ruimte om mij heen wordt almaar donkerder. Er komt maar geen opdracht, ik hoef hier niks te doen. En net als ik op het punt sta te beseffen dat het mijn grootste angst is om helemaal geen droom te hebben, word ik volledig tevreden wakker.

Standaard
Jheronimus Bosch

Door de Duivel Aangeraakt in de Tuin der Lusten

Het was vrijdagochtend, elf uur en alle leerlingen van groep 5 en 6 van Christelijke basisschool De Hoeksteen zaten netjes in de banken voor de spreekbeurt van Patrick. Toen meester Falko zijn welgeoefende knikje had gegeven, kon Patrick van wal steken.

‘Hallo,’ begon hij voorzichtig. ‘Hallo, allemaal. Ik houd mijn spreekbeurt over Jeroen Bosch.’

Zijn vader, die achterin het klaslokaal stond, knikte stevig, de Sony handycam in zijn hand schudde mee. Het was bij wijze van hoge uitzondering dat ouders werden toegelaten tijdens boekbesprekingen of spreekbeurten, maar de vader van Patrick filmde nou eenmaal alle hoogtepunten van het leven van zijn jongste telg. Dat had hij bij Erika ook gedaan, en je moest eens zien hoe zij er nu voor stond. Ze had met een 8 of hoger het atheneum afgesloten, vervolgens het conservatorium geweigerd om voor een jaar naar Gambia te trekken om met kansarme kinderen te werken. Vrijwillig, welteverstaan.

‘Of nou ja, Jeroen – hij heet eigenlijk Jheronimus Bosch.’

Duim omhoog.

‘Hij was een schilder, van kunst, en is geboren in Den Bosch. Dat wordt ook wel ’s-Hertogenbosch genoemd.’

Na een aantal verhalen over de kunstschilder, zoals dat zijn bijnaam de Duivel was en dat een aantal werken die misschien niet door hem waren geschilderd, viel Patrick eventjes stil. Zijn vader zoomde in op het steeds roder wordende hoofd van zijn zoon. Het blaadje met aantekeningen trilde in Patricks hand.

‘Wij wonen zelf ook in Den Bosch. Dat is mijn papa, daar. Van hem ben ik op dit onderwerp gekomen.’

Patrick wees naar de man met de camera, die daarop zichzelf kort filmde. Papa liep niet weg voor het feit dat hij doorgaans een groot aandeel had in de hoogtepunten van zijn kroost.

‘Mama woont ook bij ons. Mijn zus heet Erika. Zij is naar Afrika, omdat ze niet meer bij papa wilde zijn.’

Papa lachte krampachtig en moest zijn evenwicht herstellen toen hij even wankelde. Hij keek naar de vloer alsof daar de oorzaak te vinden was en mikte zijn camera erop om die eventueel vast te leggen. Gedecideerd hield hij de handycam vast om in te zoomen op een sliertje puntenslijpsel.

‘Ze was boos op de avond voordat ze wegging. Ik vroeg waarom, maar ze wilde het niet zeggen. Toen ik haar Japie gaf, moest ze huilen. Japie is mijn knuffel. Ik vroeg weer waarom ze moest huilen en ze zei dat ik dat aan Papa moest vragen. Ik was erg verdrietig toen ze wegging.’

‘Ja, het is niet niks om op zo’n verre reis te gaan, kinderen,’ zei Papa. Het zweet stond hem op het voorhoofd en hij keek naar het raam om te kijken of het open kon. Hij zag een klas buitenspelen, meisjes rennend over het schoolplein, meisjes met elastieken tussen hun benen, meisjes in witte jurkjes die koppeltje duikelden aan het klimrek en hij probeerde zijn hand zo recht mogelijk te houden.

Papa werd afgeleid toen hij zijn zoon zijn keel hoorde schrapen. Patrick liep naar de gang om vervolgens de televisiekar het lokaal binnen te rijden.

‘Om mijn spreekbeurt af te sluiten, wil ik graag een video laten zien. Dit is voor jou, Erika.’

Papa herkende zijn eigen beelden. Erika, vrolijk dansend in haar pyjama door het beeld van zijn oude camera. Erika, water spattend in bad. Erika, naakt in de tuin. Erika die haar benen spreidt omdat haar vader erom vraagt. De kinderen keken met open ogen naar het televisiescherm en Papa legde dat vast. Een aantal kinderen begon te huilen, anderen gilden alleen. Meester Falko had de uitknop op de televisie gevonden en liep op Papa af.

