Aardrijkskunde

Seizoen

De verandering van de seizoenen is een bijzonder langzaam proces. Sommige mensen zeggen dat ook van eb en vloed, maar echt; dat is heel iets anders.

Tussen de tijd dat de IJssel hoog staat en zo vlak is als een spiegel en het moment dat het water zakt en de blubberige rotsen aan de rand van de vaargeul tevoorschijn komen zit slechts een paar uur. Een dagje misschien. Soms wordt er geklaagd over een te lange dag. Een dag is niks. 24 uur. Waarvan, als je geluk hebt, je ook nog een uur of acht slaapt. En als je slaapt, dan voel je niks. Rust. 16 uur dus. Een dagje. Een dagje verdriet. Een dagje angst. Een dagje pijn. Een dagje wanhoop. Zo’n dagje zal voelen als een te lange dag, maar in werkelijkheid is het niks. 16 uur. Niet te vergelijken met de verandering van de seizoenen in ieder geval. Als je verdriet hebt in de winter, en in de lente nog steeds; dan ben je langer verdrietig dan 16 uur. Als de ijskoude regen op je hoofd hetzelfde voelt als de zon op je gezicht die tientallen verborgen sproeten tevoorschijn tovert; dan ben je langer verdrietig dan 16 uur. Het duurt even, voordat de zon de kracht heeft sproeten te maken. Maar als je goed oplet zie je precies wanneer het zover is. Het enige dat je moet doen is lang genoeg naar buiten kijken. Langer dan 16 uur. Als het gras om de dag gemaaid moet worden en er ontbeten kan worden in de zon, dan is het tijd.
Lente.
En als de lente niet helpt, dan moet je wachten. Langer dan 16 uur. En misschien brengt de zomer dan verlichting. Als de planten niet zonder hun dagelijkse gieter water kunnen en je zelfs na het douchen nog naar zonnebrand ruikt.

Standaard
Religie

Schietgebed

“Misschien was het u al opgevallen dat ik veel te lang niks van me heb laten horen. Sorry dat de laatste keer zo lang geleden was.

Maar u moet weten, ik heb niet stilgezeten en ben tot nieuwe inzichten gekomen. Love is nu my religion. Het is mijn ding, de liefde. Ik weet ook niet waarom ik dat nu pas zie. Loooove. De liefde is ongrijpbaar en in houd van ongrijpbare dingen. Van die dingen waar je zo lekker helemaal niks van snapt, waar je geen touw aan vast kunt knopen. Van die dingen die je niet kunt doorgronden. Je probeert het wel, maar het lukt toch nooit. Heerlijk, de liefde. Het maakt blij en het maakt boos. De liefde laat je huppelen en zingen, maar is net zo makkelijk hartstikke genadeloos. Dan laat ze je met je hoofd tegen het tafelblad bonken en is er nog maar ruimte voor één vraag: ‘waarom!?’ Ach, de liefde. U weet er vast alles van. Ik weet zeker dat er elke seconde van de dag tegen u aan wordt gekletst over dit onderwerp. Door mensen die dat tafelblad zat zijn en er een houten kop van krijgen of door mensen die zo blij zijn met hun geliefde dat ze doodsbang zijn voor wat er gaat komen. Want als je de liefde van je leven hebt gevonden en verschrikkelijk gelukkig bent, dan kan het toch niet lang duren tot er iets heel erg mis gaat? Zo werkt dat nou eenmaal vaak in de praktijk. U hoort niet vaak meer van mij en daarom wil ik u vandaag geen ingewikkelde vraag stellen over een moeilijk onderwerp. Vandaag heb ik slechts één simpele wens: ik wil huppelen en zingen. Bij voorbaat dank. Toedels en amen!”

Standaard
Vaders

Hier is alles anders

Ze ligt op haar zij, met haar been om een enorm, langwerpig, kussen geklemd. Vorige week heeft ze er een gezichtje op getekend.

