Jheronimus Bosch

Magisch realisme

Vier schilderijen loopt hij inmiddels achter. Bij de eerste paar werken had hij nog geprobeerd haar tempo bij te houden, maar het was niet te doen. Er is zoveel te zien, zoveel te ontdekken, zoveel om over na te denken.

Hij had haar laten gaan en nu kijkt hij al een minuut of tien in z’n eentje naar een replica van het Heremieten-drieluik. Op het kaartje ernaast had hij gelezen: ‘Jheronimus Bosch laat hier drie belangrijke vroegchristelijke heiligen zien: Antonius (links), Hiëronymus (midden) en Egidius. Deze heiligen hebben met elkaar gemeen dat ze enige tijd in complete afzondering hebben geleefd.’

Zijn idee om naar dit museum te gaan. Was voorbij gekomen in een redelijk kneuterig filmpje vlak voor De Wereld Draait Door. Een speciale tentoonstelling, viering van een geweldige kunstenaar, nu of nooit, niet te missen, komt allen. Zijn museumjaarkaart moest nog ergens liggen, de afschrijving van jaarbedrag was onlangs nog gezien in de Rabobank-app.

En nu, deze afstand tussen hun.

Hij pakt zijn telefoon, niet te opzichtig want in een museum, en opent hun nooit eindigende Whatsapp-gesprek.
Hij typt: “SOS. Volgens het bordje moet ik op het rechterpaneel een eenhoorn zien, maar ik kan ‘m niet vinden HELP. Over.”

Nog maar een keer kijken dan. Het middelste paneel was makkelijk: Hiëronymus knielend bij een kruisbeeld, met links van hem een persoon die zowel de maan als sterren aanbidt. Een Christelijk beeld naast een heidens. Niks meer aan doen.
Maar een eenhoorn? Dat beest op het rechterpaneel kan het niet zijn, dat lijkt meer op een hert. Maar goed, wat weet hij er ook van.

Z’n telefoon trilt. Een bericht: “Geen paniek! Ik herhaal: GEEN PANIEK! Ik kom er NU aan! Hoe kan ik je herkennen? Over.”
Hij kijkt op, ziet haar, een paar meter verderop in de zaal, bij een kluitje Japanners dat foto’s maakt van De temptatie van de heilige Antonius (wederom een replica), onverschillig van het mooiste naast hun.
Hij typt: “Mijn dank is nu al groot! Je kunt mij herkennen aan de vertwijfelde blik Over.”

Het linkerpaneel was ook nog wel te doen. De naakte vrouw had hij al opgemerkt. Als eerste zelfs. Wat dan ook wel weer grappig was, want volgens het bordje staat zij symbool voor alle verleidingen in het leven. Dus ja, dat had onze Jheronimus wel lekker geschilderd.

‘Pardon, bent u op zoek naar een eenhoorn?’
Triomfantelijk staat ze naast hem. Een warme glimlach op haar gezicht, onmogelijk om vast te leggen, ongeacht welke lichtval dan ook.
‘Dat is correct,’ antwoordt hij. ‘Misschien dat u mij kan helpen. Ik ervaar momenteel enige radeloosheid, als ik het zo mag uitdrukken.’
‘Dat mag, in dit museum hoeft u zich daar niet voor te schamen.’
‘Dat stemt mij gelukkig. Afijn, ik ben reuze benieuwd naar die eenhoorn, dus als u…’
‘Maar natuurlijk. Kijkt u vooral even mee.’
Ze bekijkt de panelen, leest het kaartje even snel en kijkt nogmaals.
‘Dus?’ vraagt hij. ‘Enige duiding zou nu wel gewenst zijn, als ik zo vrij mag zijn.’
‘Dat mag, in dit museum is vrijheid een groot goed. Kijk meneer, die eenhoorn…’
‘Ja?’
‘Die eenhoorn is niet voor het blote oog zichtbaar. De kunstenaar wil hiermee zeggen dat al het magische in het leven zijn beginsel in de verbeelding vindt.’
‘Aha. Wat kunstig.’
‘Bijzonder kunstig, daar staat ons museum om bekend.’
‘Koffie dan maar doen?’
‘Ik dacht dat het je nooit zou vragen.’