‘We zijn allemaal obsceen, kinderen. Iedereen is obsceen. Toch? Als iedereen even toegeeft dat-ie obscene gedachten heeft die hij niet kan uitschakelen, kunnen we door. Ik stop niet met filmen. Ik loop niet weg voor mijn kronkels. Dit hoort erbij. Patrick, jij vuile rat. Dit is het leven, jij bent obsceen!’

De klas werd gesommeerd te blijven zitten, terwijl Falko Papa naar de gang begeleidde en hem mee naar het kamertje van directeur Posthuma nam. Daar werd een geheime deal gemaakt, waar niemand iets van mocht weten.

Standaard
Proper

Omdenken is een valstrik

Het is dinsdagavond en ik fiets van mijn werk naar huis. Het regent zachtjes. Ik heb een late dienst gehad en fiets zo snel mogelijk om nog een deel van de verlenging van de wedstrijd tussen Atletico Madrid en PSV mee te maken. Ik ben geen fan van PSV, integendeel, maar voor spannende momenten kun je mij altijd optrommelen. Ik snel door de Haarlemmerstraat en passeer meerdere cafés die de wedstrijd niet uitzenden. Ik zet aan, voor Centraal langs en ontwijk de toeristen net zo makkelijk als de regendruppels die uit de lucht komen vallen. Even denk ik na over welke constante stroom me het meest ergert en concludeer dat ze me eigenlijk allebei precies even weinig doen. De toerist heeft het erg zwaar te verduren in een stad als Amsterdam en ik wil niet meer te scharen zijn onder hen die zich zo overdreven opwinden over zijn aanwezigheid. Natuurlijk: toeristen zijn dom, stoned, goor en lopen doorgaans overal in de weg. Maar je kunt er voor kiezen om er om te lachen of om om te fietsen. Hoewel escapisme natuurlijk nooit een permanente oplossing is.

De regen heeft het ook zwaar te verduren in dit land en ligt voortdurend onder vuur. Ik heb nooit begrepen dat een volk na eeuwen van gematigd zeeklimaat nog steeds kan zeuren over de regen en wind die het met zich meebrengt. Waarom kunnen wij Nederlanders ons klimaat niet omarmen, laat staan accepteren? Escapisme is ook hier een tijdelijke oplossing. Na vakantie kom je toch altijd wel weer terug.
Ik stel mezelf nog een vraag: ergeren mensen zich echt aan toeristen en regen, of is het kankeren om het kankeren? Dan besluit ik dat ik hier geen zin in heb op de dinsdagavond op de fiets en dat iedereen lekker mag kankeren wat hij wil. Omdenken is een valstrik en ik trap door.

Ik kom langs een hotel aan de Prins Hendrikkade en zie dat in de lobby een televisiescherm hangt. Er beweegt van alles op een groene achtergrond. Voetbal, dus. Ik zet mijn fiets op slot, loop naar binnen en zie dat de penaltyserie al begonnen is. Binnen ruikt het naar afhaal.

Ik vraag aan de kale beveiliger achter de balie of ik even mee mag kijken. Hij knikt. We zijn met zijn tweeën in de lobby en kijken samen, hij vanachter de incheckbalie en ik vanaf de rand van de leren bank die recht tegenover het televisiescherm staat, hoe PSV-speler Davy Pröpper een aanloopt neemt.

‘Man van wedstrijd, Proper,’ zegt hij met een accent en als ik hem aankijk, knikt hij naar het scherm. Hij spreekt het uit alsof proper het nieuwe woord voor cool is.

‘Wil je drinken?’ vraagt hij. Zonder te antwoorden haalt hij een pakje jus d’orange van een Duits merk achter de balie vandaan en gooit het naar me toe. Ik stel geen vragen. Met een rietje in mijn mond zie ik hoe Narsingh de bal op de lat trapt en hoe een verliezende groep jongens afdruipt in de stromende Madrileense regen. Ik hoor een analist in de studio zeggen dat de knop om moet bij PSV. De Eredivisie wacht, ze moeten weer terug naar Nederland.
Samen met de beveiliger rook ik nog een sigaret op de stoep van het hotel. Buiten is het inmiddels droog, tot opluchting van de beveiliger.
‘Ik ben hier blijven hangen. Ik was toerist, nu hotellobbyist. Ik kan niet aan die regen wennen,’ zegt hij terwijl hij met twee vingers zijn peuk een plas in schiet.
Ik pak mijn fiets en ga op huis aan. Ik bel iedereen uit de weg, maar gelukkig is het droog.

