Op de bar

Lang leve de medische zorg

Toen ik geboren moest worden, bleef ik zitten waar ik zat. Hoe hard mijn moeder ook perste en schreeuwde, ik kwam er niet uit. Zelfs de pomp bracht geen uitkomst. Het werd, derhalve, een keizersnee. Ik had geluk dat ik in een land ter wereld kwam waar de medische zorg uitstekend was.

Op m’n negende kreeg ik koorts. Het was uiteraard niet de eerste keer en alles wees erop dat dit gewoon een griepje was. Ik begon echter ook te hoesten en de koorts liep snel op. Tegen de tijd dat mijn ouders mij meenamen naar de eerste hulp en ik door een verpleegster getemperatuurd werd, had ik 41 graden koorts. In een rolstoel werd ik van hot naar her gebracht, onderzocht, uitgekleed, gescand en gecontroleerd. Longontsteking. Aan het eind van de dag mocht ik naar huis, met een forse dosis antibiotica in m’n lichaam.

Een paar dagen later kwam de uitslag van het bloedonderzoek en bleek ik ook hepatitis te hebben. Welke letter achter de hepatitis stond weet ik niet meer, maar het was wel zo erg dat m’n hele familie met mij aan de penicilline. Besmettelijk, schijnt. Ik herstelde in drie weken en ik had geluk dat ik kind mocht zijn in een land waar de medische zorg uitstekend was.

Halverwege m’n achttiende had ik buikpijn. Een drukkende pijn onder m’n navel, die snel uitbreidde naar de rechterkant. Blaasontsteking, dachten m’n ouders. Misschien een blindedarmontsteking? Er werd besloten het nog een dagje aan te kijken. De volgende ochtend kwam de huisarts, omdat ik inmiddels niet meer naar de dokter toe kon komen. Ze was er in vijf minuten uit: blindedarmontsteking. Acute appendicitis, zo noemde ze het. Ze belde een ambulance – onze auto was in gebruik – en enkele uren later werd ik geopereerd.

Vijf dagen lang werd ik in slaap gehouden. Twee keer werd m’n buik geopend en schoongespoeld, om het pus van de geperforeerde blindedarm weg te ruimen. Ik ontwikkelde bloedvergiftiging, hartritmestoornissen zelfs. Toen ik wakker werd kon ik m’n hoofd niet meer optillen van m’n kussen. M’n lichaam had zichzelf opgegeten in het gevecht tegen de ziekte.

Na vier weken mocht ik het ziekenhuis verlaten. Zo dun als een gevangene in een Nazi-concentratiekamp – een harde vergelijking die helaas wel naar waarheid is. Driekwart jaar later was ik weer zo’n beetje de oude. Ik mocht weer gaan studeren en ik had geluk dat ik mens mocht zijn in een land waar de medische zorg uitstekend was.

Nu ben ik 27. Volgens het ritme moet ik in dit levensjaar weer iets levensbedreigends krijgen. Ik heb daarvoor alvast één ding besloten: als ik de 28 haal, vier ik dat op de bar van een café. En dan mag ik straks geluk hebben dat ik dronken mag zijn in een land waar de medische zorg uitstekend is.

Standaard
Zeker en vast

Stotterende stamgast

De gasten in café De Nieuwe Arend aan de Bilderdijkstraat in Amsterdam keken wachtend voor zich uit. Ook Nick staarde wat naar de bordjes (‘Keep calm and have a good time’), slingers en vergeelde foto’s uit vroeger tijden. Naast hem zat Jan-Maarten, de kroegidioot. Op hem was het wachten. Elke dinsdagavond, zo rond de klok van tien, begon Jan-Maarten een betoog. Uit het niks, over niks, maar het was ondanks zijn gestotter iedere keer de moeite waard.

De klok boven de deur naar het toilet stond inmiddels op tien voor half elf. Jan-Maarten was laat en de stamgasten lieten dat inmiddels zien. Ze schoven over hun kruk heen en weer, bestelden nog een jonge jenever en gingen maar eens naar het toilet. Buiten reed een tram richting het Museumplein.

