XTC

Balans

Ze werden gebeld vanwege geluidsoverlast. Ze kwamen stapvoets voorrijden, de zwaailichten reflecterend tegen het dubbel glas van de blokkendozerige nieuwbouwhuisjes. Nieuwsgierige koppen die voor de ramen verschenen: gezinnen, mensen in pyjama’s die zo meteen weer naast elkaar in bed zouden kruipen en nog even tegen elkaar zouden fluisteren, voor ze lepeltje-lepeltje in slaap vielen. Amy voelde zich altijd een kille onheilsbrenger als ze met flikkerende lichten een woonwijk binnen reed. Een vlaag kou onder een warme deken.

Er was één huis dat zich niks aantrok van de zwaailichten, sterker nog, dat net zo hard terugreflecteerde. Pulserend paars en rood scheen van binnenuit naar buiten, binnen dreunde een elektronische beat alsof de muren kapot moesten.
Amy stapte uit, controleerde of alles aan haar riem zat –portofoon, dienstwapen, handboeien. Niels zette de zwaailichten uit en trok zijn mondhoeken naar beneden. In het licht van de straatlantaarns leken de lijntjes in zijn gezicht eerder groeven. Amy vroeg zich af of hij hetzelfde zou voelen als zij als hij over drie uur thuis zou komen in zijn lege huis.
“Lijkt op een huisfeest.”
Amy haalde haar schouders op. “Ik ga kijken.”
Toen ze door het lage hekje de voortuin in stapte, ging de voordeur open en spuugde een wolk van gelach, wietlucht en warmte uit. Een jongen, geschoren kop, een kralenketting op zijn blote borst en een legging met gele print, kwam mee.
“Wat gezellig dat jullie langskomen!”
Amy schudde kort haar hoofd. “De buren ons hebben gebeld vanwege geluidoverlast.”
De jongen lachte alleen maar en sprong de voortuin in. Zijn legging was bedrukt met Franse frietjes. Amy sloot haar ogen en drukte tegen haar slapen, een gebaar waardoor ze zich eerst theatraal en daarna stokoud voelde.
“Sorry. Daar dachten we natuurlijk helemaal niet aan. Ik ga de muziek zachter doen.”
De jongen lachte weer, een rij grote, witte tanden. Amy voelde het zwaar op haar schouders drukken. Hij kon niet meer dan drie jaar jonger zijn dan zij, maar hij had een onbezorgdheid over zich heen die ze in tijden al niet gevoeld had.
“Wat is er binnen aan de gang?”
“Beetje afteren. Niks geks, hoor.”
Hij ging tegen de muur zitten en klopte naast hem op het gras. En toen –deed ze het echt?– zeeg ze naast hem neer. Hij rook naar zweet en wierrook.
“Deze,” hij hield zijn ketting aan een glanzende, rode kraal omhoog, “is gemaakt door Daniëlle. Ik had haar nog nooit ontmoet voor vanavond, maar ze zag me en toen maakte ze dit. Vind je dat niet prachtig? Dat iemand je energie voelt en daar in alle goedheid dan zo’n sierraad voor maakt? Dat is liefde. Dat is openheid.”
“Openheid?”
“Ja. Ik bedoel dat ze openstaat voor het goede in de wereld. Het goede in de mens. Niet dat ze denkt: “ik ken jou niet dus ik moet je niet”. Nee. Ze zag me en besloot dat ze een beetje van haar tijd en energie in me wilde steken. In dit cadeautje voor mij, een vreemde. Mooi toch?”
Amy knikte. Het gras was nattig, de muur waar ze tegenaan zat was koud in haar rug. Die jongen had overduidelijk XTC op, of MDMA of 4-FA desnoods: de gebruikelijke gereserveerdheid die ze kreeg als ze haar uniform droeg, ontbrak. Ze kreeg zin om haar schoenen uit te doen.
De jongen met de frietjeslegging speelde nog steeds met de rode kraal. Zijn schouder leunde tegen de hare, prettig warm.
“De regel is: als je iets krijgt van het universum, geef je iets terug. Ja toch?”
“Is dat zo?”
“Zo hou je de balans in stand. Dus hierbij.” Hij leunde zich naar haar toe, sloeg zijn armen om haar heen. Amy hield zich doodstil. Ze rook de wierrook, donker en kruidig, de geur van zijn zweet, niet vies maar gewoon menselijk. Ze voelde de druk van zijn armen, de warmte van zijn borstkas. De kralenketting die in haar borst prikte. En ze ademde langzaam uit.
Toen ze het portier van de auto hoorde opengaan maakte ze zich los en stak een hand op naar Niels, als teken dat alles goed was. De jongen met de frietjeslegging glimlachte een beetje wazig naar haar.
Ze stond op. “Goed, zorgen jullie dat de muziek wat zachter gaat?”
“Maak je geen zorgen, dat komt helemaal goed.” Hij bleef glimlachen toen ze wegliep, weer in de auto stapte, Niels’ blik ontweek. Dacht ze. Toen ze weer naar het huis keek, was hij weg.
“Schat je in dat er illegale middelen gebruikt worden?”
Ze schudde haar hoofd. “Ik denk het niet.”
En daarna glimlachte ze, waarschijnlijk een beetje wazig. Als je iets krijgt van het universum, geef je iets terug. Ja toch?