Standaard
Proper

Maar goed

Proper was misschien niet het juiste woord, maar toch had Berend het op de vakantiekaart naar zijn jonge vrouw geschreven. Het klonk als iets wat een schrijver zou zeggen: “Het huisje is proper en in al haar eenvoud niet te versmaden.” Daarbij was het hem meegevallen dat er dit keer niet was ingebroken; dit soort afgezonderde huisjes waren een makkelijk doelwit voor opgeschoten jeugd. Maar omdat allemaal op z’n kleine kaart te krijgen was ook weer iets waar hij niet op zat te wachten, dus soit.

Berend pakte een glas whisky en nam plek aan de houten keukentafel. Hij klapte de MacBook open en staarde naar de woorden waarmee hij gisteren had afgesloten: “Mensen vinden me leuker als ik zing.”
Een waardeloze zin. Al zat er wel een kern van waarheid in; zijn dochters mochten hem dan wel uitlachen wanneer hij meezong met de hoogste noteringen uit de Top 2000, maar op elk karaokefeestje op de zaak vergaapte al dat gepeupel zich wel aan zijn enthousiaste vertolkingen van de ene klassieker na de andere.
Maar om daar nou een hele roman aan op te hangen.

Hij pakte zijn pijp en liep naar de bibliotheek in de andere kamer. Ruim 23 jaar had hij er over gedaan om al die klassiekers te verzamelen. Het was dan ook niet zo zeer een uit de kluiten gewassen boekenkast, maar meer een prijzenkast. Ongekend hoeveel mooie zinconstructies hier op de vierkante meter in Zuid-Frankrijk lagen.
Maar je had er alleen wat aan op papier.

Buiten bleef Berend met z’n jasje aan een bessenstruik hangen. Een grote scheur, maar de zon bleef gewoon schijnen.
Hier mocht hij graag zitten, op het bankje voor zijn buitenhuisje op een heuveltje en dan maar staren in de verte. De frisse lucht inademen, vijf secondes binnenhouden (alsof het zijn verpeste stadse longen zou reinigen) en dan uitblazen totdat er niks meer over was.
‘Waarom,’ zei hij hardop tegen zichzelf, ‘waarom moet het schrijven toch altijd gelijk staan aan het lijden?’
Een fijne overpeinzing, eentje waar hij, de man die alles had, graag naar mocht terugkomen omdat het hem geruststelde dat zijn onvermogen tot creatie geen kwestie van gebrek aan talent was, maar simpelweg een gemis van ongeluk.
Hij stond op en knikte. Zo moest het gebeuren.

Het schemerde al toen Berend de laatste lege jerrycan weggooide. Aan zijn blazer veegde hij zijn handen af, te alle tijden proper blijven was het devies. Zachtjes zong hij een klassiek liedje van The Doors terwijl hij uit z’n broekzak een pakje lucifers viste.
Soit.

Standaard
Spelletjescafé

Verliezen is voor losers

Omdat het trillen niet ophield, nam hij toch maar op en zo ontdekte Wouter tijdens De Wereld Draait Door dat bij het onbekende nummer een heel bekende stem hoorde.
Die zei: “Kom nu naar de Zilveren Vingerhoed. Kleine Adelaar in nood. Ik herhaal: Kleine Adelaar in nood.’
‘Nieuw nummer, Gert-Jan?’ vroeg Wouter en hij zette Matthijs van Nieuwkerk op stil.
‘Ja, pre-paid ingeruild voor een abo’tje. Kreeg er een iPhone bij. Niet de nieuwste, maar de 5s is ook dikke prima.’
‘Goed bezig.’
‘Dacht ik. Afijn, Kleine Adelaar is dus in nood. Daag.’
En hij hing op.

Wouter legde de telefoon op tafel en gaf Van Nieuwkerk weer geluid. Het item over een of andere nieuwe roman naderde zijn einde. Niet dat hij dat erg vond, ze nodigden toch altijd de verkeerde schrijvers uit. Van die gevoelige gasten, met hun verhaaltjes over het verlangen naar een doel in het leven of over het janken in de tram om een verloren liefde. Fictie z’n reet, het was allemaal emotioneel geleuter op de vierkante meter. Ze zouden eens een fantasyschrijver moeten uitnodigen, die gebruiken tenminste hun verbeeldingskracht voor de volle tweehonderd procent.
‘Tot zover, tot morgen!’ riep het bekende hoofd en dat was voor Wouter het teken om de televisie uit te zetten.
Daarbij was het ook tijd.
Tijd voor belangrijke zaken.