Hij staart naar het plafond. Ze zijn allebei wakker. Zij laat daar niks van merken en heeft haar ogen dicht. Dat heeft hij ook even geprobeerd, maar het lukte hem niet. Er is te veel te zien.

In het plafond zitten grote scheuren – het risico van stucwerk – twee jaar geleden was alles nog strak. Ze wilden het in één keer goed doen, en glad gestucte plafonds mochten dus niet ontbreken. Hij denkt terug aan de dag dat ze hun handtekeningen onder het koopcontract hadden gezet. Die avond picknickten ze op vloer van hun nieuwe woning. Ze zaten voor de openhaard, aten pizza en dronken bubbels. Daarna zwierden ze door het huis. Muziek hadden ze niet nodig.

Destijds dacht hij nog dat hij het wel zou redden, in een buitenwijk. Nu bestudeert hij de scheuren in het plafond en is het stil. De hele straat lijkt in een diepe rust te verkeren. Hij hoort geen auto, geen fietsers. Zij kletst niet meer gezellig tegen hem aan. Hij hoort níks.

Hij mist het geluid van de veel te hard voorbij razende auto’s, waar hij zich altijd zo verschrikkelijk aan irriteerde. Hij hoort nooit meer een goederentrein het station binnen denderen. Hier ga je niet in je eentje op een terras zitten. Hier is alles anders. Hier is alles stil en de meest oorverdovende stilte komt van haar.

Ze is er nog wel, maar wie zij nu is heeft niks meer te maken met de vrouw waar hij zo van had gehouden. Dit is precies waar zijn vader hem jaren eerder – toen hij nog maar een klein ventje was – voor had gewaarschuwd. Terwijl ze over de Dappermarkt scharrelden had zijn vader hem opgedragen eens goed om zich heen te kijken. ‘Hier wil je toch nooit weg?’ had zijn vader gezegd. Hij moest hem beloven de stad nooit te verlaten. Want, zo zei zijn vader, dat zou alles veranderen.

Hij draait zich op zijn zij en wordt aangestaard door het getekende gezicht op de muur die tussen hun in ligt. Een muur die heel duidelijk aangeeft dat er een grens is en dat hij het niet moet wagen daar overheen te gaan.

De les die hij leerde op de Dappermarkt, die had hij serieus moeten nemen. Nu is hij is weg uit de stad en is alles veranderd. Hij vraagt zich af of dat ook is wat er tussen zijn ouders is gebeurd. Dat durfde hij destijds, daar op die markt, zijn vader niet te vragen.

Zij slaapt inmiddels. Dat weet hij zeker, want haar mond hangt een stukje open en haar been hangt nu ontspannen om de muur heen. Hij betrapt zichzelf erop dat hij met vertedering naar haar kijkt. Haar hand rust op de toeter van een buik die de afgelopen weken buitenproportioneel groot is geworden en ze heeft een zachte uitdrukking op haar gezicht.

Voor een moment wil hij zijn hand op haar buik leggen en voelen wat er daar binnen allemaal gebeurt. Maar dan is er de muur en de grens die niet overschreden mag worden.

Standaard
Verslaving

Vul mij

Een in het openbaar heftig knorrende buik heb ik altijd ervaren als een uitermate gênante gebeurtenis. Op de middelbare school kwam het wel eens voor, meestal tijdens een tentamen als het doodstil was in het hele lokaal. Verschrikkelijk. Om geknor en geborrel in mijn buik te voorkomen zorg ik tegenwoordig altijd dat ik goed gevuld ben. Tenminste, als ik de kans krijg.

De geur van een vers gebakken Turks brood met sesamzaadjes is magisch. Het kan binnen enkele minuten mijn hele huis vullen en zorgt voor water in mond lopende taferelen.