Standaard
Zwarte Piet

Eefje

De dag begon al onbehaaglijk toen Marieke in de bosjes op het schoolplein een dode meeuw zag liggen. Zijn nekje was naar achteren gebogen, uit het hoofdje kwam roze prut.

Daarna bleek er een nieuwelinge in de klas te komen. Ze heette Eefje en ze had felrood haar dat om haar hoofd heen krulde als de vacht van een lammetje. De juf zette haar twee tafeltjes verderop neer en Marieke bestudeerde haar sproetjes, de etui vol gelpennen, het kriebelige handschrift waarmee ze haar naam op haar schriften schreef. Ze had de goeie, met paarden.
Bij het voorstellen zei de juf:
“Eefje houdt heel erg van dieren. Haar oom is dierenarts en ze mag wel eens meehelpen in de praktijk.”
En Marieke’s vriendinnetjes dromden zich om haar heen om verhalen te horen over hoe ze pluizige jonge katjes mocht voeren onder een warmtelamp. Die pauze vertelde Marieke hen dat Eefje van haar vorige school was weggestuurd omdat ze gestoord was.
“Echt niet,” zei Faye. “Ze is gewoon normaal. En ze is superaardig.”
De volgende dag gingen Faye en Rashida bij Eefje staan in de pauze. Marieke vertelde haar vriendinnetjes dat Eefjes verhalen over de dierenkliniek verzonnen waren. Er was nergens bewijs voor dat het echt was, toch?
“Maar hoe moet ze dat bewijzen, dan?” vroeg Tanja.
Marieke keek naar Faye en Rashida, die yoghurtrozijnen uit Eefjes broodtrommel aten en veel te hard lachten.
“Haal haar maar. Ik weet wel wat.”
Dus ze werd gehaald, kwam aangelopen in haar roze jasje dat al even fel kleurde als haar haren, en Faye en Roosje kwamen mee. Maar Marieke liet hen wachten bij Tanja en de rest. Dit was iets tussen haar en Eefje.
“Getver,” zei Eefje, toen Marieke haar de dode meeuw liet zien.
“Je moet ‘m beter maken.”
Eefje schudde haar hoofd. “Hij is dood.”
“Echt niet, ik zag hem net nog bewegen. Kijk, hij ademt.”
En Eefje boog zich over de meeuw. Marieke zei: “Kijk dan”, tot Eefje zich zo ver over het beest had gebogen dat Marieke haar kon duwen, en Eefje van schrik haar hand in de meeuw zette. Overal roze prut. Ze gilden allebei.
Marieke hoefde het verhaal van hoe Eefje een meeuw vermoord had niet eens zelf te verspreiden. Ze deed het roze jasje nooit meer aan naar school en Faye en Rashida aten geen yoghurtrozijnen meer. Toen ze er een paar weken later met Sinterklaas een meeuwenknuffel uit de zak kwam begreep Zwarte Piet niet waarom Eefje moest huilen. Noch de juf, noch Sinterklaas wist waar die knuffel vandaan kwam, en niemand wilde wat zeggen. Maar Marieke zat achterin de klas en sabbelde zwijgend op een pepernoot.