‘Grote Adelaar!’ riep Kleine Adelaar en hij sloeg Grote Adelaar op z’n schouder. ‘Ga zitten, man. Biertje? Stomme vraag. Margot, biertje voor Grote Adelaar hiero! Now we’re gonna kick some ass! Adelaars are go!’

Een blik op de tafel en Grote Adelaar had meteen spijt van zijn komst. Drakendoders Ter Paard & Ridderhelden Met Schild was niet alleen het kutste bordspel sinds de Idols-uitbreiding van Trivant, maar ook nog eens het meest infantiele. Dungeons and Dragons voor kleuters, dat werk. Of zoals de Eerste Ridder Posse van Grote Adelaar het altijd noemde: Draakje Erger Je Niet.
Maar hoe vervelend dit alles ook was, een broer in nood is een broer is nood. Dus trok Grote Adelaar z’n cape strak en schoof hij aan naast Kleine Adelaar.

‘Goed,’ zei Grote Adelaar, ‘praat me bij, Kleine Adelaar. Hoe staan we er voor? Ik zie dat je twee vuur-des-verderf-kaarten hebt, maar geen aanvullend fosforspuug. Daarbij zit je ook bijzonder laag in je schubben, als ik me niet vergis. Kun je dat bevestigen, Kleine Adelaar?’
‘Dat kan ik zeker bevestigen, Grote Adelaar. Wel heb ik de Vaas Der Ontluikende Wijsheid in bezit en is het slechts een kwestie van tijd dat ik ook De Heuptas Van Schijnvrede aan mijn oorlogsinventaris kan toevoegen.’
‘En ja hoor, daar is je fatale fout!’ riep Grote Adelaar. ‘Wat zeg ik nou altijd? Je moet nooit zomaar van dingen uitgaan! Heb ik je dan niks geleerd?! Klakkeloos aannemen is genadeloos doodgaan! Regel één! Moet ik het soms voor je spellen?! Fucking regel nummer fucking één!’

Kleine Adelaar slikte. Natuurlijk had Grote Adelaar weer eens gelijk. Een grotere fout kon je niet maken dan het negeren van regel één uit Het Grote Handboek Der Glorieuze Adelaren Op Het Speelveld Des Levens. Maar hij moest door, niet huilen, vooral ook niet regel twee overtreden.

Grote Adelaar haalde z’n rechterarm van onder de cape en legde hem op Kleine Adelaars schouder. ‘Kom op, Kleine Adelaar,’ zei hij zacht, ‘je moet wel bij de les blijven. Zo leer je nooit zelf vliegen. Dat weet je toch?’ Het was deze combinatie van aan de ene kant het irrationeel schreeuwen en de aan de andere kant het liefdevol onder z’n vleugels nemen van jonge bordspeltalenten die hem de bijnaam De Louis van Gaal van de Fantasy Strategy Board Gaming wereld had opgeleverd.
‘Ik weet het,’ zei Kleine Adelaar. ‘Het zal niet weer gebeuren.’
‘Daar is het nu wel te laat voor,’ antwoordde Grote Adelaar en hij nam een laatste, grote slok van z’n biertje om daarna het lege glas met een harde klap op de tafel te neer te zetten. De dreun deed de Drakenstal Der Giganten wankelen, maar omvallen deed het niet.
Vervolgens stond Grote Adelaar op, trok z’n cape recht en stak beide handen in de lucht.

Iedereen in de Zilveren Vingerhoed keek inmiddels naar de Drakendoders Ter Paard & Ridderhelden Met Schild spelers. Zelfs het groepje dat een zelfbedachte mash-up van Rummikub, Risk en Monopoly speelde (Rummiriskopoly™) loerde met enige angst naar die Grote Adelaar met rood aangelopen hoofd.
‘Wat doe je,’ fluisterde Kleine Adelaar. ‘Iedereen kijkt naar ons.’
Maar Grote Adelaar lachte. Hij lachte zoals elke Grote Adelaar zou doen in deze situatie: luid en ongecontroleerd.
Daarna riep hij ‘AARDBEVING DER AARBEVINGEN VAN ONDERWERELD TOT BOVENWERELD EN TOT IN DEN EEUWIGHEID’ en schopte hij met een vloeiende beweging het bordspel een meter de lucht in. Precies conform regel 5 uit Het Grote Handboek Der Glorieuze Adelaren Op Het Speelveld Des Levens: Verliezen is voor losers en moet te allen tijde worden voorkomen.