Standaard
Spelletjescafé

Geduld

We hadden elkaar die avond pas ontmoet, maar een paar uur later zaten we op de bank in mijn woonkamer naar de boekenkast te staren. Zij had de pubquiz gewonnen en ik weet de zevende plaats van mijn team aan het feit dat ik teveel afgeleid was geweest door haar verschijning. Het was afgezaagd, dat wist ik, maar de hoeveelheid alcohol die we in café De Afleiding hadden genuttigd zorgde ervoor dat wat we precies zeiden, eigenlijk niet zoveel uitmaakte.

Ik had pas laat op de avond – alle vragen gesteld en de prijzen verdeeld – het lef gehad om haar aan te spreken. Ze was een stuk ouder dan ik en way out of my league, maar toch ging ik ervoor. Wat kon ik nog meer verliezen?
Dus nodigde ik haar uit voor een spelletje toepen; we misten een vierde man. Ze vroeg of ik de film had gezien, ik zei dat ik alleen het boek had gelezen. Toen schoof ze aan. Toepen kon ze niet, Patience was het enige kaartspel dat ze kende. Maar ze was bereid te leren en haar drie teamgenoten konden de rest van de avond wel alleen af.

Terwijl ze met een glas rode wijn in haar hand grondig de boeken die ik bezat, keurde en ik tegelijkertijd haar smaak, vertelde ze tussen neus en lippen door dat ze drie keer getrouwd was geweest. En ik was daar niet echt van geschrokken. Haar laatste huwelijk was pas net gestrand en de reden daarvoor hield ze in het midden, ondanks dat ik aandrong om veel meer te vertellen. Zo vaak nodigde ik niet iemand bij mij thuis uit, en, ik wilde weten met wie ik te maken had.

Ze vroeg wat het lastigste boek was dat ik ooit had gelezen.

‘Ik kan jou moeilijk lezen,’ zei ik.
‘Je weet niet eens in welke taal ik ben geschreven, jongen.’

Ze refereerde steeds aan mij als jongen, waarmee mijn onzekerheid zich begerig voedde. Brutaal pakte ze boeken uit de op alfabet gesorteerde kast en gooide ze op de grond als ze vond dat ze voldoende besproken waren. Toen ik vroeg of ze bezig was De Grote Drie stapels te creëren, zei ze:

‘Kan je niet wat muziek opzetten? Jullie generatie heeft toch SpotWi-Fi, of zo?’

Ze stak de draak met me, en ik speelde het spelletje mee. Ik pakte mijn telefoon en ik streamde als een volledig ingeburgerd bewoner van de Digitale Stad een nummer naar mijn luidsprekers. Verstand had ik niet van dit soort technische snufjes – zo jong was ik nou ook weer niet – maar voor haar deed ik al te graag alsof.

‘Zo, zo. Hippe jongen, hoor,’ zei ze toen ik met ogenschijnlijk gemak een modern slow-nummer ten gehore bracht.

Het idee van een stereotiep rollenspel tussen oudere vrouw en jonge god lag ons beide blijkbaar goed en het feit dat zij volledig de controle had, vond ik ook niet erg. Maar toen ik voor de derde keer haar glas had bijgevuld, was het wel genoeg geweest. Ik ging achter haar staan, onze gezichten op de boeken gericht. Ik schuifelde dichterbij, kuste haar oorlel. Ze draaide zich om, legde een vinger op mijn mond.

‘Moet jij niet nog naar een rave, of zo?’

Ik beantwoordde haar zonder woorden.

Het was nog donker toen ik in de vroege morgen ontwaakte en merkte dat ze alweer verdwenen was.

Standaard
Handstand

Klem

We zaten in het café aan het eind van onze straat. Dat deden we zo nu en dan. Als we eraan toe waren, maar meestal als we wisten dat het thuis uit de hand zou lopen. En dat Renske dan wakker zou worden. En dat er hier buitenstaanders waren om ons een beetje in toom te houden, was waarschijnlijk ook in ons voordeel.