Standaard
Amsterdams gebouw

Vallen

In de stad bestaat er niet zoiets als nachtelijk blauw. De lucht is zwart met een oranje gloed van straatlantaarns. Het is november en koud. Bovenop het roestgroene schip waar wetenschapsmuseum NEMO in huist, legt Laurens zijn hand op mijn been. En ik zwijg en wacht.

“Wist jij,” zegt hij, “Dat dit ontwerp helemaal niet bedoeld is als schip? Iedereen noemt het wel zo, maar dat is het dus helemaal niet. Die vorm,” hij tekent de omtrek van het NEMO met zijn andere hand in de lucht voor hem, “is bedoeld als een spiegeling van de IJ-tunnel.”
“Grappig,” zeg ik. De hand blijft waar hij is, de duim zachtjes strelend. De nacht is afwachtend stil. Er scheurt een taxi voorbij, te hard, maar het geluid blijft nauwelijks hangen. De hand brandt op mijn been.
Iets minder dan een jaar geleden zaten we hier ook, misschien een paar treden hoger. Mijn hoofd tegen zijn schouder, dichtbij zijn nek waar het naar Hugo Boss rook, zijn hand niet lafjes op mijn been maar stevig om me heen. Ik moest denken aan de cultuurreis naar Rome, in de vijfde van het VWO. Hoe ik over het Forum Romanum liep met een overijverige docent Latijn, tussen het puin en de ineengestorte gebouwen en dan ineens twee pilaren, die fier overeind naast elkaar stonden. Sterk. Samen.
“Ik moet zo gaan, geloof ik,” zegt Laurens. Hij kijkt op zijn horloge, een betekenisloze beweging maar ik voel de kou op de plek waar zijn hand net lag. Alsof ik daar nu naakt ben. Ik knik.
“Snap ik.”
Maar we blijven zitten, dicht tegen elkaar aan. Zoals toen is het al lang niet meer. Laurens’ pilaar bleef rechtop staan, maar die van mij zakte langzaam tegen hem aan, leunde op hem, wachtend tot hij zou bewegen. En toen hij dat eindelijk deed, een week geleden, begeleid door veel tranen en sorry’s, viel ik. En ik val nog steeds.
“Vertel nog eens wat,” vraag ik hem.
“Ik moet zo gaan.”
“Nog heel even.”
En Laurens vertelt. Over dat er, tegenover waar nu het Centraal Station ligt, tot 1795 een galgenveld lag. Over de Amsterdammers die er op zondag heen gingen om te kijken. Hij legt zijn hand terug op mijn been, waar hij hoort.
Na al Laurens’ sorry’s doen ineens de meest dagelijkse dingen pijn. Kleine snippertjes van een ander leven, een veilig, warm ‘ons’, dwarrelen de hele dag door mijn blikveld. Iemand die zijn merk sigaretten rookt. Fietsen langs het Picassobeeld in het Vondelpark, waar we deze zomer zo vaak zaten. ’s Nachts alle ruimte hebben in mijn tweepersoonsbed. Toen ik Laurens belde, kwam hij. Maar we zitten al een uur in de kou en nog steeds val ik.
“Goed.” Laurens schraapt zijn keel. “Nu moet ik echt naar huis.”
En ik knik weer en wacht. Wacht tot Laurens zich naar me toebuigt, me zoent, of tot in hemelsnaam die hand over mijn dijbeen glijdt en de warmte opzoekt. Tot hij vraagt of ik nog een keer met hem mee naar huis kom of tot hij roept dat hij een idioot is geweest om het te eindigen. Maar hij staat op.
Hij legt zijn hand op mijn schouder, zegt de dingen die je hoort te zeggen bij een afscheid. Ineens waait het, of misschien merk ik het nu pas. De kou wordt scherper, omsluit mijn blote enkels alsof ik mijn voeten in het IJ heb gehangen en drukt tegen mijn dunne spijkerbroek.
Laurens loopt de trap af. Ik blijf zitten bovenop het groene schip dat geen schip is, en ik denk, ik denk dat ik ben gestopt met vallen. Ik denk dat ik eindelijk iets hoor breken