“S-s-s-s-s-soms…” begon Jan-Maarten, en de hoofden draaiden zich naar hem toe. Jan-Maarten wachtte even voor hij verder ging om de spanning een beetje op te bouwen. “S-s-s-s-s-s-s-s-s-soms is V-v-v-vlaams de mooiste taal op aarde. M-m-m-m-maar soms is die v-v-v-v-vervloekte taal nog lelijker dan station Brussel Zuid. Z-z-z-zijn jullie daar weleens geweest?”

De mannen knikten of schudden hun hoofd gehoorzaam. “M-m-m-maakt ook n-n-n-niet uit. W-w-w-aar het mij om gaat is dat een woord als ‘d-d-deklat’ duizend malen mooier is dan de lat die wij kennen. Maar als B-b-belgische voetbalcommentators praten over een mooie ‘match’ sterf ik een beetje.”

De mannen glimlachten. Ze wisten dat het Jan-Maarten, als hij eenmaal op gang was, z’n stotteren vanzelf vergat. Dan praatte hij zelfverzekerd en foutloos.

“‘Z-z-zeker en vast’”, ging Jan-Maarten verder, “geldt voor mij als een gekke tussenvorm. Mooi, omdat de Belgen een bij ons vaste uitdrukking prachtig hebben omgedraaid. Lelijk, omdat er helemaal niets mis is met ‘vast en zeker’ en je prima kunt argumenteren dat onze Nederlandse variant stukken beter van de tong rolt. Of n-n-n-niet soms?”

De vraag kwam er beschuldigend uit, en de mannen keken naar de grond of hun biertje. Ze knikten, beschaamd bijna.

“Nou, laat je me nu iets vertellen over Brussel. Toen ik er een tijdje terug een dag rondliep zag ik honderd miljoen Chinezen, het gruwelijk lelijke station en de afschuwelijke stad rondom het centrum. B-b-brussel is de lelijkste hoofdstad die ik ooit gezien heb. Tot even geleden.”

Jan-Maarten nam een slok van z’n doodgeslagen biertje. Sommige andere gasten vroegen met een opgeheven vinger om een nieuwe voor Jan-Maarten en zichzelf. De barvrouw deed haar werk zwijgend en geruisloos. Zelfs het afschuimen hoorde je niet. Er reed weer een tram langs. Iedereen wist waar Jan-Maarten naartoe ging.

“En dan krijg je zo’n aanslag. Terroristen doen boem op een vliegveld en in een metro. Het lelijkste van de mensheid maakt van zo’n ongehoord lelijke stad opeens iets anders. Lelijker dan Brussel; ik dacht niet dat het kon. Maar het k-k-k-k-k-k-k-kan. Dat is z-z-z-zeker en v-v-v-v-v-vast.”

Standaard
Jheronimus Bosch

Nomen est omen

Vanaf het moment dat hij haar voor het eerst zag had Harold uitgekeken naar dit moment: aangifte doen van een geboorte. En nu staat hij daar, in het moderne gemeentehuis van Almere, met zwetende handjes en de naam van zijn zoon opdreunend. Jheronimus Bosch, Jheronimus Bosch, Jheronimus Bosch.

Laura drukte hem van tevoren nog zo op het hart: “geef alsjeblieft een normale naam op, Harold!” Ze begrijpt er natuurlijk niets van, verward door hormonen en pijn. De zoon van Harold Bosch gaat Jheronimus heten. Bij de volgende gaat hij haar wel weer serieus nemen als ze suggesties als ‘Geert’, ‘Dylan’ en ‘Pieter-Jan’ doet. En dat weet ze ook. Maar ze bleef volhouden dat hun kind toch geen Jheronimus kon heten. Geen idee heeft ze, zo simpel is het.

Harold mocht naar het loket. Een slanke vrouw met kortpittig haar feliciteerde hem van harte met de geboorte van z’n zoon. Hij kreeg een formulier van haar en begon de benodigde woorden te vormen. Beginnend met z’n eigen naam.