Een liedje dat onderdeel was van een typische horeca-playlist op een dinsdagavond stond aan. We lachten erom hoe de tekst van de doorgaans door ons als afgezaagd bestempelde muziek ineens op onze situatie sloeg. Op dat soort momenten kon ik haar hand even aanraken zonder dat er nagedacht werd over wat dat precies voor consequenties had.

We waren er tot voor kort nog nooit geweest, terwijl we hier al drie jaar woonden. We hadden nooit echt de moeite genomen om de nieuwe buurt, die we wel al jaren onze buurt noemen, te verkennen.

De serveerster kwam. Uiteraard een vlotte, jonge meid met perfect blond haar en met borsten waar die horen te zitten. Mijn zucht merkte ze op – wat probeerde ik daar ook alweer mee te bereiken? – maar ik zat pas echt klem toen zij vroeg wat we wilden drinken.

Vroeger maakte het niet uit en kon ik zeggen wat ik wil. Ik was een man die lachte om het als grap bedoelde ‘zou je dat nou wel doen?’ Langzaamaan sloop de olijkheid eruit, waarna het van een gemeende opmerking naar een volledig routineus verwijt ging.

Als ik nu een biertje bestelde, kreeg ik iets naar mijn hoofd. Een zwiep, een opmerking of een asbak. Het een sloot het ander bovendien niet uit.

Als ik nu om een cola zou vragen, zou ze cynisch lachen. Want nu ineens wel, hè. Nu wel. En al het andere zou volledig gênant zijn; met een sinas, Fristi of Rivella raakte ik al mijn geloofwaardigheid kwijt. Ik koos voor een veilige route: we hadden thuis nog geen koffie gehad. Het likeurtje kon ik eventueel laten staan.

Het werkte: een vrij normaal gevoerd gesprek volgde. Althans, ik kon haar woorden vrij simpel pareren als was ik Edwin van de Sar in een winderige oefenwedstrijd in Hongarije. De wind kwam van voren, het regende pijpenstelen, maar toch zag ik elke bal aankomen. Bovendien kon ik bouwen op mijn verdedigers, ik wist precies wat ik aan ze had.

Het was echt de laatste keer geweest, zei ze. Ik lachte, van binnen. Ik hoefde mij dit keer niet in bochten te wringen.

Een man kwam het café binnen en vestigde de aandacht op zich door hard te roepen dat hij prachtige bloemen in de aanbieding had, als de doordringende geur die hij met zich meebracht hem niet al had verraden. Het was niet je typische rozenverkoper met een polaroid, maar een man met bosjes tulpen onder zijn arm. Toen hij langs ons tafeltje liep na enkel onsuccesvolle pogingen, liet hij zijn gebrekkige gebit zien en zei hij:

‘Soms is het de omgekeerde wereld, dan verkoop ik alles uit. Maar dat de wereld op zijn kop staat, maakt geen enkel verschil. Ik ben een gelukkig mens.’

Luid lachend verliet hij het café, ons achterlatend met een tulp.

Zij pakte haar jas, ik rekende af bij het knappe barmeisje en samen liepen we door de stromende regen naar huis. Voorzichtig pakte ik haar hand vast. Klem.

Standaard
Coole gastjes

Regenwormen

Ze gooien hun fietsen in het gras, duwen het veehek open en rennen over de drassige velden van de uiterwaarden. Twee schoolvrienden op vrijdagmiddag op weg naar hun geheime plek om wormen te vangen, het laatste uur hebben ze overgeslagen.

Sinds Koen vorig jaar bij Lieuwe in de straat is komen wonen, zijn ze een duo. Er zitten ook maar twee huizen tussen die van hen. Lieuwe woont op Witmonnikswei 8, Koen is van nummer 14.

De slootjes die ze om de veertig meter over moeten, omzeilen ze behendig. Ze weten precies hoe hard ze moeten springen, wanneer ze moeten afzetten. Het gaat in vloeiende bewegingen, ritmisch, tot aan de laatste sloot. Daar staan ze stil. Het is elke week hetzelfde bij de grote sloot, geen van beiden wil als eerste springen. Hij is net te breed om er makkelijk overheen te springen. Ze doen papier, steen, schaar om te bepalen wie als eerste moet. Lieuwe verliest, maar hij maalt daar niet om. Sterker nog, hij is blij dat hij kan laten zien dat hij dit moeiteloos kan. Na een flinke aanloop bereikt hij met gemak de overkant.