Standaard
Kop-staartbotsing

Rita

Elke zaterdagavond liep Rita door het steegje en elke zaterdagavond stonden ze op haar te wachten. Twee jongens met petjes en peuken, weggedoken in hun kraag tegen het baksteen geleund. De ene spuugde altijd op de grond als hij haar zag. Ze negeerde het gesis en gejoel, de beledigingen, en concentreerde zich op het geluid van haar hakken op de straat. De stenen glommen. Het had geregend.

Ze noemde zichzelf Rooie Rita maar als ze door de steeg liep was ze IJzeren Rita. Ze droeg een pantser waar woorden niet doorheen braken, ze verstond niet eens wat ze zeiden. Ze liet zich niet dwingen een andere route te nemen. Ze was verdomme Rooie Rita.

Er was iets mis. Peter voelde het aan zijn huid toen hij de hal binnenstapte. Er hing een spanning die bijna prikte. Daniël stond in de open keuken met zijn rug naar hem toe, te rommelen met de Senseo of iets dergelijks. Eliza zat aan de keukentafel en speelde met haar trouwring.
Peter ging naast haar zitten, zijn jas nog aan, zijn tas vergat hij tegen de verwarming. Slecht voor het leer. Eliza keek met angst in haar ogen. Daniël draaide zich om met dezelfde bange blik. Dat joch had z’n moeders ogen.
“Koffie?”
“Koffie?”
Eliza legde een hand op zijn schouder. “Trek je jas toch uit.”
“Ja.” Hij stond op en liep naar de hal. Toen hij terugkwam stond er een kopje koffie voor hem klaar, de koektrommel open op tafel. Spritsen, jodenkoeken en van die hele kleine stroopwafeltjes.
Daniël haalde een papiertje uit zijn zak. Na wat keelgeschraap begon hij voor te lezen. De randen van het papier trilden.
“Papa, ik wil je wat vertellen en ik hoop…” Hij schraapte zijn keel weer. “Ik hoop dat je me niet met andere ogen zult zien dan hiervoor. Ook al is het misschien moeilijk voor je.”
Langs Peters ruggengraat prikte het.
“Daniël…”
Hij las verder, korte zinnen en iets te snel. Zijn gezicht was wit geworden, met rode wangen.
“Dit is wie ik ben en ik kan er niets aan doen. Ik ben nog steeds dezelfde. Alleen anders dan je verwachtte dat ik zou zijn.”
Hij keek op van zijn papiertje, recht in Peters ogen. Precies die van Eliza, precies die vertwijfeling en angst voor zijn reactie als zij had gehad toen ze op het verkeerde moment was thuisgekomen, die ene dag, en had gezien wat hij zo graag voor haar verborgen had willen houden. Iets in hem wankelde.
“Zeg het, Daniël.”
De blik ging weer strak naar het papiertje.
“Ik val op mannen.”
En toen kwam het opeens allemaal binnen. Net nu hij niet op zijn hoede was, zijn ijzeren pantser niet aanhad. Gelach. Geroep.
Flikker
Viespeuk
Freak
Peter stond op en Daniël deinsde achteruit. Eliza greep hem bij zijn mouw.
“Mijn zoon zal geen flikker genoemd worden.”
Tranen sprongen in Daniëls ogen. Peter prikte zijn vinger als een zwaard richting zijn zoon.
“Weg! Ik hoef die kop van je niet in mijn buurt.”
Daniël sprong op en denderde langs hem heen. De porseleinen beeldjes in het kozijn trilden toen de deur achter hem dichtsloeg.
Eliza huilde.
“Waarom?” Haar stem was gebroken. “Ik hoopte dat juist jij…”
“Juist ik?”
Ze haalde haar schouders op. “Met je… hobby. Dat je het zou begrijpen.”
Hij schudde zijn hoofd. Toen hij het huis verliet schudde het porselein in de vensterbank voor de tweede keer.
Een zaterdag als alle anderen. Rita moest weer door het steegje. Ze droeg haar hoogste hakken, de rode met pailletten, en het geklikklak galmde door de straat. Het fluiten begon.
“Daar komt ‘ie hoor.”
“Lelijke travo! Freak!”
“Gatverdamme!”
Rita liep door, concentreerde zich op haar schoenen. Zonder op te kijken liet ze het geroep en de kokhalzende geluiden achter zich.
Het lukte haar bijna weer om ze te negeren. Bijna.
“Hé, gore flikker!”
Ze draaide zich om en de jongens begonnen te joelen.
“Wát?”
De jongen stapte naar voren, uit de beschutting van de schaduw en zijn capuchon, zijn kin uitdagend in de lucht.
“Ik zeg dat je een gore flikker bent. Is toch zeker zo.”
Vanaf toen ging alles om haar heen als vanzelf. Ze zag de tranen in Daniëls ogen springen. Ze hoorde het getik van haar schoenen op de stoep versnellen en toen abrupt stoppen. Iets dat kraakte onder haar vuist, iets dan in elkaar kreukelde als een auto in een kop-staartbotsing, iets warm en vochtigs dat over haar vingers stroomde.
“Gestoord wijf!”
Daarmee kwam ze weer bij haar positieven. Trillend klikte ze haar handtas open en haalde er een zakdoekje uit om het bloed van haar vingers te vegen. Na het controleren van haar pruik en het gladstrijken van haar jurk balde ze haar vuisten. Niets trilde meer. Alles was rustig.
En dat was maar goed ook. Ze was verdomme Rooie Rita.