Als je je voorstelt met ‘Harold Bosch’, dan gaan mensen er al bijna vanuit dat je een saaie baan hebt. En dus werd Harold accountant. Nomen est omen. Nomen est motherfucking omen. Jheronimus gaat een groot kunstenaar worden.

“En, hoe gaat onze nieuwe landgenoot heten?” vroeg de ambtenaar met een geamuseerde glimlach rond haar lippen.

“Jheronimus Bosch” antwoordde Harold.

“Oh, wat een ongewone naam, zeg!”

“Goed he!”

“Spelt u dat met met ‘H-I’?”

“Pardon?”

“Nu ja, gaat u voor een rechtstreekse kopie van de artiestennaam van ‘Hieronymus Bosch’ of vernoemt u naar de eigenlijke naam van deze prachtschilder ‘Jheronimus van Aken’?”

Op Harolds verzoek schrijft de ambtenaar de twee namen op een papiertje. Op het moment dat haar pen het papier verlaat, weet Harold dat hij zijn zoon niet ‘Hieronymus’ durft te noemen. Maar ja, Jheronimus Bosch slaat nergens meer op, nu hij veel te laat beseft dat dat nooit de naam is geweest van de grote kunstenaar. In z’n ooghoek dient een traan zich aan.

“Ach meneer, het spijt me. Laat u zich toch niet door mij beïnvloeden!” probeert de ambtenaar het nog goed te maken.

Harold ziet slechts het verloren leven van zijn pasgeboren zoon voorbij flitsen. Weg: opvallende basisschoolleerling. Weg: verlichtende puberteit. Weg: mislukte eerste studie die dieper inzicht brengt. Weg: overstap naar en glorie op de kunstacademie. Weg: de nederige kunstenaar die z’n eerste expositie opent en z’n trotse vader bedankt. Weg: de drugsverslaving. Weg: de comeback. Weg: het Jheronimus Bosch-museum in Almere.

Alles is weg.

Bedrukt vervolgt Harold zijn weg over het formulier, twijfelend en hakkelend schrijvend. Ondanks de uitsteltactieken helpen nauwelijks, want al gauw komt ‘voornaam kind’ in beeld. De pen hangt boven het papier. De aangediende traan rolt over z’n neus en valt op de ‘v’ in ‘voornaam’. Dan schrijft Harold de naam van zijn zoon op: Jan.

Standaard
Proper

Verzekeren jullie ook geslachtsdelen?

Nooit geweten dat jij zo groot was.”
Het was de tweede keer in 24 uur dat ik dat hoorde, al kwam het deze keer van twee jongemannen. Ik was bij een schoolreünie, en was van het ooit zo dunne knulletje getransformeerd tot breedgeschouderde macho.

“That’s what she said”, zei ik. Ze lachten. Onnodig, vond ik, dus ik legde uit hoe het echt zat: “Nee, echt! Ik heb vannacht met twee bitches liggen rotzooien en ze vonden dat mijn pik nogal groot was, dus dat zeiden ze.” M’n oud-klasgenoten werden stil, dus ik ging verder. “Ik kende ze al wat langer, en klaarblijkelijk hebben ze altijd gedacht dat ik minder bedeeld was. Nou, die kwamen van een koude kermis thuis! Hahaha!”
Nu lachten ze om het juiste. Maar niet al te enthousiast, dus ik deed er nog maar een schepje bovenop.

“Al hoor ik dat vaker, hoor. Ik ben nu eenmaal bijzonder groot geschapen. Mijn boxers zijn bijvoorbeeld XXL, anders word ik echt gek. En soms kan ik niet slapen omdat-ie in de weg ligt. Willen jullie ‘m zien?”
Het bleef stil. Ha!
“HAHAHAHA! Jullie hadden jullie gezichten moeten zien man! Hahaha! Nou, man, wat zijn jullie een watjes geworden, zeg! Vertel, hoe is-ie?”