Standaard
Handstand

Zijn ongeluk

In de auto zocht hij naar het juiste liedje, maar geen van de voorgeprogrammeerde zenders draaide zijn gevoel van het moment. Het bracht hem even in een spagaat, op stilte zat hij ook weer niet te wachten. Radio 1 werd het alternatief, en hij viel in een reeds vaak gevoerde discussie over de huidige staat van het Nederlandse voetbal in Europees perspectief. Niet dat de woorden van de presentator en zijn gesprekspartners hem raakten zoals dat nieuwe liedje van The Boxer Rebellion zou hebben gedaan, maar er was afleiding en na waterleiding was dat momenteel de beste leiding in zijn leven.

Hij had het dus gewoon gezegd: goed leven is de beste wraak. In het Engels was-ie nog mooier, maar om je punt te willen maken in een buitenlandse taal vereist een soort van zelfverzekerdheid waar hij nooit aanspraak op had durven maken. Hij had overigens ook meteen weer spijt gehad van zijn antwoord, want er was helemaal geen sprake van wraak. Dat kan immers alleen als je in eerste instantie verloren hebt en het was nooit een wedstrijd geweest. Het was gewoon kut dat het allemaal zo was gelopen. Dus ja, hij had iets anders moeten zeggen toen ze opmerkte dat hij er goed uit zag. Iets in de trant van “jij ook” was de simpelste oplossing geweest en wel de waarheid; zij was altijd de mooiste geweest.
Het was zijn ongeluk om haar weer te zien op juist dit moment in zijn leven.

Met 170 kilometer per uur bleef hij hangen op de linker rijhelft. Er waren dagen dat hij minder graag naar huis wou. ‘Maar vergeet PSV niet,’ zei de presentator, ‘de ploeg uit Eindhoven doet tegenwoordig weer heel leuk mee met de grote jongens.’

Het was trouwens wel grappig dat hij hun hele geschiedenis voor z’n ogen had langs zien komen toen hij haar had opgemerkt op het feestje waar hij geen zin in had gehad. Die film was voorbij voordat hij goed en wel besefte dat er überhaupt iets werd afgespeeld, maar de immer lijdende schrijver die in hem huisde vond dat dan ook wel weer een aardige metafoor voor de relatie die je misschien niet eens een relatie had kunnen noemen maar hij deed het toch want alle ingrediënten waren wel aanwezig geweest. En hij had zulke grote plannen gehad, voor hen beiden.
Nog zo’n mooie metafoor: ook vanavond had ze hem in eerste instantie niet opgemerkt, bleef ze vrolijk staan lachen met nog een groepje mensen die hem niet bekend voorkwamen. Hij had naar haar toe kunnen stappen, de olijke jongen kunnen acteren, een grapje kunnen tappen, een lachje kunnen kweken, maar een gevoel van ongelooflijke moedeloosheid had zich meester van hem gemaakt. Daarbij kwam ook de vreselijk zwaarte van een dooddoener eerste klas: je kunt je inderdaad enorm eenzaam voelen in een groep met mensen. Zelfs op een feestje van de altijd knettergestoorde Andries, die klaarblijkelijk een gezamenlijke vriend van hen beiden was.

Hij had zijn smartphone er maar bij gepakt. Een gebogen houding is ook een houding en hij ging er vanuit dat het hem deed overkomen als iemand die het geen probleem vindt om alleen te staan op een informele bijeenkomst ter bevordering van sociale contacten met ondersteuning van alcoholhoudende dranken. Hij had een tweet met een vergezochte woordgrap verstuurd en toen stond ze ineens naast hem. Wat deed hij hier nou?