Nu Koen nog. Hij trekt zijn laarzen steviger aan en haalt een paar keer diep adem. Steeds maakt hij aanstalten om te springen, maar op het eind houdt hij in. Lieuwe zit aan de overkant te zuchten, terwijl Koen zichzelf probeert aan te moedigen.

‘Je aanloop moet twee keer zo groot zijn als de breedte van de sloot. Zoals je broer je heeft verteld,’ zegt hij voor zich uit.

Koen schat de afstand in en zet gedecideerd een paar passen achteruit.

‘Het lijkt wel alsof hij elke week breder wordt,’ zegt hij.

‘Net als ik,’ zegt Lieuwe terwijl hij een pose aanneemt die typerend is voor bodybuilders.

Koen bijt op zijn nagels, hij voelt zich nog ieliger dan onder de douche na de gymnastiekles. Hij merkt dat Lieuwe ongeduldig wordt, die roept dat hij op moet schieten. Hij doet nog een stap achteruit, voor de zekerheid, en zet het op een lopen. De modder glibbert onder zijn laarzen door en hij glijdt bijna uit, maar met zijn hakken nog net op het droge haalt hij de overkant. Juichend rent hij zijn vriend voorbij en gaat alsnog onderuit. Lachend duwt Lieuwe hem opnieuw naar de grond als hij overeind krabbelt. Ze doen altijd wie het eerst bij de plek was.

Aan deze kant van de grote sloot bestaat er geen haast. Ze leunen tegen de boom die ze als hun eigendom beschouwen en die dienst doet als hun clubhuis.
Ze proberen te fluiten op de eikeldopjes die over de grond verspreid liggen. De zon verdwijnt langzaam achter een wolk, maar het hindert Lieuwe niet. Hij is met zijn hoofd ergens anders.

‘Heb je ze gezien, bij gym?’ vraagt hij.

Koen schudt van niet en gooit een dopje richting een kuiltje in de grond, als was hij aan het knikkeren. Het dopje eindigt een paar meter naast de pot.
Natuurlijk heeft hij ze wel gezien, niet te missen in dat witte T-shirt tijdens basketbal. Hij kijkt weg, omhoog en ziet dat de donkere wolken zich boven hen samenpakken. Hij voelt de eerste spatjes al op zijn handen.

‘Kom, laten we gaan.’
‘Nee, mafkees. Nu komen de wormen juist naar boven!’

Lieuwe knielt neer in de modder, om de wormen die de ondergelopen tunnels ontvluchten te kunnen grijpen. Hij woelt als een volleerd goudzoeker met zijn handen door de aarde. Koen staat ernaast met zijn handen in zijn mouwen en zegt dat hij nu echt naar huis wil. Dan heeft Lieuwe beet. Hij klieft de worm die hij zojuist uit de modder heeft gevist met zijn tanden doormidden.

‘Gaat-ie nu dood?’
‘Ben je mal. Dat beest leeft gewoon door.’

Lieuwe gooit de twee wormdelen naar Koen, die wordt geholpen door een flits en het harde gebulder van de donder.

De jongens proberen nog te schuilen bij de boom, maar ze zijn al volledig doorweekt. Ze zetten het op een rennen en komen aan bij de grote sloot. Zonder om te kijken springt Lieuwe eroverheen en wacht niet op Koen, die is blijven staan.

Hij neemt een aanloop, trekt zijn volgelopen laarzen nog eens stevig aan. Steeds als hij bij de rand is om te springen, houdt hij in.

De sloot is weer breder geworden, denkt hij.

Dit herhaalt zich tot hij beseft dat er geen andere manier is. Hij moet springen. Hij gaat springen. Hij springt en hij haalt de overkant niet.
Bedekt met slierten kroos en modder kruipt hij aan wal. Huilend rent hij door de graslanden, over de eenvoudig te nemen slootjes naar het hek. Daar ligt alleen nog zijn fiets. Zachtjes vervloekt hij zijn beste vriend.

Als hij door zijn moeder onder de douche is gezet en hij zijn pyjama heeft aangetrokken, pakt hij een wormenboekje uit de kast. Hoewel er wormsoorten zijn die gewoon verder leven als ze in tweeën worden gehakt, de regenworm gaat dood, basta.