Standaard
Erfenis

Are you lonesome tonight

Hopelijk ziet ze er in het TL-licht van het bemiddelingskantoor even goed uit als op de foto in de map. En, belangrijker, hopelijk zit zijn haar goed, is zijn das niet te rommelig gestrikt. Robert zoekt zijn weerspiegeling in de ruit achter hem en smeert spuug op zijn slapen om het slappe grijze haar daar vast te zetten. Het kuipstoeltje waarin hij zit, kraakt.

Er gaat een deur open en een breed glimlachende jongeman met een roodfluwelen jasje komt binnen.
“Robert! Je ziet er fantastisch uit.” Zijn accent in onmiskenbaar Brits.
Robert voelt nog even aan zijn das. “Is ze er al?”
“Zeker. Ze kijkt er naar uit om je te ontmoeten.”
Hij glimlacht even. “Dank je, Thomas.”
“Geen dank! Ik hoop dat het klikt. Heb je je goed voorbereid? Of ga je haar betoveren met je verschijning?” Thomas knipoogt.
“Nee, nee…” Zijn stem sterft weg. Daarna, luider: “Ik heb een lijstje met onderwerpen waar we over kunnen praten. Hier.” Hij klopt op zijn jasje, waar zijn binnenzak zit.
“Goed.” Thomas legt zijn hand op de deurklink. “We kunnen wel blijven babbelen, maar wie weet zit achter deze deur de liefde van je leven. Ben je er klaar voor?”
Robert knikt. Zijn handen trillen. Hij stelt zich voor hoe ze daar zit, in het kamertje achter de blauwgeverfde deur, wachtend. Zou hij haar tegenvallen?
Het volgende moment laat Thomas hem binnen. Hij ziet de nepleren banken niet, niet het vlekkerige tapijt of het junglelandschap aan de wand. Want daar zit ze. Jong en slank. Rond gezichtje, sluike zwarte haren en een huid van karamel. Ze staat op en kijkt afwachtend naar hem.
“Ratree?”
Ze knikt.
“Ratree. That means jasmine flower, right? Such a beautiful name.”
Ze lacht haar donkere ogen klein. “Mister Robert. Nice to meet you.”
“Nice to meet you too.” Hij voelt even aan zijn slapen en gaat zitten op de bank. Ze volgt zijn voorbeeld. Thomas lacht.
“Nou, het ziet eruit dat dit helemaal goed gaat komen. Ik ben hier, achter deze deur.” En hij laat hen alleen.
Ratree zit op gepaste afstand, maar hij voelt haar warmte, ruikt haar zoete parfum. Ze ziet er zo zacht uit. Hij heeft gelezen dat het in deze cultuur niet normaal is om elkaar zomaar aan te raken, dus hij houdt zich in, hoe graag hij ook haar smalle hand zou pakken en zou verwarmen in de zijne. Ze blijft maar glimlachen.
“Je bent zo mooi.”
“Thank you, mister Robert.”
Aan het plafond zwoegt een ventilator. Elke keer dat hij een ronde maakt rinkelt het kettinkje dat eraan hangt zachtjes. Robert haalt een paar keer diep adem en Ratree blijft afwachtend glimlachen.