Het is zaterdagmiddag en ik zit aan mijn werktafel. Op de stoel tegenover mij ligt een plastic zak met daarin een Turks brood met sesamzaadjes. Het is half drie en dus als lang na lunchtijd. Op zaterdag lunch ik graag uitgebreid. Het brood besmeer ik dan met goede humus met extra veel knoflook en als voorafje eet ik dolma’s en groene olijven. Om dit alles weg te spoelen drink ik verse muntthee. Zonder honing. Mijn zaterdagen zijn tropische verassingen. Behalve vandaag.

Ik kijk opzij en de bilspleet die ik zie is zo in het oog springend dat hij met geen mogelijkheid te vermijden is. Als het die van mijn zusje was zou ik nu heel hard “BILSPLEETATLEET” roepen, maar het is die van mijn huisbaas.

Getimmer in mijn oor en de geur van Turks brood in mijn neus. Deze zaterdag is geen tropische verassing en ik ben absoluut niet content met de situatie. De dubbele deuren naar mijn balkon staan open en mijn appartement is gevuld met koude lucht. Hier kunnen mijn verwarmingen – die ik allemaal op de hoogste stand heb gezet onder luid geprotesteer van mijn huisbaas – niet tegenop boksen.

“Dat is één, dat is twee, dat is drie, dat is vier.” Hij telt mee met de klappen van de hamer. Vier keer timmeren is genoeg. Latje nummer drie hangt en op de achtergrond knort mijn buik.
De komst van mijn huisbaas gaat gepaard met een groot dilemma: is het onaardig om mijn tropische verrassingslunch te nuttigen terwijl hij en zijn bilspleet aan het zwoegen zijn mijn appartement tochtvrij te maken? Mijn Turkse brood met hem delen is geen optie. Geen denken aan.

Als mijn lunch kon praten zouden de olijven, de dolma’s en het heerlijk belegde brood nu schreeuwen “Eet ons! Eet ons! Het is al half drie, vergeet ons niet!” Als mijn buik kon praten zou de ruimte zich nu vullen met een oorverdovend gekrijs “VUL MIJ!”

Het laatste latje is bevestigd en mijn huisbaas treuzelt met het opruimen van de spijkers. Met zijn handen achter zijn hoofd staat hij uit te puffen. Er piept een stukje behaarde buik onder zijn polo uit. Ik neem wat ik zie in me op terwijl ik mijn thee – in een poging mezelf warm te houden – met grote slokken naar binnen slurp. Het delen van mijn brood is uit den boze, maar had ik hem eigenlijk een kop thee aan moeten bieden? Omdat ik toch nog iets aardigs wil zeggen wijs ik hem erop dat hij zijn figuurzaag niet moet vergeten.

Standaard
Zwangerschap

Monsters

“Heb je wel eens gezien hoe zo’n monster eruit komt?” Jasmijn steunt op haar ellenbogen en tuurt naar een vrouw die zich met grote moeite en zo voorzichtig mogelijk in het water laat zakken.