Standaard
Buurtcoach

Scherpte

Marco was zenuwachtig wakker geworden. Niet gek, vond hij, want vandaag was zijn eerste dag. Een uur voordat de wekker zou gaan stond hij al naast zijn bed. De poes wurmde haar lijf langs zijn benen, wat volgens hem twee dingen kon betekenen: een teken van affectie, of ze had behoefte aan eten.

In de badkamer keek hij via de spiegel naar zichzelf. Marco zag de oneffenheden op zijn lichaam, waarvan hij precies wist hoe ze er kwamen. Het litteken onder zijn linkeroog: hij was negen, een buurjongetje had op hem gevuurd met een Romeinse kaars. Geen baardgroei op een stukje van zijn kin: valpartij op straat, twaalf jaar. Voor de plekken op zijn schouders moest je bij zijn vader zijn.

Onder de douche vroeg Marco zich af wat de meeste mensen doen: eerst tanden poetsen, of eerst ontbijten. Zelf vond hij het prettig om eerst van de vieze smaak van de nacht af te komen. De eerste slok koffie was dan niet zo lekker, maar daarna ging het wel. En sinaasappelsap moest je mijden, wist hij.

Aan de ontbijttafel beet hij op zijn nagels. Hij had voor twee personen gedekt; Marieke zou zo ook wel willen ontbijten. Hij smeerde voor zichzelf een witte boterham met boter en pindakaas, maar liet die onberoerd. Het lukte hem niet om te eten, dus nam hij nog een kop koffie. Hij moest scherp zijn vandaag, hij mocht niks missen.

Hij keek naar haar, toen ze de keuken in kwam. Ze had een T-shirt van een rockband en een zwarte onderbroek aan. Zo een die haar niet onaantrekkelijk maakte, maar ook niet bepaald grote gevoelens van opwinding bij hem opriep. Ze droeg geen bh, dat wist hij, maar het viel hem eveneens op. Haar feitelijk niet tot rondingen te rekenen borsten leken als onevenredig groeiende bloemkolen door de stof van haar shirt te willen breken.
Ze strekte zich uit om een kom voor haar muesli te pakken. Hij hield zijn hoofd een beetje schuin, keek naar de contouren van haar vagina en dacht: daar moet een piemel in. Hij belegde twee boterhammen met pinda- en twee met smeerkaas, omwikkelde ze met aluminiumfolie en stopte het pakket in zijn jaszak.

Terwijl hij zijn fiets uit het schuurtje haalde, dacht Marco aan zijn vader. Dat hij ook altijd boterhammen mee naar zijn werk had genomen. Dat hij niet eens wist wat hij voor de kost had gedaan, alleen dat het niet veel had opgeleverd. Onderweg, fietsend, herinnerde Marco zich flarden van ruzies. Zijn moeder, schreeuwend dat iedereen een doel in het leven had. Dan het geluid, dan het gegil.
Marco trapte door. Hij vroeg zich af of hij trots op hem kon zijn, ergens. En andersom.

Bij de ingang van het buurthuis stond een aantal mannen. Zij droegen hetzelfde jack als Marco, dus dat moesten zijn nieuwe collega’s zijn. Marco gaf ze ieder een hand, zoals hij had geleerd. De mannen zelf tikten elkaars vuist aan.
Een man met HOOFDCOACH op zijn jas kwam aangelopen. Dat moet de hoofdcoach zijn, dacht Marco. De man liep op hem af en zei:

‘Jij moet de nieuwe zijn.’
‘Dat heeft u goed gezien. U heeft een erg scherp oog, meneer.’
‘Kom, we gaan naar binnen. We zijn haast te laat.’

Terwijl de hoofdcoach de deur voor hem openhield, keek Marco nog eens om. Een jongetje van een jaar of tien keek hem aan. Een grijs op zijn gezicht, een bal onder zijn arm. Zijn hoofd ietwat gebogen. Het jongetje pakte de bal met twee handen vast en deed alsof hij de bal naar Marco gooide. Marco struikelde over de drempel. Toen hij weer opkrabbelde, had hij niet door dat zijn in aluminiumfolie verpakte boterhammen uit zijn zak waren gevallen.

Standaard