Er volgde een gesprek over hun bezigheden. Niks aan natuurlijk. Eentje was gelovig geworden, een ander zat in de verzekeringen. Ik maakte wat goeie grappen, zoals “Ha, dus jij neukt nooit zeker!” en “Verzeker je ook geslachtsdelen? Want deze jongen is er niet bepaald voorzichtig mee!” maar de zaak bleef toch een beetje, hoe zeg je dat, ‘koud’. Ze hadden duidelijk wat moeite om los te komen. En omdat ik de beroerdste niet ben besloot ik ze een handje te helpen.

“Heb ik jullie trouwens wel eens verteld dat ik die Rosalie, met die dikke jopen, echt keihard gedaan heb? Ja, echt, toen na het V6-feest in Cafe De Kleine Humorist. Man man man, wat een nacht was dat. Helemaal rauw. Goeie tetten, maar echt tepels als salamischijven. Doe je verder niks aan, maar ach, het is vlees he. En ik ben de beroerdste niet! Haha!”
De verzekeringsjongen was inmiddels nogal pips geworden. Dat zei ik ook: “Man, wat ben je wit! Je hebt zeker nooit seks? Proper mannetje ben je. Was je toen ook al, dus ik snap ’t wel.”

Even later werd duidelijk dat diezelfde vent met Rosalie getrouwd was. Tja, dat had ik ook niet kunnen weten natuurlijk. En dat ze toen ook al een relatie hadden wist niemand. Behalve die gelovige dan, ja, maar fuck it, ik had geen idee. Dus dat zei ik ook: “Ach, man, je hebt gewoon wel een lekker wijf te pakken! Goeie jopen toch? Nou dan! Wat maakt het dan uit? Zeg, ik moet weer gaan. Heb nog een date zo meteen, en ik moet m’n pik nog wassen. Doe de groeten aan Rosalie! Als je haar zat bent stuur je haar maar naar mij! Hahaha! Nou, de groeten he! Doei!”

Blij dat ik daar vanaf was liep ik naar m’n BMW. Wat een losers.

Standaard
Spelletjescafé

Een boompje klaverjassen met Harry en zijn vrienden

Ik speel”, zei Harry toen hij de klaver boer en een klaver zeven ontwaarde tussen zijn kaarten. Julia, Coby en Ernst slaakten een simultane zucht. Dit was het eerste potje klaverjas van hun dertiende jaar als spelletjeskwartet en direct begon het hele feest weer opnieuw. Harry was zo iemand die overal op speelde, vijftig procent van de tijd won en dat dus als succesvol bestempelde. Dat ze daardoor elke avond afwisselden wie er deze keer met Harry moest spelen (Julia was deze keer aan de beurt) vond Harry zelf helemaal geen probleem. Het interesseerde hem geen zier dat hij zo nu en dan een keertje nat ging. Hij vond het gewoon veel te mooi om met flutkaarten te spelen en te winnen dan constant te passen en te wachten op die ene, briljante hand met de perfecte troefkaart.

Die mentaliteit was er ook de oorzaak van dat Harry een tattoo van het gezicht van een geile Paul de Leeuw op z’n rug had, dankzij een verloren weddenschap. En dat iedereen in Elspeet die tattoo weleens had gezien, want Harry was de beroerdste niet. Nooit geweest overigens.

Harry kwam uit met de klaver zeven. Natuurlijk niet met de boer, dat zou te makkelijk zijn. Nee, eerst trekken, daarna pakken, dat was het motto. Gedwee legden zijn medespelers hun kaarten op, Julia verloor haar klaver aas aan de nel van Ernst. Harry lachte hardop en vroeg nog een pilsje aan de barvrouw. Het zou de achtste van die avond worden, want hij had al even ingedronken. “Thuis voor de buis, hoor, niks geks!” stelde hij zijn medespelers daarover gerust. Coby rolde met haar ogen, ze wist dat hij vanaf het tiende biertje pas echt van de pot gerukt zou worden. Dan ging Harry spelen zonder op z’n kaarten te kijken, geïnspireerd op bluffende pokeraars en tv-camera’s die er nooit waren.