“Kijk, ik- Ik denk dat wij gelukkig zouden kunnen worden, Ratree. Ik ben een lieve man. Ik heb een eigen huis, voor ons tweeën. Ik heb een goed pensioen en voldoende spaargeld dankzij een erfenisje. En ik zal heel lief voor je zijn. Jij kan dan koken voor ons, je kan heel goed koken, toch? Dat stond in je aanmelding. En Nederland is een land met heel veel mogelijkheden. We zouden zelfs kinderen kunnen krijgen, later.”
“You want a lot, mister Robert.” Ze glimlacht nog steeds. Haar haren glanzen als geschuurd marmer. “Why no wife in Holland?”
Robert schudt zijn hoofd. “Nee, nee. Nederlandse vrouwen… Ik ben getrouwd geweest, maar dat werkte niet. Ze ging weg.” Hij kijkt naar de ventilator. “Divorced.”
Ze trekt een meelevend gezicht, een en al jeugd en zachtheid.
“Je bent zo beeldschoon, Ratree. Mag ik voor je zingen?”
Haar blik verandert even. Maar ze knikt, en ze glimlacht. Nog steeds. Robert gaat staat en schraapt zijn keel. Hij kijkt haar aan in die prachtige donkere ogen.
“Are you lonesome tonight…”
Met zijn voet tikt hij het ritme op het tapijt.
“Do you miss me tonight?”
Zijn stem vibreert.
“Are you sorry we drifted apart…”
En dan, ineens, haar stem, dik van accent:
“Does you memory stray to a bright summer day, when I kissed you and called you sweetheart?”
Van schrik gaat hij weer zitten. Ze giechelt.
“You have a nice voice, mister Robert.”
“Will you marry me?”
Ze glimlacht weer. “Maybe you take me to dinner?”

Standaard
Scrabble

Kom op

Het linkerwiel van mijn rolkoffer blokkeerde. Rosa liep al ver voor me uit, fantastisch blond haar dat danste in de wind. Ze keek achterom en lachte.
“Steef, vamos!”
“Ja, ja.” Ik stak een duim omhoog. “Komt helemaal goed. Vamos.”

Ergens in juni belde ze me.
“Het is echt te lang geleden dat we samen weg zijn geweest.”
“Samen weg?” Ik kon me niet herinneren dat we ooit samen weg waren geweest.
“Ja, samen op vakantie. Ik heb een aanbieding gevonden, retourtje Varadero voor € 850. Doen?”
“Ik weet niet. Achthonderdvijftig euro?”
“I know, niet normaal toch?”
“Dat is best veel geld.”
“Maar het is een retourtje Cuba. Dat is echt weinig.”
Ik denk dat ze hoorde dat ik zuchtte.
“Je kan ook thuis blijven zitten en scrabbelen. Kom op, doe niet zo flauw. Echt een goede deal, hoor.”
Dus we gingen. Vierentwintig uur onderweg, wat die goede deal bleek een tussenstop in Moskou te hebben, en geen vervoer van het vliegveld naar het resort.