Hij nam de rotonde bij Almere driekwart, haalde een Fiat Panda in en schakelde vervolgens nog maar een tandje bij. Mocht hij nu over de kop slaan, dan was het zeker over en zou hij de volgende dag op Teletekst staan.
‘Een vroege goal is funest,’ zei een van de deskundigen want het ging nu ineens over de aankomende ontmoeting van PSV met Atletico Madrid. ‘Daar gaan ze op jagen, want een ogenschijnlijke niks-aan-de-hand stand van 0-0 gaat naarmate de tijd verstrijkt voelen als een molensteen om je nek. Timing is alles, zeker op dit niveau.’

Standaard
Coole gastjes

De grootste grap aller tijden

We zitten in die pizzeria aan de Kinkerstraat waar de bediening zo lachwekkend slecht is dat we er eigenlijk nooit meer terug zouden moeten komen, maar toch kun je ons er er minimaal een keer per week vinden omdat mijn ziekelijke hang naar ongemakkelijkheid werkt als een boomerang. Ook terugkerend is de opmerking van mijn goede vriend Wessel: ‘Gast, dit is echt de laatste keer.’
Ik neem een slok van mijn nu al doodgeslagen biertje en weet zeker dat mijn gezicht op standje glunderen staat.
‘Echt ruk,’ gaat Wessel verder, ‘alles, maar dan ook echt álles, is hier middelmatig. De bediening, het eten en zelfs de muziek. Ik weet niet of jij het weet, maar ze draaien hier dus echt maar één CD. Ik kan ‘m dromen.’
‘Weet je Wes, zeg ik, ‘de Italiaanse periode van Marco Borsato, dus het werk vóór zijn nationale doorbraak met Dromen Zijn Bedrog, dat overigens van origine een Italiaanse smartlap is, vind ik juist bijzonder fascinerend en ik hoor er elke keer weer iets nieuws in. Denk ook dat het niet zo zeer de pizza’s zijn die mij hier keer op keer doen terugkeren, maar dat het de eindeloze gelaagdheid in de muziek van Marco Borsato is.’
‘Man, lul toch niet zo.’ Wessel smeert een taai stokbroodje met smakeloze kruidenboter en houdt het me voor.
‘Grazie,’ zeg ik, want pizza’s komen van origine uit Italië.
‘Zal wel, Markie, maar volgende week gaan we mooi naar die nieuwe tent.’
‘Waar?’
‘Heel erg waar.’
‘Nee eikel, waar is die nieuwe tent? Ook in West?’
‘Yup, paar honderd meter hier vandaan. Waar eerst die Mexicaan zat, El Chapo of zoiets.’
‘Lijkt me sterk dat een Mexicaans restaurant zich vernoemd naar een beruchte drugsbaron.’
‘Die man was daar een held, Markie. Twee keer ontsnapt uit een zwaar beveiligde gevangenis. Dan kun je wel wat, dunk ik en ik hou niet eens van basketbal.’
‘Volgens mij was het gewoon een Taco Mundo.’
‘Hoe dan ook, gast, wij gaan volgende week naar Lecker en waag het eens om een CD van Borsato mee te nemen.’
‘Heet het Lekker?’
‘Yup, met ‘ck’.
‘Oud-Hollandsche spelling, lekker hip. Dat wordt dus eten van een net zo’n oud-Hollandsche houten plank in plaats van een normaal bord, let maar op.’
‘Prima, houten planken zijn oké in mijn boek,’ antwoordt Wessel (Engelse uitdrukkingen letterlijk vertalen is zijn ding) en hij trekt met zijn tanden een stokbroodje uit elkaar zoals een leeuw een jong hertje zou verorberen (maar dan zonder Marco Borsato op de achtergrond, al weet je dat nooit zeker).