De rest van de slagen moest Harry volgen. Met lede ogen zag hij aan hoe slag na slag naar zijn tegenstanders ging. De laatste slag van het setje kon hij met z’n inmiddels nutteloze klaver boer pakken. Het leverde hem tien extra punten op, maar ook dat kon niet voorkomen dat hij enorm nat ging.

Julia was aan de beurt om te schudden, maar ze liet de kaarten voor zich liggen en deed haar armen over elkaar. “Ik doe het niet meer.”
“Wat niet?” vroeg Harry.
“Spelen met jou. Ik ben die spelletjes spuugzat. Spuugzat!” Haar woorden werden versterkt door enkele druppeltjes speeksel die over de tafel vlogen.

Enkele minuten later stond Harry buiten een sigaretje te draaien met een grote rode vlek op z’n wang. “Vies kutwijf” mompelde hij in zichzelf terwijl hij, de sigaret inmiddels tussen z’n vingers, nog wat van Julia’s rode lokken onder z’n nagels vandaan pulkte. Het ambulancepersoneel was inmiddels gearriveerd en rende het café weer in. Ook Harry draaide hij zich om en liep terug naar binnen. De sigaret smeet hij ongerookt weg.

“Zullen we dan nog maar een boompje doen, jongens?” vroeg Harry monter aan iedereen in het café. Coby, Ernst, de barvrouw, het ambulancepersoneel en de andere gasten keken hem aan. Julia kwam omhoog van de brancard, de nekbrace die ze om had kleurde leuk bij haar nagellak.
“Dan speel ik deze keer wel met Ernst”, opperde Harry erbij.
“Leuk”, kreunde Julia.

Standaard
Handstand

Een stevige hand

M’n opa, m’n opa, m’n opa.
In heel Europa is er niemand zoals jij.

We zongen het al in de auto, op weg naar opa en oma om daar de herfstvakantie te logeren. Oma deed de deur open, Saartje, de kat, zat in een doos in de woonkamer en opa was in z’n schuurtje aan het knutselen.

“Dag jonge Jan.”
“Dag ouwe Jan!”

Zijn grote knuist sloot zich om mijn handje. Ik snoof de geur van hout en zaagsel op en keek door het achterste raampje naar de hazelaar. Alles was zoals het was.

’s Ochtends kwam ik beneden voor het ontbijt en zag opa in z’n grote witte ochtendjas al aan de tafel zitten. Z’n borsthaar genoot mee van de vrije ochtend.

Met een eiersnijder sneed opa een tomaat in plakjes, waarvan hij de helft aan mij gaf. Ze gingen op brood, ik mocht er wat suiker bij doen. Aan het einde van de maaltijd kauwde opa tevreden op z’n als toetje dienstdoende roggebrood.

Zondagmiddag deed oma een dutje en nam opa ons mee naar de kinderboerderij. Een van ons had een zak met oud brood voor de eendjes, een ander verzamelde pauwenveren, en opa sloeg het grote varken met vlakke hand op de bil. Hij lachte erbij en zei: “Zie je, voelt-ie niks van.”

Toen we ontelbare keren Dikkertje Dap hadden geluisterd en de week voorbij was gevlogen, namen we afscheid bij de voordeur. Van oma kregen we drie zoenen. Opa gaf een stevige hand.

“Dag jonge Jan.”
“Dag ouwe Jan.”

Opa stond aan m’n bed. Een blindedarmontsteking had me bijna te pakken gehad, maar zoals het er nu naar uitzag ging ik het halen.

Hij omhelsde mijn moeder en ging zitten. Ze voerden een gesprek. Ik was er ook. Hij zal me gevraagd hebben hoe het met me ging, hoe ik me voelde, zoiets. Ik weet het fijne er niet meer van, was alleen maar blij dat opa er was. Toen hij wegging gaf hij me een hand. Zijn hand als een kolenschop, en de mijne als een bosje twijgjes, een hand waar al het vet uit verdwenen was.