We liepen het hotel in, zij fris en ongekreukt als een stewardess en ik… Ik had geen idee hoe ik eruit zag, maar waarschijnlijk bezweet en bereisd. In de lobby zaten twee gasten die door hun zonnebril heen haar lange benen bewonderden.
“Bienvenudo, como estan?” zegt het meisje achter de balie.
“Hola, estamos bien, gracias. Tenemos una reserva en nombre de Rosa Kolk.”
Ik stootte haar aan. “Sinds wanneer spreek jij Spaans?”
“Ah joh,” ze gooide haar haren over haar schouder. “Je pikt hier en daar wat op.”
“Natuurlijk.”
We kregen de sleutel en Rosa drentelde naar de lift alsof ze hier elk jaar kwam. En ik schuifelde achter haar aan met mijn blokkerende rolkoffer.
“Vanavond moeten we echt uit,” zei ze in de lift.
“Ik weet niet hoor. Ik ben vet moe van de vlucht.”
Ze lachte. “Wil je dan liever de hele dag scrabbelen? Kom op. Slapen kan als je dood bent.”
Dus we gingen.

Ze bestelde cocktails in hoge glazen en goot me vol met redbull, tot ik stond te springen op de dansvloer. Later was ze ineens met drie gespierde types en klaagde ze over hoe saai het was.
“Zij kunnen ons ergens anders naartoe nemen,” zei ze met een onbegrijpelijke knipoog. “Que bonito.”
Ik volgde en liet me belagen door een van de jongens. We liepen een heel stuk het strand op tot we ergens waren waar het naar vuur en vuilnis rook. Rosa hing aan een gespierde arm en giechelde. Ik voelde me dronken.
De jongens haalde zakjes tevoorschijn uit hun broeken die zo strak zaten dat ik me erover verbaasde dat er überhaupt wat in de zakken paste. Er was wit poeder dat we van een autosleutel naar binnen snoven. Een van de jongens zette muziek aan op zijn telefoon. Mijn dronken hoofd werd nog duizeliger, in mijn oren ruiste en bromde het. Later werd iedereen serieuzer en kwam er nog iemand, iemand met een strandtas waar we onder geen voorwaarde in mochten kijken. Rosa maakte afspraken die ik maar half begreep en ik stond op een afstandje toe te kijken, bewegend op de muziek. Af en toe knikte ze me geruststellend toe.

De volgende ochtend vond ik bij het aankleden een wit pak onderin mijn koffer. Rosa was nergens te bekennen. Ik stopte het wat dieper onder mijn kleren en ging op zoek. Ze lag in het zwembad, fris en opgewekt.
“Ik ben lekker vroeg opgestaan,” zei ze. “Leek me wel verstandig, we hebben maar een weekje. Zullen we naar het strand?”
“Ik weet niet of ik daar zin in heb.”
“Ja, en we kunnen ook gaan scrabbelen. Kom op. We zijn in Cuba. Dan kunnen we er maar beter van genieten.”
Dus we gingen.

Standaard
Geboortekaartjes

Zeventien

Het leek net dat liedje van Doe Maar. Willem haalde de tekst uit zijn geheugen naar voren en zong een stukje voor haar. Stom natuurlijk, zo’n toeval is veel te onwaarschijnlijk om waar te zijn.
Belle Helene,” zei ze. “Niet Belle Elaine.”
Maar dat was veel later. Als je terug zou gaan naar het begin, aan Willem zou vragen waar dat zou zijn, zou hij zeggen dat het – hoe toe passelijk – op een bruiloft was. Maar in zekere zin is dat een leugen. Het begon namelijk allemaal met een geboorte.