‘We moeten het toch even hebben over die documentaire,’ zegt Wessel. Het lukt hem maar niet om een punt af te snijden van z’n pizza Pronto. De messen van deze pizzeria zijn zo legendarisch stomp, dat ze een running gag in onze voorstelling waren geworden, als excuus voor talloze botte grappen.
Ik knik, want over die documentaire moeten we het zeker hebben. De hele week speelt de aanvraag al door mijn hoofd. Wat als we het doen, wat zal dat betekenen, voor ons als duo en de nieuwe show die we nog helemaal moeten schrijven? En wat betekent het voor ons persoonlijk? Kunnen we daarna nog normaal over straat en dit soort avondjes doen?
‘Twijfel heel erg,’ zegt Wessel, nog altijd zonder pizzapunt. ‘Is het niet veel te vroeg? We hebben één best succesvolle theatershow gehad, maar daar zijn nog altijd meer mensen niet heengegaan dan wel. Ik bedoel, wie zijn wij nou eigenlijk?’
‘Gaastra & Van Kleef! Uw enig komisch duo, sedert 2014!’ roep ik op de automatische piloot want ook dat is een running gag; als een van ons gekscherend nederig doet, antwoordt de ander in volle overtuiging en in een zo’n raar mogelijk stem met onze namen, professie en oprichtingsjaar. Geen idee waar dat vandaan is gekomen, maar je komt er dus niet van af.
‘Nou ja, dat dus,’ zegt Wessel.
‘Waar ben je bang voor?’ vraag ik zodat het lijkt alsof het verzoek mij niet van mijn stuk heeft gebracht en ik helemaal geen denkbeeldige voor-en-tegen lijstjes heb lopen maken onder de douche, tijdens het hardlopen en in Tuincentrum Osdorp bij het zoeken naar de juiste tuinmeubelen want de lente komt er weer aan en als je een tuin in Amsterdam hebt moet je daar bij elke mogelijkheid op zon optimaal gebruik van durven maken.
‘Gewoon, dat het ruk wordt,’ antwoordt Wessel.
‘Aha.’
‘Ja, dat blijkt dat we eigenlijk helemaal niks voorstellen.’
‘Interessant. Dus dat men denkt: “Waarom zijn die coole gastjes in hemelsnaam zo’n even beroemd als hilarisch duo geworden?”‘
‘Ja. Is dat zo’n rare gedachte?’
‘Dan zou dit alles onze grootste grap aller tijden zijn.’
Wessel lacht, hard.
‘Zo had ik het nog niet bekeken, Markie.’
‘Doen?’
‘Laten we hem in ieder geval terugbellen.’

Na de pizza en een koffie Altijd Verkeerd (haha) van de zaak, vallen we een paar deuren verder binnen in Cafe Constant. Ook dat is precies volgens het format van de donderdagavond. We groeten het barmeisje (Wessel met een enthousiaste ‘haai’, ik met een relaxte ‘hé’) en nemen plaats aan de lange houten tafel in het midden van het café. De beste plek, want: stopcontact voor mijn laptop. Ik sluit de handel aan en Wessel bestelt twee pilsjes, natuurlijk van de tap want met die speciaalbiertjes hier doe je zelfs Mozes, toch iemand die volgens de Bijbel ruim veertig jaar door een dorre woestijn heeft gebackpacked, geen plezier. Uit de stereoinstallatie klinkt een liedje van Sufjan Stevens en misschien moet ik mijn goedkeuring straks bij het ophalen van twee nieuwe biertjes even delen met het barmeisje en wie weet waar dat naartoe leidt want soms kan het leven best net zo zijn als een roman.
‘Oké Wessel, aan den arbeid,’ zeg ik na het proosten op een mooie avond. ‘Wat vind jij voor onze nieuwe show het belangrijkste? U roept, ik noteer.’
‘Dat er gelachen wordt.’
Ik neem een slok van mijn bier en zeg: ‘Kom op Wes, laten we niet meteen de lat zo hoog leggen.’

Standaard
Buurtcoach

Soms alles voor altijd

We zitten op een muurtje achter de kerk waar ik drieëndertig jaar geleden ben gedoopt. Evelien friemelt aan de rand van haar zwarte jurkje. Het moet de dood zijn die haar zenuwachtig maakt.
‘Het was een mooie dienst,’ zeg ik.
‘Ja, fijn dat wij ook afscheid mochten nemen.’

Op een zondagochtend, ik zal een jaar of elf geweest zijn, vertelde mijn vader dat vroeger de overledenen werden begraven in en rondom de kerk. Jarenlang, totdat er geen plek meer was en er moest worden uitgeweken naar een veld in de buurt.
Ik weet niet of Evelien ook weet waar we nu precies zitten. En of ze bij elke stap op een begraafplaats ook de namen, geboortedata en sterfdata leest en dan probeert voor te stellen wie die levens hebben geleefd en door wie ze gemist werden toen het allemaal ineens over was.