Even later drijft ze op haar rug voorbij en steekt er een behoorlijke bobbel boven het water uit. Drie bobbels eigenlijk.
“Een monster?” Eva weet niet zeker of Jasmijn doelt op de baby in de bobbel of op hoe de aanstaande moeder zich over een tijdje weer uit het water zal hijsen.
“Een baby, hoe een baby eruit komt.” Jasmijn heeft een maand geleden een broertje gekregen, een nakomeling, 12 jaar leeftijdsverschil. Ze slaapt al weken slecht door het gekrijs van ‘dat kleine monster’, zoals zij hem noemt.
Eva weet heel goed dat dit een gevoelig onderwerp is en probeert een zo neutraal mogelijk antwoord te geven. “Ik heb wel een keer een filmpje gezien van hoe teckel puppy’s geboren worden.”
“Waarom in godsnaam!?” Het antwoord van Eva was blijkbaar niet neutraal genoeg en jasmijn kijkt haar vol afschuw aan.
“Jasmijn, filmpjes van puppy’s zijn heel rustgevend. Filmpjes van teckels die aan het bevallen zijn ook. Het is zo lief! Geloof me, je wordt er helemaal rustig van. Misschien moet je het eens proberen. Wie weet helpt het.”
“Tegen wat?”
Eva beseft zich een fractie te laat dat het heel moeilijk wordt om zich hier nog uit te redden. “Nou, je snapt toch wel wat ik bedoel?”
“Nee…”
“Je doet de laatste tijd nogal anders.” Eva probeert het zo subtiel mogelijk te brengen. Dat is nodig bij Jasmijn. Dat was al zo voordat die baby er was, maar nu al helemaal. Jasmijn knijpt haar ogen tot kleine speeltjes en Eva weet wat er komen gaat. Ze focust zich op de zon, hoe lekker die voelt op haar huid. Op het spetteren van het water, het klinkt gezellig. Het is de eerste mooie middag in het zwembad. Het zou gezellig moeten zijn. Ze heeft zin in kleffe patatjes met een vleugje chloor.
“Anders!? Alsof jij niet anders zou doen! Nee hoor, jij kijkt gewoon naar filmpjes van teckels die liggen te bevallen.” Jasmijn is veranderd sinds ze heeft gezien hoe zo’n ‘monster’ eruit komt. Ze is nog niet uit getierd. “Die teckels, liggen die ook uren oorverdovend te schreeuwen? Wordt een teckelkut ook aan gort geknipt als het even niet zo lekker past? Heb je énig idee hoe dat eruit ziet?”
Eva vond het vanaf het begin al raar dat de moeder van Jasmijn erop stond dat Jasmijn erbij zou blijven. De hele tijd, van begin tot eind. Jasmijn wilde dat helemaal niet. Ze heeft niks met naakt. En nu is ze veranderd.
“Ik heb alleen maar filmpjes gezien waarbij het perfect paste. Misschien komen er bij teckels wel nooit scharen aan te pas.”
Jasmijn laat zich met een diepe zucht op haar rug vallen en bonkt met haar hoofd op de grond. Net iets te hard, maar daar laat ze niks van merken. Eva negeert het net zo hard en vraagt zich af of de mevrouw in het water wel voorbereid is op aan gort geknipte kutten.

Standaard
De laatste dag

Wat als

Het leek een tijdje goed te gaan, maar sinds een week of drie staan de zaken er weer heel anders voor. Haar dagen worden opgeslokt door een grote, alles verwoestende vraag.

Als klein meisje was ze al een denker geweest. Zo kon ze uren wakker liggen en malen over wat er zou gebeuren als haar ouders opeens dood zouden gaan. Na veel tranen en een paar glaasjes appelsap ging het dan meestal wel weer. Er is weinig veranderd. De vernietigende kracht van haar hersens is ze nog steeds niet meester geworden en of dat ooit nog gaat lukken is een vraag waar ze zich na jaren enigszins bij neer heeft kunnen leggen.

Ze liggen in bed. Zijn bed is net iets te klein voor twee personen. Zij had zich daar vanaf het begin al aan geërgerd, hij vond het juist wel gezellig. De veren prikken in haar rug en ze bestudeert de vochtvlekken op het plafond. Lekkage, een half jaar daarvoor. Ze hadden staan dansen in de regen en gestampt in de plassen. Haar hoofd rust op zijn arm. Ze weet dat over een paar minuten zijn hand gaat tintelen, maar hij had haar er al tijdens het begin van hun relatie van verzekerd dat hem dat helemaal niks uitmaakt. Zij was het tenslotte, die de tintelingen veroorzaakte. Zo is hij. Op de achtergrond klinken de geluiden van de stad. Fietsbellen rinkelen en auto’s razen voorbij. Zijn gordijnen zijn dicht, de felle zon die er doorheen schijnt verraadt dat het al lang middag is.