Toen hij haar voor het eerst zag was hij net negentien, de ideale leeftijd om jezelf naar de vernieling te helpen. Bob was twintig en een idioot. Ze volgden dezelfde opleiding, het tweede jaar Nederlandse Letterkunde aan de VU, en deelden een passie voor bier drinken en obscure muziek luisteren in een van de vele schemerige barretjes die Amsterdam rijk was. Willem woonde in een piepklein, smerig kamertje in West, Bob huurde een appartement met turqoise deuren in de Blasiusstraat. Samen met Marthe. Op een zaterdagavond nodigden Bob en Marthe Willem uit voor een diner, wat nog nooit was gebeurd, en Marthe kookte drie gangen voor hem, wat ze nog nooit had gedaan. Na het toetje dat een onuitspreekbare Franse naam vertelden ze hem dat Marthe zwanger was, zij stralend, hij met een grote lach maar ogen waar Willem angst in las. Zes maanden later kwam het geboortekaartje: Elaine is geboren! op een achtergrond van een van Marthe’s pogingen tot impressionisme. Willem zag zijn beste vriend wegzakken in het moeras dat vaderschap heette, afspraken werden afgezegd, geld moest bespaard worden en er werd iets afschuwelijks ingevoerd dat alcoholvrije vrijdag heette. Er waren vijf jaren waarin het contact langzaam verwaterde, vijf jaren waarin Elaine opgroeide van dikbenig roze frommeltje tot een kleuter met grote, donkere ogen. Willem begon vol zelftwijfel aan zijn carrière en daar pasten Bob en zijn kleine meisje niet in.

De uitnodiging voor Bobs tweede bruiloft kwam als een verrassing. Er was net een verbroken relatie, een blondine met een kinderwens die bij haar vertrek zijn hele muziekcollectie had meegenomen en daarna de helft weer voor zijn deur in een kartonnen doos had achtergelaten, de cd’s in de verkeerde hoesjes. Er waren verwijten, dingen die hij fout had gedaan, dingen waar hij niet aan wilde denken. De bruiloft van Bob-van-twaalf-jaar-geleden en ene Mercita was een welkome afleiding.

En terwijl die twee elkaar het jawoord toefluisterden, viel Willems oog op de brunette die haar blik over hem heen liet glijden alsof het haar handen waren. Hitsig ding. Ze bleven oogcontact maken tot het diner, waar hij tijdens het toetje naast haar ging zitten en zich voorstelde. Toen ze zei dat ze Elaine heette verslikte hij zich bijna in de aardbeienmousse.
“Bobs dochter?”
Ze knikte en dat was het enige wat ze erover zeiden. Ze hadden het over Bob en Mercita, over hoe Bob snel aan zijn tweede leg zou beginnen, over hoe Elaine walgde van het idee van een nieuw gezin. Later op de avond vroeg ze of ze met hem mee naar huis mocht.

Met haar achterop zijn oude fiets, haar handen om zijn middel, reden ze naar zijn huis zonder een woord tegen elkaar te zeggen. Hij opende de deur voor haar, liet haar voorgaan. Binnen ging ze onwennig op zijn bed zitten en keek hoe hij zijn jas uitdeed en hem samen met de hare ophing. Op dat moment werd hij getroffen door haar ogen. Ze keek zo jong. Dezelfde ogen als de kleuter van twaalf jaar geleden. Meteen kreeg hij spijt van zijn beslissing haar mee naar huis te nemen.

“Misschien moeten we…”
Ze schudde haar hoofd. “We moeten niks.”
Met haar smalle handen trok ze hem naar zich toe en op dat moment was er niets kinderlijks meer in haar gedrag. In een fractie van een seconde zwichtte hij. Daarna was er de volgende ochtend, licht dat door de luxaflex naar binnen scheen en de vorm van haar heup onder het laken. Ontbijt dat hij maakte, telefoonnummers die ze uitwisselden. En nog later was er Bob met zijn razernij, Bob die zijn fiets in elkaar trapte en stenen door zijn ruit gooide. Die dreigde naar de politie te gaan en hem aan te geven. En al die tijd was er dat nummer van Doe Maar, dat maar door zijn hoofd bleef spelen.

Standaard