‘Hoe lang kenden we ‘m eigenlijk al?’ vraagt ze en mijn gedachten gaan terug naar het jaar met onze grootste stap tot nu toe: een eigen huis. De zomer van 2010, we kregen de sleutels op de dag van de halve finale van het Wereldkampioenschap voetbal. Zonder parket, meubels en gordijnen, maar met een fles huiswijn en toastjes (gehaald bij de supermarkt die vrij snel onze supermarkt zou worden) hoorden we op de van Eveliens opa geleende wereldontvanger Nederland de finale halen ten koste van Uruguay en was ik er die avond meer dan heilig van overtuigd dat alles in dit leven mogelijk is als je er maar in blijft geloven.
‘Vijfenhalf jaar,’ zeg ik. ‘We hadden nog niet eens een plek voor de eettafel uitgezocht of hij stond al voor de deur.’
‘O ja! Met een cervelaatworst, als welkomstgeschenk! Ik dacht nog: wat is dit voor raar figuur.’

Maar Fokko was gewoon Fokko. Elke avond deed hij trouw z’n ronde en als we ‘m zagen, staken we ons hand op. Soms zaten we op de bank te kijken naar De Wereld Draait Door, soms aten we nog, soms beide tegelijk, soms was ik nog niet thuis, soms was Evelien op stap en soms waren er andere dingen die even ontzettend belangrijk leken te zijn.
Maar Fokko was er altijd.
Zo altijd, dat hij er net zo goed niet had kunnen zijn. Nu, hier zittend op een muurtje achter de kerk, schrik ik er van, want het is waar: de afgelopen dagen heb ik het zwaai-ritueel met Fokko niet gemist. Vergeten wij zo snel de mensen die in de buurt van ons hart hebben rondgehangen maar nooit binnen kwamen?

‘Soms wou ik dat alles voor altijd hetzelfde zou kunnen blijven,’ zegt Evelien en ik zou kunnen antwoorden dat het leven dan wel heel saai zou zijn – zonder dalen geen pieken, geen overwinning zonder wedstrijd, en meer van dat – maar daar zitten we beide nu niet op te wachten dus ik zucht en zeg: ‘Ik ook.’

Standaard
Factor 50

Noemenswaardig trammelant

Het begon als een doodnormale zaterdagavond. Samen met mijn goede vriend Anton Knollema zat ik in onze Glimmense stamkroeg De Kotsbeker. Rond een uurtje of acht hadden we ons gesitueerd op onze vaste plek aan de bar en dronken daar onze biertjes in de gebruikelijke stilte. Anton Knollema houdt niet van nodeloos gezever en ik, Gerard Gortworst, ben er ook niet zo happig op. Het is de stabiele basis waarop onze vriendschap al jaren drijft.

Het moet rond half elf geweest zijn dat ik een andere sfeer in de Kotsbeker begon waar te nemen. Ik herinner mij dat nog goed, want ik zei het volgende tegen Anton Knollema: ‘Zeg Anton Knollema, goede vriend van me, niet om het een of ander, en ik wil u zeker niet storen in uw wekelijks drinkgebeuren, maar het is nu half elf en volgens mij begint de sfeer in onze stamkroeg De Kostsbeker dusdanig te veranderen dat ik het waarneem en u wil mededelen.”
Anton Knollema had een slok van zijn vijfde biertje genomen en geknikt. Zoals mannen van weinig woorden dat altijd doen: drinken en knikken.

Maar het zat mij niet lekker. Een paar minuten geleden waren exact vijftig luidruchtige studenten de Kotsbeker binnengestommeld en volgens mij waren zij in al hun jeugdige onbezonnenheid debet aan de plotselinge sfeerverandering. Eddy McMuffin, de Ierse barman die al negentien jaar in Glimmen woont maar nog steeds de grootste moeite heeft met de Nederlandse taal ondanks de vier maanden durende cursus die hij trouw had gevolgd bij de eenbenige weduwe Fransien Pennenlikker, wonend aan de Burgermeester Emmenslaan 34 in ons prachtig Groningse dorp, had het ook al in de smiezen. Voorovergebogen over de bar had hij zijn groeiend wantrouwen jegens de nieuwe klanten tegen mij geuit: ‘You know Kerard Kortworst, ik keloof dat die kroep students die net is binnenkekomen, de sfeer in jullie stemkroek The Kotsbieker dusdanik aan het veranderen zijn.’