“Dag jonge Jan.”
“Dag ouwe Jan.”

Ik stond aan zijn bed. Hij ademde zwaar, z’n handen klemden rubberen buisjes vast, die moesten voorkomen dat z’n nagels in z’n handpalmen zouden snijden. Ik vroeg hem hoe hij deze dagen beleefde en hij zei: “Ik heb niet zoveel te koop.” Ik lachte, herkende het gevoel.

We namen afscheid. Met moeite tilde hij zijn verkrampte hand op. De mijne paste er maar net in.

“Dag jonge Jan.”
“Dag ouwe Jan.”

In heel Europa was er niemand zoals jij.

Standaard
Coole gastjes

De Champions League-finale van 1995

Ik was zes en iedereen op school had het al twee weken over de wedstrijd. De stoere jongens hadden de halve finale ook al gezien en de finale gingen ze dus zeker ook bekijken. En daar stond ik dan, met mijn vaste en volgens mijn moeder zeer schappelijke bedtijd van acht uur.

Tijdens het avondeten, de zaterdag voor de wedstrijd besloot ik mijn zaak uit de doeken te doen. Alle jongens mochten gaan kijken, en daarnaast was dit een ongelooflijk belangrijk moment voor het Nederlandse voetbal. Zoiets zal ik gezegd hebben. Mijn vader, een echte voetbalfan die ik hoorde schreeuwen en joelen tijdens de halve finale, luisterde glimlachend. Toen vertelde papa dat hij moest werken, de avond van de finale. En mama zei dat de het wel erg laat vond worden. Ik betoogde verder, dat ik de wedstrijd prima met mama kon bekijken en dat ik echt niet op school kon komen zonder de wedstrijd gezien te hebben. Ze zouden me zien aankomen!

En het mocht. Ik ging AC Milan – Ajax kijken!

Dinsdag ging ik extra vroeg naar bed, zodat ik genoeg energie zou hebben. De volgende dag ging het op school nergens anders over. Tijdens het voetballen op het plein waren we allemaal de spelers van Ajax, en we juichten alsof we de finale ter plekke wonnen.

Mama had de wedstrijd goed voorbereid. Ik mocht op de bank, recht voor de televisie. Zij zat op de stoel ernaast. Er was chips en cola. Papa belde nog even van tevoren en wenste ons een fijne wedstrijd. “Veel plezier, knul.”

Het was half negen en de wedstrijd begon, en ik zat op het puntje van de bank. Mama, die helemaal niet van voetbal houdt, keek mee voor de vorm. Na een kwartiertje ging ze naar de keuken en kwam terug met een verse milkshake van aardbeien, banaan en ijs. Er was ondertussen niks gebeurd op het veld, dus ik nam de heerlijkheid met grote dankbaarheid aan. Ik begreep heel goed dat ze die speciaal voor deze gelegenheid gemaakt had. Sterker nog: het was de eerste en enige keer in mijn leven dat mijn moeder een milkshake maakte.

Wellicht hierom: mijn zesjarige lichaampje vond de milkshake vooral erg koud. M’n hoofd was zo koud dat het zeer deed en m’n slokdarm voelde aan als een ijslolly. Ik wou het niet, maar uiteindelijk gaf ik het op: half opgedronken ging de milkshake terug naar mijn moeder. Ze glimlachte, en zag dat ik al moeite had m’n ogen op te houden.

45 minuten lang gebeurde er weinig op het veld. Ik miste het enthousiasme van mijn vader. Hij schreeuwde altijd van alles, en dat werkte aanstekelijk. Zelf, moest ik bekennen, vond ik het voetbal eigenlijk weinig aan.

Het was rust.

Mijn moeder stelde voor om maar gewoon naar bed te gaan en ik vond het goed. Later die avond maakte Patrick Kluivert in de 85e minuut de goal die Ajax de laatste Nederlandse Champions League-winnaar maakte.

Op het schoolplein was daarna iedereen Patrick Kluivert. Behalve ik.

Standaard