Hij wil graag naar Italië, vertelt hij. Samen in de auto en hoe lang ze dan over de reis zouden doen, nou dat maakt eigenlijk helemaal niet uit. Tentje in de kofferbak en samen op avontuur. De Amalfikust lijkt hem wel wat. Schijnt één van de mooiste kusten van de wereld te zijn en staat ook nog eens op de werelderfgoedlijst van unesco. Hij ziet ze al samen, met hun tenen in de zee, van borden pasta en flessen wijn genieten. Gewoon met z’n tweetjes. Want, zo zegt hij, meer dan ‘gewoon wij tweetjes’ heeft hij echt niet nodig.

Zijn knusse bed, het stampen in de plassen, de tintelingen in zijn hand en een reisje naar Italië: ze is zich er perfect van bewust dat ze hier iets bijzonders te pakken heeft. Dat ze al bijna acht maanden iets bijzonders te pakken heeft. Acht maanden, dat is al een hele poos. Ook daar is ze zich van bewust. En terwijl hij verder keuvelt over hoe ze komende zomer zullen kussen bij zonsondergang en dat hij eigenlijk echt wel een keer de liefde wil bedrijven op de achterbank van de auto staart zij naar de vochtvlekken op het plafond en denk ze na over ‘wat als’.

Want wat nou als hij negen maanden, misschien tien, wel lang genoeg vindt? Of wat als hij tijdens het boodschappen doen een veel leuker meisje tegenkomt? Of in de trein, dat kan ook. Hij zal niet de eerste zijn die verliefd wordt in de trein. Er zijn grote romances die ontstaan zijn in de trein. Wat als alles mis gaat? Wat als hij vertrekt? Dat zou veel te erg zijn. Dat zou veel te veel pijn doen. Ze zit helemaal niet te wachten op pijn!

Ze wurmt zich uit zijn net iets te kleine bed, rukt de gordijnen open en staart in de zon. Het is wel weer mooi geweest.

Standaard
Brieven

Speciaal voor jou

Officieel geloof ik niet in God. In wat voor God dan ook. Er zijn er zo veel. Soms zou ik het wel willen, dat ik geloofde.

Als ik zou geloven zou ik zeker zijn van het idee dat de hemel bestaat en dat jij het daar naar je zin hebt. Op de basisschool hadden ze het altijd over een paleis gemaakt van zonnebloemen, als ze over de hemel praatten. Ik zie geen paleis, geen regenbogen en geen eindeloze weides als ik aan de hemel denk. Als ik aan de hemel denk, denk ik aan jou.

Tot vier maanden geleden heb ik altijd het geluk en de luxe gehad niet te weten wat het is om iemand écht te missen. Tot vier maanden geleden wist ik niet hoe het was om in de ochtend al te weten dat iemand er die avond niet meer zou zijn. Ik wist nog niet hoe het was om de uren af te tellen. De hele dag heb ik om je heen gehangen en maakte ik foto’s van kleine details die ik niet wilde vergeten. Nog nooit ben ik zou geschrokken van het geluid van een naderende auto. Ze was een half uur en te vroeg, en een uur later was het over. 17:32.

De volgende dag voelde het alsof je uit logeren was. Al je spullen lagen nog steeds her en der verspreid door het huis, alsof je elk moment weer binnen zou waggelen. Laatst vond ik een tennisbal van je onder de bank. Ik heb hem laten liggen.

Je tuigje hangt er nog steeds. Net zoals je winterdekje. Soms begraaf ik mijn neus er in en probeer ik je te ruiken. Je geur is vervlogen. Het is pas vier maanden geleden maar ik ben vergeten hoe je rook en dat maakt me aan het huilen. Je brokjes staan nog steeds in de onderste la. Als ik met de bus schud tikken ze tegen het glas en is het net alsof jij er nog bent.

Lieve Roeschka, het is precies vier maanden geleden. Dit is de tweede keer dat ik over je schrijf en de kans dat jij de beroemdste teckel van Het Schrijversgenootschap wordt is aanzienlijk groot. Ik weet niet of er een hemel is. Maar ik hoop dat je er nog bent. Dat je bij me zit als ik geniet van de eerste voorjaarszon en dat je onder mijn stoel ligt tijdens het avondeten.

Standaard