Ik moest daar toch weer om lachen. Eddy McMuffins gewoonte om g’s uit te spreken als k’s bleef, zelfs na al die jaren, vermakelijk. Ook mijn goede vriend Anton Knollema kon een lachje niet onderdrukken, echter was het volgens hem niet humoristisch genoeg om er de gebruikelijke lachgeluiden en buikschuddingen bij te produceren.

Eddy McMuffin, de Ierse barman die negentien jaar geleden in Glimmen was komen wonen omdat hij dacht dat de vrouwelijke inwoners en masse als een blok zouden vallen voor z’n onweerstaanbaar geachte Ierse accent, maar naar verluidt uiteindelijk alleen het bed had gedeeld met de eenbenige weduwe Fransien Pennelikker, destijds aan de Burgermeester Emmenslaan 34 in ons prachtig Groningse dorp, werd steeds zenuwachtiger. ‘Miskien moet ik de police bellen, Kerard Kortworst,’ zei hij op z’n karakteristieke kolderieke manier.

Die voorgestelde actie ging mij dan weer net iets te ver. De exact 50 studenten hadden immers nog niet voor enig noemenswaardig trammelant gezorgd. En wanneer u de politiemacht van Glimmen op zaterdagavond uit hun stamkroeg De Braakpot wilt optrommelen, moet er wel degelijk sprake zijn van noemenswaardige trammelant. Zoveel hadden Anton Knollema en ik wel opgestoken van het traumatische Sjoelincident van achttien jaar geleden tijdens het zwangerschapsfeest van de eenbenige weduwe Fransien Pennelikker, nog immer wonend aan de Burgermeester Emmenslaan 34 in ons prachtig Groningse dorp. Dit zei ik ook tegen Eddy McMuffin, de Ierse barman, echter met iets minder woorden want we moesten het drinken niet vergeten: ‘Wacht, Eddy de Ierse Barman.’

Onderwijl had mijn goede vriend Anton Knollema het toilet wederom met een bezoekje vereerd. Sinds het vier jaar geleden plaatsgevonden ongeluk op de Van Asseltstraat, ter hoogte van de semi-illegale slagerij Het Beunhaasje, heeft hij de grootste moeite met urineren. Anton Knollema heeft mij dat nooit in die exacte woorden verteld, maar dokter Van Kleumingen had hem destijds voor zover mogelijk geholpen met de penibele situatie rondom de plasbuis en in zijn medisch woordenboek ontbreekt de term Beroepsgeheim sinds mensenheugenis, dus een dag later stond het al te glimmen in de Glimmen Gazet. De veelzeggende kop “Anton K. Plast Nu Jankend Van De Pijn” had direct mijn aandacht getrokken bij het routineus onverschillig doorbladeren van Glimmens enige dorpsorgaan sedert 1867. Over de nieuwswaarde van het bericht kon men twisten, maar dat het enkel en alleen over mijn goede vriend Anton Knollema kon gaan, leek mij zo helder als helder water in een schoon glas. Zeker wanneer men in acht nam dat die andere Anton K. uit ons prachtig Groningse dorp, de exhibitionistische hoefsmid Anton Kampzaad, het traumatische Sjoelincident destijds niet had overleefd, menig goedbedoelde hartmassage ten spijt.

Met enige vastberadenheid bleven Anton Knollema en ik, Gerard Gortworst, onze zaterdagavondbiertjes nuttigen op onze vaste plek aan de bar. De dreiging van van noemenswaardig trammelant bleef echter in de lucht hangen en ontspon in een gespannen sfeer in onze stamkroeg De Kotsbeker.

Toch kwam het uiteindelijk niet tot een Glimmen Gazet waardig incident. Rond de klok van half twaalf had de knapste van de exact 50 studenten het sublieme plan opgevat om hun wekelijkse drinkgelag voort te zetten bij hem thuis, aan de Burgermeester Emmenslaan 34 in ons prachtig Groningse dorp. Dit tot groot genoegen van de Ierse barman Eddy McMuffin en ik, Gerard Gortworst. Waarschijnlijk kon mijn goede vriend Anton Knollema het ook wel waarderen, maar omdat die al weer stond te schelden in de toiletten, kon ik dat niet zo gauw bevestigd krijgen.

Standaard